III. Het vermaan en de tucht over ambtsdragers

 

Artikel 115
1. Het vermaan en de tucht over de ambtsdragers hebben in het bijzonder betrekking op de vervulling van het hun toevertrouwde ambt.

|400|

2. De ambtsdragers blijven daarnaast onderworpen aan het vermaan en de tucht, omschreven in de voorgaande artikelen, met dien verstande dat tot de oefening van deze tucht eerst mag worden overgegaan, nadat de schorsing in de vervulling van het ambt is uitgesproken.

 

Begrenzing van het vermaan en de tucht over ambtsdragers

Met dit artikel vangt een nieuwe afdeling aan, die de bepalingen bevat omtrent het vermaan en de tucht over ambtsdragers. Aan dit onderwerp zijn elf artikelen in de kerkorde gewijd.

Het moet al terstond opvallen, dat dit aantal aanmerkelijk groter is dan dat in de oude kerkorde. Hierin wordt de gehele stof afgehandeld in slechts twee artikelen, de artikelen 79 en 80. Men kan zelfs zeggen dat de eigenlijke aangelegenheid wordt afgedaan in artikel 79, want artikel 80 bestaat alleen in de opsomming van de voornaamste grove zonden, die grond opleveren voor het toepassen van de bedoelde tucht. De tekst van dat artikel luidt als volgt: Wanneer dienaars des goddelijken Woords, ouderlingen of diakenen een openbare grove zonde bedrijven, die der kerk schandelijk of ook bij de Overheid strafwaardig is, zullen wel de ouderlingen en diakenen terstond door voorgaand oordeel des kerkeraads derzelver en der naastgelegene gemeente in hun dienst geschorst of daarvan afgezet worden, maar de dienaars alleenlijk geschorst worden. Of deze geheel van de dienst af te zetten zijn, zal aan het oordeel der classe staan, met advies van de in artikel elf genoemde deputaten der particuliere synode. Zo wordt hier wel op heel summiere wijze de aangelegenheid van het vermaan en de tucht over de ambtsdragers geregeld. Meer dan één vraag, die daarbij kan rijzen, wordt zodoende opengelaten. Het behoeft dan ook geen verwondering te wekken, dat onder het bestel van de oude kerkorde meermalen moeilijkheden zijn ontstaan, doordat men in het onzekere verkeerde of doordat men verschil van mening had over de te volgen gang van zaken.

In de herziene kerkorde is duidelijk de opzet waarneembaar om in die leemte te voorzien. Reeds in het eerste artikel over dit onderwerp komt een zaak aan de orde waarover de oude kerkorde een volledig stilzwijgen bewaart en die toch voor een goede behandeling van de tucht niet buiten beschouwing mag blijven.

Het vermaan en de tucht over ambtsdragers draagt een eigen karakter en moet worden onderscheiden van het vermaan en de tucht over de leden der gemeente in het algemeen. Men kan opmerken, dat hiermede een vanzelfsprekende zaak naar voren wordt gebracht en dat iedereen het daarover eens zal zijn. De omstandigheid dat de ambtsdragers in het midden der gemeente een eigen positie innemen, brengt als vanzelf met zich mede dat bij een eventueel vermaan en een eventuele tucht over hen met die positie rekening dient te worden gehouden. Toch is het niet zonder belang, dat, hoe

|401|

vanzelfsprekend het ook moge zijn, zulks opzettelijk wordt omschreven en vastgelegd. De ervaring heeft geleerd dat niet ieder het verstaat dat eigen karakter van het vermaan en de tucht over ambtsdragers werkelijk in rekening te brengen.

Dit vermaan en deze tucht hebben, gelijk de bepaling luidt, in het bijzonder betrekking op de vervulling van het aan de bedoelde personen toevertrouwde ambt. Weliswaar kunnen daarbij nog andere overwegingen invloed oefenen, gelijk hieronder nog nader zal worden besproken, maar in het bijzonder zullen daartoe overwegingen aanleiding geven, die ontleend zijn aan de wijze waarop zij het hun toevertrouwde ambt vervullen. 

Het is niet zo, dat een ambtsdrager ten aanzien van de hem opgedragen taak aan het vermaan en de tucht onttrokken zou zijn en hij daarvan geen verantwoording zou behoeven af te leggen. Geen enkele ambtsdrager, hij moge diaken of ouderling of dienaar des Woords zijn, wordt in zijn arbeid als zodanig geacht boven oefening van vermaan en tucht verheven te zijn. Hij kan niet met goed recht beweren, dat hij rechtstreeks alleen in dienst staat van Christus en uitsluitend aan Hem verantwoording schuldig is, en dat indien er sprake mocht zijn van een zich misgaan en een tekortschieten in het vervullen van zijn ambtelijke taak, het alleen aan Christus zelf zou toekomen hem daarover te bestraffen. Neen, ook de kerk heeft terdege de bevoegdheid in een dergelijk geval in te grijpen en een ambtsdrager, wie hij ook zijn moge, tot de orde te roepen. De wijze waarop dit moet gebeuren, komt in het vervolg van deze artikelen nog ter sprake.

