nr. 3187
19-02-1939

De drieërlei macht (VI)

Calvijn is terecht geroemd om zijn organiseerend talent, waarmee hij, veel beter dan Luther of Zwingli dat deden, aan de kerk een organisatie schonk, waardoor haar zelfstandigheid en haar duurzaam bestand verzekerd was, ook waar ze geen overheidssteun ontving.

Maar hoe welverdiend die lof is, hooger staat voor ons toch Calvijn’s verdienste, omdat deze organisatie niet door hem is uitgevonden, maar gegrond was op wat de Schrift hem leerde. Hij deed dat niet in biblicistischen zin, alsof de kerk slaafs had na te volgen wat in de Schrift ons verhaald wordt omtrent de Apostolische kerk en hare ambten, want hij weet zeer wel te onderscheiden wat in die Apostolische kerk tijdelijk en wat blijvend was. Maar de grondslagen voor de opbouw der kerk waren voor hem in de Schrift gegeven en daarop fundeerde hij zijn kerkrecht. Terecht zegt dan ook Dr. Rieker, dat voor het Gereformeerde kerkrecht twee grondbeginselen gelden: het Koningschap van Christus over zijn kerk en de gebondenheid aan zijn Woord. Zooals ook onze Confessie in Artikel 30 belijdt, „dat we gelooven, dat de ware kerk geregeerde moet worden naar de geestelijke politie, die ons onze Heere geleerd heeft in zijn Woord”. 

Dit geldt natuurlijk niet alleen voor de plaatselijke kerk en hare ambten, maar evenzeer voor de Synodes, waarin deze kerken saam vergaderen. En aangezien Handelingen 15 de eenige plaats is in het Nieuwe Testament, waar over zulk een kerkvergadering gesproken wordt, was voor Calvijn hetgeen daar meegedeeld werd zoowel de grondslag als de norm voor deze vergaderingen. Hij geeft daarom niet all;een een exegetische verklaring van wat Lucas ons hier meedeelt, maar wijst er met nadruk op, dat God ons hier voorschrijft, dat er zulke vergaderingen moeten gehouden worden, wanneer er geschillen in de kerken zijn, en ons bovendoen aangeeft zoowel den vorm als de orde, die daarbij moeten onderhouden worden. Calvijn was geen ideoloog, die uit één princiep door logische deductie zijn kerkrecht optrok. Hij was theoloog en vroeg wat Gods Woord hem leerde. Niet de autonomie der plaatselijke Kerk was zijn uitgangspunt, maar de Christocratie, de regering van Christus.

Gaan we thans in de tweede plaats na, wat Calvijn in zijn Institutie over de Synodes en haar gezag zegt, dan dient daarbij tweeërlei wel in het oog te worden gehouden. Vooreerst, dat hij in zijn Leerboek geen thetische uiteenzetting geeft zooals onze latere Dogmatici en Canonici doen van de Synodes en haar gezag, maar hoofdzakelijk polemiek voert tegenover Rome en zoo fel mogelijk de hiërarchische macht bestrijdt, die Rome aan den Paus en de Conciliën toekende. Hij komt op voor de vrijheid van den Christenmensch, die in zijn consciëntie alleen gebonden is aan Gods Woord en niet aan menschelijke inzettingen of geboden. In de eerste uitgave Zijner Institutie behandelt hij daarom dit vraagstuk bij de Christelijke vrijheid. Eerst later, toen hij de stof opnieuw ordende en het vierde boek geheel aan de Kerk wijdde, voegde hij hier, na vooraf de ware kerk en de ware dienaren der kerk behandeld te hebben, een afzonderlijke verhandeling aan toe over de kerkelijke macht, welke van hfdst 8 tot hfdst 18 looppt, en daarin spreekt hij dan ook over de Synodes en haar macht. Reden om de Synodes en haar macht te verdedigen tegenover de Independenten was er destijds niet. Het Independentisme is eerst na Calvijn, een halve eeuw later, ontstaan. De strijd met de voorloopers der Independenten, Morelly en de zijnen, ging over het gezag van den kerkeraad, niet over dat der Synodes. Het gevaar school destijds dus alleen in de hiërarchische macht, die Rome aan de Concilies toeschreef en hun onfeilbaarheid, waar tegen alle protestantsche kerken, ook de onze, in haar Belijdenissen zijn opgekomen. Maar omdat Calvijn deze tyrannieke macht aan de concilies toegekend, zoo scherp mogelijk, zooals hij zelf zegt, bestrijden wil, daaruit mag niet worden afgeleid, dat hij de oude concilies niet hoog schatte of aan synodes geen gezag toekende. Calvijn zelf waarschuwde tegen die verkeerde gevolgtrekking als hij in Hfdst. IX over de concilies handelen gaat. Luther is in dit opzicht wel te ver gegaan en de Luthersche kerk heeft dan ook zeer weinig synodes gehouden. Maar als Luther met instemming het bekende woord van Gregorius van Naziane aanhaalt, dat deze van de synodes door hem bijgewoond, nooit iets goeds had gezien, dan komt Calvijn tot tweemaal toe, zoowel in zijn commentaar op Hand. 15 als in zijn Institutie, daartegen op als overdrijving. 

