nr. 3196
23-04-1939

De drieërlei macht (XIV)

Het moge eenigszins verwonderen, dat de Synopsis voor de Goddelijke instelling en de macht der synodes in de eerste plaats een beroep doet op het Oude Testament (Art. II) en wel op de Synagoge en het Sanhedrin. Niet alleen, dat men dit beroep op de Synagoge en het Sanhedrin als onjuist gewraakt heeft, maar men heeft daaraan zelfs toegeschreven de geheel verkeerde opvatting, die met en na de Synode van Dordt zou zijn opgekomen, omtrent de bevoegdheid der Synodes, alsof deze een opperste gerechtshof zouden zijn. Intusschen is deze voorstelling stellig niet juist. Reeds Bullinger had in zijn De Concilius folio 130 er op gewezen, toen hij het nut der synodes bepleitte, dat Mozes en Jozua, de Richteren, de Koningen, de Priesters en het Israëlitische volk, naar de Schrift zegt, zich door conciliën uit de grootste moeilijkheden hadden gered en in deze conciliën over de gewichtigste zaken beslist hadden; om eerst daarna als voorbeeld te wijzen op het uitnemendste concilie, dat te Jeruzalem gehouden was door de Apostelen, Hand. 15. Evenzoo deed de Gereformeerde Theoloog Polanus à Polansdorff, die zeide, dat de conciliën door de Propheten en Apostelen gehouden, een Goddelijke autoriteit hebben, zoodat het zonde tegen God is hun in welke zaak ook iets van deze autoriteit te ontnemen. En om nog een derde getuigenis aan te halen, ook Alsted, over de synodes en haar gezag handelende, zegt, dat zich hierbij in de eerste plaats als voorbeeld aanbieden de conciliën van het Oude Testament en dat het den Theoloog ten zeerste schaadt met deze geen rekening te houden. Het betaamt niet den blik zoo uitsluitend gericht te houden op de conciliën van het Nieuwe Testament, zegt hij, dat we daardoor vergeten die oude conciliën, wier goede beschouwing zeer veel er toe bijdraagt om de natuur van een concilie beter te verstaan.

Natuurlijk is dit beroep, dat onze Theologen deden op het Oude Testament om den Goddelijken oorsprong der Synodes te bewijzen, niet bedoeld in dien zin, alsof er bij Israel reeds Synodes in onzen zin zouden gehouden zijn, waar afgevaardigden van Kerken saamkwamen. De teksten, die men als bewijsplaatsen aanhaalde, waren Num. 11: 16, Deut. 17: 8, II Kron. 19: 8, 11, Psalm 122: 4, 5 en deze toonen dit wel anders aan. Er is in die Schriftuurplaatsen sprake van rechtzaken die beslist moesten worden en die niet alleen de burgerlijke of politieke wet maar ook de ceremonieele en moreele wetten golden, die God aan Israel gegeven had. Waar Mozes den last te zwaar vond om deze zaken alleen af te handelen, beveelt God hem om zeventig oudsten uit het volk te kiezen. Nog nader wordt dit instituut geregeld in Deut. 17: 8 waar God beveelt, dat wanneer een rechtzaak te zwaar is voor den gewonen rechter, men zou gaan naar de plaats, die God verkiezen zou (d.w.z. te Jerusalem) tot de Levitische priesters en den rechter aldaar en dat deze de beslissing zouden geven naar het bevel der wet, die zij u zullen leeren, en naar het oordeel, dat zij u zullen geven, zult gij doen. Daarop ziet ook wat de Psalmdichter zegt, dat de stammen zouden opgaan naar Jerusalem, want dààr zijn de stoelen des gerichts gezet. Waar blijkbaar een tijdlang dit hoog gerechtshof te Jerusalem had opgehouden te bestaan, heeft Josafat het hersteld. Het bestond uit levieten, priesters en hoofden der vaderen van Israel, zooals de Kroniekschrijver verhaalt. Er werd daarbij echter onderscheid gemaakt tusschen wat de Kroniekschrijver noemt de zaken des Heeren, waarover de hoofdpriester zou staan, en de zaken des Konings, waarover een vorst uit het huis van Juda werd gesteld. Dit hoog gerechtshof nu heeft tot in Christus’ dagen bestaan; het was het Sanhedrin, dat bestond uit de hoofdpriesters, de Schriftgeleerden en de ouderlingen zooals blijkt uit Matth. 16: 21 en 26: 3.

