nr. 3191
19-03-1939

De drieërlei macht (X)

Na het getuigenis van Calvijn beluisterd te hebben, zou ik thans de achtbare rij van onze theologen aan ’t woord moeten laten komen, om te doen zien, hoe ook zij evenals Calvijn de Synodes gronden op Goddelijk voorschrift en aan de Synodes de drieërlei kerkelijke macht, de dogmatische, de ordenende en de juridische macht, toekennen. Het spreekt echter vanzelf, dat in een weekblad als de „Heraut” een dergelijk uitvoerig getuigenverhoor niet wel mogelijk is en ik me daarom zal moeten beperken. Noodig is zulk een breede reeks van citaten van onze dogmatici en canonici ook niet, omdat wat ze zeggen op hetzelfde neerkomt en niemand ontkend heeft, dat onze beste dogmatici en canonici te dezen opzichte getrouw het voetspoor van Calvijn hebben gevolgd. Martinus Vitringa, die de historische annotaties gaf bij de Doctrina Christianae Religionis van zijn vader, den hoogleeraar Campegius Vitringa, zegt terecht, dat het meerendeel onzer Theologen van gevoelen zijn, dat de conciliën juris divini d.w.z. van Goddelijken rechte zijn en hun oorsprong afleiden uit Hand. 15, 1) een getuigenis dat te meer waarde heeft, omdat Campegius Vitringa zelf dit gevoelen niet deelde. Trouwens, niet alleen onze Gereformeerde Theologen namen dit standpunt in. Men kan gerust zeggen, dat dit het standpunt was van alle Christelijke Theologen zonder uitzondering uit de verschillende Kerken, zoodat men hier te doen heeft met een consensus unanimis, een eenstemmig getuigenis van heel de Christelijke Kerk. Bellarminus, de Roomsche theoloog, grondt evenals Calvijn dit deed den oorsprong der Synodes op hetgeen Christus zelf gezegd heeft in Matth. 18 en wijst er op, dat de Apostelen naar Christus’ woord het eerst zulk een Synode hebben gehouden te Jeruzalem, zooals blijkt uit Handelingen 15 2). En dat ook de Luthersche Theologen hierover niet anders geoordeeld hebben, toont het getuigenis van Buddeus, die uitdrukkelijk het gevoelen bestrijdt van hen, die in de vergadering der Apostelen te Jeruzalem geen Synode zagen, maar slechts een toevallige samenkomst met de afgevaardigden uit Antiochië, welke met een soort compromis was geëindigd. Buddeus verdedigt daartegenover, dat „al de wezenlijke kenmerken van een Synode reeds in deze samenkomst der Apostelen waren te vinden; dat zij daarom terecht een Synode mag genoemd worden, die met gezag is opgetreden en door een solemneel decreet aan de bestaande controvers een einde heeft gemaakt. Daarin is ook ons aangewezen, zegt hij hoe dit het beste middel is om zulke geschillen, die in de kerken opkomen, te beslechten en de oorsprong der Synodes wordt dus terecht van deze samenkomst te Jerusalem afgeleid” 3). Zelfs de independenten hebben in hun Savoydeclaratie erkend, dat het houden van Synodes om geschillen te beslechten naar den geest van Christus was en dit gegrond op Handelingen 15. Het Goddelijk recht van de Synodes werd niet door hen ontkent, maar wel werd betwist, dat deze Synodes een beslissende macht zouden hebben. Die macht had de Synode te Jerusalem wel, omdat de Apostelen daar tegenwoordig waren, maar hebben onze Synodes niet, omdat het Apostolaat daar ontbreekt.

Eerst later, zooals we zien zullen, is dit Goddelijk recht der Synodes ontkend en heeft men het houden van Synodes alleen aanbevolen op grond van hun nuttigheid. Een standpunt, dat Dr A. Kuyper terecht Pelagiaansch heeft genoemd. Natuurlijk ontkende men toen ook, dat de samenkomst te Jerusalem een synodaal karakter had gedragen en als een Goddelijke aanwijzing of voorschrift voor ons gelden kon. Reeds bij de Coccejanen en Cartesianen vond men deze voorstelling, maar vooral bij de voorstanders van het zoogenaamde Collegiale kerkrecht in Duitschland zooals Boehmer e.a. Het Collegiale kerkrecht ziet in de kerk niet anders dan een menschelijke vereeniging, wil van een Goddelijk recht in de Kerk niets weten en kan dus ook het instituut der Synodes niet op een Goddelijke aanwijzing of voorschrift gronden.

Onze Gereformeerde Theologen en Canonici hebben echter, althans in hun beste periode, het instituut der Synodes wel op het Goddelijk recht gegrond en als bewijs daarvoor naar Hand. 15, het zoogenaamde Apostelconvent of zooals zij het steeds noemden de Synode te Jeruzalem verwezen. Ik neem als voorbeelden slechts enkele theologen van naam uit verschillende landen, waar het Calvinisme ingang heeft gevonden.

