|
Inhoudsopgave
WOORD VOORAF
Gebruikte afkortingen
1. Inleiding, Probleem- en doelstelling
2. De geschiedenis van de vluchtelingenkerken in London
3. De Franse en Nederlandse kerk onder Elizabeth
4. Italiaanse en Spaanse protestanten in Londen
5. De vreemdelingen en de vluchtelingenkerken
6. De lidmaten van de vluchtelingenkerken
7. De ouderlingen en diakenen van de vluchtelingenkerken, 1568-1585
8. De predikanten
9. Beleidsinstanties en beleidsinstrumenten
10. Het beleid van de kerken
11. De handhaving van de kerkelijke tucht in de Nederlandse kerk
12. De handhaving van de kerkelijke tucht in de Franse kerk
13. De handhaving van de kerkelijke tucht in de Italiaanse kerk
14. De tucht in de drie vluchtelingenkerken: een vergelijking
15. De vreemdelingenkerken en de Nederlandse Opstand
16. Extern kerkelijk beleid I. Synodes en classes
17. Extern kerkelijk beleid II. Opleiding en steun
18. Een vergelijking met andere gereformeerde kerken
19. De Nederlandse, Franse en Italiaanse kerken in Londen 1568-1585. Een balans
Bijlagen
Summary
Archivalia en literatuur
Registers
|
17.1. Proponenten en studenten in de Nederlandse kerk. |
[212] 17. Extern kerkelijk beleid II. Opleiding en financiële steun
17.1. Proponenten en studenten in de Nederlandse kerk
Al in de zestiger jaren werden in de Nederlandse kerk in Londen gemeenteleden getraind om als predikant op te treden. Zo'n vijfentwintig predikanten die in Vlaanderen actief waren in de periode 1566-1568, waren voor korte of langere tijd in Londen geweest, hetzij in de tijd onder A Lasco, hetzij na het herstel van de kerken in 15591. Een speciale 'examinatie' werd in deze kerk ingesteld voor lekepredikanten2. Ook rond 1570 bevonden zich in de Nederlandse kerken verscheidene mensen met predikantservaring en theologiestudenten. Bijvoorbeeld Clement van den Driessche, die predikant was geweest in Oudenaarde3, Johannes Cubus, die rond 1566 preekte in Bergen op Zoom en nabij Antwerpen. Ook Pieter de Bert, die misschien in 1565 te Duinkerken en in ieder geval in 1567 te Roesbrugge gepreekt had4. Johannes Moyenssone tenslotte was een student uit Brussel. Hij werd in april 1566 in de Academie van Genève ingeschreven als student5. De opleiding van toekomstige predikanten werd echter pas na 1570 een belangrijke prioriteit. In dat jaar schreven de kerken van Heidelberg en Frankenthal een brief naar de kerken in Londen met het verzoek om te zien naar geschikte personen voor het predikantschap met het oog op de nabije toekomst. Pas na de inname van Brielle door de Watergeuzen en de daarop volgende 'revolte' van Vlissingen ging het consistorie van de Nederlandse kerk echter tot actie over. Op 1 juni 1572 werden zes kandidaten voor het predikantschap ontboden, twee ouderlingen, één voormalig ouderling en twee diakenen: Pieter Carpentier, Jan Lamoot, Joannes Cubus, Jan Davelu, Jacobus Husman en Albertus Joanfnes]6. Het consistorie stelde dezen voor 'datme
__________
1) Pettegree, Foreign Protestant Communities, p. 236-237. Tenminste veertien van hen verbleven daar voor langere tijd.
2) Ibidem. Pettegree noemt als voorbeeld Erasmus Top, die in 1562 naar tevredenheid een proefpreek hield voor de gemeente.