En in de tweede plaats heeft met bij hetgeen Calvijn in dit vierde boek zegt zoowel over de ambtsdragers en hun verkiezing als over de kerkelijke macht en de synodes, wel in het oog te houden, dat hij bij zijn bestrijding van Rome zich gaarne beroept niet alleen op de Schrift, maar ook op de oude Christelijke kerk, toen het hiërarchisch bederf nog niet in die mate als later in de kerk was binnengedrongen. Calvijn spreekt dan ook van „vrome en heilige bisschoppen”, die er toen waren, zooals Cyprianus, Augustinus e.a. die niet hierarchisch de kerk regeerden, maar trouwe opzieners waren over de gemeente, en haalt meermalen met instemming de oude canones aan, die toen door hen zijn vastgesteld. Maar wanneer Calvijn aan Synodes van „vrome bisschoppen” groote waarde toekent en het houden van zulke Synodes ook nu aanbeveelt, zooals hij o.a. doet in hdst. IX § 13, dan zou dit woord „bisschop” in onze vertaling licht tot misverstand aanleiding kunnen geven, alsof hij daarmede bisschoppelijk,e Synodes bedoelde. Ons woord bisschop is evenals het Fransche woord evêque afgeleid van het Grieksche woord episkopos, dat letterlijk opziener beteekent en daarom in onze Bijbelvertaling aldus wordt weergegeven, zooals in Phil. 1: 1, 1 Tim. 3: 1, 2, Titus 1: 7. Maar Calvijn behoudt in zijn Latijnsche vertaling op al deze plaatsen het woord episcopus en inde Fransche vertaling het woord evêque , zooals vroeger ook in den Deuxaesbijbel bij ons op deze plaatsen het woord bisschop stond. Of Calvijn een bisschoppelijk ambt, zooals dit in de Luthersche, Engelsche en Hongaarsche kerk werd gevonden, afkeurde, dan wel toelaatbaar achtte, is een vraag die ik hier in ’t midden kan laten. Maar dat Calvijn volstrekt niet van meening was, dat een synode alleen uit bisschoppen moest bestaan, blijkt wel daaruit, dat hij in zijn Commentaar op Hand. 15 juist tegen de Roomsche bewering, dat Jacobus bisschop was, opkomt. Tegen de naam bisschop had hij echter geen bezwaar om daarmede de opzieners of herders in de Kerk aan te duiden. Dit heeft men bij de lezing van Calvijn in het oog te houden. Waar het woord bisschop bij ons echter in dien zin niet meer gebruikelijk is en alleen in den praegnanten zin gebruikt wordt, kan dit licht tot misvatting aanleiding geven. Of onze Hollandsche vertalers van de Institutie daarom niet beter hadden gedaan, om, waar Calvijn het woord bisschop in goeden zin gebruikt, het door opziener te vertalen, is een andere vraag. Maar, hoe dit zij, bij het lezen en citeeren van Calvijn’s Institutie houde men deze dubbele betekenis van het woord bisschop bij Calvijn wel in het oog.

