nr. 3189
05-03-1939

De drieërlei macht (VIII)

Het derde deel van de kerkelijke macht, dat in de rechtspraak is gelegen, behandelt Calvijn in Hoofdstuk XI van het vierde Boek zijner Institutie. Hier nu is het ongetwijfeld juist, dat Calvijn er voor opkomt, dat deze rechtspraak inzonderheid aan den kerkeraad is gegeven. Noch bij de leermacht, noch bij de macht om wetten of inzettingen te maken had hij dit gedaan. Eer integendeel wees hij er op, dat de Synodes geroepen waren om over leergeschillen uitspraak te doen en volgt dit evenzeer uit wat hij gezegd had van de noodzakelijkheid om wetten te maken, teneinde de eendracht der kerken te bewaren. Bij de rechtsprekende macht daarentegen begint Calvijn met juist zoo sterk mogelijk op den voorgrond te stellen, dat naar de Schrift de kerkeraden zijn ingesteld om censuur te oefenen over de zeden, de fouten te straffen en het ambt der sleutelen te bedienen. Hij beroept zich daarvoor niet alleen op plaatsen als 1 Cor. 12: 28, Rom. 12: 8 en 1 Tim. 5: 17, waar sprake is van regeerders der Kerk, onder welke regeering volgens hem ook het toezicht op de zeden behoort, maar inzonderheid op de sleutelmacht door Christus aan de gemeente gegeven om te binden en te ontbinden (Matth. 18: 18). Hij doet dit echter niet, zooals terstond blijken zal, omdat hij aan de Synodes deze rechtsprekende macht ontzegde, maar wel om op te komen tegen het misbruik, dat in de Roomsche kerk was binnengeslopen die deze censuur aan de ouderlingen had onttrokken en aan de bisschoppen opgedragen. Dat nu noemt Calvijn hierarchisch en hij wijst er op, hoe in de oude Kerk, zooals uit Cyprianus’ geschriften blijkt, de algemeene wijze van doen nog was, dat door den raad der ouderlingen de rechtspraak der Kerk werd geoefend (§ 6). Met schrille kleuren schildert hij dan tot welk misbruik en welke ontaarding deze hierarchische tuchtoefening zowel bij de bisschoppen als inzonderheid bij de pausen had geleid.

Na dit donkere tafereel geteekend te hebben, gaat Calvijn er dan toe over om uit de Schrift aan te geven, hoe deze tucht moet gebruikt worden naar Christus’ ordinantiën. Om dit onderwerp te beter te behandelen, deelt hij de kerk in twee deelen: de geestelijken, zooals hij ze noemt, d.w.z. die een openbaar ambt in de kerk bekleeden, en het volk (§ 1). Eerst handelt hij over de tucht, aan welke allen onderworpen zijn en die door den kerkeraad moet worden geoefend, waarbij hij op handhaving van de tucht aandringt, maar tegelijk waarschuwt tegen al te groote gestrengheid ten opzichte van de gemeenteleden.

In § 22 gaat hij dan over tot de speciale tucht, die betrekking heeft op de ambtsdragers zelf welke een veel strenger karakter moet hebben, en deze tucht moet volgens Calvijn geoefend worden door de Synodes, waarin deze ambtsdragers bijeenkomen. Calvijn verwijst daarvoor met instemming naar de canones der oude kerk, toen er nog vrome en heilige bisschoppen waren, en stelt die canones voor de kerk ten voorbeeld. Te verwonderen behoeft dat niet, want in Hoofdstuk IV § 4 had hij, na de regeeringswijze, die in de oude kerk bestond met haar provinciale synodes en algemeene conciliën besproken te hebben, gezegd dat deze inrichting wel door sommigen, doch ten onrechte, een hierarchie was genoemd, maar dat de Heilige Geest toen juist had willen verhoeden, dat iemand zou droomen van oppergezag of heerschappij, wanneer het gaat over de regeering der kerk. Bezien we de zaak zelf, afgezien van den onjuisten naam, dan zullen we vinden, zegt hij, dat de oude bisschoppen geen anderen vorm van kerkregeering hebben willen verzinnen dan dien, welken God in Zijn Woord heeft voorgeschreven. Het is daarom dat Calvijn zich op deze oude canones kon beroepen wat het tuchtrecht betreft, omdat ze volgens hem met Gods Woord in overeenstemming waren.

