|147|

12. De handhaving van de kerkelijke tucht in de Franse kerk

 

In dit hoofdstuk onderzoeken we het beleid van het consistorie van de Franse kerk in Londen. We doen dat door achtereenvolgens aandacht te besteden aan het soort zaken, gebeurtenissen dan wel overtredingen waarvoor lidmaten van de kerk in de periode 1571-1585 geschorst werden van het avondmaal. We trachten ook vast te stellen hoeveel personen door deze kerkelijke maatregel getroffen werden.

 

12.1 De onder de tucht gestelde personen in de Franse kerk

Ongeveer 350 maal werd in de Franse kerk in Londen tussen 1571 en 1585 iemand van het avondmaal afgehouden om de één of andere overtreding. Aan het eind van dit boek, in bijlage VII, is een lijst opgenomen met — voorzover bekend — hun herkomst, beroep, belastinggegevens en aard van de overtreding. De onder de tucht gestelde leden van de Franse kerk in Londen lieten zich in het algemeen moeilijker achterhalen dan die van de Italiaanse of Nederlandse. De hoeveelheid gevonden gegevens is daardoor aanzienlijk lager. Toch kunnen we op grond van dat overzicht enkele tendenzen aangeven. In de eerste plaats valt op dat in het overzicht in verhouding veel Fransen voorkomen, waarbij de Normandische hoofdstad Rouen duidelijk bovenaan staat als plaats van herkomst (tenminste achttien personen). Konden we in hoofdstuk zes stellen dat tweederde van de leden van de Franse kerk uit de Waalse gewesten kwam en eenderde uit Frankrijk, hier ligt het anders. Tenminste tweederde van de onder de tucht gestelde personen was van Franse herkomst.

In de tweede plaats constateren we dat de onder de tucht gestelde personen in de Franse kerk veelal in een ambacht werkzaam waren en niet behoorden tot de toonaangevende leden van de kerk. Juist het feit dat over zovelen moeilijk gegevens te vinden waren is een bevestiging van dit gegeven1.

 

12.2 Tuchtzaken en sancties

I. Zaken betreffende de leer en autoriteit van het consistorie: totaal 103.
a. (verzet tegen consistorie) 46
b. (kerkverzuim) 9
c. (dopen/trouwen in andere kerk) 36
d. (geloofsverzaking) 7
e. (toverij) 5


1 De meer welgestelde vreemdelingen zijn beter te achterhalen in de lijsten van Lay Subsidies. De Engelse commissarissen gaven zich ook meer moeite in de rijkere wards met weinig vreemdelingen. De volkswijken met veel buitenlanders zijn slordiger gedocumenteerd.

|148|

I.a. Verzet tegen consistorie: 46

Zesenveertig personen verzetten zich op één of andere manier tegen de leer en de autoriteit van het consistorie, en werden daarvoor in de Franse kerk in de periode 1571-1585 van het avondmaal afgehouden. Dit verzet werd in de kerkeraadsacta steevast aangeduid als ‘hardnekkigheid’ (opiniastreté). In drie gevallen betrof het een conflict over leerstellige zaken. Een conflict met de diakenen lag ten grondslag aan vier andere afhoudingen, terwijl de overige schorsingen gebaseerd waren op verzet tegen predikanten, ouderlingen dan wel het gehele consistorie. Niet zelden was de oorzaak van het conflict met de kerkeraad een vermaning aan het adres van het gemeentelid, maar werd de afhouding uitgesproken wegens hardnekkig verzet tegen de eis van het consistorie schuld te belijden. In deze categorie komen we vooral mensen tegen die de moed hebben alleen te staan tegenover het consistorie. De kwesties hebben zo elk hun eigen geschiedenis, die het de moeite waard maakt deze zaken wat uitgebreider te behandelen.

Jehan Sual, een zijdewever uit Henegouwen die invalide was aan één arm, bleef in de loop van 1576 zes maanden weg van het avondmaal omdat hij zich gekwetst voelde door de terloopse vraag van een diaken wat hij zou doen als er geen kerk was2. Hij vatte dit op als twijfel aan zijn arbeidsongeschiktheid en bleef mokkend afzijdig tot juni van het daaropvolgende jaar, toen hij met een openbare schuldbelijdenis voor zijn wrok tegen de diaken weer werd toegelaten3. Martin Maréchal en Pierre Ie Cat werden eind 1584 of januari 1585 aangesteld tot executeurs van het testament van een zekere Mariette Ie Rocq. Bij de uitvoering stelden zij het belang van een nabestaande, een zuster van haar, hoger dan de aanspraak van de diakenen. Misschien berustte de aanspraak van de diakenen op diakonale ondersteuning die zij tijdens haar leven had ontvangen, een zienswijze die we vaker tegenkomen. Misschien hadden de executeurs, zelf evenmin vermogende lieden4, medelijden met de achterblijvende alleenstaande zuster. Het consistorie kon geen begrip opbrengen voor dit ‘tekort doen aan de kerk’, waarbij de broeders vooral de tekorten van de diakonie op het oog zullen hebben gehad5. Voor Pierre Ie Cat, een Waalse glasmaker uit ‘Movuse’ (Mouzaive?), betekende dit een eenmalige afhouding van het avondmaal op vijf maart 1585. Martin Maréchal, een in Lille geboren, maar uit Antwerpen afkomstige zijdewever, die sedert januari 1584 diaken was van de Franse kerk, werd daarenboven geschorst in zijn diakenambt wegens benadeling van de kerk. Bij de eerstvolgende verkiezing van nieuwe ouderlingen en diakenen, in juli van dat jaar, maakte het consistorie de gemeente bekend dat Martin Maréchal oneervol ontheven was van zijn ambt6.


2 Naast zijn vrouw Barbara en vier kinderen had hij de zorg voor zijn inwonende moeder. Returns 2, p. 148, 365.
3 Actes II, p. 186, 187, 188, 201.
4 Beiden werden in 1576 en 1582 voor het legale minimum aangeslagen hij de Lay Subsidy. In 1598 werd het bezit van Pierre Ie Cat getaxeerd op £1.
5 Op 16 mei 1585 werd besloten tot een extra collecte op 23 mei om de tekorten van de diakonie aan te zuiveren. Actes III, sub 16 mei 1585.
6 Actes III, sub 24 januari, 28 februari, 5 maart, 22 april en 11 juli 1585.

|149|

Van een iets andere orde was het conflict tussen consistorie en de weduwe van Augustin Marlorat, een Franse predikant die na een verblijf in Londen teruggekeerd was, en ten offer gevallen aan de protestantenjacht in het najaar van 1572. Zijn weduwe deed een beroep op de goedgeefsheid van de bisschop van Londen, Edmund Sandys. Het consistorie was daarentegen van oordeel dat zij zich, als ieder ander gemeentelid, tevreden te stellen had met de ondersteuning door de diakonie. Op vijf maart 1576 ontzegde het consistorie haar het avondmaal, omdat zij weigerde haar handelwijze als fout te erkennen. Het doet enigszins wrang aan, deze principevastheid tegenover deze predikantsweduwe. De partijen kwamen elkaar ook in een vergadering van 29 maart niet nader, zodat haar ook het eerstvolgende avondmaal ontzegd werd. Een lacune in de acta over de maanden april tot en met september van dit jaar laat ons over het verdere verloop van de zaak helaas in het ongewisse.

Drie personen raakten in conflict met het consistorie over leerstellige zaken. In november 1571 werd het consistorie gewaarschuwd dat een zekere Allard Poullet uit Brugge, van beroep ‘hautliseur’ (wever), die een slechte opinie had over ‘nostre religion’, vanuit Sandwich onderweg was naar Londen. Ofschoon hij geen lidmaat was, beval het consistorie onmiddellijk een speurtocht door de ouderlingen, elk in hun eigen kwartier, om hem te ontbieden voor het consistorie. In de vergadering van vijf december werd hij in het consistorie ondervraagd. Twee getuigen, Jerosme des Caus uit Tournai en Bartholomie Hughelot uit Wanbrechy, kwamen hierop met een lijst van bezwaren: Hij zou niet geloven in de reprobatie, volhoudend dat God niemand tot het kwaad wil bestemmen. Hij wilde niet weten van de kinderdoop, noch van de incarnatie. Zijn visie op de bijbel zou luiden: ‘De Schrift is oud. Eenieder voege daar naar believen aan toe’. Met deze boodschap zou hij 2 à 300 ‘simple gens’ verleid hebben. In antwoord hierop erkende Poullet de evangeliën en de brieven van Paulus als ‘vraye evangile’, maar verwierp hij de incarnatie en de kinderdoop. Blijkens de lijst van één januari 1572 beschouwde men hem niet als lid van de gemeente. Des te opmerkelijker is het dat hem op 28 mei van dat jaar de gelegenheid geboden werd tot een dispuut met de predikanten van de Franse kerk, in presentie van een aantal door hem te kiezen getuigen ‘van zijn partij’. Of dit dispuut plaatsgevonden heeft of niet, op 20 augustus besloot het consistorie zijn naam aan de kerk bekend te maken en voor zijn ideeën, ‘erreurs et hérésies anabaptistes’ te waarschuwen. Zijn naam verdwijnt hierna uit de kerkeraadsacta van de Franse kerk in Londen.

