19
nr. 32
12-05-1939

Confoederatie òf hiërarchie? (I)

Is het Gereformeerde kerkverband eene confoederatie, òf eene hiërarchie? Hebben de meerdere vergaderingen een eigen gezag, niet afgeleid van de kerken, maar een rechtstreeks door God haar gegeven gezag over de kerken, om deze zelfstandig te mogen gebieden, over haar kerkeraden en leden zelfstandig censuur te oefenen door schorsing en afzetting?

Zoo vroeg ik in het nummer van 14 april jl., belangende het kerkrechtelijk geschilpunt, dat tegenwoordig onder ons besproken wordt.

Het geschil gaat er niet over, of de meerdere vergaderingen gezag hebben, noch daarover of de kerk eene geestelijke eenheid is, welker eenheid ook zooveel mogelijk institutair tot haar recht moet komen, noch daarover, of Christus alle macht heeft over Zijne kerk, noch daarover of de macht, die de meerdere vergaderingen hebben, eene drievoudige is.

En met te poneeren, dat de meerdere vergaderingen gezag hebben, en dat dit gezag gefundeerd moet worden hierop, dat het lichaam van Christus één is, en God een God van orde is, en dat hier van drieërlei macht gesproken kan worden, en dat Christus alle gezag over de kerken heeft, raakt men dan ook het eigenlijke geschilpunt niet, en lost men het niet op, maar gaat men er slechts over heen of aan voorbij.

De quaestie is, welke de grond en welke de geaardheid en deels ook welke de omvang of uitgestrektheid zijn van de macht der meerdere vergaderingen.

 

In zijn brochure Is het nieuwe kerkrecht eene ernstige dwaling? Schrijft Dr J. van Lonkhuyzen in dezen: „Het gaat over zaken, die ons Gereformeerd kerkrecht in zijn hartader aantasten. Het gaat er over, of de meerdere vergaderingen onzer kerken niet meer, als tot nu toe, een afgeleid, opgedragen, saamgebracht, confoederatief gezag hebben – zooals in elke federatie, zij het hier een foederatie, die niet door willekeur is ontstaan, maar door innerlijke drang der eenheid in Christus en door de leering der Heilige Schrift – dan wel of zij een eigen, oorspronkelijk, primair, ambtelijk gezag, soortgelijk gezag als de kerkeraad bezitten, maar dan een hooger gezag zoodat zij kerkeraden kunnen afzetten, of in den boezem van kerkeraden of over den kerkeraad heen in een gemeente ambtelijk kunnen optreden, censureeren, casseeren, de plaats innemen van den kerkeraad en in de gemeenten doen wat des kerkeraads is.

Het gaat verder daarover, of ons kerkverband een foederatief verband zal zijn, waarin zelfstandige plaatselijke kerken samenkomen als zusterkerken, om overeenkomstig tesamen gemaakte bepalingen, een bepaalde taak te vervullen, vastgelegd en omschreven in Kerkenordening, om samen te handelen, opzicht en foederatieve tucht over elkaar uit te oefenen (vermanen, bestraffen, opdragen, uitsluiten) dan wel dat de groep kerken een institutaire eenheid zal zijn, een landelijke kerk zal zijn, waarvan de plaatselijke kerken onderdeelen zijn van een geheel, en welke landelijke kerk dan bestaat uit classicale kerken onder een classicaal bestuur, provinciale kerken onder een provinciaal bestuur, een landelijke kerk met aan het hoofd een generale synode.

Het gaat er verder over, of onze meerdere vergaderingen zullen zijn vergaderingen van kerken daar vertegenwoordigd door haar afgevaardigden, dan wel vergaderingen van personen (ambtsdragers)”, blz. 5.

 

Zijn die meerdere vergaderingen geene vergaderingen van kerken door hare afgevaardigden, maar van ambtsdragers, die daar krachtens hun ambt samenkomen en handelen; en zijn die meerdere vergaderingen kerkeraden, in denzelfden zin, en van hetzelfde karakter, als de kerkeraden der plaatselijke kerken, doch hooger dan deze, en boven hen staande met een eigen gezag van bevelen en heerschen, en om zelfstandig te mogen ordenen, censureeren, schorsen, afzetten, kerkeraden, kerkeraadsleden, andere leden der plaatselijke kerken; en hebben wij institutair classicale en synodale kerken in den zin als wij plaatselijke geïnstitueerde kerken hebben, dan, ik heb daar reeds vroeger en meermalen op gewezen, moet de Gereformeerde beschouwing van het plaatselijk karakter der ambten opgegeven en geheel gewijzigd worden. De ambtsdragers zijn dan tevens ambtsdragers met ambtelijke roeping en met ambtelijke macht in en over de kerken hunner classes en particuliere en generale synodes. Zij zijn dan pausen in het klein, d.w.z. datgene, wat de paus van zich beweert: ambtsdrager in en over de geheele kerk. En het goed recht van Afscheiding en Doleantie, zooals zij historisch gebeurd zijn, kan dan niet meer op steekhoudende wijze gehandheefd worden. Dan arme dwalende Ds H. de Cock en arme dwalende Dr A. Kuyper Sr, en arme dwalende Dr F.L. Rutgers.