3) Misschien werd hij later bij de proposities overgeslagen omdat hij in 1567 pardon zou hebben gevraagd bij de landvoogdes. Daarover waren bij zijn verkiezing tot ouderling op 28 april 1571 bezwaren geuit door tenminste zes gemeenteleden. Het consistorie had echter kunnen aantonen dat het aanvragen van pardon bij een voornemen gebleven was. Cf. ACTA NL II, nrs. 639, 643, 650 en 651.
4) Cf. NNBW I, p. 319-320.
5)Johannes Mogensonius Bruxellensis, De Vries: Genève pepinière du calvinisme néérlandais, Liste des Etudiants, p. 45. Hij verbleef in Londen van 1568 tot 1571. In april werd hij tot ouderling gekozen, maar weigerde, omdat hij nog naar een betrekking zocht. In het slechtste geval zou hij schoolmeester moeten worden, en dan zou hij geen tijd hebben. ACTA NL II, nr. 634.
6) Vermoedelijk dezelfde als de ouderling' Gisbertus Joannis' in 1569. Het is mij niet gelukt deze persoon nader te identificeren, gezien de vele personen met deze of een verwante achternaam, die in de Engelse bronnen allemaal met 'Johnson' of Jones zijn weergegeven.
[213] begherde propositien te houden, anghemerct de anstaende noot in 't vaderlant'7. Ook de scriba van de kerk, de voormalige Franciscaan Philips Garcy uit Brugge, ontving een verzoek van die strekking. Na een bedenktijd van vier dagen verschenen vier van hen met bezwaren. Cubus, die al ervaring als prediker had in Antwerpen en Bergen op Zoom, wilde de taak op zich nemen, maar vroeg zes weken tijd om 'artem arismeticam' te leren. Jan Lamoot, knopenmaker van beroep en voormalig ouderling, vond zichzelf ongeschikt 'om zijn occupatie ende onbequaemheyt ende zijn studie'. Het consistorie droeg hem op zijn geweten te onderzoeken of deze belemmeringen zwaar genoeg wogen. Voorlopig rekende het met zijn deelname. De knopenmaker Pieter Carpentier voerde als excuus aan 'de crancheyt zijnder memorie, subtilicheyt der ketteren ende andere curae.' Ook de Brusselse passementwerker Jan Davelu en Philips Garcy voerden 'cleenne gaven' als bezwaar aan8. De laatste twee werden van de proposities ontslagen. Van Jacobus Husman en Albertus Joannis horen wij ook niets meer. De overigen werden al op korte termijn geroepen om te dienen als predikant. Hun oefening heeft eigenlijk alleen uit preek-oefeningen bestaan. Voor grondige studie hadden geen tijd, en het consistorie beschikte niet over de middelen hen volledig te onderhouden. Ook voor hun uitzending moet apart naar middelen gezocht worden. Op 28 september voert het consistorie overleg met een dertigtal 'notabelen' van de gemeente over het uitzenden van predikanten9. Op vier of vijf na gaan zij akkoord met het sturen van Godfried van Winghen, Jan Lamoot, Pieter Carpentier en Pieter de Bert. De oppositie betreft vooral de uitzending van Van Winghen, die men - als meest ervaren, en door de bisschop aangestelde predikant - node kan missen. Maar juist zijn ervaring is in deze periode van opbouw van de kerk in Nederland een argument om hem wel te sturen. De Nederlandse kerk stelt hen in november 1572 in de gelegenheid te vertrekken10. Hun vertrek, en de aanstelling van een andere proponent, Joannes Cubus, tot predikant in gewone dienst, betekende een voorlopig einde aan de training van predikanten. Een markant punt in de geschiedenis van de vluchtelingenkerken, vooral voor de Nederlandse, was de 'opening van het vaderland' in het voorjaar van 157811. In de zomer van dat jaar wordt de vraag om predikanten, nu vanuit Vlaanderen, opnieuw acuut. Eén van de eersten die hierover contact met de Nederlandse kerk in Londen opneemt is Petrus Dathenus in een brief uit Kortrijk van 22 juli 157812. De dag daarop volgt een beroep op Adriaan Saravia van Kortrijk13. Blijkens de rekening van de Nederlandse kerk over de jaren 1577-1578 gaf
__________
7) ACTA NL II, nr. 1011.