Na deze teksten, waarop men zich beriep voor den Goddelijken oorsprong der Synodes in het Oude Testament, toegelicht te hebben, zal de beteekenis daarvan naar ik meen thans duidelijker zijn geworden. Er was te Jeruzalem op Gods bevel een vast college uit priesters en rechters bestaande, dat in hooger instantie uitspraak had te doen over twistzaken en geschillen de wet Gods betreffende. In zekeren zin kon dit college een kerkelijke vergadering worden genoemd, zooals de Synopsis terecht zegt, want de priesters en levieten hadden hierin zitting, maar het theocratisch regiment van Israel bracht mede, dat het een gemengd college was, dat tegelijk een politiek karakter droeg, zoodat ook de burgerlijke rechters er zitting in hadden. De zaken echter, die er behandeld werden evenals de personen, die ze behandelden, waren toch duidelijk onderscheiden, zooals de verordening van Josafat bewijst. Streng was deze grenslijn echter niet getrokken, zegt de Synopsis, want de Goddelijke wet omvatte ook de politieke wet en de handhaving daarvan was in het algemeen zoowel aan de priesters en de levieten als aan de rechters toebetrouwd. Houdt men nu in het oog, dat na de ballingschap overal plaatselijke Synagogen waren ontstaan, die in zekeren zin praeformaties waren van de plaatselijke kerk, omdat zij religieuse gemeenten vormden en godsdienstoefeningen hielden, dan is het wel te begrijpen, dat men een parallel trok tusschen dezen in Israel bestaanden toestand en hetgeen daarna in de Christelijke kerk is geworden. Ook deze Synagogen toch hadden „oudsten”, die een raad vormden, voorts een leider of voorganger en zelfs een armenverzorger, terwijl zij kerkelijke straffen konden opleggen zooals den ban. Boven deze Synagogen nu stond het Sanhedrin te Jerusalem, dat uit de priesters en ouderlingen bestond. Campegius Vitringa in zijn De Synagoga vetere Libri tres, pag. 598 beweert zelfs, dat de Christelijke Synode te Jerusalem door de Apostelen gehouden, verordend is naar het voorbeeld van het Sanhedrin te Jerusalem, dat over alle heilige zaken in en buiten Jerusalem te beslissen had; oordeelde over alle vraagstukken van gewicht de wet betreffende, en over alle twijfelachtige zaken uitspraak deed, welke uitspraak door alle Synagogen te aanvaarden was”. Ook Calvijn, zoals ik vroeger aantoonde, beschouwde het Sanhedrin te Jerusalem als een wettige Synode van de Joodsche Kerk, al haalde hij dit voorbeeld aan om te bewijzen, dat zelfs wettige Synodes dwalen kunnen. Trouwens Christus zelf heeft de wettigheid van het Sanhedrin als rechter in hoogste instantie erkend, toen hij zeide, dat zoo wie op zijn broeder ten onrechte toornig is, strafbaar zal zijn door het gericht en wie tot zijn broeder zegt: raka, strafbaar zal zijn door den grooten raad, d.w.z. door het Sanhedrin te Jerusalem. (Matth. 5: 22).

Laat me hieraan nog mogen toevoegen, dat ook Voetius evenals de Synopsis zich op het Oude Testament beroepen heeft, want als 2e argument voor de Synodes en haar Goddelijke autoriteit voert hij aan dat „hoewel de Joodsche Kerken in het Oude Testament verdeeld waren over verschillende particuliere Synagogen, er toch een macht was boven haar n.l. het Sanhedrin, aan ’t welk zij onderworpen waren, waaruit volgt, dat er ook nu van gelijke zulk een macht (d.w.z. boven de plaatselijke kerken) is”. Dit argument verdedigt hij dan nog nader tegen de Independenten, die dit beroep op de Joodsche Kerk wraakten, omdat er verschil in bestaanswijze was tusschen de Joodsche en de Christelijke Kerk (Pol. Eccl. Pars III p. 164).

