19
nr. 37
16-06-1939

Dr F.L. Rutgers en Jhr Mr A.F. de Savornin Lohman over het oude, Gereformeerde, kerkrecht (III)

Op blz. 16 gaan deze schrijvers verder: „De oude bestaande Kerken, — dit was gelijk wij herinnerden, de rechtsbeschouwing waarvan men uitging, — hernamen” — nl. met de Hervorming — „hare oorspronkelijke zelfstandigheid en bepaalden zich eenvoudig tot eigen reformatie, met terzijdestelling van de priesterlijke hiërarchie”.

In eenen noot teekenen zij aan den voet der bladzijde nog aan: „Het spreekt wel vanzelf dat dit niet de beschouwing was van de Roomse hiërarchie. Volgens haar kon er hier geen sprake zijn van kerkhervorming, maar alleen van geestelijken en gemeenteleden, die zich individueel van de kerk afscheidden, de organisatie van haar bestuur eigenmachtig verwierpen en de wettige verordeningen willekeurig ter zijde stellen. Daartegenover hebben toen de Hervormers, en later de voornaamste woordvoerders der Gereformeerde Kerken, in tal van geschriften gesteld en betoogd, dat wel waarlijk de kerken als zoodanig nu gereformeerd waren, en dat zij recht hadden de pauselijke hiërarchie af te werpen. De zeer belangrijke strijd, die daarover gedurende anderhalve eeuw is gevoerd, betrof niet minder dan het recht der reformatie zelve, en voorts ook het recht der Gereformeerde Kerken op den ouden naam en titel, de oude bezittingen en rechten enz.”, blz. 16, noot 1.

Wanneer men nu bij het nieuwe kerkrecht weer de institutaire eenheid van eene classicale, provinciale, landelijke kerk poneert, met de meerdere kerkelijke vergaderingen als hoogere vergaderingen en besturen, dan komt daarmee wezenlijk de Roomsche redeneering tegen de Hervorming terug, en geldt daartegen wat onze Vaderen tegen deze Roomsche bewering m.m. (= met verandering van wat in dezen veranderd moet worden) ingebracht hebben.

Zij komen dan op het synodaal verband. „In de plaats toch van de hiërarchie kwam het synodaal verband, terwijl de Overheid de kerk, thans natuurlijk de gezuiverde kerk, gelijk voorheen als publieke kerk (probata = erkende) bleef beschouwen, en de andere kerken slechts als geduld (toleratae) toeliet”, blz. 17. „Historisch staat vast”, zeggen zij, blz. 18, „dat, alvorens hier te lande eene gemeenschappelijke organisatie der verschillende kerken tot stand kwam, in verschillende provinciën, vooral in die, welke thans tot België behooren, tal van geheel op zich zelve staande gemeenten ontstonden, onder leiding van eigen leeraars en consistoriën.” Dus niet eerst eene landelijke of provinciale eenheid of kerk, die hier en daar en ginds afdeelingen stichtte, maar voorop de plaatselijke, zelfstandige kerken, die daarna vrijwillig, hoewel naar Gods gebod, maar onderling zonder dwangoefening, tot eene gemeenschappelijke organisatie, eene confoederatie, overgingen of kwamen. „In 1868 kwamen te Wezel de voornaamste leiders der toenmalige Nederlandsche Gereformeerden bijeen, hoofdzakelijk om een concept te ontwerpen, dat tot leidraad voor verdere organisatie kon strekken, en waarin men dus de grondlijnen eener op Gereformeerde beginselen berustende kerkorganisatie terugvindt. Volkomen diezelfde grondlijnen vindt men in de Acta der eigenlijke Synoden, waar de kerken zelve met elkaar in verband treden; reeds van 1563 af in de Zuidelijke Nederlanden, en van 1571 af te Emden enz. …”, blz. 18. 

Zij zeggen dus: „waar de kerken zelve met elkaar in verband treden”. Het Gereformeerde kerkverband is eene onderling vrijwillige, hoezeer van Godswege verplichte, confoederatie. Als een beginsel wijzen zij dan op eene conceptbepaling, die daarna door de synoden als een artikel in de kerkenordening werd aangenomen en nog in onze K.O. staat. „In al die vergaderingen, ook in die te Wezel stond dit beginsel voorop: „geen kercke zal over een andere kercke, geen dienaar des Woorts, geen ouderling noch diaken zal d’een over de ander heerschappij voeren”, blz. 18. Zie K.O. art. 85, vroeger 84. Zij halen dan aan wat onderscheiden auteurs omtrent dit artikel schrijven, en wijzen op de overeenstemming van dit artikel met art. 31 onzer Geloofsbelijdenis, en met het betreffende artikel in de Fransche kerkenordening. Eén der gevolgen van dit beginsel was de bepaling, dat „de dienaren des Woords zich zelven in den dienst der kerken verbinden, daar ze van beroepen zijn”, schrijven zij op blz. 20. Daaruit volgde dan wederom”, zoo gaan zij voort, „dat de Predikanten, Ouderlingen, Diaconen, Leeraars, Schoolmeesters, etc.” (de gelijkstelling hier ter plaatse voor al deze ambten is opmerkelijk) „de Gemeynten, in welker dienst zij zijn, niet verlaten zullen zonder wettige kennisse der zake, ende tusschenkomende oordeel van de geheele Classis ofte Parochie; gelijk ook niet vrij zal staan de kerken haren Dienaar, Leeraar, Ouderling, etc. te verlaten, tenzij met toestaan van de Parochie ofte Provinciale Classis”, blz. 20 v.De ( ) met het ertusschen geplaatste zijn ook van de Heeren Rutgers en de Savornin Lohman. Hier wordt dus ook van Classis en Provinciale Classis gesproken, van het „tusschenkomende oordeel van de geheele Classis ofte Parochie”, en van het toestaan van de Parochie ofte Provinciale Classis”. 

Maar nu moeten wij letten op wat volgt. Zij schrijven: „Zoo luidde art. 18 van het Ve Capittel van het Wezelsche ontwerp. Doch om te doen uitkomen hoe zelfstandig de kerk bleef tegeover eene verzameling van kerken, bepaalde het volgend artikel: „Nochtans staan wij de Classicale Vergaderingen hier in geen regt toe over eenige kerke ofte hare diensten; tenzij dezelve dat vanzelfs zullen toestemmen;opdat de kerke niet tegens haar dank berooft werde van haar recht ende gezag”, blz. 21. Zie ook Acta van de Nederl. Synoden der zestiende eeuw, verzameld en uitgeg. Door F.L. Rutgers, blz. 27; en Kerkelijk Handboekje, uitgeg. door P. Biesterveld en Dr H.H. Kuyper, blz 23. 

S. GREIJDANUS.