8) ACTA NL II, nr. 1014-1017.
9) ACTA NL II, nr. 1135.
10) Carpentier ontving £4 reisgeld, Pieter de Bert £5. Cf. Guildhall Library, Ms. 7396/I fol. 10v.
11) Cf. hetgeen we hebben opgemerkt over de samenstelling van de kerken in hoofdstuk 6.
12) ELBA III, nr. 568.
13) Ibidem, nr. 569.
[214] het consistorie hem bij zijn vertrek een halfjaar traktement mee15. De classis van Vlaanderen voegt zich in het koor van verzoeken, met een beroep op de Brusselse proponent Jan Davelu naar Oudezeele16. In Gent was eveneens dringend behoefte aan predikanten17. Op 11 november deed de kerk van Cassel ook nog een beroep op Godfried van Winghen. De Londense gemeente deed haar best aan de vraag te voldoen, ook al hadden ze kort geleden hun ervaren predikant zien vertrekken naar Gent. Op 21 september 1578 besloot men tot een nieuwe 'spoedopleiding' van enkele kandidaten:
'Was gesproken van de middelen om eenige proponenten te vervoorderen tot oeffeninge om bequaem te maken tot beroepinge ende sendinge in den dienst des Nederlands ende goetgevonden de bequaemste tot oefeninge der proposicien te beroepen, insonderheyt: Jan Davelu, Geraert Platteel, Jan Selosse ende J. van Roo, Jan van der Beke, ende te maken dat men tweemael ter weken proponerde ende middelen soecke tot wat onderhouts om haeren huysnoot te hulpen te comen18.
Opnieuw waren de proponenten mensen met een ambachtelijke achtergrond. Jan Davelu was passementwerker (orris-maker) in de Queens Wardrobe evenals Jan Soillot. Jan van der Vliet, een in juni 1579 genoemde proponent, was een houtsnijder of graveur uit Antwerpen19. Gerard Platteel was een eenvoudige leerbewerker20. Jan van Roo uit Kortrijk was wever van beroep, Jan van der Beke uit Brugge tenslotte was de zoon van de gelijknamige gezant van de Nederlandse gemeente naar de prins van Oranje in 1572, die later pensionaris van de stad Vlissingen werd21. Het proponeren bezorgde sommigen van hen problemen. Platteel ontving ter ondersteuning sinds 11 januari 1579 twee pond sterling per maand22. Jan Soillot ondervond jaloezie van zijn collega's bij de Wardrobe:
'Jan Selot gaf aen dat hi beschuldight was bij twee broederen deser gemeinte, werckgesellen met hem van der M[agesteyts] Warderobe, met namen Anthonis van der Muelen ende Jan Nachtegael, alsdat hi ergernisse aenrechte, niet alleen onder de werckgesellen, maer oock
__________
15) Cf. Guildhall Library, Ms 7396/1, fol.95r.
16) Brief van 27 augustus 1578 vanuit Poperinge, ELBA III, nr. 571.
17) ELBA II, nr. 170. Ook Jacobus Regius, vraagt met name om Jan Davelu.
18) ACTA NL II, nr. 2133.
19) Returns 2, p. 146; Returns 3, 406. Hij woonde al sinds 1567 in Londen. In 1573 trad hij (opnieuw) in het huwelijk, ditmaal met Tanneken Anthonis. W.J.C. Moens, The Marriage (etc.) Registers, in voce.
20) Returns 1, p. 479. Returns 2, p. 158. In 1576 werd hij voor het wettelijk minimum aangeslagen bij de Lay Subsidy.
21) De vader toont zich in een brief aan Godfried van Winghen van februari 1581 benieuwd hoe het met de proposities is afgelopen. ELBA II, nr. 187.