Het ambt komt aan niemand uit zichzelf en op eigen beschikking toe. Terecht en stellig niet zonder opzet wordt er in deze bepaling op gewezen, dat het ambt is toevertrouwd geworden; van buiten af, van hoger hand aan de desbetreffende persoon, voor kortere of langere periode, om zo te zeggen tot wederopzeggen, opgedragen. Verwezen zij naar wat in het eerste hoofdstuk der kerkorde met betrekking tot de ambten staat bepaald. Het is wel in opdracht van Christus, dat het dienstwerk in de kerk aan de ambtsdragers wordt toevertrouwd. Maar voor het vervullen van enig ambt is steeds onontbeerlijk de roeping en de bevestiging vanwege de kerk. Zo behoeft het dan ook geen nader betoog, dat eveneens vanwege de kerk toezicht moet worden uitgeoefend op de vervulling van het aan de desbetreffende personen in de aangegeven zin toevertrouwde ambt. Ambtsdragers zijn zonder enige exceptie, in de vervulling van dat ambt, onderworpen aan het vermaan en de tucht van de kerk.

Ambtsdragers zijn niet alleen met het oog op de vervulling van het hun toevertrouwde ambt onderworpen aan vermaan en tucht. Het is evenzeer het geval met betrekking tot hun persoonlijke gedragingen. Nu gaat het niet aan, en is het zelfs onmogelijk, persoon en ambt van elkander te scheiden. Wie in het ambt werd gesteld en dit als een heilige taak, door Christus hem toevertrouwd, weet te vervullen, zal zich daaraan met de overgave van zijn volle persoonlijkheid wijden. Maar hoe nauw de bedoelde band ook moge

|402|

zijn, van een vereenzelviging van ambt en persoon mag nooit, onder geen beding, sprake zijn. De ambtsdrager leidt, als het goed is en hij zijn positie juist verstaat, met dit al een eigen persoonlijk leven.

Met deze gesteldheid van zaken is tegelijk de mogelijkheid gegeven dat een ambtsdrager, precies als elk ander lid der gemeente, zich in zijn leven als christen misgaat. In een dergelijk geval komt hij, niet anders dan elk ander lid der gemeente, in de situatie, waarover in de voorgaande artikelen der kerkorde is gehandeld, namelijk de artikelen betreffende het vermaan en de tucht over de leden der gemeente. Vandaar de behoefte aan een bepaling, waarin de verhouding wordt geregeld tussen de bijzondere tucht over ambtsdragers in de vervulling van hun ambt en de algemene tucht over hen in hun persoonlijke gedragingen. Het tweede lid van dit artikel biedt die voorziening. Het is van groot belang, dat de kerkorde in dat opzicht een opzettelijke en duidelijke regeling bevat. Het is herhaaldelijk voorgekomen, dat men juist op dat punt in de praktijk heeft misgetast of althans slechts moeizaam de juiste weg wist te onderkennen.

De bepaling houdt in, dat eerst dan tot oefening van de algemene tucht, dus de afhouding van het Avondmaal, mag worden overgegaan, nadat er een uitspraak is gevallen over de schorsing in de vervulling van het ambt. Deze bepaling geeft aanleiding tot het maken van diverse opmerkingen. De eerste is deze, dat hier sprake is van tucht en er met geen woord iets naders wordt bepaald ten aanzien van het eventueel vermaan over ambtsdragers. Blijkbaar werd het niet nodig geacht, met het oog daarop enige nadere voorzieningen te treffen. Indien het om de een of andere reden wenselijk mocht zijn een ambtsdrager over zijn gedragingen te vermanen, dan kan en moet dit gebeuren op zulk een wijze als in overeenstemming is met de geaardheid en de omstandigheden van het geval. Van toepassing zijn dan de gewone beleidslijnen, welke men pleegt te volgen, in aansluiting bij de aanwijzingen, welke de Heilige Schrift biedt. Het spreekt vanzelf dat ook, ja wel in de allereerste plaats door en tegenover ambtsdragers die in acht genomen behoren te worden. De noodzaak van enig vermaan met betrekking tot een ambtsdrager behoeft op zichzelf nog geen consequenties met zich mede te brengen voor zijn positie als ambtsdrager. De vervulling van zijn ambt behoeft daardoor nog niet te worden aangetast. Eerst wanneer hij onwillig zou zijn naar een rechtmatig vermaan te luisteren en hij ook overigens de gewone regelen met betrekking tot dat vermaan niet behoorlijk in acht zou nemen, breekt het moment aan voor het treffen van verdergaande maatregelen. In het stadium van het vermaan zijn afzonderlijke voorzieningen met het oog op de ambtsdragers overbodig gebleken. Het ligt evenwel voor de hand aan te nemen dat zij tegenover een eventueel vermaan het zullen verstaan als voorbeelden der kudde zich te gedragen.

