Ordinantie 4 De ambtelijke vergaderingen

 

V. De generale synode

Artikel 27.

Werkwijze

Naast de moderamenleden worden jaarlijks voor de tijd van een jaar nog vijfentwintig andere leden van de generale synode gekozen die met het moderamen het breed moderamen, de kleine synode genaamd, vormen.
De kleine synode wordt zo samengesteld dat per tien ambtsdragers er ten naaste bij drie predikanten, twee ouderlingen die niet tevens kerkrentmeester zijn, drie diakenen en twee ouderlingen die tevens kerkrentmeester zijn, van de kleine synode deel uitmaken.
In de kleine synode heeft ten minste één evangelisch-luthers lid van de generale synode zitting. De kleine synode voegt daar indien nodig een of twee leden van de evangelisch-lutherse synode als adviserend lid aan toe, met dien verstande dat de kleine synode altijd ten minste drie leden van de evangelisch-lutherse synode als lid dan wel adviserend lid telt.
Ten behoeve van de vergaderingen van de kleine synode wordt voor elk lid daarvan uit de generale synode een secundus gekozen die aan dezelfde vereisten voldoet als de primus en die bij verhindering of ontstentenis van deze als primus fungeert.