22) ACTA NL II, nr. 2133.
[215] aen andere lidmaten der gemeinte: dat hi niet so geduerichliken als sijl. in 't werckhuys en bleef ende nochtans sijne gagien trocke. '23 Enig begrip voor de klacht van zijn collega's lijkt toch wel op zijn plaats. Soillot was niet alleen proponent, maar ook ouderling en daarnaast nog ontvanger van het dienstgeld tegen een salaris van £9 per jaar. De propositie heeft opnieuw vooral uit homiletische training bestaan. Maar aangezien door het vertrek van Regius de Nederlandse kerk in Londen zelf in problemen was gekomen, bleven de uitzendingen aanvankelijk beperkt. De proponenten Jan van Roo en Jan Soillot werden in Londen in dienst genomen als hulppredikant. Soillot bleven zo tenminste de verwijten van zijn collega's bespaard24. Pas na anderhalfjaar volgden de eerste beroepen. Tot dan lieten de gemeenten in Vlaanderen en Brabant vooral hun oog vallen op de studenten van de Nederlandse kerk25. Een uitzondering hierop vormde het beroep op Jan Beaugrand, op 1 september 1580 door de kerk van Oostende. In 1581, als de roomskatholieke eredienst in veel Nederlandse plaatsen verboden wordt, volgen de beroepen elkaar snel op. Alle predikanten in vaste dienst, alle proponenten en ook een aantal gemeenteleden van wie men blijkbaar verwacht dat zij die taak kunnen vervullen, krijgen een beroep in Vlaanderen of Brabant. Op 4 juni 1581 ontving de schoenmaker Willem Aertsen een beroep naar 'Heyngtiswerff26, hetwelk hij aannam27. Gerard Platteel vertrok na een beroep van de gemeente te Blankenberge in Vlaanderen28. In september beriep de gemeente van Bassevelde Jan Soillot, inmiddels als uitgeleend predikant werkzaam in Maidstone29. Op 19 oktober kreeg Claude Dotigny een beroep naar Westcappel30. Op 13 november beriep de kerk van Brugge Jan van Roo,
__________
23) Ibidem, nr. 2254. De klacht kwam voor het consistorie op 31 april 1579. Het verweer van Soillot was als volgt: 'Ende als hi daertegen allegierde dat hi henl. daerin niet te cort en dede, noch buyten weete ende consent der meesters van der Warderobe, item dat hi den tijt dien hi uutbleef niet en besteedde tot eygen bate noch tot lichtveerdicheyt, maer tot dienste der gemeinte den vors. meesteren oock wel bekent, bleven sij nochtans bij haer propoost, allegerende hi en mochte geen quaet doen opdat goet daeraf quame. Oock wederom daeraf vermaent sijnde, tegenwordich Merten van de Sande ende Christiaen de Rijcke, bleven evenwel bij haer propoost. Hierom begeerde Selot voors. daeraf onzer gevoelen, presenterende te beteren so hi qualijck daermede dede. Ende dit getuyghde Christiaen de Rike also te sijn. Was geresolveert de beclagers op te roepen ende naerdat men se sal gehoort hebben, alsdan voorder te resolveren.'
24) Zie hoofdstuk 7.1.
25) Zie de volgende paragraaf.
26) Vermoedelijk Hannekenswerve, een nu verdronken plaats in Zeeuws Vlaanderen.
27) Cf. de brief van Godfried van Winghen vanuit Zeeland d.d. 27 mei 1581 in J.H. Hessels, ELBA III, nr. 718.
28) ACTA NL II, nr. 2626. Hij nam het beroep op 2 juli 1581 aan.
29) ACTA NL II, nr. 2685. Het consistorie adviseerde Soillot per brief het beroep te aanvaarden. Cf. ELBA III, nr. 743.
30) ACTA NL II, nr. 2718.