Wat de Gereformeerde Kerk in Duitschland betreft is wel een der meest bekende theologen ZACHARIUS URSINUS, de medeopsteller van onzen Catechismus. In zijn epilogus op de Admonutio de libro Concordiae zegt hij „dat zoo dikwijls geschillen ontstaan over gewichtige zaken, niet van privaten maar van publieken aard, die wanneer ze niet bijgelegd worden bij velen ergernis geven, een Synode moet gehouden worden en dat de Heilige Geest dit geneesmiddel, om de wonden der kerk te heelen, ons heeft aangewezen door den raad en het voorbeeld der Apostelen; dat het geeischt wordt door Goddelijk en menschelijk recht en dat de ervaring bewezen heeft, dat wanneer het wettig gebruikt wordt, het voor de kerk heilzaam is geweest, wanneer er zeer ernstige dogmatische verwarringen ontstaan waren” 4). Ook de bekende Canonicus ZEPPERUS, die een Politia Ecclesiastica schreef en daarin handelde over het nut en de noodzakelijkheid van het houden van Synodes beroept zich daarvoor op hetgeen in Hand. 15 ons wordt meegedeeld en noemt deze samenkomst van Paulus en Barnabas met de Apostelen en de ouderlingen te Jerusalem een Synode. 5) En om uit de Gereformeerde Kerk in Duitschland nog een derde getuige aan te halen, Alsted zegt, dat „de oorsprong der conciliën Goddelijk is”, dat „het instituut der Synodes berust niet op menschelijk maar op Goddelijk recht” en verwijst daarvoor inzonderheid naar Hand. 15, waar „in de Generale Synode te Jerusalem ons het archetype en voorbeeld is gegeven, naar welks vorm de volgende Synodes moeten worden ingericht”. 6)

Wat de Gereformeerde Kerken in Zwitserland betreft, moge ik volstaan, al zou ik mij ook op BULLINGER kunnen beroepen, die, wanneer hij het nut der Synodes aanwijst om daartoe als een heilig plechtanker de toevlucht te nemen, wanneer het schip der kerk door stormen heen en weer bewogen wordt, zich daarvoor beroept op „het beroemdste concilie, dat te Jerusalem door Christus’ eigen discipelen is gehouden”, 7) met te verwijzen naar den bekenden Geneefschen hoogleeraar F. TURRETINUS, die onder de Zwitsersche theologen der 17e eeuw wel de eereplaats inneemt. Na het nut en de noodzakelijkheid der Synodes voor het welzijn der kerk in het licht te hebben gesteld, gaat hij dan aldus voort: „De Apostelen zijn ons hierin met hun voorbeeld voorgegaan toen zij, nadat er twist was ontstaan over de vraag of de Mozaïsche wetten te onderhouden waren of niet, terstond een Synode hebben saamgeroepen Hand. 15: 6. Hoewel de Apostelen onfeilbaar waren en daarom alleen dezen twist hadden kunnen beslechten, hebben ze toch onder de leiding des Heiligen Geestes door hun voorbeeld de orde willen voorschrijven, die bestendig in de kerk zou van kracht zijn na hun heengaan”. 8) Ook naar wat Christus zegt in Matth. 18: 20 verwijst Turretinus.

Wat nu de macht betreft, die aan deze Synodes toekomt, zegt Turretinus, dat „de drievoudige macht der kerk, waarover hij in de voorafgaande capita gehandeld had, niet alleen wordt uitgeoefend door de kerkeraden maar ook in de Synodes of conciliën, die buitengewone vergaderingen zijn van meer kerken van een zelfde provincie of naties, die saam verbonden zijn.” 9) „De Synodes kunnen met drie dingen zich bezig houden, die in de kerken voorkomen: 1e de geloofsdogmata, 2e de canones of regeeringsinstellingen en 3e de oefening der tucht ten opzichte van hen, die hetzij in de leer of in de zeden op verderfelijke wijze dwalen”. 10) Wat de laatste macht betreft, zegt Turretinus dat ze die uitoefenen als „rechters door de kerk aangesteld om kerkelijke straffen op te leggen aan zondaren”. Men ziet, dat Turretinus dus geen oogenblik aarzelt deze drieërlei kerkelijke macht niet alleen aan de kerkeraden, maar evenzeer aan de Synodes toe te kennen en dit met name doet ook ten opzichte van de disciplinaire macht om zondaren te straffen. De tegenwerping dat dit alleen bedoeld zou wezen als een praeformatief oordeel door de Synode uitgesproken, maar waarvan de uitvoering zou moeten overgelaten worden aan den kerkeraad, omdat deze alleen de sleutelen van de tucht heeft ontvangen, kan dus voor Turretinus zeker niet gelden. Dezelfde tuchtmacht, die hij aan de kerkeraden had toegekend op grond van Gods Woord, schrijft hij ook aan de Synodes toe. De leden der Synode zitten als rechters, die straffen. Een rechter nu praeformeert geen oordeel, maar spreekt zelf het oordeel uit en zorgt zelf dat het uitgevoerd wordt. Laat me hieraan nog mogen toevoegen, dat ook de Geneefsche Hoogleeraar BENEDICT PICTET, die in de 18e eeuw leefde, evenals zijn voorganger, aan de Synodes deze drievoudige macht toekent, met name om tucht te oefenen, zelfs om te excommuniceren zoowel de ketters als degenen, die een ergerlijk leven leiden 11).

H.H.K.

1) C. Vitringa, Doctrinae Christianae religionis Pars IX t. I p. 583.
2) Bellarminus, Disp. De controversiis christianae fidei. Het citaat ontleen ik aan Vitringa I. c. p. 584.
3) Buddeus Instit. Theol. Dogm p. 1214. Ik ontleen dit citaat evenzoo aan Vitringa. In het Compendium van deze Institutiones door Walch bezorgd, dat ik bezit, zegt Buddeus, zij het verkort, hetzelfde p. 770.
4) Z. Ursinus, Opera, 1612 t. II. p. 686.
5) W. Zepperus Politia Ecclesiastica, 1607 p. 712, 713.
6) Alsted’s citaat ontleen ik aan Vitringa I.c.p. 583 en 585.
7) Bullinger’s citaat ontleende ik aan Vitringa I. c.
8) F. Turretinus, Institutio Theol. Elenct. t. III p. 343, 344.
9) L. c. p 342.
10) L. c. p. 346, 347.
11) B. Pictet, La Théologie Chrétienne, 1731 t. II, p. 504 en 506.