XVI.

Behalve het Dordsche besluit in betrekking tot den huisdoop, is nog eene andere bepaling in de Kerkenorde dier Synode belangrijk.

|72|

Het 56e artikel houdt n.l. in, dat het verbond Gods aan de kinderen der Christenen met den doop, zoo haast als men de bediening deszelven hebben kan, verzegeld zal worden, en dat in openbare verzameling, wanneer Gods Woord gepredikt wordt.

Maar het gaat dan aldus voort: Doch ter plaatse, waar niet zoovele predikatiën gedaan worden, zal men een zekeren dag in de week verordenen, om den doop extra-ordinairlijk te bedienen, zoo nochtans, dat hetzelve zonder predikatie niet geschiede.

De eigenlijke zin en bedoeling van deze bepaling springt niet terstond in het oog.

Oppervlakkig zou men eruit kunnen afleiden, dat de Gereformeerde vaderen op de spoedige toediening van den doop aan de kinderen der gemeente zoo sterk gesteld waren, dat zij er zelfs eene bijzondere weekbeurt voorhebben ingevoerd. Zij wilden zelfs niet, dat men met den doop van een kind, dat in het begin der week geboren was, een kleine acht dagen, tot den volgenden Zondag, zou wachten, maar zij stelden in het midden der week nog eene bijzondere gelegenheid voor de vaders open, om hun kind ten doop te presenteeren.

Zoo is de inhoud van deze bepaling dan ook door velen opgevat.

Maar deze opvatting schijnt bij nadere overweging toch niet de juiste te zijn.

Ten eerste blijkt dit uit vergelijking van dit artikel met artikel 59 der Provinciale Synode van Dordrecht van het jaar 1574. Hier toch lezen wij, dat in de plaatsen, waar zelden de predikatiën geschieden en nochtans kinderen ten doop gebracht worden, een tijd zal geordineerd worden, dat men de kinderen in de kerk ten doop brengen zal en dat men dan een teeken met de klok zal geven, om het

|73|

volk saam te roepen, en een korte vermaning voor den doop zal doen.

Na de Reformatie was er natuurlijk in den eersten tijd op vele plaatsen gebrek aan bediening des Woords. De kinderen moesten daarom op den doop dikwerf weken en maanden wachten. En daarom bepaalde de Provinciale Synode van Dordrecht, dat men op zulke plaatsen, waar zelden predikatiën geschiedden, van tijd tot tijd eene gelegenheid zou openen, om de kinderen ten doop te brengen. Als er een predikant in de buurt kwam of door de plaats reisde, moest hij uitgenoodigd worden, om het Woord en het sacrament te bedienen. En zulk eene gelegenheid moest dan door klokgelui aan de gemeente bekend gemaakt worden.

Zonder twijfel heeft het gebrek aan geregelde bediening des Woords aanleiding gegeven tot de bepaling in art. 59 der Prov. Synode van Dordrecht 1574.

En een dergelijke toestand wordt ook ondersteld door de tweede zinsnede in art. 56 der Kerkenorde van Dordrecht 1618/19.

Maar toch heeft deze laatste bepaling nog eene andere oorzaak. Het is een feit, dat in vele Gereformeerde kerken hier te lande, ook waar des Zondags geregelde bediening van Woord en sacrament plaats had, toch nog eene bijzondere weekbeurt met doopsbediening gehouden werd. Wat is de reden, dat deze weekbeurt met doopsbediening werd ingevoerd? Waren de Gereformeerden van meening, dat het wachten met den doop van het kind, zelfs tot den eerstvolgenden rustdag, eene minachting was van het sacrament?

Zoo oordeelen velen, maar Voetius geeft er in zijne Pol. Eccl. I 729 eene andere en meer aannemelijke verklaring van. Hij zegt daar, dat de Gereformeerde kerken, om aan

|74|

zwakken en twijfelmoedigen in het geloof tegemoet te komen en hen niet tot de doopsbediening van Roomsche priesters of sectarische predikers de toevlucht te doen nemen, behalve de samenkomsten der gemeente op den Zondag, ook nog eene samenkomst in de week tot het bedienen van den doop hebben ingevoerd. Zulk eene bijzondere samenkomst behoefde natuurlijk niet op die plaatsen te worden ingevoerd, waar zij al gebruikelijk was. Maar er waren nog vele plaatsen, waar de gemeente alleen des Zondags vergaderde, en dus de ouders met den doop hunner kinderen tot den volgenden Zondag moesten wachten. Dat stond echter velen ouders niet aan, omdat zij van oudsher in de Roomsche kerk eraan gewend waren, dat de doop der kinderen zoo spoedig mogelijk na de geboorte plaats had. En daarom verordende de Synode, dat er op zulke plaatsen ook nog in de week gelegenheid voor het ontvangen van den doop gegeven zou worden.