[216] op 30 november Jan van der Beke31. In de loop van 1582 deden zowel de kerk van Gent als die van Antwerpen een beroep op Johannes Radermacher. In september van dat jaar meldt Jacobus Regius vanuit Gent aan Van Winghen in Londen dat hij als predikant van de Antwerpse gemeente fungeert32. Vooral het beroep op de oudgedienden Jan Beaugrand en Claude Dotigny was interessant, alhoewel beiden bedankten. De eerste was al in 1561 ouderling van de Nederlandse kerk in Londen. Van beroep was hij destijds blauwverver. Het jaar erop hielp hij de gemeente van Sandwich oprichten. Hij woonde daarna afwisselend in Sandwich en Londen, in beide plaatsen als ouderling optredend. In 1582 was hij weer in Londen gevestigd als koopman. In dat jaar werd zijn vermogen bij de Lay Subsidy op £10 geschat33. Jan Beaugrand bedankte voor het beroep van Oostende op grond van de 'cleenheyt sijnder gaven ende voornemelic om de swacheyt sijnder stemme'34. Claude Dotigny was evenals Beaugrand een oudgediende van de Nederlandse kerk in Londen. In de zestiger jaren had hij de gemeente gediend als schoolmeester, ouderling en voorzanger. Later veranderde hij zijn beroep in dat van zijdewever35. In de conflicten in de jaren '60 was hij een trouw medestander van Godfried van Winghen, hetgeen hem zijn ambt kostte bij de algemene verkiezing van ouderlingen en diakenen in 1569. De jaren daarop was hij regelmatig in een oppositionele rol tegen de nieuwe kerkeraad te vinden, o.m. met betrekking tot het invoeren van de psalmen van Datheen en de vereffening van oude schulden door het nieuwgekozen consistorie. De verwijdering was niet blijvend, wat al geïllustreerd werd door de hier genoemde deelname aan de proposities. Dotigny nam het beroep niet aan. Hij bleef in Londen, waar hij in februari 1582 tot ouderling van de Nederlandse kerk werd gekozen36. Jan van der Beke werd in 1579 vermoedelijk naar Genève gestuurd om zich grondiger op het predikantschap voor te bereiden37. Op laatstgenoemde na waren al deze mensen ambachtswerkers, aan wie het ambt van predikant rond 1580 blijkbaar nog van harte toevertrouwd werd op grond van hun ervaring als kerkeraadslid. Zij hadden geen van allen een theologische vorming in de stricte zin genoten. Bij sommigen lijkt dit ook de reden van hun bedanken te zijn geweest. Immers, een nieuwe generatie predikanten was in opkomst, van hen die -op kosten
__________
31) Ibidem, nr. 2735. Voor het beroep op Jan van Roo zie ELBA III, nr. 757.
32) Cf. ELBA II, nr. 197, paragraaf 5.
33) Zijn hoge welstand blijkt ook uit zijn substantiële bijdrage aan het studentenfonds. In 1581 belooft hij 25 shilling en 8 dime per jaar bij te dragen, een bedrag dat slechts de zeer rijken bijdroegen. Returns 2, p. 204. Hij overleed overigens korte tijd later. In de return van 1583 wordt zijn weduwe vermeld.
34) ACTA NL II, nr. 2500.
35) Bij de Lay Subsidy van 1582 werd hij op slechts £2 getaxeerd.
36) ACTA NL II, nr. 2785, d.d. 8 februari 1582.
37) De Vries: Genève pepinière, Liste des Etudiants, p. 51: Joannes Becius, Flandrus. In 1581 informeert zijn vader, die dan pensionaris van Vlissingen is, wat over hem besloten is. Hij werd echter geen predikant, maar werd vroeg in 1582 gekozen tot ouderling van de Nederlandse kerk in Londen.
[217] van de Nederlandse kerk- zich op de universiteiten van Genève, Heidelberg, Neustadt, Leiden en op de Theologische Hogeschool van Gent grondig hadden voorbereid op dit ambt. Over deze nieuwe generatie predikanten handelt de volgende paragraaf.