In de eerste plaats nu bestond deze tucht daarin, dat de kerkedienaren zich te gedragen hadden naar de regelen, die oudtijds gemaakt werden om hen in alle eerbaarheid te houden, zooals ― Calvijn geeft enkele voorbeelden, ― dat een kerkedienaar zich niet mocht overgeven aan jacht, kaartspel, braspartijen; dat ze geen woeker of koophandel mochten drijven en dat ze niet tegenwoordig mochten zijn bij onkuise danspartijen en dergelijke dingen meer. En opdat niemand deze verordeningen overtreden zou, hebben de oude Conciliën, zegt Calvijn, het raadzaam geacht degenen te straffen, die aan deze regelen niet wilden gehoorzamen. Tot dit doel waren de jaarlijksche kerkvisitaties en de Synodes ingesteld, opdat een ieder, die in zijn ambt onachtzaam was, vermaand zou worden en indien iemand gezondigd had, hij naar de mate van zijn vergrijp zou gestraft worden. Ook de bisschoppen zelf werden hier geoordeeld, indien ze iets tegen hun plicht bedreven hadden. „Was een bisschop te hard of te streng tegenover zijn geestelijkheid, dan kon degene, die zich beklaagde, al was het slechts één, die dit deed, ter Synode komen en de zaak werd behandeld.” Niemand, daarop legt Calvijn den nadruk, was van deze tucht uitgezonderd, zelfs de bisschoppen niet. En de straffen, die de Synodes uitspraken, waren zeer gestreng. Want indien men bevond, dat iemand van zijn gezag misbruik had gemaakt of in zijn ambt zich misdragen had, dan zette men hem af en somtijds ontzegde men hem het Avondmaal of excommuniceerde men hem voor een zekeren tijd”. 1) Dat zulk een strengere tucht ten opzichte van de kerkendienaren naar het hart van Calvijn was, behoeft wel geen betoog. „Zoolang deze gestrengheid haar kracht behield eischten de ambtsdragers met hun woorden niet meer van het volk dan zij met hun eigen voorbeeld en daad deden, zegt hij. Ja, ze waren veel strenger jegens zich zelf dan tegen het volk. En inderdaad behoort het zoo, dat het volk met een zachter en laksere tucht (om zoo te zeggen) geregeerd wordt, maar de ambtsdragers onder elkaar scherper censuur oefenen en bij zich zelf veel minder door de vingers zien”.

Dat Calvijn, al kwam hij op tegen de Roomsche hierarchie en al handhaafde hij naar Gods Woord het recht van den kerkeraad om tucht te oefenen over het volk of de gemeenteleden, toch ten opzichte van de tucht over de ambtsdragers anders oordeelde, is dus duidelijk. Deze tucht moest geoefend worden door kerkvisitaties en vooral door de synodes. Ieder had het recht, wanneer een ambtsdrager zich misdroeg, bij de synodes een klacht in te dienen en die klacht moest dan onderzocht worden. Die tucht moest dienen om de ambtsdragers te houden aan de canones of kerkelijke bepalingen voor hen gesteld inzonderheid wat hun levenswandel betreft, waarvoor strengere eischen bestonden. Strafwaardig was het echter vooral, wanneer ze misbruik maakten van hun ambtelijk gezag of zich aan wanbestuur schuldig maakten. En die straffen waren zeer streng. Want dan moesten de schuldigen niet alleen afgezet worden uit hun ambt, maar de Synode kon hun ook voor een zekeren tijd het Avondmaal ontzeggen, ja zelfs, zooals de Fransche tekst heeft, hen excommuniceeren. Dat dit alles alleen zou gelden ten opzichte van de bisschoppen of zoo men wil predikanten, zegt Calvijn niet. Hij spreekt van de tucht over de geestelijkheid in het algemeen, d.w.z. over allen, die een kerkelijk ambt bekleeden. Dat een kerk, die geheel op zich zelf staat en geen verband met andere kerken heeft, zooals te Genève, zelf deze tucht op de ambtsdragers heeft te oefenen, spreekt van zelf en te Genève geschiedde dit dan ook door den Kerkeraad. Maar voor een kerk die in kerkverband leeft, was dit de regel niet. Hier moest de tucht over de ambtsdragers door de kerken gemeenschappelijk geoefend worden. Zoo was het in de oude kerk geweest en zoo wilde Calvijn, dat het ook nu zou zijn.

Zoowel ten opzichte van de leermacht als ten opzichte van de macht om verordeningen te maken en ten opzichte van de rechtsprekende macht of de censuur, voorzoover deze de ambtsdragers betreft, laat Calvijn dus geen onzeker geluid hooren. Hij kent deze drievoudige macht aan de Synodes toe op grond van Gods Woord.

H.H.K.

1) Ik heb ook hier grootendeels gebruik gemaakt van den Franschen tekst der Institutie, omdat deze beter voor ons Calvijn’s bedoeling weergeeft. In de Latijnschen tekst luidt het woord episcopi tot misverstand. In den Franschen tekst spreekt Calvijn van gens d’Eglise, homme d’Eglise, dus van kerkedienaars.