 

Ik, en niet ik alleen, heb voor dit nieuwe kerkrecht het noodige Schriftbewijs gevraagd, en dat meer dan eens. En in „De Heraut” is dat bewijs meermalen toegezegd, maar steeds nog niet gegeven. Men beroept zich op dogmatici e.d.g. uit vroeger eeuwen. Maar het beroep op de Westminstersche Confessie bleek op Gereformeerd standpunt niet ontvankelijk, daar deze Confessie inzake Synodes een kerkrecht leert, zooals Koning Willem I het in 1815/1816 in toepassing bracht. Zie „De Reformatie” van 4 Nov. 1938. Het soortgelijke geldt betreffende Hoornbeek, vgl. „De Reformatie” van 29 April en van 6 Mei 1938. En de Synopsis maakt het wel niet zoo erg als de Westminstersche Confessie, doch kent aan de Overheid niettemin ook teveel macht toe betreffende het kerkelijk leven en de Synodes, zooals ook in „De Reformatie” van 4 Nov. 1938 aangewezen werd, hoewel zij in Disp. XLIX toch niet spreekt van het ingrijpen van meerdere vergaderingen om zich, in de plaats van kerkeraden te dringen, en „te doen wat des kerkeraads is”. Calvijn leert ten aanzien van de vergaderingen in Hand. 15 vermeld, evenmin eene overheidsmacht van die samenkomst of van Synodes, of eene hiërarchische overheersing der kerken door haar; vgl. het nummer van „De Reformatie” van 28 April 1939. Dit blijkt ook duidelijk, wanneer hij Inst. IV, 10, 21 schrijft: „Het helpt hen (de Roomschen) ook niet veel, dat zij om hunne tyrannie te verontschuldigen, het voorbeeld der Apostelen voorwenden. De Apostelen, zeggen zij, en de ouderlingen der eerste kerk hebben buiten het bevel van Christus een besluit vastgesteld, waarbij zij aan alle heidenen voorschreven, zich te onthouden van hetgeen den afgoden geofferd was, van het verstikte, en van bloed. Indien dit hun heeft vrijgestaan, waarom zou het dan niet ook hun opvolgers, zoo vaak de zaak het aldus eischt, vrijstaan, hetzelfde na te volgen? Maar och of zij zoowel altijd bij andere gelegenheden als in deze zaak hen navolgden. Want (wat met eene krachtige redeneering te bevestigen voor de hand ligt), ik ontken, dat de Apostelen daar iets nieuws ingesteld en besloten hebben. Immers, daar Petrus op dat Concilie (of die vergadering) uitspreekt, dat God verzocht wordt, wanneer een juk op den hals der discipelen gelegd wordt, werpt hij zelf zijne eigene uitspraak omver, wanneer hij er daarna mee instemt, dat eenig juk opgelegd wordt. Nu wordt het opgelegd, wanneer de Apostelen krachtens eigene autoriteit besluiten, dat aan de heidenen verboden moet worden, om hetgeen den afgoden geofferd is, bloed, en het verstikte, aan te raken. Wel blijft nog het bezwaar, dat zij niettemin schijnen te verbieden. Maar dat zal gemakkelijk opgelost worden, wanneer men den zin van het besluit zelf wat nader in oogenschouw neemt. Want het eerste in orde, en in gewicht het voornaamste punt daarvan is, dat aan de heidenen hunne vrijheid gelaten moet worden, en dat men voor hen geene verwarring moet aanrichten, of moeilijkheid veroorzaken over inachtnemingen van de Wet. Tot hiertoe treedt het (besluit) uitstekend voor ons beschermend op. En de uitzondering, die vlak daarop volgt, is ook geen nieuwe wet door de apostelen gegeven, maar een Goddelijk en eeuwig bevel Gods over het niet schenden van de liefde, en doet ook geen stip van die vrijheid af; maar zij maakt de heidenen er slechts opmerkzaam op, op welke wijze zij zich naar de broeders moeten schikken om hunne vrijheid niet tot aanstoot voor hen te misbruiken. Dit zij dus het tweede punt, dat de heidenen hunne vrijheid moeten gebruiken zonder schade aan te richten en zonder aan de broeders aanstoot te geven. Maar toch schrijven zij iets stelligs voor: voor zoover het voor dien tijd nuttig was, leeren zij namelijk en wijzen zij aan, met welke dingen zij voor de broederen tot aanstoot konden worden, opdat zij zich voor die dingen wachten; toch brengen zij bij de eeuwige wet Gods, die den aanstoot der broederen verbiedt, niets nieuws van het hunne aan”.