De studenten van de Nederlandse kerk
Op het colloquium van 1575 spraken de aanwezige kerken zich uit over de noodzaak van het opleiden van geschikte jonge mannen voor het predikantschap. Een jaar later legde de Nederlandse gemeente in Londen een solide basis voor de opleiding van goed gekwalificeerde predikanten door de instelling van een studentenfonds38. Drie beheerders werden aangesteld, om de jaarlijkse bijdragen van welvarende leden van de kerk aan te tekenen. De groep contribuanten is aanvankelijk klein, maar geeft gemiddeld een gehoorlijk bedrag39. Zes van de tien gevers dragen tenminste één pond sterling per jaar of meer bij. In de loop van de volgende 20 jaar neemt het aantal contribuanten toe tot ongeveer het dubbele. De gemiddelde bijdrage daarentegen wordt echter minder. In 1595 bedraagt 70% van de jaarlijkse bijdragen een bedrag van minder dan een pond40. De totale opbrengst ligt tussen de £54 en £97 per jaar, voldoende om tenminste drie studenten te onderhouden en een reserve te kweken. Mede door een groot legaat heeft het studentenfonds in 1598 een overschot gecreëerd van £117.19.341. De studenten gingen aanvankelijk naar de universiteiten van Genève en Heidelberg. Daarnaast werden sommigen opgeleid in Cambridge42. Deze keuze lijkt opmerkelijk. Waarom niet de studenten naar de in 1574 opgerichte universiteit van Leiden gestuurd, die immers juist in de opleiding van predikanten wilde voorzien? Pas in 1581, als de stad Genève onder militaire
__________
38) Een summiere beschrijving van de instelling van het studentenfonds in O.P. Grell, Dutch Calvinists, p. 122. Een register van het studentenfonds over dejaren 1576-1595 is bewaard gebleven in de Guildhall Library en (in regestvorm) gepubliceerd in Returns 2, p. 202-212.
39) In 1576 bracht het studentenfonds £72,- op, in 1581 ca £90,-. Ter vergelijking: de totale ontvangst van het 'dienstgeld' bedroeg in 1576 £143.18.11. De ontvangst in 1581 over drie kwartalen bedroeg iets meer dan £118,- (Gegevens uit Ms. 7396/1, Guildhall library, fol.83v en 122r.).
40) Opbrengsten van het studentenfonds van de Nederlandse kerk in Londen, 1576-1595. Opgenomen zijn: Jaar van contributie, opbrengst, aantal contribuanten, de gemiddelde bijdrage per contribuant en het percentage gevers van meer dan £2 per jaar van het totaal aantal contribuanten. Bron: Returns 2, p. 202-212. Jaar Opbrengst Gevers 1576 £73.19.0 62 1581 £92.11.0 88 1586 £54.11.0 72 1588 £67.15.0 93 1591 £97.18.0 133 1595 £80.15.2 124
Gemiddeld per contribuant aantal contribuanten van £2 en hoger £1. 3.10 22,6% £1. 1. 6 15,9% £0.15. 7 5.5% £0.14.7 5,4% £0.14.81/2 7,5% £0.13.0 7,3%
41) Jan van der Beke legateerde in 1594 £100 aan het fonds. De rekening van 1597-1598 is in Guildhall Library, Ms. 7396/1, folio 213r.
42) In 1586 gaat een commissie van toezicht, bestaande uit een predikant en twee ouderlingen, op bezoek bij de drie studenten van de Nederlandse kerk. Returns 2, p. 206.