Hoe nodig dit is blijkt reeds terstond, wanneer Calvijn in Hfdst. VIII over de kerkelijke macht gaat spreken. Hij zegt dat deze macht der kerk wordt gezien (of, zooals de Fransche tekst heeft, te beschouwen is) deels in iederen bisschop deels in de conciliën, zoowel die generaal als die provinciaal zijn. Of Calvijn het woord bisschop hier nu bedoelt in Roomschen zin dan wel in Bijbelschen zin als opziener, is moeilijk te zeggen. Rome kent alleen aan de bisschoppen kerkelijke macht toe, maar Calvijn kan evengoed bedoeld hebben, dat deze kerkelijke macht te beschouwen is zooals ze ten deele gevonden wordt bij iederen ambtsdrager, die een regeerambt heeft, en ten deele in de vergadering dezer ambtsdragers in de Synodes. Intusschen, hoe men hierover denke, dat Calvijn aan de Synodes kerkelijke macht toekent, is duidelijk, want hij laat er op volgen, dat deze macht een geestelijke macht is, aangezien deze alleen aan de kerk toekomt. Wat hij bestrijden gaat is niet, dat deze Synodes macht hebben, maar de verkeerde opvatting, die de Roomsche kerk van die macht heeft. Nader omschrijft hij deze kerkelijke macht dan door te zeggen, dat ze bestaat in drie stukken, te weten òf in de leer òf in de rechtspraak òf in de bevoegdheid om wetten of statuten te verordenen. Calvijn neemt dus de gewone drievoudige indeeling van deze kerkelijke macht over en gaat dan bij elk van deze drie deelen na, waarin deze macht bestaat. Indien nu Calvijns meening was geweest, dat deze drievoudige kerkelijke macht alleen aan de plaatselijke kerk toekwam, maar niet aan de Synodes, zooals men thans beweert, dan had hij eenvoudig en zonder meer kunnen zeggen of uit de Schrift aantoonen, dat de Roomsche kerk dwaalde door deze drievoudige macht aan de Concilies of Synodes toe te kennen. Maar hij doet dit niet, noch hier noch elders. En hij kon dit ook niet doen, omdat hij in zijn Commentaar op Hand. 15, dat hij als Goddelijk voorschrift voor de Synodes beschouwde, juist had aangetoond, hoe door het Apostelconvent deze drievoudige macht was uitgeoefend. Met nadruk had hij er op gewezen, dat de Apostelen en ouderlingen als rechters uitspraak hadden gedaan over het toen hangende geschil en de Judaïstische wetsdrijvers veroordeeld, dus rechtspraak geoefend hadden. In de tweede plaats, dat ze op grond van een Goddelijke openbaring en van de Schrift een dogmatische uitspraak hadden gedaan, dat de heidenchristenen niet gebonden waren aan de Mozaïsche wet. En in de derde plaats dat zij een verordening hadden gegeven, dat de heidenchristenen zich te onthouden hadden van afgodenoffer, het gestikte en bloed. Dat Calvijn met neme het tuchtrecht, waarover thans het geschil loopt, wel degelijk aan de Synodes toeschrijft, zal later blijken. Thans was het mij alleen te doen om te laten zien, hoe Calvijn dus deze drievoudige macht wel degelijk aan de Synodes toekent en dit doet op grond van Gods Woord.

Voordat Calvijn echter nader op deze drievoudige macht ingaat om Rome’s hierarchie te bestrijden, stelt hij eerst de grondregels vast welke voor deze kerkelijke macht hebben te gelden. Ze zijn: vooreerst, dat deze macht gegeven is, zooals de Apostel in II Cor. 10: 8 en 8: 10 zegt, tot opbouwing en niet tot afbreking. Ten tweede, dat deze opbouwing alleen kan geschieden, wanneer de ambtsdragers dienaars van Christus zijn en hun best doen om voor Christus het gezag te bewaren, hetwelk Hij van den Vader ontvangen heeft, nl. dat Hij de eenige Meester der kerk zij. En ten derde, dat alle gezag, dat de Heilige Geest in de Schrift aan profeten, apostelen en hun opvolgers toekent, in eigenlijken zin niet gegeven wordt aan de menschen zelf, maar aan het Woord, welks bediening hun is toebetrouwd.

Alleen waar het woord des Konings is, daar is deze macht.

H.H.K.