Veel langer en veel ingewikkelder was de controverse met Francesco Pucci, telg uit een voorname Florentijnse familie, humanist en theoloog, die zich in december 1573 aanmeldde als lid van de Italiaanse kerk in Londen7. Hij belegde zijn meegebrachte geld bij de bank van een Florentijnse firma in Londen, en schreef zich als student in te Oxford, waar hij al op 18 mei 1574 de graad van magister artium behaalde8. Tegelijk bezocht hij de kerkdiensten in de Franse kerk in Londen. Bij zo’n gelegenheid maakte hij in de loop van 1574 publiekelijk bezwaar tegen de uitleg van de avondmaalstekst uit I Cor. 11: 18-27. Hij werd tot zwijgen gebracht, maar meldde zich kort daarop in het consistorie met de kerkorde van A Lasco in


7 Zijn activiteiten in Londen zijn gedocumenteerd in ELBA III, nrs. 313, 328 en 333. Een verhalend overzicht naar aanleiding van die en andere bronnen in L. Firpo, ‘Francesco Pucci in Inghilterra’, in Revue internationale de philosophie, nr. 16 (1951), fase. 2, Brussel 1951, p. 1-16.
8 L. Firpo, a.w., p. 2-3.

|150|

de hand, om aan te tonen dat gemeenteleden recht van spreken hadden. Het consistorie legde hem uit dat dit recht van spreken tot geschikte gemeenteleden was beperkt, in de profetie. Daarop meldde hij zich om hieraan deel te nemen9. Het consistorie noemde de drie vereisten voor deelname aan de profetie: een vlekkeloze levenswandel, zuiverheid in de leer en didaktische gaven. Om hem vooreerst op het derde punt te toetsen gaf het consistorie hem een tekst uit de Galatenbrief op. Francesco Pucci kwam op de afgesproken tijd in het consistorie, maar in plaats van een verhandeling over de hem opgegeven tekst te geven, beweerde hij dat in de Franse kerk op een aantal kernpunten van het geloof dwaalleer werd verkondigd, namelijk inzake het geloof, de erfzonde, het avondmaal en de zonde tegen de Heilige Geest10. Het consistorie reageerde verbluft, maar ging een debat aan, dat op 15 maart 1575 plaatsvond. Het consistorie oordeelde in dit debat dat zijn ideeën in strijd waren met die van de gereformeerde kerken en besloot hem van het avondmaal te weren11. Een belangrijke overweging hierbij was het feit dat hij buiten de kerkeraad had verklaard het oneens te zijn met de kerk op de vier bovenvermelde punten. Deze aantasting van de uniformiteit werd beschouwd als een vorm van rebellie. Meningsverschillen op zich waren bespreekbaar, de goede naam van de kerk op het spel zetten door van onenigheid te spreken, niet. Een appel bij de coetus stelde de Franse kerkeraad in het gelijk. Pucci werd nu gevraagd de geloofsbelijdenis van de Franse kerken te ondertekenen en zich daarmee te conformeren aan de leer en discipline van de kerken in Londen. Hij weigerde dit met de verklaring dat deze geloofsbelijdenis onbijbels was.

Francesco Pucci was met zijn eigenzinnige theologische ideeën bepaald niet welkom bij de kerken in Londen, die een grote voorkeur vertoonden voor uniformiteit in de leer. Na zijn verblijf in Londen vertrok hij naar Duitsland, onderweg verblijvend bij de Nederlandse ‘Schwenckfeldiaan’ Aggaeus van Albada. Deze, toch niet bekend als een groot aanhanger van confessionalisering, kon ook volstrekt niet uit de voeten met Pucci’s denkbeelden. In een brief aan een vriend zegt Albada dat hun ideeën verschillen als dag en nacht. Al prijst hij de ijver van de Florentijn, hij zal zelfs niet proberen aan zijn vriend al de ketterijen van Pucci uit te leggen. Hij volstaat met de kwalificatie dat hij niet ‘is uit de ware kennis van de Vader en de Eeuwige Zoon’12.
Meer bereikte het consistorie vroeg in 1576 bij een zekere generaal Portail. Deze schreef een boek, waarin hij zijn dromen het gewicht van openbaring gaf, op één lijn te stellen met


9 Cf. L. Firpo, a.w., p. 5.
10 Ibidem, p. 5.
11 Cf. ELBA III, nr. 328.
12 Brief van Aggaeus van Albada aan Remberto Achema, Epistolarum ab Ill[ustribus] Viris scriptarum centuriae tres ed. S.A. Gabbema, p. 765. Harlingiae Frisiorum, 1664: ‘Is vir* ad me venit, eumque ego motus vestris literis antequam doctrinam ejus cognovi in hospitium meum et ad mensam meam recepi. Sed post primam et alteram collationem plus differre nos intellexi quam coelum et terram. Nolo illum gravare hujus aut illius haeresos nomine. Sed scias opiniones ejus prorsus spiritui meo adversas, praeter spem quam de Ecclesiae reformatione vel reaedificatione habet. Zelum illius video et amplector. Sed is non est ex vera Dei Patris ac aeterni Filii ejus scientia.’
* Erat is, Franciscus Puccius Filidinus, Italus, ex Anglia in Germaniam tendens.’ Deze referentie werd mij gegeven door dr. W. Bergsma, lid van de ‘contactgroep XVIe eeuw’ te Leiden.

|151|

Gods openbaring in het brandende braambos of door de Heilige Geest. Aanvankelijk hield de generaal zijn mening vol ‘qu’il avoit l’esprit de Dieu, quy luy reveloit tout che luy debvoit advenir’. Na een aantal pittige gesprekken werd de generaal op 1 maart 1576 bewogen tot conformering aan de leer van de Franse kerken, alles wat daarbovenuit ging afzwerend. Zijn geschriften gaf hij over aan het consistorie ‘pour estre suprimés’, al naar gelang het consistorie het beste vond13.

Drie schoolmeesters en twee proponenten van de Franse kerk kwam hun verzet tegen de autoriteit op afhouding van het avondmaal te staan. Jacques de Castinoll, één van de officiële schoolmeesters van de Franse kerk, gaf in de loop van 1580 en 1581 aanleiding tot geruchten van overspel door een frequente omgang met de vrouw van Bernard Roulin, Jervaise. Het consistorie wilde hem hierover ondervragen, maar De Castinoll weigerde medewerking. Bij Jervaise Roulin krijgt het consistorie de belofte gedaan dat zij niet meer met de schoolmeester zal omgaan. Op 29 maart 1581 constateert het consistorie echter dat zij zich niet aan de belofte gehouden heeft. Beiden worden van het avondmaal afgehouden. De zaak escaleert tot een conflict van ds. De la Fontaine samen met de wijkouderling tegen Jacques de Castinoll, die in geschrift klaagt over de bemoeienissen met zijn leven. Onder druk gezet door de verzekering dat hij zijn werk zal kwijtraken draait hij bij. In juli 1582 belijdt De Castinoll schuld van overspel en rebellie naar een formulier in tien punten, opgesteld door het consistorie. De kanselier van de bisschop van Londen zal voorts op de hoogte gesteld worden van Castinoll’s leven. Jervaise was al in mei 1582 aangenomen14.

Martin du Buisson, eveneens een schoolmeester verbonden aan de kerk, werd op 18 juni 1572 publiek afgezegd van het avondmaal, wegens ongeoorloofde bemoeienis met een andere tuchtzaak. Een zekere Abel Conroyeur wenste ontslagen te worden van zijn huwelijksbelofte aan Catherine de Ie Deulle. Zij zou een moord hebben gepleegd. Het consistorie onderzocht de zaak uitputtend en kwam tot de conclusie dat de belofte niet ongedaan mocht worden gemaakt. Martin du Buisson nu stelde zich aan de kant van Abel Conroyeur, hem adviserend zich tegenover het consistorie te beroepen op Deuteronomium 22, zijn verloofde te verlaten en een ander te trouwen. Het consistorie verwierp dit schriftberoep. Du Buisson leek in de vergadering van 27 februari 1572 overtuigd. Op 30 april blijkt hij dan een schriftelijk getuigenis van geen bezwaar over Abel Conroyeurs nieuwe huwelijk te hebben gegeven aan de ‘Curé van Aldgate’. Op grond van deze misleidende informatie was Conroyeur getrouwd met Anne Dervilliers in de Engelse kerk. Het consistorie was woedend, ging over tot publieke afsnijding van het avondmaal van Martin du Buisson. De gemeenteleden trokken hun kinderen van zijn school terug. Voor zover bekend is het nooit tot een verzoening gekomen15.


13 Actes II, p. 175-177.
14 Bernard Roulin, de gehoornde echtgenoot, kon de spanningen ondertussen niet aan. Hij zocht troost in de taverne, wat hem in het voorjaar van 1580 en in april 1581 op afhouding van het avondmaal kwam te staan. Tweemaal diende hij hierover zijn schuld te belijden.
15 Actes II, p. 64, 67, 75, 77, 78.

|152|

Fleury Gallois, een schoolmeester in Bishopsgate Ward, was één van de twaalf in januari 1572 aangewezen proponenten in de Franse kerk in Londen16. Hij kwam in 1584 in conflict met het consistorie wegens te familiaire omgang met de weduwe Cornillet. Dit gaf aanleiding tot spanningen in zijn huwelijk17. Het consistorie verbood hun omgang, waarna Fleury Gallois weigerde informatie te verschaffen, terwijl van andere gemeenteleden getuigenissen kwamen die wezen op echtbreuk. Het consistorie besloot tot afhouding van het avondmaal op 23 februari 1584. In juni kwam daar nog een andere beschuldiging bij. Gallois zou diakonale gelden voor schoolkinderen verduisterd hebben. Samen met de weduwe Cornillet werd hij op 18 juni voorgesteld aan de gemeente. Op 27 december 1584 werden beiden publiekelijk van de gemeente afgesneden. Voorzover bekend zijn ook zij niet meer in de Franse kerk in Londen teruggekeerd.

Olivier Ie Nepveu, zijdewever uit Valenciennes, was eveneens in januari 1572 als proponent aangewezen. Kort daarna komt hij in conflict met de kerkeraad, om niet helemaal opgehelderde redenen. Er lijkt een vermoeden te bestaan van overspel met een dienstmeisje. Hij weigert categorisch te verschijnen. Op 9 april, na minstens vijf keer ontboden te zijn, verschijnt hij, maar vertrekt zodra het betoog van de predikant hem niet bevalt. Met zijn vrouw wordt hij op 8 juni 1572 publiekelijk afgezegd wegens ‘rebellion’. Bijna vijf jaar later, november 1576, is hij nog steeds niet tot verzoening met de gemeente gekomen. Men geeft hem te kennen dat dat niet zo door kan gaan. Hij vervalt echter tegenover predikanten en ouderlingen in ‘invectives, injures et cholères’, zodat deze poging tot verzoening van de kant van de kerkeraad geen succes heeft.

Twee (ex-)militairen werden wegens rebellie tegen het consistorie geschorst van het avondmaal. Dominique Wallerant, een Italiaan, voormalig huursoldaat, die als zijdewever in Londen de kost verdiende, was één van hen. We zullen Wallerant nog verder tegenkomen, omdat hij zichzelf gedurende de korte tijd van zijn lidmaatschap van de Franse kerk in Londen vermaningen bezorgde wegens een veelheid van gedragingen die het consistorie niet kon goedkeuren. Hij weigerde echter consequent zich te verantwoorden voor de kerkeraad, zodat hij uiteindelijk wegens ‘rebellion’ publiekelijk van het avondmaal geweerd werd in het voorjaar van 1572.

De Waal Marc de Rinne behoorde tot de Waalse troepen die de troepen van Oranje in Vlissingen in de zomer van 1572 te hulp waren geschoten. Blijkbaar van zins om snel terug te keren, verkreeg hij onder valse voorwendsels een paspoort van zijn kapitein. Hiervoor werd hij door het consistorie op 20 augustus gemaand zijn schuld te bekennen. Hij weigerde, waarna hij van het avondmaal werd afgehouden18.