Intusschen zou men zich toch ten eenen male vergissen, wanneer men uit dit beroep, dat de Synopsis en al onze Gereformeerde theologen op het Oude Testament hebben gedaan, zou willen afleiden, dat ze daardoor er toe gekomen zijn, om aan onze Synodes evenzeer een gemengd politiek-kerkelijk karakter toe te kennen en op dien grond haar bevoegdheden toe te schrijven, die bij Israel voortvloeiden uit het theocratisch regiment. De Synopsis zelf weerspreekt deze voorstelling zoo beslist mogelijk, want ze wijst juist met de klaarste en duidelijkste woorden het onderscheid tusschen den Joodschen kerkstaat en de Christelijke kerk aan. Ze ziet wel in het Oude Testament, zoals Voetius het uitdrukt, een analogie, maar van het verschil is ze zich volkomen bewust. Want na op het Oude Testament te hebben gewezen, zegt ze, „dat in het Nieuwe Testament de Kerk van Christus niet meer met één volk samenvalt, maar tot alle volken is uitgebreid en daardoor haar nationaal karakter, dat ze bij Israel had, heeft verloren; dat de Joodsche staatsinrichting de volken, omdat ze Joodsch was, niet meer verbindt en dat er nu een scheiding of losmaking van den band heeft plaats gehad tusschen de regeerders van het gemeenebest en de dienaren der kerk, zoowel ten opzichte van de personen als van de vergaderingen en de zaken, die te behandelen zijn”. Een samenstrengeling van staat en kerk, zooals die uitkwam in het gemengd karakter van het Gerechtshof of Sanhedrin te Jerusalem, dat tegelijk een kerkelijk en politiek college was, wijst de Synopsis dus principiëel af. Een dergelijk voortdurend zittend, in vasten vorm saamgesteld en eenig gerechtshof of college als het Sanhedrin heeft Christus voor de algemeene kerk niet ingesteld, zegt de Synopsis, maar wel een, die naar den aard van voorval ende zaken heeft saam te komen.

De voorbeelden daarvan in het Nieuwe Testament worden dan door de Synopsis opgenoemd, waarbij men wel in ’t oog heeft te houden, dat de Synopsis onder Synode hier verstaat een kerkelijke vergadering. Ze zijn: de eerste Synode te Jerusalem ter verkiezing van Matthias tot Apostel Hand. 1: 15; de tweede bij de instelling der diakenen Hand. 9; de derde bij de beslissing inzake de controvers over de onderhouding der Joodsche wet Hand. 15 en de vierde toen de zaak van Paulus behandeld werd, die was aangeklaagd als verlater van de wet Hand. 21. Maar al noemt de Synopsis op het voetspoor van Bullinger deze vier kerkelijke vergaderingen als voorbeeld, ze erkent toch de gansch bijzondere beteekenis, die de Synode te Jerusalem, waarvan Handelingen 15 spreekt, voor onze Synode heeft. Hier alleen, zegt ze, heeft men een volledige Synode gehouden en wel een algemeene, daar er behalve Joden ook afgevaardigden der andere volken waren; en hier is het archetype en voorbeeld vastgesteld, naar welks vorm de overige Synodes behooren ingesteld en geconformeerd te worden”. 

Hetzelfde wat Calvijn reeds gezegd had bij zijn exegese van Handelingen 15. De Synopsis ziet dus evenzeer als Calvijn in deze Synode te Jerusalem het door Christus ons geschonken voorbeeld om ons te leeren, niet alleen dat er zulke Synodes behooren gehouden te worden, maar ook de aanwijzing, wat haar taak en wat haar bevoegdheid is. Wanneer de Synopsis dan ook verder handelen gaat over de personen, de zaken, de bevoegdheid en de synodale handelingen, dan beroept ze zich telkens op de Synode te Jerusalem als bewijs.

H.H.K.