II. De Kinderdoop.

1. Welke kinderen moeten gedoopt worden.

Art. 56 K.O. zegt: „aan de kinderen der Christenen”. Boven het Doopsformulier staat: „Formulier om den heiligen Doop aan de kinderen te bedienen”. De Heid. Cat. vraagt: „Zal men ook de jonge kinderen doopen?” Art. 34 der Geloofsbelijdenis zegt: „de kinderkens der geloovigen”. De bedoeling is kort samengevat, dat de Doop moet bediend worden aan de kinderen der geloovigen, de kinderen des Verbonds, Gen. 3: 15; 17: 7; Hand. 2: 39, die in het Verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn, Heid. Cat. Antw. 74; Joël 2: 16; Ef. 6: 1; Col. 3: 20; 1 Joh. 2: 13; 2 Tim. 3: 15.

„De kinderen der Christenen” d.i. der geloovigen worden geen lidmaten door den Doop. Zij zijn het reeds naar den regel van Gods genadeverbond krachtens hun geboorte uit geloovige Ouders, want in de eerste Doopvraag bekennen d.i. belijden wij, dat zij in Christus geheiligd zijn en daarom „als lidmaten Zijner gemeente behooren gedoopt te wezen”.

Ook de kinderen van volwassen Doopleden hebben recht op den Doop. Door den gezegenden arbeid der kerken behoort het zoogenaamde „Doopledenstelsel” al meer tot de uitzonderingen. De kerkeraden moeten naarstig arbeiden, dat niet anders dan bij hooge uitzonderingen van Doopgetuigen behoeft gebruik gemaakt worden, opdat geen kind van Doopleden ongedoopt blijve.

Ook kinderen van gecensureerden behooren gedoopt te worden. De censuur ontneemt niet het bezit en het recht van het lidmaatschap maar alleen het gebruik en de uitoefening van het lidmaatschap. Hun kinderen moeten dus als kinderen des Verbonds beschouwd worden en hebben recht op den Doop. Is een der ouders nog lid in volle rechten, dan kan die de Doopvragen beantwoorden. Zijn beide

|56|

ouders gecensureerd, dan moet er minstens één getuige optreden, liefst een of meer familieleden, bijv. de grootouders. De gecensureerden moeten verklaren, dat zij het toezicht op de opvoeding aan de getuigen opdragen. Bij opheffing der censuur kunnen zij bij verklaring voor den Kerkenraad de stipulatiën inzake de opvoeding van de getuigen overnemen.

Ook een onecht kind van een ongetrouwde moeder, die doop- of belijdend lid is, al is de vader onbekend of een ongeloovige, behoort onder zekere voorwaarden gedoopt te worden. Is zij belijdend lid en komt zij tot berouw, dan kan zij zelf na schuldbelijdenis het kind laten doopen en zelf de Doopvragen beantwoorden. Is zij dooplid en heeft zij oprecht berouw, dan kan haar schuldbelijdenis aanvaard worden al is zij nog niet rijp voor de geloofsbelijdenis. Maar dan kan zij zelf de doopvragen niet beantwoorden. Het beste is dan, dat de grootouders of andere familieleden, mits zij belijdende leden zijn, als getuigen optreden.

2. Door wie de Doop bediend moet worden.

De eigenlijke Bedienaar van den Doop is Christus zelf, Matth. 3: 14; Joh. 3: 22, 26; 4: 1, 2. Maar Hij droeg de uitoefening der bediening aan Zijn discipelen, Joh. 4: 2, later aan Zijn Apostelen op, Matth. 28: 19; Mark. 16: 15, 16; Hand. 2: 38. Er is nergens een aanwijzing in het N. Testament, dat de bediening des Doops aan andere personen naast de Dienaren des Woords is opgedragen. In de pas gestichte Nieuwtestamentische kerken werd de Doop alleen bediend door hen, die het Woord bedienden, zie Hand. 2: 38; 8: 38; 9: 17, 18; 10: 47, 48; 1 Cor. 1: 14-17. De bediening van den Doop was aanstonds aan de bediening des Woords gebonden. De Doop volgde het Woord op den voet. Toen dan ook later de prediking des Woords aan het leerambt werd opgedragen, ging het recht om de Sacramenten te bedienen vanzelf op de leeraren over.

Vandaar dat de Doop door Ouderlingen en Diakenen, door Catechiseermeesters en Ziekentroosters, door Proponenten en gewezen Predikanten, die afgezet zijn, of tot een maatschappelijk beroep zijn overgegaan, niet erkend werd, omdat Christus bevolen heeft te doopen, dien Hij bevoelen heeft te prediken.

Hoogstens werd aan proponenten toegestaan het Doopsformulier te lezen, bijv. in geval de predikant wegens heeschheid moeilijk het geheele formulier kon lezen, maar

|57|

ook dan behoort het afvragen der beloften door den predikant te geschieden, omdat dit een ambtelijk karakter draagt.

Inzake de erkenning van den Doop door andere kerken bijv. de Roomschen, Lutherschen, Wederdoopers, Remonstranten bediend, stelden de Gereformeerde Kerken als regel, dat zij elken Doop erkennen, die aan deze drie kenmerken beantwoordt: 1º dat hij bediend is naar de instelling van Christus, met water en in den naam der Drieëenheid; 2º dat hij bediend is in een Christelijke gemeenschap, die aan de belijdenis der Drieëenheid vasthoudt en dus in beginsel een Christelijke kerk is; 3º dat hij bedien is door een ambtsdrager of persoon, die in die Christelijke gemeenschap tot doopen bevoegd is.