Niet zelden raakte een lidmaat ten gevolge van een tuchtgeval verzeild in een vete met één van de predikanten of ouderlingen. Drie jaar lang murmureerden de Waalse wever Gabriel Haimon en Robert Ie Chaleur, schrijnwerker uit Rouen, tegen hun wijkouderling John Bodley en ds. Cousin. Bodley zou te autoritair zijn opgetreden bij de familie Haimon, wat de oorzaak zou zijn geweest van een familieruzie. Op drie september 1571 bracht Gabriel Haimon een


16 Cf. hoofdstuk 17.
17 Ook zijn vrouw werd van het avondmaal gehouden. Zij achtte het consistorie partijdig in deze kwestie, en schold haar wijkouderling Anthoine Bien uit voor vlieg (mouche).
18 Actes II, p.88.

|153|

lijst van klachten over het gedrag van ouderling Bodley naar voren. De voornaamste is wel dat hij het consistorie verweet ‘de armen geen recht te doen’. Het consistorie onderzocht de zaak, maar stelde zich achter Bodley en Cousin op. Op 10 oktober eisten zij zijn excuses tegenover predikant en ouderling, voordat hij weer aan het avondmaal mocht deelnemen. Anderhalf jaar bleef hij mokken in de kroeg, waarvoor hij verscheidene malen vermaand werd. Tenslotte, op 25 maart 1573, vroeg hij om hernieuwde toelating tot de gemeente19. Ongeveer een jaar later werd hij toegelaten, na gemaakte excuses. Korte tijd later echter werd hij opnieuw afgezegd ‘pour sa vie desbordie et schandaleuse’. Deze procedure nam wederom ruim een jaar in beslag. Op vijf mei 1575 werd hij opnieuw aangenomen, met een donderpreek dat hij bij het eerstvolgende probleem direct geëxcommuniceerd zou worden20. Gabriel Haimon legde zich bij die voorwaarde neer.

De onmin tussen Robert Ie Chaleur en het consistorie is vermoedelijk nooit opgelost. Op 3 oktober 1571 weigerde hij excuus te maken, en beweerde hij dat Bodley onrechtvaardig was tegenover de arme gemeenteleden. Wegens laster werd hij daarom afgehouden van het avondmaal. Een klacht van Le Chaleur op 12 december ontlokte het consistorie het advies om te appelleren bij de coetus, maar over een behandeling door dit orgaan is ons niets bekend21.

Yve des Forges, een Frans edelman, wekte de toorn van het consistorie en van de Engelse buren op door de vrouw van een ander als vrouw te hebben. Wel bleef hij zich tooien met de mantel van het lidmaatschap van de kerk22, hetgeen het consistorie tegensprak: hij was geen lid van de kerk, aangezien hij zich niet onderwierp aan de discipline. John Mullins, aartsdiaken van St Paul, wendde zich in oktober 1572 tot het Franse consistorie met het verzoek het huwelijk van Des Forges in het kerkregister in te schrijven. Hij was misschien misleid door de voorstelling van zaken door Des Forges. Het consistorie weigerde dit verzoek, aangezien Des Forges niet als een gemeentelid werd gezien, onder meer wegens laster van ds. Cousin en andere consistorieleden. De zaak kreeg nog een vervolg. In december 1572 weigerde Des Forges publiekelijk schuldbelijdenis af te leggen van zijn lasterlijke uitspraken. In mei 1573 stemde hij alsnog daarin toe, zodat hij weer tot de gemeente toegelaten kon worden23. In oktober


19 ‘[demande] estre receu a la paix de l’église, ayant desplaisir de sa vie passee’. Voorlopig wordt hem aangeraden te leven ‘en la crainte de Dieu’ en af te wachten. Actes II, p. 108.
20 ‘autrement, s’il vient affaire scandale, sera retranché de tout’. Actes II, p. 164.
21 Nog een ander voorbeeld van wrok komt voor in de kwestie rond Nicholas Bury, een zijdewever uit Dieppe, en zijn familie. De zaak speelt gedurende lange tijd. De coetus is er ook jaren mee bezig. Veel documenten over deze zaak zijn te vinden in ELBA III.I. Diverse gemeenteleden trachten leden van het consistorie te wraken wegens partijdigheid. Onder hen Jehan Dincq, die voor zijn voortdurend agiteren ten faveure van de familie Bury uiteindelijk met excommunicatie bedreigd wordt door het consistorie (Actes III, sub 24 september 1584). Dincq had het vooral gemunt op de diaken Jacques de le Tour.
22 In de Actes II, p. 73, vinden we de intrigerende mededeling van Matthew Colclough, een Master van Bridewell, gevangenis en opvanginstituut voor ongehuwde moeders, dat Yve des Forges nooit voor dit feit was aangeklaagd wegens zijn lidmaatschap van de Franse kerk: ‘et n’estoirt qu’il secouvre du manteau de ceste église on ne l’eut sy longtemps enduré’. Blijkbaar kon de discipline van de vreemdelingenkerken als een alibi werken.
23 Actes II, p. 73, 92, 94, 97, 114, 117.

|154|

1574 echter bereikte een klacht van een vrouw het consistorie dat hij achter haar dochter, zijn dienstmaagd, aanzat. Des Forges wuifde de beschuldiging weg: zij was een oude zeur, het dienstmeisje heeft hém beroofd en verlaten. Zijn eer is gekwetst. Het consistorie koos een middenweg in de vergadering van 23 december. Des Forges werd vermaand geen klacht tegen zijn dienstmeisje in te dienen, de moeder werd uitgelegd dat het verstandiger was hem uit de weg te gaan. Het ziet ernaar uit dat het consistorie van hem geen schuldbelijdenis eiste, zodat de zaak min of meer in de doofpot belandde24.

De meeste andere zaken hebben een andere achtergrond. De meest voorkomende reden tot afhouding is de weigering om te verschijnen voor het consistorie om verantwoording af te leggen. Anthoinette du Jardin weigerde in het najaar van 1576 haar vermeende bigamie te laten onderzoeken. Op 1 november van dat jaar werd zij afgehouden, in juli 1578 weer toegelaten na schuldbelijdenis. Zo ook gebeurde met de vrouw van Robert Patrince, zijdewever uit Vlaanderen. Zij weigerde te verschijnen om een niet geheel duidelijke reden. Eenzelfde sanctie voor ‘rebellie’ ontvingen Guillaume Santune en zijn vrouw. Zij weigerden zich te verantwoorden voor mishandeling van hun dochtertje. In 1581 vertrok de familie naar Canterbury, maar het consistorie stuurde een brief aan de Franse kerk in die plaats met alle informatie. Het beslissende criterium voor afhouding van het avondmaal door het consistorie is in al deze zaken: rebellie. Het consistorie krijgt hierdoor immers niet de gelegenheid de zaak te onderzoeken en te bemiddelen. Op de vraag of het consistorie in de loop van deze vijftien jaar deze sanctie meer of minder is gaan toepassen wegens rebellie luidt het antwoord: meer. In de periode 1571-1577 werden vijftien personen hiervoor van het avondmaal geweerd. In de daarop volgende periode tot en met 1585 21 personen.

Hoe definitief waren deze afhoudingen van het avondmaal? We hebben gegevens over verzoening met het consistorie en terugkomst in de kerk van slechts een minderheid van de afgehouden personen. Een enkele keer ging het consistorie over tot publieke afsnijding. Vaker bleef de afhouding gedurende jaren en jaren van kracht, zonder dat verder gegaan werd met de (voorgeschreven) procedure. Het valt met name op dat schoolmeesters, proponenten en andere belangrijke personen vaak definitief de kerk de rug toekeerden na een procedure wegens rebellie ondergaan te hebben.

 

I.b. Kerkverzuim: 9

Afhouding van het avondmaal om reden van kerkverzuim komt in de Franse acta weinig voor. Dat hangt voor een deel samen met de aard van het vergrijp. De kerkeraad kon slecht dreigen met afhouding van het avondmaal wanneer de personen zelf al niet gingen! Eerder probeerde de kerkeraad een einde te maken aan het kerkverzuim, dan dit te straffen met de sanctie van schorsing. Niettemin is een aantal voorbeelden bekend.

Francois Roseau, ‘turnour’ (houtdraaier?) uit Picardië, werd op 20 januari 1574 weer aangenomen tot het avondmaal, waarvan hij vijftien maanden weggebleven was. Vermoedelijk hing dit samen met een niet aangekondigd verblijf buitenslands, aangezien hij door een ander gemeentelid van verlating van zijn gezin werd beschuldigd, op welk punt hij overigens niet wordt ondervraagd.


24 Actes II, 147, 148, 150.

|155|

Dezelfde Roseau werd later nogmaals afgehouden, wegens hertrouwen zonder toestemming van zijn moeder. Hiervan beleed hij op 20 oktober 1575 schuld. Zijn tweede vrouw was al in juni van dat jaar toegelaten25.

Mr. Pierre Olivier was ziekentrooster van de Franse gemeente, tenminste vanaf de pestepidemie van 1563 tot en met juli 1579. In die maand werd hij afgehouden van het avondmaal wegens een gevecht in de herberg samen met een viertal andere gemeenteleden. Is het toeval dat het Franse consistorie op 31 juli besluit hem met onmiddellijke ingang te ontslaan van zijn taak als ziekentrooster ‘omdat er op het moment geen pestlijders zijn’26? Men dankt hem weliswaar voor zijn diensten, en toont ‘respect’ voor zijn werk en zijn hoge leeftijd. Daarom geeft men hem een pensioen van ‘6 sol gros’ per week, maar Pierre Olivier ervaart zijn ontslag als een vernedering. Gedurende acht maanden verschijnt hij niet aan het avondmaal. Op drie november wordt vervolgend besloten hem ditmaal geen loodje te verschaffen27. Hoewel zijn naam niet meer in de acta voorkomt heeft hij zich waarschijnlijk toch verzoend met de Franse kerk. In 1583 werd hij althans als ‘minister’ en lid van de Franse kerk geregistreerd in een return van zijn ward28.

Jean Poullois en zijn vrouw werden in juni 1577 vermaand wegens hun lange wegblijven van het avondmaal. Poullois gaf toe er het hart niet toe te hebben gehad29. Huwelijksproblemen lagen hieraan ten grondslag. Het consistorie ging over tot afhouding van hen beiden totdat zij zich met elkaar zouden hebben verzoend. In september 1579 was aan deze voorwaarde voldaan, zodat Jean Poullois op 1 oktober weer toegelaten kon worden, na driejaar niet aan het avondmaal te hebben deelgenomen30.