[218] dreiging leeft en ook het leven in Heidelberg gevaarlijk is, gaan enkele studenten naar de universiteit van Leiden. O.P. Grell heeft betoogd dat deze overgang te maken had met de aanwezigheid van Lambertus Danaeus. Dit mag waar zijn, maar een belangrijker reden lijkt mij een andere. De kerk in Londen had behoefte aan predikanten die naast het Nederlands zich vloeiend konden uitdrukken in het Frans, Engels en het Latijn. De eerste taal wegens het nauwe contact met de Franse en Italiaanse kerken in Londen. Het Engels en het Latijn in de omgang met Engelse bisschoppen en andere vooraanstaande personen. Een dergelijke taalschool vonden de studenten eerder in Cambridge en Genève dan in Leiden. Van meet af aan was duidelijk dat de opleiding van de studenten vooral bedoeld was om in de behoefte van de eigen kerk te voorzien. Zodra de eerste studenten echter enigszins gevorderd waren, kregen zij diverse beroepen aangeboden. Daniel de Dieu, die in 1583 studeerde, werd door de kerk van Brussel in dienst genomen. Assuerus Regenmortel werd beroepen te Antwerpen. Het Nederlandse consistorie protesteerde dat hij op kosten van de Nederlandse vluchtelingenkerk had gestudeerd en wilde hem alleen maar afstaan als Antwerpen de studie-kosten terug betaalde43. In de tussentijd moest de Nederlandse kerk in Londen het stellen met predikanten, die geen universitaire studie hadden gedaan44. Het consistorie zag deze goede studenten node vertrekken naar andere gemeenten. Veel studenten van de kerk bleken achteraf niet over voldoende bekwaamheden te beschikken. Lieven Cabeljauw, zoon van een ouderling in Maidstone, werd na enkele jaren studie over zijn geringe vorderingen gekapitteld45. In februari 1583 gaf Jacobus Regius een niet alleen maar positief verslag van de proefpreken van Lieven Cabeljauw aan de kerk van Londen46. Na nog een aantal jaren studie werd hij in het voorjaar van 1584 ontboden in Londen, waar het consistorie besloot hem niet in dienst te nemen, maar eenmaal per week te laten preken. Daarnaast kreeg hij het verzoek in te vallen als ondermeester op de school van Franciscus Marquinas. Lieven Cabeljauw voelde zich door deze gang van zaken overbodig en gekwetst. Hij verzocht toestemming zich bij zijn vader in Holland te voegen en ontslag van zijn verplichtingen. Het consistorie liet hem gaan met een reisgeld van £647. Peter Lambert, zoon van de messenmaker Lambrecht Pietersen, studeerde aanvankelijk op kosten van zijn vader. Deze vroeg het consistorie op 10 augustus 1581 om financiële hulp. Eenmalig kreeg zijn zoon een bedrag van £4, eenjaar later gevolgd door een bijdrage voor drie maanden. De gemeente van Sluis leek bereid Peter Lambert tijdelijk als predikant te accepteren, maar bood een zeer laag salaris48. Ook hier voldeed hij niet, zodat het consistorie op 14 maart 1583 besloot hem niet langer te steunen: 'Hij moest
__________
43) Grell, Dutch Calvinists, p. 123-124. Pettegree, Foreign Protestant Communities, p.257-258.
44) Namelijk Jan Soillot en Jan van Roo. Zie hoofdstuk 8.2.
45) Grell, a.w., p. 123. Desondanks bracht in november 1581 de kerk van leper een beroep op hem uit. Het consistorie in Londen weigerde toestemming, omdat Cabeljauw nog niet aan een gemeente toe was.
46) ELBA II, nr. 201.
47) ACTA NL II, nrs. 3327, 3359, 3386 en 3393.
48) Cf. ELBA II, nr. 201. Zijn traktement zou 50 pond vlaams bedragen.