 

Bij zulk eene uiteenzetting van het besluit van de samenkomst te Jeruzalem in Hand. 15 kan het wel duidelijk zijn, hoe ver Calvijn er verwijderd van was, om die samenkomst als eene de kerken met overheidsmacht bevelende vergadering te beschouwen, die zich mocht opmaken om uit eigen autoriteit over de kerken te gaan gebieden en zich in te dringen in die kerken om hare ambtsdragers aan kant te zetten en zelve hun werk daar over te nemen. En uit Calvijns voorstelling van die samenkomst te Jeruzalem kan men dan ook het rechtmatige van zulke hiërarchische Synodes niet bewijzen.

Nu wees ik in mijn artikelen „Het wezen der meerdere vergaderingen volgens Voetius”, in „De Reformatie” van 29 april 1938 en volgende nummers aan, dat wij bij Voetius tweeërlei lijn kunnen onderscheiden: die der zuivere beginselen, en die van bepaalde praktijken. Daarom sprak ik van Voetius I en Voetius II. In zijne bovengenoemde brochure wijst Dr van Lonkhuyzen verband aan tusschen de Engelsche Presbyterianen, die een kerkrecht leerden als in de Westminstersche Confessie wordt beleden, èn Voetius II, en verband ook van beider beschouwingen met de opvatting onzer vaderen van de roeping der Overheid, zooals die in Art. 36 (onverkort) van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis beleden wordt. Hij spreekt van „een onjuiste Schriftopvatting, van overbrenging van specifiek Oud-Testamentische beginselen, waarnaar de Joodsche Kerk werd geregeerd, in de Nieuw-Testamentische bedeeling”, blz. 9, en schrijft: „De invloed van de Presbyterianen en Voetius en zijn kerkrechtelijke opvattingen – althans in zijn latere periode – wordt door een ieder toegegeven”, blz. 13. Na eene Inleiding geeft hij in deze brochure een hoofdstuk De oorsprong dezer dwaling en vervolgens een De aard dezer dwaling, en dan een De strekking dezer dwaling, en eindelijk een De invoering dezer dwaling, met een Besluit, om ten slotte eene bijlage te geven De Presbyterianen, Voetius II en het nieuwe kerkrecht. Nu is het waar, dat in deze bijlage de vertaling niet steeds correct is, waarop Mr M. Bouwman wijst in „De Heraut” van 30 April jl. maar vooreerst betreft dit slechts de bijlage, en staat het voorafgaande betoog daar vrijwel geheel los naast, en in de tweede plaats veranderen deze minder gelukkige weergaven hier en daar, de hoofdstrekking van het gansche van Voetius aangehaalde en vertaalde stuk niet. In plaats echter van zonder behoorlijke weerlegging deze brochure aan de kant te willen schuiven, zou Dr M. Bouwman beter handelen, wanneer hij althans trachtte met ernstige argumenten haar te weerlggen. En Ds J. Douma te Britsum moest zich voortaan maar onthouden van quasi-geestige verdachtmakingspogingen zonder degelijke argumenteering en redeneering; welk schrijven van hem de hoofdredacteur van „De Heraut” vlug weer overnam. Och ja, Hugo de Groot geloofde aan Gods bestaan. Ds J. Douma en Dr H.H. Kuyper doen dat ook. Nu, nu, is dat niet zeer bedenkelijk voor deze twee? Hebben zij soortgelijke denkbeelden als Hugo de Groot, die Remonstrant?! Helaas, dat zulke mannen soms schijnen te meenen, dat zij bij de discussie hunne kracht niet moeten zoeken in degelijke argumentatie.

S. GREIJDANUS.