 

I.c. Dopen of trouwen zonder toestemming in een andere kerk: 36

Tot ongenoegen van de predikanten en ouderlingen van het Franse consistorie namen gemeenteleden niet zelden hun toevlucht tot een andere kerk voor een huwelijk of een doop. Voor dit vergrijp werden zesendertig personen van het avondmaal afgehouden. Slechts in drie gevallen betreft het een doop in de roomskatholieke kerk. De andere gevallen betreffen een clandestien huwelijk in de Engelse kerk. Soms deden gemeenteleden dit om de noodzaak van toestemming van ouders te ontlopen, zoals bij Gerard Gheerdson31, Richard Tanville, Jacqeline


25 Actes II, p. 129, 131, 149, 154, 165 en 170.
26 ‘[Parce que] il n’y ait point de pestifères. Actes III, fol. 54, sub 31 juli 1580.
27 Actes III, fol. 54.
28 Returns 2, 301.
29 ‘Pour avoir ung mauvais coeur’. Actes II, p. 202.
30 Actes III, fol. 29.
31 Actes III, fol 62.

|156|

Tilloy32 en de al eerder genoemde Francois Roseau. Soms ook had men meer te verbergen, bijvoorbeeld eerder gedane trouwbeloften, zoals in de zaak van Abel Conroyeur, die met behulp van een vals getuigenis van de schoolmeester Martin du Buisson een Engelse priester om de tuin leidde, en van Jean de la Croix, die een verloofde in Vlaanderen had. Ook gevallen van bigamie kwamen voor, in de regel van personen van wie de echtgenoot zich niet in Londen bevond. Af en toe had men concrete bezwaren tegen eisen die de Franse kerk stelde. Niet alle weduwen konden de wachttermijn voor een nieuw huwelijk, vier en een halve maand, ter vaststelling van eventuele zwangerschap opbrengen. Een voorbeeld is het huwelijk van Pierre Foucault, dat overhaastig geschiedde zonder dat de verplichte drie afkondigingen waren gedaan33. Men zie ook de zaak van Brisette Godault, tegen wier huwelijk het consistorie daarnaast het bezwaar had van een te groot leeftijdsverschil tussen man en vrouw34.

De meest voorkomende reden om uit te wijken naar de Engelse kerk was het willen ontlopen van een openbare schuldbelijdenis in de Franse kerk wegens gemeenschap voor het huwelijk. Dat was echter niet altijd succesvol. Vaak kwam het consistorie van de Franse kerk achter de feiten, en riep het paar ter verantwoording. Indien noodzakelijk, namen de ouderlingen contact op met de parochiegeestelijken, soms met, soms zonder succes. Zo ontstaat een indruk, dat in de Engelse kerk toch minder bezorgdheid bestond over motieven op grond waarvan leden van de vluchtelingenkerken in Londen in de Engelse kerk trouwden in plaats van in hun eigen kerk. Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat lidmaten heel goed de weg wisten naar Engelse priesters die niet lastig waren. Soms wekten de kerkelijke autoriteiten ook de indruk gemakkelijker toestemming te geven tot een huwelijk dan de vreemdelingenkerken. Een enkele maal doorkruiste een ordonnantie van de Engelse geestelijkheid de Franse discipline (bijv. inzake de edelman Yve des Forges, zie boven). Ook het huwelijk van Anthoine des Ruelles en Marie Talmond, totaal onacceptabel in de ogen van het Franse consistorie, moest het met tegenzin toestaan wegens een licentiebrief, die het bruidspaar van de aartsbisschop van Canterbury gekregen had35.

 

I.d. Geloofsverzaking: 7

We verstaan onder geloofsverzaking de overgang, of deelname aan riten in éen van de kerken waarmee de Franse kerk in Londen zich niet verbonden wist. Overgang naar de Church of England geldt niet, die naar de roomskatholieke kerk wél als geloofsafval, evenals de overgang naar de doopsgezinden. Over de laatstgenoemde richting kunnen we kort zijn. In de Franse


32 Afgehouden op 3 maart 1582. Eerder had zij een advies van het consistorie om niet in de Engelse kerk te trouwen naast zich neergelegd. Actes III, fol. 111, 112. Jacqueline de Tilloy woonde in 1576 met haar man in de Kruitsteeg (Gun Powder Alley) in Bishopsgate Ward. Zij werden voor het minimum aangeslagen bij de Lay subsidy. Returns 2, p. 197.
33 Actes II, p. 122.
34 Actes III, sub 22 juli 1585.
35 Actes III, sub 22 en 29 october 1584.

|157|

kerk in Londen bestond in de periode 1571-1585 geen interesse voor de doopsgezinden36. De overgang naar de Church of England werd overigens vooral gemaakt door diegenen die onvrede hadden gekregen met het consistorie van de Franse kerk in Londen. Dit in tegenstelling tot de algemene tendens, namelijk dat in de loop van deze periode steeds meer buitenlanders zich aansluiten bij één van de vreemdelingenkerken in Londen.

Zeven lidmaten van de Franse kerk in Londen werden in de periode 1571-1585 wegens geloofsverzaking van het avondmaal afgehouden. We hebben een streng criterium gehanteerd: alleen die personen die lid waren van de Franse kerk in Londen. Personen die kwamen met een verzoek om toelating tot de kerk, en van wie een schuldbelijdenis werd verwacht omdat ze elders waren afgevallen van de gereformeerden, bespreken we hier wel, maar hebben we niet in het overzicht opgenomen. Dit hangt nauw samen met de achtergrond van de meeste zaken van overgang naar het katholicisme. Er is een sterke concentratie in de jaren 1572-1573 als gevolg van de ‘Bloedbruiloft’ en de golf van ‘bekeringen’ van protestanten in Frankrijk. Ook in de grensstreek van de Nederlanden en Frankrijk zijn dwangbekeringen bekend. Niet weinigen van hen meldden zich korte tijd later in de Franse kerk in Londen met het verzoek aangenomen te worden als lidmaat. Aangezien in dit geval meestal de zaak niet terugverwezen kon worden naar de gereformeerde kerk in de plaats waar zich dit alles had afgespeeld, nam het Franse consistorie de taak op zich de bekeerlingen te onderzoeken op hun gedrag. Niet weinigen van hen hadden de kans afgewacht om zichzelf en hun familie in veiligheid te brengen. De sporen hiervan vinden we in kerkeraadsacta van de Franse kerk in Londen. Net als in 1568-69 was een groot aantal predikanten om het geloof gevlucht37.

Maar al voor die uitbarsting van geweld kwamen ‘gevallen gereformeerden’ in Londen voor de kerkeraad. In de loop van het najaar van 1571 verschenen zes personen die de mis hadden bijgewoond voor de kerkeraad met een verzoek om toelating38. Op 13 februari 1572 verantwoordden Marie Ie Mesre en haar moeder zich voor hun bijwoning van de mis in hun woonplaats Valenciennes gedurende twee jaar39. Een week later Agatha de Ladrière, huisvrouw van Lievin Cocquet40, na zes weken gevolgd door Jean Ie Fevre en zijn vrouw. De laatsten ‘vertoonden tekenen van oprecht berouw’ over hun gedrag en beschikten over een goed attest41. Jacques Creton en zijn vrouw en Anne du Mont werden in juli resp. augustus aangesproken op het dopen van een kind in de katholieke kerk42. Gillis Bulteel, koopman uit Tournai, erkent de


36 De doopsgezinde vermaner Allard Poullet uit Brugge, hierboven behandeld, was geen lidmaat van de Franse kerk in Londen.
37 Cf. de lange lijst van gevluchte Franse predikanten in F. de Schickler, Les Eglises du Refuge I, p. 198-200.
38 Gillette Joseph, Colle Elie, Anselot Ie Soit, Pierre Hevel en Francois Ie Fevre en zijn vrouw. De eerste twee in Valenciennes, de laatste gedwongen tot bijwonen van de mis in Rouen.
39 Actes II, p. 63.
40 Ibidem, p. 65.
41 Ibidem, p. 72.
42 Actes II, p. 87, 88.

|158|

doop van twee kinderen, vermoedelijk in Antwerpen. Op dezelfde datum betuigt Hector Ie Coeur dat zijn bekering onder dwang is geschied43. Alle aanmelders werden verplicht openbaar schuld te belijden voor de gemeente. Tot dit doel ontwikkelde het consistorie een vaste procedure, neergelegd in een schriftelijke bekentenis, die allen moesten ondertekenen44.

Vanaf november nemen de terugkerende gereformeerden behoorlijk in aantal toe. Op de 27e van die maand doet een groep van zestien personen schuldbelijdenis in de kerk, de helft van hen uit Valenciennes afkomstig, enkele anderen uit Rouen en Parijs. Onder de laatsten de latere diaken en ouderling van de Franse kerk in Londen, Jerosme Haultaint45. Ten gevolge van de vervolgingen in Frankrijk groeit rond deze tijd het aantal leden van de Franse kerk in Londen zodanig, dat men een tweede zondagmorgendienst instelt, en bij het Nederlandse consistorie vraagt om gebruikmaking op de zondagmorgen van hun kerk, die veel groter is. De vele ‘bekeerlingen’ stellen het consistorie voor een probleem. Op 13 januari 1573 vindt beraad plaats met zes gevluchte Franse predikanten. Men stelt een algemeen pardon in voor al diegenen die gedwongen zijn geweest de mis bij te wonen ten tijde van de vervolgingen, behoudens personen die een ambt in de kerk uitoefenden of mensen van wie de afval grote bekendheid genoot46. Onder deze condities47 werd op 22 januari een groep van zeven vrouwen, twee van hen ongehuwde ‘jonge dochters’, toegelaten tot het avondmaal, op 29 april 1573 een groep van 25 personen, op 11 oktober elf, op 28 oktober twaalf, en nog op 30 december 1573 vier personen. Buiten het pardon viel de Parijse ouderling Martin Hardret (Hardié), aan wie in juni 1573 werd opgedragen in het openbaar schuld te belijden van afzwering van het gereformeerde geloof. Ondanks een pleidooi van ds. Augustin Beaulieu voor matiging van dit oordeel bleef het consistorie op 1 juli vasthouden aan deze beslissing48. Hardret zelf heeft blijkbaar niet erg onder deze beslissing geleden. Enige tijd later, in februari 1581, werd hij gekozen tot ouderling van de Franse kerk. Hij oefende dit ambt uit tot over de eeuwwisseling, en lijkt één van de meest aanzienlijke ouderlingen van die kerk te zijn geweest. Hij raakte bevriend met de predikant Le Maçon, en met de Italiaanse predikant. In de loop van 1574 zijn nog slechts enkele teruggekeerde gereformeerden voor het consistorie verschenen49.