Maar, om het beginsel te handhaven, dat de doop alleen in het midden der gemeente bediend mocht worden, werd er nog iets bij bepaald. Zulk eene gelegenheid in de week moest dan door klokgelui of op eene andere wijze in de plaats worden bekend gemaakt, opdat ook enkele ouderlingen, diakenen, vrienden en buren ze konden bijwonen. Het karakter van eene gewone samenkomst der geloovigen mocht er niet bij teloor gaan. En dan moest de doop daarbij bediend worden op de gewone wijze, dat wil zeggen, de dienaar des Woords moest er eene korte predikatie of althans eene korte verklaring van de beteekenis van den doop aan laten voorafgaan en er speciaal op wijzen, dat de doop om bijzondere redenen op deze wijze bediend werd, niet omdat hij in zichzelf, als middel der wedergeboorte, maar alleen wijl hij om het gebod Gods noodzakelijk was.

De verklaring, welke Voetius van de boven aangehaalde

|75|

zinsnede der Dordsche Kerkenorde geeft en die ook nog van elders bevestigd wordt (Reitsma en van Veen III 271, 445), wijkt van de gewone opvatting nogal belangrijk af. Zij stelt duidelijk in het licht, welke gedachten de Gereformeerden bij hun aandringen op de spoedige bediening van den doop hebben bezield.

Zij waren volstrekt niet van meening, dat zulk eene spoedige bediening van den doop op den dag der geboorte, of uiterlijk binnen een paar dagen na de geboorte, moest plaats hebben en niet tot den volgenden Zondag mocht worden uitgesteld, omdat men zich in dat geval aan minachting van het sacrament en aan overtreding van een gebod zou schuldig maken.

En toch waren zij op hunne hoede tegen overdrijving aan de andere zijde. Zij rekenden met de zwakgeloovigen, die nog niet geheel en al van den Roomschen zuurdeesem bevrijd waren. En zij voerden daar, waar ze niet bestonden, gelegenheden in tot het ontvangen van den doop, om aan de twijfelenden tegemoet te komen en hen niet van de Gereformeerde kerk en religie te vervreemden.

De bepaling is eene concessie, die van het ruime hart der Gereformeerde vaderen spreekt.

Nu staat het natuurlijk volkomen vrij, om deze verklaring van Voetius te verwerpen en door eene betere te vervangen. Want Voetius was een knap man en in het Gereformeerde kerkrecht aardig thuis, maar onfeilbaar is hij niet.

Doch dan moet men ook eene andere en betere verklaring dan de zijne aan de hand kunnen doen, en deze is moeilijk te vinden. De bovengenoemde opvatting, die tegenwoordig door sommigen voorgestaan wordt, kan er bezwaarlijk voor. in aanmerking komen.

Want als de Gereformeerden werkelijk de overtuiging

|76|

hadden gehad, dat het uitstellen van den doop van een in het begin der week geboren kind tot den volgenden Zondag zoo verkeerd was, dat er eene speciale doopsbediening in de week voor ingevoerd moest worden, dan hadden zij nooit zoo kras, als zij gedaan hebben, den huis- en den nooddoop kunnen af keuren en de bediening van den doop kunnen binden aan de openbare vergadering der geloovigen.

Daar komt nog iets bij. Wie van meening is, dat de bedoelde zinsnede der Dordsche Kerkenorde geboren is uit de overtuiging, dat de doop hoogstens tot een paar dagen na de geboorte mag worden uitgesteld, die moet daarnaar ook handelen en, het eene doende, het andere niet nalaten.

De eerste zinsnede van art. 56 houdt in, dat men zijn kind moet laten doopen in de eerstvolgende openbare vergadering der geloovigen.

Terecht kan men zich hierop beroepen, om alle noodeloos uitstel van den doop der kinderen af te keuren.

Maar als men nu de bovengenoemde opvatting van de tweede zinsnede toegedaan is, dan moet men zich daaraan houden, en eischen, dat er ook in de week, overal waar het noodig is, eene gelegenheid tot het ontvangen van den doop geopend worde.

Want het gaat niet aan, om de eene zinsnede in toepassing te brengen en de tweede, die dan volgens deze opvatting van dezelfde grondgedachte uitgaat, willekeurig terzijde te stellen en te doen, alsof zij in het geheel niet bestond.

Indien daarentegen de verklaring van Voetius de juiste is, dan heeft de tweede zinsnede van art. 56 der Dordsche Kerkenorde hare beteekenis voor ons verloren en zijn wij van hare toepassing in de practijk ontslagen. Eene „extraordinaarlijke” gelegenheid tot bediening van den doop is in den tegenwoordigen tijd niet meer noodig. Wij hebben althans in den regel aan de gewone gelegenheden genoeg.