3. Wanneer de Doop bediend moet worden.

Art. 56 K.O. zegt: „Zoo haast men de bediening deszelven hebben kan”. Dat was in de eerste samenkomst der gemeente, ’t zij die in de week of op den rustdag gehouden werd. Guido de Brès, de opsteller onzer Geloofsbelijdenis, liet zijn eerstgeboren kind den dag na de geboorte reeds doopen.

Het is ook Schriftuurlijk. Niet alleen de volwassenen zelf, zooals de volwassen bekeerlingen, Matth. 3: 6; Mark. 1: 5; Hand. 2: 41; mannen en vrouwen, Hand. 8: 12; de kamerling, Hand. 8: 36; maar ook hun gezinnen werden terstond gedoopt, zooals Cornelius en zijn gezin, Hand. 10: 2, 47; 11: 13-14; Lydia en haar gezin, Hand. 16: 15; de stokbewaarder en al de zijnen, Hand. 16: 33; Crispus, de overste der synagoge en heel zijn huis, Hand. 18: 8; en het huisgezin van Stephanas, 1 Cor. 1: 16.

Het bezwaar, dat de zoogenaamde „vroegdoop” een Roomsch gebruik zou zijn is niet juist. Rome was voor den vroegdoop omdat de doop de wedergeboorte werkt en dus noodzakelijk is tot zaligheid. Onze Gereformeerde vaderen waren voor het doopen „zoo haast als men de bediening deszelven hebben kan”: 1º omdat de kinderen der geloovigen reeds van de geboorte af in het verbond der genade begrepen zijn en dus recht op den doop hebben; 2º omdat de doop niet tot na den achtsten dag moet wachten zooals de besnijdenis, maar zoo spoedig mogelijk moet geschieden; 3º omdat het N.T. den indruk geeft, dat de kinderen der eerste bekeerlingen „zoo haast” het kon gedoopt werden.

Wegens „eenighe sware oorsaecke”, bijv. als de vader geen belijdend lid of afwezig of ziek is, is uitstel natuurlijk

|58|

noodig en wettig. Komt de moeder mee, dan mag zij evengoed als de vader op de doopvragen antwoorden.

4. Ten doop presenteeren.

Art. 57 K.O. bepaalt: De Dienaars zullen hun best doen en daartoe arbeiden, dat de vader zijn kind ten doop presenteere”.

Wat beteekent ten doop presenteeren?

Dr H. Bavinck schreef in zijn „Ouders of getuigen” blz. 90: Presenteeren is hier den doop aanvragen, niet ten doop heffen (het kind bij den doop vasthouden). Dat kon de vader, maar ook de moeder of de predikant, desnoods de baker doen.

Dr F.L. Rutgers zegt in zijn Dictaat K.O. bij Art. 57: De presentatie geschiedt, wanneer het kind voor den doop wordt aangegeven. Het kind vasthouden is „het kind ten doop heffen”. Wie dat doet is onverschillig. Maar in zijn Kerkelijke Adviezen, II, blzz. 46, 59 verklaarde hij, dat de presentatie „aanvankelijk reeds geschiedt doordat de vader den doop aanvraagt, maar eerst tot stand komt, zoodra hij „als gerechtigde de stipulatie aangaat door het beantwoorden der doopvragen”.

Dr H.H. Kuyper corrigeert beiden in „De Heraut”, 1901, no. 1226. Hij zegt: ten doop presenteeren beteekent nooit en nergens den doop bij den kerkeraad aanvragen, maar altijd bij de doopsbediening zelve het kind ten doop aanbieden en de doopbelofte afleggen. Uit een reeks bewijzen: Dordt. 1578, art. 9; de Forma ac Ratio van à Lasco; de K.O. van den Paltz, 1563, Dordr., 1574, no. 62 neem ik er één uit ten bewijze nl. de Synode van Middelburg, 1581, vr. 22: „Of het niet raadzaam is, dat de ouders, die hun kinderen ten doop presenteeren willen, hetzelve of den Dienaar of iemand van de Ouderlingen te voren aanzeggen”. Het „aanzeggen” d.i. de aanvrage van den doop ging dus aan de presentatie vooraf. Het „ten doop heffen”, d.i. het vasthouden van het kind bij het doopen komt allereerst aan den vader en bij diens afwezigheid eventueel aan de moeder toe.

Voorts bepaalt Art. 57 K.O. nog, dat in gemeenten, waar naast den Vader nog getuigen bij den doop werden toegelaten, men moest zorgen, dat zij zuiver in de leer en vroom van wandel waren.

Bij Rome traden de peetouders (getuigen) als geestelijke ouders in plaats van de natuurlijke ouders op.

|59|

De Gereformeerde Kerken hebben aanstonds bij de reformatie in de 16e eeuw het recht van de ouders hersteld. Alleen lieten zij het optreden van getuigen niet in plaats van, maar naast de ouders aanvankelijk nog vrij, omdat vele ouders nog aan het Roomsche gebruik hechtten.

Maar de synode van Middelburg, 1933, heeft in het Formulier voor den Kinderdoop de vermaning aan de „Ouders die mede ten Doop komen” boven de doopvragen veranderd in: „Vermaning aan de Ouders of getuigen”, en in de derde doopvraag aan het slot de woorden: „om te doen en te helpen onderwijzen” veranderd in: „en te doen onderwijzen”. De reden daarvan was, dat alleen in het geval geen van beide ouders de doopvragen kon beantwoorden, de getuigen in hun plaats ook de verplichting op zich namen het gedoopte kind naar hun vermogen te onderwijzen en te doen onderwijzen bijv. op de catechisatie en op de christelijke school.

Bronnen: Dr H. Bouwman, Geref. Kerkrecht, II, blzz. 233-356. — Dr F.L. Rutgers, Kerkelijke Adviezen, II, blz. 6-104. — Ds Joh. Jansen, Korte Verklaring K.O., blzz. 234-251.

———