43 ‘Respond et s’excuse que ce qu’il en a faite et dit estoit pour sauver sa personne’. Actes II, p. 93.
44 Cf. Actes II, p. 63, over de zaak van Marie le Mesre en haar moeder: ‘selon l’ordre on leur dresseroit la recognaissance par ung billet qu’elles signeront’.
45 Hij was geboren in Mans, en afkomstig uit Parijs. In Londen vond hij emplooi als letterzetter.
46 ‘Seront admis à la Cène, sinon que leur faute fust qualifiée, comme de personne publique en l’église, ou autrement trop divulguée’. Actes II, p. 101.
47 ‘(...) selon l’ordre pour le present y estably’. Actes II, p. 109.
48 Actes II, 118, 120.
49 Twee vrouwen, Perette Bauche en Sainctienne Rainbou, die compareerden in september resp. november. Zij hebben vermoedelijk gewacht tot een gunstig tijdstip om zich naar Londen te begeven.

|159|

Na 1574 is nog maar sporadisch sprake van een terugkomst tot de gereformeerde kerk vanuit de katholieke50.

Twee bijzondere gevallen van geloofsafval zijn nog te melden. Philippe Ie Roy, een Nederlandse zijdewever in Bishopsgate Ward, meldde ds. Cousin in een gesprek dat hij zijn ziel aan de duivel had verkocht. Hij beweerde voorts dat de bijbel niet het woord van God maar van mensen was, dat er geen vergeving van zonden bestond. Wanneer hijzelf iemand zou doden, zou de verantwoordelijkheid hiervoor slechts bij God liggen51. Een gesprek met de predikanten Desroches en Cousin wist hem tot andere gedachten te brengen. Bij hun verslag aan de kerkeraad meldden zij dat Le Roy ‘heeft gesmeekt om genade bij God en heeft beloofd de mensen te voldoen die door zijn denkbeelden geschockeerd waren’52.

De Piëmontese voormalige huurling (‘picqeur de cheval’) Dominique Wallerant werd — naast andere verwijten — ten laste gelegd dat hij de mis had bijgewoond bij de Spaanse ambassadeur in Londen. Al werd hij om meer redenen van het avondmaal geweerd, dit feit op zich zou voldoende zijn geweest voor die sanctie53.

 

I.e. Toverij: 5

Vijf mannen werden in de Franse kerk in Londen van het avondmaal geweerd omdat zij zich met toverij hadden ingelaten. Geen van de gevallen is boeiend of interessant te noemen. In drie gevallen gaat het om het raadplegen van een waarzegger in de hoop op terugvinden van gestolen of verdwenen goederen. In de overige twee meldt het consistorie omgang met een ‘devin’, zonder in details te gaan over het hoe en waarom. Het mag tekenend genoemd worden dat het consistorie in al deze gevallen tot afhouding van het avondmaal overging. In heel veel zaken beperkte het consistorie zich in eerste instantie tot een waarschuwing. In deze zaken niet.

Op 31 oktober 1583 werd Adrien le Prince wegens bezoek aan een waarzegger voor eenmaal afgehouden van het avondmaal. Zijn reden voor dit bezoek was de hoop op het terugvinden van verloren koopwaar. Naar aanleiding van deze zaak stelde het consistorie een algemene regel op dat men voor bezoek aan een waarzegger voortaan publieke schuldbelijdenis zal moeten afleggen54. Op 3 november 1583 volgde een tweede maatregel: een publieke afkondiging van een ‘ordonnance betreffende het bezoeken van waarzeggers’55.


50 I.c. de zaak van Martin Razou in juni 1582. Actes III, fol. 125.
51 Actes II, p. 14, 20. Het laatste lijkt een zeer persoonlijke interpretatie van de predestinatieleer.
52 ‘(...) ayant confessé, a crié mercy a Dieu et promis de satisfaire a ceux qui en ont esté scandalisés’. Ibidem, p. 20.
53 Actes II, p. 52.
54 Actes III, fol. 176.
55 Actes III, sub 3 november 1583.

|160|

 

II. Twisten en vechten: 70
a. (ruzie, twist) 22 (8 vrouwen)
b. (gewelddadige twist) 48 (3 vrouwen)

 

Ruzie, en vooral onderling vechten, was een veel voorkomende reden voor afhouding van het avondmaal in de Franse kerk in Londen. Omdat vrouwen maar een klein aandeel hebben in de afhoudingen wegens schelden, laster of vechten willen we hun zaken eerst nader bezien. Jeanne Bricquet en Catharina Barat hadden onderling ruzie. De reden hiervan is onbekend, maar ze ontvingen het advies van het consistorie om weg te blijven van het avondmaal totdat ze zich met elkaar zouden hebben verzoend56. Catharina Barat wilde zich hierbij wel neerleggen, Jeanne Bricquet weigerde. Zij bleef daardoor uitgesloten van het avondmaal, maar het consistorie achtte het blijkbaar niet nodig over te gaan tot excommunicatie. Op 23 april 1579 voegde zij zich uiteindelijk weer bij de gemeente door in te stemmen met een openbare schuldbelijdenis.

De vrouwen waren meestal betrokken bij familieruzies. De schrijnwerkerfamilies Couvé en Du Bois in Bishopsgate Ward waren met elkaar in 1584 gebrouilleerd geraakt. In deze zaak speelde een element van broodnijd, getuige de beledigingen die zij jegens elkaar gebruikten. Balthasar Couvé schold de ander uit voor ‘promoteur’, een gildefunctionaris die toezicht hield op de naleving van de gildebepalingen, en waarmee de buitenlanders nogal eens in negatieve zin te maken kregen. Michel du Bois maakte de ander uit voor ‘larron’, wat hier misschien duidt op onder de gangbare prijs te werken. Hun vrouwen stelden zich ferm aan de zijde van hun respectievelijke echtgenoten. Op het moment dat de zaak voor het consistorie kwam, hadden de families het conflict bijgelegd. Toch kregen zij opdracht voor eenmaal van het avondmaal af te blijven ‘wegens het schandaal dat zij met hun ruzie hadden veroorzaakt’, en waarmee zij hun landgenoten en de Franse kerk in discrediet hadden gebracht57.

Een familieruzie verstoorde de verhouding tussen Achin Chauvin, een Franse kruisboogmaker, zijn vrouw en zijn inwonende broer Robert in 1577. Robert zou het merkteken van zijn broer hebben vervalst58. Op 18 juli 1577 tracht het consistorie te bemiddelen. Roger Chauvin wordt vermaand voor de harde woorden die hij gesproken heeft tegen de vrouw van zijn broer59. Achin Chauvin en zijn vrouw wordt voorgehouden dat de vervalsing niet zo zwaar mag wegen, aangezien Achin toch niet kan schrijven. Of dit optreden geholpen heeft blijft onzeker. We missen de acta van eind 1577 en begin 1578, waarin de zaak misschien tot een afronding gekomen is.


56 Actes II, p. 13.
57 Actes III, sub 2 juli 1584.
58 Namelijk: ‘signe’. Hier als merkteken op te vatten gezien het vervolg. Actes II, p. 203.
59 ‘(...) menacant (...) de la faire la plus povre demme du monde’. Actes II, p. 203.

|161|

Men hechtte aan de persoonlijke eer. Schelden met ‘larron’ of putain waren de meest gangbare scheldwoorden, en al snel goed voor een stevige reactie van de beledigde partij60. Bijvoorbeeld door dit soort aanslagen op de goede naam voor het consistorie van de Franse kerk te brengen. Jean (Ie) Marchant, een ‘tourneur’ (houtdraaier?) van beroep, kreeg in juni 1572 woorden over een transactie met zijn buurman, de goudsmid Nicholas Lardenois61. De laatste ontkende de levering enige tijd later, waarna bittere woorden vielen. Marchant werd uitgemaakt voor giftong (langue de serpent), bedrieger en renegaat-monnik (moine renié)62. Marchant riposteerde dat hij graag een even grote bedrieger (trompeur) zou zijn als Lardenois. Het consistorie dwong beiden zich met elkaar te verzoenen en wederzijds excuses te maken. Lardenois ging akkoord. Jean Marchant wilde zijn beschuldiging staande houden, waarop hij van het avondmaal werd geweerd. Hij bracht de zaak voor de coetus, maar die bevestigde de uitspraak van het Franse consistorie in een vergadering van 3 augustus. Uiteindelijk, op 15 juli 1574, onderwierp ook Marchant zich aan deze uitspraak, en werd hierop weer toegelaten tot de gemeente63. Maar niet zelden bleef het niet bij schelden en werd het uitgevochten op de vuist of met messen. De voormalige ouderling en scriba van de Franse kerk in Londen, de bejaarde Antwerpse koopman Antoine du Ponchel, moest op 9 december 1573 de vermaning ondergaan van zijn voormalige collega’s wegens een vechtpartij met Pierre Tierscize. Zij, als ouderen, zouden juist een beter voorbeeld moeten stellen!64 Een diaken uit Valenciennes, de kleermaker Jean Poucques, vocht in augustus 1580 in een herberg met Jacques Boulenger, een regelmatige verschijning op consistorievergaderingen. Poucques had een door Boulenger aangeboden pint wijn geweigerd, waarna deze hem uitschold voor farizeeër. Boulenger liet vervolgens een kind van Poucques met opzet struikelen, waarna deze hem te lijf ging. Poucques bleef vrijwillig af van het avondmaal. Jacques Boulenger werd afgehouden65.

In juni 1571 behandelde het consistorie een uit de hand gelopen incident. Vier jonge lidmaten uit Southwark kwamen ’s avonds onderweg bruiloftsgangers tegen. Zij maakten wat opmerkingen over de meisjes in dat gezelschap. Dat viel verkeerd en er ontstond een vechtpartij, waarbij één van de vier jongelieden, Denis Hughes, een ponjaard trok. Hij werd daarom, samen met


60 De aanduiding ‘pocking houre’ geeft aan dat de immigranten inmiddels een aardig mondje Engels van de straat spraken. Actes II, p. 22.
61 Beiden woonden in de vrijheid van Blackfriars, Farringdon Ward Within, ten westen van de City, een wijk waar veel lidmaten van de Franse kerk woonden.
62 Actes II, p. 80, 82.
63 Actes II, p. 80, 82-84, 89, 97, 101, 104, 105, 120, 123, 143.
64 ‘(...) remonstré (...) d’avoir injurié et frappé l’ung l’autre, eux, qui sont de grandt aage (!)’. Actes II, p. 129.
65 Actes III, fol. 56. Jacques Boulenger werd in 1583 tweemaal van het avondmaal geweerd. Eenmaal wegens het bezoeken van een waarzegger, om achter het lot van een verdwenen scheepslading te komen. Een tweede maal voor drinken in de pub ten tijde van het avondmaal. Wel verzoende hij zich na elke aanvaring met de kerk.

|162|

met zijn vriend Pierre de Gailly van het avondmaal afgehouden. Twee anderen kwamen er met een ernstige berisping vanaf66.