De tweede opmerking betreft de volgorde, die moet worden in acht genomen bij het toepassen van de hier bedoelde tuchtoefening. Waarom moet er voorrang worden verleend aan de tucht met betrekking tot de vervulling

|403|

van het ambt? Ik zou hierop willen antwoorden met verwijzing naar mogelijke gevolgen van de methode, waarbij de omgekeerde volgorde zou worden gekozen. Indien men een ambtsdrager zou kunnen afhouden van het Avondmaal, zonder rekening te houden met zijn ambtelijke positie, is het gevaar niet denkbeeldig dat een kerkeraad iemand die hem om de een of andere reden minder aangenaam is, op zij zet en in de gemeente onmogelijk maakt. Het is veel moeilijker iemand op grond van de tucht over ambtsdragers aan te tasten dan dit te doen op grond van de tucht, die in het algemeen over alle leden der gemeente gaat. Er zijn daar sterkere waarborgen om een eventueel onbillijke en onrechtvaardige behandeling tegen te gaan.

Er is echter een overweging die nog meer spreekt ten gunste van de bedoelde regeling. En hiermee ga ik dan over tot het maken van een derde opmerking. Deze overweging kan worden ontleend aan de nauwe relatie, die er bestaat tussen persoon en ambt. Stel dat een ambtsdrager zich in zijn persoonlijke gedragingen heeft misgaan op een zodanige wijze, dat niet met vermaan kan worden volstaan en met de tucht tegenover hem moet ingegrepen worden, dan gaat het niet aan hem daarover uitsluitend voor wat zijn persoon betreft aan te spreken. Men kan hem dan niet benaderen en beoordelen los van de ambtelijke positie, die hij nu eenmaal in het midden der gemeente bekleedt. Juist vanwege de eenheid van persoon en ambt moet men hem ten volle en in alle opzichten zien als ambtsdrager. Het zich misgaan in zijn persoonlijke gedragingen kan en mag niet anders worden beschouwd dan als een zich misgaan hebben tegelijk als ambtsdrager. Het blijkt een onmogelijkheid te zijn met hem te handelen als niet meer dan een gewoon lid der gemeente; hij moet bij het aanvatten van de tuchtoefening, van het begin aan, behandeld worden als ambtsdrager van de gemeente. Hierin ligt meteen de beste waarborg, dat hem, bij een eventuele tuchtoefening, geen onrecht zal worden aangedaan. Hij wordt, in de eenheid van ambt en persoon, ten volle ernstig genomen.

Het bepaalde in het tweede lid van dit artikel laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Wij hebben hier een voorschrift, dat zonder enige beperking is gesteld en dat daarom ook bindend geacht moet worden voor alle op het bedoelde gebied voorkomende gevallen. Het is misschien niet ondienstig daarop met enige nadruk te wijzen. Want in de praktijk komt het soms voor, dat men aan het hier bepaalde tracht te ontkomen. Een kerkeraad poogt dan een ambtsdrager af te houden van het Avondmaal bij wijze van tuchtmaatregel, zonder vooraf zich te hebben beziggehouden met de vraag, of hij wel in het ambt kan worden gehandhaafd. Hij geeft er het karakter van een voorlopige maatregel aan; een maatregel, die met dit al dwingend wordt opgelegd. In feite is hij dan bezig te handelen in strijd met het in dit artikel bepaalde. Geen ambtsdrager behoeft met een dergelijke behandeling genoegen te nemen. Het is zijn recht, een recht waarop hij goed doet te blijven staan, te verlangen dat de kerkeraad eerst tot een duidelijke en verantwoorde uitspraak komt ten aanzien van zijn ambtelijke positie.

|404|

Eerst wanneer het duidelijk is geworden dat de tuchtoefening over hem in de vervulling van zijn ambt niet mag uitblijven, heeft de kerkeraad het recht zich in te laten met de vraag, of hij nog kan worden toegelaten tot de viering van het Avondmaal dan wel daarvan behoort te worden afgehouden.

Iets anders is het, wanneer de kerkelijke vergadering, bij welke het onderzoek en de beslissing berust over de tucht van de ambtsdrager, hangende het onderzoek en op grond van de voorlopig gedane bevindingen, meent te moeten bepalen niet alleen dat de desbetreffende persoon zich voorlopig heeft te onthouden van alle ambtelijke arbeid, maar ook dat hij voorlopig niet aan het Avondmaal zal deelnemen. Dan kan men ter zake niet spreken van het toepassen van een eigenlijke tuchtmaatregel.


Nauta, D. (1971)


COMMENTAAR OP
Kerkorde GKN (1971) Art. 115