De familie Le Sage, afkomstig uit Rouen maar al tientallen jaren in Londen wonend, bezat een zekere faam op het gebied van vechten. Pierre le Sage junior werd in 1575 afgehouden wegens een vechtpartij met Gabriel Allin. Ook zijn vader, Pierre senior, werd voor vechten bestraft in het voorjaar van 1582. In beide gevallen waren de echtgenotes betrokken geweest bij de vechtpartij en mede van het avondmaal afgehouden. Als in 1584 Pierre senior opnieuw voor dit feit verschijnt, verzucht het consistorie dat hij toch wel erg op leeftijd is om nog zo tekeer te gaan67.

De eerdergenoemde Dominique Wallerant, een voormalig huursoldaat uit Piemont, werd na een geduldig onderzoek naar zijn levensloop in het najaar van 1571 tot de gemeente toegelaten, na schuldbelijdenis te hebben afgelegd over zijn ongehuwd samenwonen met Isabeau Cremer. Zijn lidmaatschap was van korte duur. Op één januari van het volgende jaar werd hem vrijwel het gehele scala aan wangedrag voorgehouden. Hij leefde ongeregeld, was betrokken geraakt bij een vechtpartij, ten gevolge waarvan hij ruzie had gekregen met zijn vrouw. Daarnaast had hij clandestien de mis bijgewoond in de residentie van de Spaanse ambassadeur68. Zoals eerder gezegd werd hem op 2 januari 1572, al voor zijn verschijning in het consistorie, de toegang ontzegd tot het avondmaal. Op de zestiende werd hij voor de derde maal ontboden. Voorzover bekend heeft hij zich nooit meer in de Franse kerk laten zien.

 

III. Huwelijkszaken en zedelijkheid: 74 

a. 1 (ruzie in huwelijk) 15
a. 2 (echtbreuk) 22
b. 1 (ontucht buiten huwelijk) 35
b. 2 (beloftebreuk) 2

 

De categorie III.a. omvat vooral op relatieproblemen binnen het huwelijk, echtelijke ruzies en overspel, in categorie III.b. vallen problemen die ontstaan bij het aangaan van nieuwe relaties, ontucht/sexuele omgang voor het huwelijk en trouwbreuk. De overtredingen in volgorde van belangrijkheid volgen globaal het patroon van de Nederlandse kerk in Londen. Vijf vrouwen en tien mannen werden van het avondmaal geweerd wegens echtelijke twisten. Bij huwelijksmoeilijkheden (III.a. 1) trachtte het consistorie als het enigszins mogelijk was de partijen opnieuw tot elkaar te brengen, in de regel door de partners aan te zeggen dat ze elkaar dienden te respecteren. De onenigheid tussen man en vrouw had overigens vaak een voorgeschiedenis. Velen van de mannen die hier voorkomen werden door het consistorie al eerder vermaand


66 Onder hen Ysembar Hasebart, die na het gevecht te laat was om het huis van zijn meester binnen te komen, zodat hij buiten moest slapen. Actes II, p. 2.
67 Actes III, sub 21 mei 1584. Het vechten was met Thomas Grin, ook een goede bekende van het consistorie. Deze was al van het avondmaal afgehouden om andere redenen.
68 I.a.; V.a.; II.b.; III.a.; Actes II, 7, 8, 17, 52, 56-58. Het misbezoek werd gesignaleerd door de ouderling Jacques de Chalons.

|163|

of afgehouden van het avondmaal wegens overmatig tavernebezoek, ruziemaken of dronkenschap. Voorbeelden hiervan zijn de Franse smid Marin des Landes, de eveneens Franse kammaker Thomas Grin, en de boekbinder Nicholas Ie Blond. De laatste had de neiging na herbergbezoek gewelddadig te worden tegenover zijn vrouw. De beide eersten waren vaak betrokken bij ruzies en waren notoire cafébezoekers. Geen wonder dat in hun gezin spanningen ontstonden. Toch slaagde het consistorie er telkens weer in de partners te verzoenen, zonder dat zij de kerk verlieten. Wanneer één van beiden de partner al had verlaten kon het consistorie minder goed bemiddelen, in het bijzonder als de partner ‘overzee’ was. Jean Jaeye meldde het consistorie in december 1580 dat hij niets meer met zijn vrouw, die hij in Malle achtergelaten had, te maken wilde hebben. Met zo’n uitspraak nam het consistorie echter nooit genoegen. Jaeye werd afgehouden van het avondmaal en het consistorie stelde een onderzoek in naar de verblijfplaats en het gedrag van zijn vrouw. Lievine Nostrange wilde in maart scheiden van haar man ‘Masse’. Zij leefden inmiddels al gescheiden van elkaar in Londen. De acta vermelden in beide gevallen slechts de intentie van het consistorie de zaak te onderzoeken. In beide gevallen ontbreekt echter een vervolg.

 

III.a. 2. Echtbreuk: 22

De kwalificatie ‘ontucht’ (paillardise) werd gebruikt voor alle naar het oordeel van het consistorie onjuiste sexuele betrekkingen. Niet alleen sexuele omgang voor het huwelijk tussen twee partners, maar ook sexuele betrekkingen tussen meester en dienstmaagd, gehuwde man en ongehuwde vrouw en vice versa. In dit overzicht is een onderverdeling aangebracht tussen ‘overspel’ en ‘ontucht’. In het eerste is sprake van een buitenhuwelijkse relatie van de betrokkene, in het tweede van een relatie van iemand die zich niet door een huwelijksbelofte aan iemand gebonden heeft. Dat klinkt tamelijk formeel. Het geeft echter adequaat aan hoe het consistorie over dit soort zaken dacht: eerder juridisch-formeel dan ethisch prescriptief. Het consistorie achtte alleen sexuele omgang tussen wettig gehuwden juist. Zelfs een wederzijdse trouwbelofte vond het onvoldoende reden voor sexuele omgang, niet zelden tot verbazing of woede van verloofde stellen. Het is daarom ook verklaarbaar dat niet weinigen zich aan deze hoge eisen wilden onttrekken en daarom in de Engelse kerk hun huwelijk wilden laten bevestigen.

De behandeling van zaken van echtbreuk mocht vermoedelijk toch wel rekenen op een maatschappelijke consensus. Het consistorie trad hard, maar consequent in dit soort zaken op, zelfs tegen één van de proponenten van de Franse kerk. Fleury Gallois, schoolmeester van de Franse kerk69, werd op 23 april 1584 afgehouden van het avondmaal op verdenking van echtbreuk. De schoolmeester Jacques de Castinoll onderging twee jaar daarvoor hetzelfde lot, net als zijn gehuwde vriendin, Jervaise Roulin. Onder echtbreuk vallen uiteraard de vrijwel klassieke gevallen van werkgevers die hun dienstmeisje verleiden. Eén van de vele voorbeelden hiervan in de Franse kerk in Londen is Robert Bahere, die het consistorie in mei 1583 probeert wijs te maken dat het kind van het dienstmeisje van zijn neef Noël is, en die is dood. Het


69 Hij woonde in Bishopsgate Ward, en werd zowel bij de Lay Subsidy van 1576 als die van 1582 voor hel legale minimum aangeslagen.

|164|

consistorie accepteert deze lezing niet na het horen van getuigen en houdt hem van het avondmaal70.

Soms is de term echtbreuk zwaar. Het kwam geregeld voor dat een echtgenote lange tijd, soms wel jaren, geen berichten hoorde van haar man. Valt het dan niet te begrijpen dat een vrouw alleen, verstoken van berichten en geld, omziet naar een nieuwe partner? Wat te denken van de eerdergenoemde Anthoinette du Jardin, wier man in de Nederlanden als militair dienstdoet? En hoe te handelen met Nicholas Marenene? Deze, een voormalige monnik, had in 1565 zijn pij verruild voor het soldatenuniform en was gehuwd. Spoedig geraakte hij in krijgsgevangenschap, die hij doorbracht in zijn oude abdij. Ondanks correspondentie met zijn vrouw hertrouwde zij na anderhalfjaar eenzaamheid. Het consistorie behandelde ook deze zaak juridisch-formeel: brieven werden verstuurd, onder meer naar kerken in Frankfurt en Aken, om de vindplaats van de partner te achterhalen, en voordat definitief uitsluitsel was verkregen piekerde het consistorie er niet over om toestemming te verlenen voor een nieuw huwelijk, dan wel goedkeuring te hechten aan een feitelijke toestand van bigamie71. Een voorbeeld van een zeer langdurige kwestie is de zaak van Ambrosio Lupo, wiens roomskatholieke vrouw in Venetië weigerde over te komen om zich bij haar man te voegen. Lupo, lid van de Italiaanse kerk in Londen, werd in afwezigheid van de Italiaanse predikant ondervraagd en afgehouden van het avondmaal door het Franse consistorie.

 

III.b. 1. Ontucht c.q. voorechtelijke sexuele omgang: 35

Voorechtelijke sexuele gemeenschap dan wel concubinaat werd vooral hoog opgenomen als het in breder kring bekend was geraakt. Het wegens zwangerschap gedwongen huwelijk van de dienstmeid van ds. De la Fontaine is hiervan een goed voorbeeld. Het schandaal hiervan was des te groter, omdat het de reputatie van het predikantsgezin aantastte. Daarnaast betoonde het consistorie zich vooral bezorgd over het vervolg van de zaak. Waren er huwelijksbeloften uitgewisseld? Waren de ouders op de hoogte? Waren de betrokkenen bereid te trouwen?

Niet alle jeugdige ‘delinquenten’ stelden de bemoeienis van het consistorie op prijs. Een frequent voorkomende verdediging is dat een wederzijdse belofte evenveel waard is als een officiële verloving voor de kerkeraad. Niet zelden onttrokken ze zich aan het opzicht van het consistorie door in de Engelse kerk te trouwen. Niet dat dit hielp. Hierboven (categorie I.c.) werd al duidelijk hoe het consistorie alsnog tot een tuchtprocedure overging in dat geval, waarbij het lidmaatschap van de Franse kerk niet zelden de inzet was. Men onderwierp zich aan de discipline, of niet. Men zie de zaak van Guillaume Teuillier, die in het najaar van 1576 zijn vrouw verloor en samen ging wonen ‘als man en vrouw’ met de nicht van zijn vrouw, Caterine Scribe. Niet alleen het samenwonen beschouwde het consistorie als verkeerd. De verwantschapsgraad van beide vrouwen beschouwde het consistorie als incest!72 Op ontucht werden ook verscheidene


70 Actes III, fol. 160.
71 Voor Nicholas de Marchene, zie Actes II, p. 202-203. Voor Anthoinette du Jardin, Actes II, p. 183 en 186.
72 Actes II, p. 182, 184, 185, 189, 190, 191, 193-195.

|165|

weduwen aangesproken, die zich spoedig na de dood van hun man een nieuwe partner kozen. De stricte wachttermijn van vier en een halve maand die het consistorie in acht wenste te laten nemen heeft hierin een rol gespeeld. Deze categorie is de enige waarvoor meer vrouwen dan mannen van het avondmaal werden afgehouden73.

 

III.b. 2. Verbreken van trouwbeloften: 2

In het voorgaande is al terloops de juridische aanpak van het consistorie ter sprake gekomen. Wel heel duidelijk kwam deze tot uiting in de gevallen van trouwbreuk. Een belofte van huwelijk gedaan in de aanwezigheid van twee of meer getuigen, gold als onverbrekelijk. De enige uitzonderingen die het consistorie hierop wil maken zijn een veroordeling wegens misdaden en moedwillige verlating. Wanneer één van de partners een beroep deed op zo’n uitzondering, ging het consistorie buitengewoon nauwkeurig alle gegevens na.

Voor het nietig willen verklaren van een huwelijksbelofte werden Jean de Bustal en Anne Giraux van het avondmaal geweerd. Een klein aantal, gezien de ernst van het vergrijp in de ogen van het consistorie. Het lijkt er echter op dat het consistorie in het geval van verbroken trouwbeloften niet zo snel met de sanctie van afhouding van het avondmaal werkte. Eerder spande het zich in de ex-verloofden weer tot elkaar te brengen, door een beroep op hun geweten te doen, of desnoods door middel van druk op de ouders.

Een voorbeeld hiervan is de zaak van Abel Conroyeur en Catherine de Ie Deulle, die nooit van het avondmaal afgehouden zijn geweest74. Conroyeur wenste een nietigverklaring van zijn belofte, omdat zij een doodslag zou hebben begaan. Diverse getuigen werden gehoord, haar vader in Lille werd aangeschreven. Een nieuw element dook op: Conroyeur was voornemens een ander meisje, Anne Darviliere, te trouwen. Maar ook zij had eerder beloften gedaan aan een ander. Zo’n anderhalfjaar duurde de zaak, totdat Abel en Anne de zaak forceerden door clandestien in de Engelse kerk te trouwen. Op veertien maart 1572 noteerde de scriba deze afloop, concluderend dat beiden van het avondmaal bleven afgehouden. Op de zeventiende maart voegde hij aan de samenvatting een grimmige notitie toe: ‘Est avenu Ie troisième jour suivant que ledit Abel est décédé de ce monde de la maladie de la peste’75.

 

IV. drinken: 27
a. (dronkenschap) 5
b. (dronkenschap met wangedrag) 22


73 Dit ligt aan het feit dat de betrokken mannen voor een deel echtbrekers waren, en derhalve onder III.a.2 gerubriceerd zijn.
74 Actes II, p. 17-20, 33, etc.
75 Actes II, 76. De zaak is terug te vinden in dezelfde acta, register in voce Conroieur, Abel, en Darviliere, Anne.

|166|

Het consistorie hield zich zeer frequent bezig met lidmaten die teveel gedronken hadden. Er lijkt evenwel geen absoluut verbod op het bezoeken van public houses, zoals later bij de Engelse puriteinen. Veel zaken werden per traditie in de herberg beklonken. Ook een diaken van de Franse kerk, Jean Poucques, was samen met een kind te vinden in een herberg. Eerder trachtte het consistorie de lidmaten te bewegen tot matigheid. Het consistorie was daarentegen gespitst op wangedrag ten gevolge van dronkenschap, wegens de smet die dit wierp op de kerk en op de hele gemeenschap van vreemdelingen in Londen. Niet voor niets kwamen in de zestiende eeuw de vele Engelse uitdrukkingen in zwang die Nederlanders associeerden met dronkenschap. Erg gevoelig toonde het consistorie zich dan ook voor aanvaringen met de locale bevolking. Nicholas Ie Saillant werd kwalijk genomen dat hij niet meer op zijn benen kon staan van de drank tot spot van de omstanders76. Charles Allin was samen met Claude de Beauvois en diens vrouw op 26 november 1576 in dronkenschap slaags geraakt ‘avecq grand scandale’ met enkele Engelsen, onder wie een dienaar van de graaf van Bedford, een belangrijke sympathisant van de vreemdelingenkerken in Londen. Hiervoor werd hen op 29 november de toegang ontzegd tot het avondmaal totdat zij hun leven zouden beteren. Op 16 mei van het volgende jaar beloofden ze beterschap in het consistorie, waarnaar ze weer mochten aangaan aan het avondmaal77.

Dronkenschap van heethoofdige jongeren leidde soms tot familieruzies. Daniel de la Bourgnoye, een jonge zijdewever uit Tournai, raakte begin januari 1583 dronken in gevecht. Zijn moeder probeerde hem tegen te houden, waarna hij haar én zijn schoonvader te lijf ging, totdat de constable van de wijk er een einde aan maakte. Hij werd hierom op 31 januari 1583 geweerd van het avondmaal78. Ook in zijn zaak ervoer het consistorie het ingrijpen van de constable als een verzwarende omstandigheid.

Dronkenschap op de dag van het avondmaal werd eveneens zwaar opgenomen. Dit bemerkte Jean Balinghem, een Nederlandse kleermaker in Aldgate Ward, die in december 1584 werd afgehouden79. Het overmatig drinken kon leiden tot verschillende vormen van wangedrag.

Een deel van de gevechten onder invloed kwam op het conto van voormalige militairen, die hun draai in de maatschappij maar moeilijk konden vinden. We noemden hierboven al de Piëmontees Dominique Wallerant, die mede om een gevecht in de kroeg van het avondmaal werd geweerd in januari 1572. Een ander voorbeeld is Jean Druast, een voormalige Watergeus80. Hij verdiende zijn brood in ballingschap in Londen als wever. Na van 1569 tot 1570 lidmaat geweest te zijn van de Franse kerk, vertrok hij ‘pour aller sur les batteaus’, onder kapitein ‘Brouck’, later onder kapitein Troye. Met pasen 1571 was hij terug in Londen, maar maakte geen aanstalten zich weer bij de Franse kerk te voegen, uit schaamte over de plunderingen


76 Actes II, p. 60.
77 Actes II, p. 185, 199.
78 Actes III, fol. 146, 149, 151, 153. Op 3 maart bekende hij schuld voor het consistorie en werd toegelaten tot het avondmaal. Idem, fol. 154.
79 Actes III, sub 31 december 1584.
80 Het minutieuze verbaal van zijn ondervraging in Actes II, p. 53.

|167|

en excessen waaraan hij had meegedaan. Sinds zijn thuiskomst in Londen was hij zo prikkelbaar dat hij om het minste of geringste zijn ponjaard trok. Hij sloeg zijn vrouw en had zich enkele keren bedronken. De huisbaas nam zijn vrouw in bescherming. Kort daarvoor had hij na een woeste nacht zijn vrouw en huisraad niet meer thuis aangetroffen. Zij was vertrokken. Druast werd toen zo woedend dat hij zijn weefgetouw kort en klein sloeg. Het consistorie kreeg op januari van hem de belofte dat hij zou proberen beter te leven. Voorlopig bleef hij geweerd van het avondmaal, en een latere toetreding is niet uit de acta bekend81.

 

V. Ongedisciplineerd leven: 48
a. (Dansen) 0
b. (Spelen/gokken) 2
c. (Tavernebezoek) 38
d. (Onverantwoordelijk jegens familie) 8

 

Het consistorie van de Franse kerk in Londen vermaande talloze lidmaten wegens losbandigheid (‘desbauches’) en een slecht leven (‘mauvaise vie’). Hieronder verstond het bijvoorbeeld dagelijks cafébezoek, verveeld rondhangen (oisiveté), dobbelen om geld of goederen van waarde (jouer aux dèz). Al deze zaken werden Anthoine Agace uit Lille, een notaris in Aldgate Ward, verweten op vijf december 1571. Daarbij kwam het feit dat hij zich, na een verblijf bij de Watergeuzen, zonder enige uitleg weer aan het avondmaal gemeld had, ofschoon zijn wijkouderling via zijn vrouw een verbod daartoe had opgelegd. Hij werd voor een periode van drie maanden afgehouden.

Zo’n vijfendertig personen werden door het consistorie afgehouden van het avondmaal voor één of meer van deze vergrijpen, op drie na allen mannen. Onder hen treffen we verscheidene personen aan die ook om andere redenen al eens van het avondmaal waren geweerd, in de regel voor dronkenschap en gewelddadige twist. De kammaker Thomas Grin, wonend ten zuiden van de Thames in Southwark, werd in 1572 geweerd van het avondmaal wegens overmatig taveernebezoek, evenals zijn knecht Clemens Papillon. Grin zou nog vaak ontboden worden, onder meer wegens vechten (eind 1572 en nogmaals in 1582), dronkenschap met wangedrag (1580) en wegens slaande ruzie met zijn vrouw (juni 1585). Zij buurman en collega-kammaker Claude de Gouy werd eveneens afgehouden wegens zijn uitgaansleven.

Een andere recidivist is de kammakersknecht Jean Bocquet uit Rouen, die werd afgehouden in 1575 (losbandigheid), 1578 (ruzie), 1581 (vechten op straat, daarvoor veroordeeld tot een boete door de magistraat), 1582 (vechten) en in 1585 (slaande ruzie met zijn echtgenote). De laatste maal werd hij voor onbepaalde tijd van het avondmaal geweerd82. Gabriel Martin, een Franse zijdewever annex koopman, kwam voor het eerst in aanraking met het consistorie wegens grof gokken in de herberg. Hij zou in 1574 Jean Wery £4.10. afhandig hebben gemaakt met dobbelen83. In 1577 en 1579 werd hij nogmaals afgehouden voor vergrijpen die samenhingen met zijn regelmatige taveernebezoek, evenals in 1580 zijn gokpartner Wery.


81 Actes II, p. 58
82 Actes II, p. 21, 23, 24, 95, 142, 146, 147, 163.
83 Ter vergelijking: een ongehuwde predikant verdiende in Londen een jaarsalaris van £30.

|168|

VI. Zaken m.b.t. het werk der lidmaten: 23
a. (arbeidsverhoudingen) 3
b. (soort werk) 0
c. (zakelijke geschillen, fraude, diefstal) 20

 

In totaal werden drieëntwintig personen van het avondmaal afgehouden wegens zaken met betrekking tot hun beroepsmatige activiteiten. Verreweg de meeste gevallen zijn zakelijke geschillen tussen twee partijen, die beide tot de kerk behoren. Gelovigen dienden hun zakelijke geschillen in onderling overleg te beëindigen. Kwamen zij er niet uit, dan dienden zij arbiters te benoemen om tot een compromis te komen. Wanneer één van beide partijen arbitrage weigerde, of een arbitrage-uitspraak die nadelig voor hem/haar was, achteraf naast zich neerlegde, ging het consistorie over tot schorsing van het avondmaal. Onder deze groep treffen we ook een handvol personen die een ander gemeentelid in schuldgijzeling lieten nemen zonder vooraf al het mogelijke te hebben gedaan om tot een vergelijk te komen.

Slechts twee personen werden van het avondmaal afgehouden wegens fraude, de Franse goudsmid Robert Ie Maistre en zijn vrouw84. Hij was door de Engelse autoriteiten in mei 1572 schuldig bevonden aan valsemunterij en in de gevangenis ingesloten, hetgeen hem een onmiddellijke afhouding van het avondmaal bezorgde. Men vroeg ook zijn vrouw zich te onthouden van het avondmaal tot het einde van de ‘affaire’. Navraag leerde ds. Cousin dat het delict buitenlands geld betrof, zodat Le Maistre slechts veroordeeld was tot een geldelijke vergoeding. Desalniettemin beschouwde het consistorie zijn gevangenneming als een smet op de hele gemeente, en eiste in de vergadering van 25 maart 1573 genoegdoening in de vorm van een openbare schuldbelijdenis. Le Maistre erkende schandaal te hebben veroorzaakt, maar weigerde in de kerk boete te doen. De zaak was immers tussen hem en zijn schuldeisers, en die waren tevredengesteld. Indien nodig zou hij wel een andere kerk opzoeken, even goed als de Franse85. In de tussentijd liet het consistorie zijn vrouw opnieuw toe in de vergadering van 19 augustus. In januari van het volgende jaar lijkt sprake te zijn van een tijdelijke toenadering van Le Maistre tot het consistorie. Maar op 24 februari wordt hij toch in het openbaar van het avondmaal afgezegd. Op zes december 1576 tracht het consistorie hem nog eens te bewegen tot schuldbelijdenis, echter zonder resultaat. Robert le Maistre maakte vermoedelijk zijn dreigement waar zich bij de Engelse kerk te vervoegen. Of het consistorie via zijn parochie verdere druk heeft uitgeoefend is in de acta niet vastgelegd.

Een aantal gemeenteleden kampte met aanzienlijke schulden of een dreigend bankroet. In dat geval, bijvoorbeeld bij Elie Marabot in mei 1577, bleef de schuldenaar als regel vrijwillig af van het avondmaal totdat de zaak met zijn crediteurs tot een goed einde was gebracht. Victor Colas meldde dat hij in een proces verwikkeld was, waarvoor ook hij vrijwillig afbleef tot


84 Al ca. 1540 om economische redenen naar Londen geëmigreerd. Hij woonde in 1564 ten westen van de City in Blackfriars en werd bij de Subsidy van dat jaar getaxeerd op £3. In 1566 verhuisde hij naar de parochie van StHelen’s, BishopsgateWard. Bij de Subsidy van 1582 werd hij voor het legale minimum aangeslagen. Returns 1, p. 303, 427. Returns 2, 58, 244. Returns 3, p. 350.
85 ‘A respondu qui’il n’a pointeu affaire avec nous, qu’il a satisfait à ceux auquels il avoit affaire; a demandé ce qu’on luy veut faire et que si on ne le veut recevoir de nostre eglise il s’en ira a une autre qu’il tient aussi bonne’. Actes II, p. 107.

|169|

de uitslag bekend was. Pierre Ie Sage senior klaagde op twee juni 1574 de ouderling Pierre Chastelain aan bij het consistorie. Le Sage zou drie van zijn knechten tot staking hebben overgehaald86. Dit was door Chastelain aan de Masters van het passementwerkers-gilde aangegeven, die het weer hadden doorgegeven aan de Lord Mayor van Londen ‘tot groot nadeel van de gezegde Le Sage’. Chastelain kreeg de vermaning dat hij eerst het consistorie had moeten verwittigen aleer hij Engelse autoriteiten op de hoogte bracht. Juist hij, de ouderling, zou hierin een ‘lichtend voorbeeld’ voor de anderen moeten zijn87. Op 24 september beraadt het consistorie zich samen met alle diakenen en met de gevluchte predikanten De Beaulieu, Feugueray, De la Fontaine en Du Saussaye over deze zaak. Pierre Chastelain wordt wegens zijn verkeerde handelen ten opzichte van Pierre le Sage, én wegens ‘gekwalificeerde dronkenschap’ afgezet als ouderling. De beslissing werd in de kerkdienst van 26 september in de kerk aan de gemeente voorgelezen. Ondanks deze gang van zaken bleef men vertrouwen hebben in de capaciteiten van Pierre Chastelain, die al sinds 1560 ouderling was geweest van de Franse kerk in Londen. Op 24 mei 1575 blijkt hij te functioneren als diaken van de kerk88.

In januari 1584 werden Jehan de Haussy, een Franse schrijnwerker van enige welstand in Portsoken Ward, en zijn vrouw ter verantwoording geroepen wegens overbelasting van een dienstknecht. De omgeving had er schande van gesproken, en het consistorie was het daarmee, na een onderzoek, eens. Beiden werden hiervoor van het avondmaal geweerd89.

 

12.3. Slotbeschouwing en conclusies

In de periode 1571-1585 werden ongeveer 350 schorsingen van het avondmaal uitgesproken door het consistorie van de Franse kerk90. Het aantal geschorste personen bedraagt ongeveer 290. Ongeveer 40 personen werden meer dan eenmaal van het avondmaal geweerd, de meesten tweemaal, een enkeling drie-, vier of zelfs vijfmaal. Het totale aantal geschorsten valt niet helemaal nauwkeurig vast te stellen. In de eerste plaats omdat de scriba niet altijd nauwkeurig noteerde of er een schorsing uitgesproken werd. In een aantal ernstige gevallen ging deze vermoedelijk uit van de vanzelfsprekendheid van deze sanctie. Soms kon de sanctie van afhouding van het avondmaal niet toegepast worden omdat de ontboden persoon al van het avondmaal geweerd werd om andere redenen, maar desalniettemin wegens een nieuwe overtreding door het consistorie werd opgeroepen. Soms ook kon geen afhouding uitgesproken worden omdat de betreffende persoon met de noorderzon vertrokken was.


86 ‘qu'il luy a sustrait et desbauché troys serviteurs’.
87 ‘(...) luy qui est ancien doit estre lumière aulx autres’. Actes II, p. 139.
88 Actes II, p. 164, 165.
89 Actes III, sub 9, 16 en 23 januari 1584. Op 23 februari werden beiden na schuldbelijdenis weer toegelaten tot het avondmaal.
90 Dit aantal komt op circa 390 als we de terugkomst van afgevallen gereformeerden in Frankrijk en de Nederlanden meetellen.

|170|

Het aantal schorsingen varieerde in deze periode jaarlijks van zo’n 15 (1574) tot 42 (1584). Het gemiddelde ligt op ongeveer twee afhoudingen per maand. In de meeste gevallen betrof het een tijdelijke maatregel. Tegenover 25 a 30 schorsingen per jaar staan gemiddeld vijftien a twintig expliciete toelatingen tot het avondmaal van personen die voorheen afgehouden waren91. In sommige jaren was het aantal wederaannemingen groot. In 1575 werden 24 mensen afgehouden, maar eenzelfde aantal personen werd na schuldbelijdenis weer aangenomen. De conclusie hiervan mag luiden dat het doel van de tuchtmaatregel, het wegnemen van het schandaal, het erkennen van schuld en de wederkomst van de betrokken personen, zonder dat zij daarop achteraf nog kunnen worden aangesproken, in vele gevallen werd bereikt. Hun goede naam was hersteld. Zij waren nadien weer lidmaat in volle rechten en plichten.

Ondanks de pogingen om tot een oplossing te komen van elk afzonderlijk tuchtgeval, bleef een aantal mensen gedurende lange tijd niet bereid ‘zich met de gemeente te verzoenen’, door toe te geven aan de eis van een schuldbelijdenis, hetzij ten overstaan van het consistorie, hetzij in het openbaar tijdens de kerkdienst. Hoewel in deze periode als regel niet wordt overgegaan tot excommunicatie, zodat zij toch voor de bisschop van Londen en de burgerlijke autoriteiten in Londen door konden gaan voor lidmaat van de Franse kerk in Londen. Dit is vooral daarom van belang omdat de bisschop van Londen van tijd tot tijd een overzicht verlangde van publiek afgesneden en geëxcommuniceerde lidmaten van de kerk92. Het valt op dat een behoorlijk aantal personen meer dan één keer door het consistorie van het avondmaal werd geweerd. In die zin kunnen we spreken van een categorie probleemgevallen: mensen die prijs stelden op het lidmaatschap van de gemeente, maar telkens weer door gedrag of neiging aanstoot gaven aan de gemeente.

Tenslotte willen we nog enige gradatie aanbrengen in de afhouding van het avondmaal. In de Franse kerk in Londen werden in totaal zesendertig personen publiekelijk van het avondmaal afgehouden, de stap voorafgaand aan excommunicatie93. Daadwerkelijk afgesneden van de gemeente werden slechts elf personen94. De conclusie hiervan is wel dat het Franse consistorie relatief snel was met het afhouden van het avondmaal, maar niet snel overging tot het publiekelijk afhouden van het avondmaal, en slechts zelden tot excommunicatie.


91 Daarbovenop komt nog een aantal mensen die voor een van te voren bepaalde tijd (bijvoorbeeld voor eenmaal) afgehouden werden. In het laatste geval werd wederaanneming niet uitdrukkelijk in de acta opgenomen.
92 Men zie de lijst van 24 afgehouden of geëxcommuniceerde gemeenteleden in Actes II, p. 50, die voor dit doel werd opgesteld.
93 Namelijk: in 1571: 5, in 1572: 3, in 1573: 0, in 1574: 0, in 1575: 4, in 1576: 2, in 1577: 2. in 1578: 0, in 1579: 8, in 1580: 3. in 1583: 3. in 1584: 6, in 1585: 0.
94 In 1572: Jan Maton; in 1576: Jacques Joffroy, de weduwe Hallié; Anthoinette du Jardin; Guillaume Teuillier (weer aangemomen in maart 1577); in 1580: Gerard Masseling; in 1582: Marin des Landes; Gerard Bertin; Jehan Dincq alias Ie Brun; in 1583: Jehan Poullart; in 1584: Fleury Gallois en de weduwe Cornillet.