[219] liever naar een degelijk ambacht omzien49'. Assuerus Regenmortel schrijft in een brief aan het consistorie in Londen over een zekere Gerard [van den Walle?], in wie hij tot dan toe weinig intellect bespeurd heeft50. Wij hebben dan ook geen nadere opmerkingen over een eventueel beroep van student Gerard gevonden. Pijnlijk zelfs waren de ervaringen van het consistorie met Abraham Bauters51, een zoon van Pieter Bauters uit Gent, een ouderling van de Nederlandse kerk in Londen (1569-ca. 1577). Hij studeerde in 1580 samen met Lucas van Peene in Neustadt, onder meer bij Hieronimus Zanchi. Hij lijkt zijn studie onderbroken te hebben, misschien vanwege tegenvallende resultaten. Zijn mede-student Lucas van Peene verzuchtte in een brief aan de gemeente in Londen dat Bauters beter iets anders kon gaan doen52. Desondanks werd Abraham Bauters in oktober 1582 beroepen door de gereformeerde kerk van Brugge. Hij legde dit beroep voor aan het consistorie met de overweging dat hij het werk te zwaar vindt. In mei 1583 werd het consistorie verrast met een brief van diezelfde gemeente, waarin geklaagd werd over het wegblijven van Bauters, die bij een bezoek aan Brugge al wel een voorschot in ontvangst had genomen. Even later bracht Bauters de Nederlandse kerk bovendien in verlegenheid door clandestien diensten te houden in Woolwich. Korte tijd later kwam een affaire over het betalen van meubilair aan de schrijnwerker Willem Proost aan het licht. Het consistorie loste de laatste kwestie met tact op door Proost te suggereren de spullen terug te halen zonder verder iets te ondernemen. Een carrière als predikant lijkt voor Abraham Bauters na deze incidenten onwaarschijnlijk. De val van Gent en Antwerpen zorgde voor de terugkeer van Jacobus Regius en Assuerus Regenmortel, zodat het consistorie vanaf 1585 weer over ervaren predikanten beschikte. Dat bleek achteraf een gelukkige omstandigheid. De studenten van de Nederlandse kerk, die na 1584 tot het predikantschap geroepen werden, was geen lang werkzaam leven beschoren. De eerste van hen, Lucas van Peene, zoon van de gelijknamige ouderling uit Roeselare keerde in 1584 naar Londen terug na een studie in in Genève, Neustadt en Gent. Hij werd in het najaar van 1584 zoals gebruikelijk op proef aangesteld, waarop in 1585 een aanstelling tot gewoon predikant volgde. Hij overleed echter al in 1587. Jacobus Wybo, een neef van de vroegere Londense predikant Joris Wybo, werd aangesteld als predikant in 1592. Hij huwde in 1593 Prudence Friscobaldi uit Antwerpen, maar overleed nog hetzelfde jaar. In 1597 stelde het consistorie Joannes Marquinus (1565-1599) aan, die in Londen was geboren als oudste zoon van Franciscus Marquinas en Livina Honich van Gent. In november 1598 huwde hij Marie Ruytinck, zuster van de latere Nederlandse predikant Simeon Ruytinck, maar overleed al in 1599.
__________
50) Grell,a. w., p. 126, op grond van ELBA III, nr. 830. Details over de ondersteuning door de Nederlandse kerk in ELBA II, nr. 201 en ACTA NL II, nrs. 2663, 2888 en 2976.
50) ELBA II, nr. 193.
51) De volgende gegevens op grond van ACTA NL II, nrs. 2906, 3022, 3061 en 3093. De klacht van Brugge in ELBA III, nr. 854.
52) ELBA II, 184, brief d.d. 9 november 1580: '(...) [Abraham Bauters], qui videtur studia repetere: Deus det, ut iam meliorem ingrediatur viam'.
[220] Zo bracht het studentenfonds van de Nederlandse kerk in het laatste kwart van de zestiende eeuw niet het rendement dat het consistorie ervan verwachtte. De meest veelbelovende studenten werden door andere gemeentes beroepen. Daarnaast was de ondersteuning van sommige anderen weggegooid geld. Weer anderen overleden snel. Toch was er succes op lange termijn. Vanaf de eeuwwisseling zouden verscheidene goede studenten het predikantschap in de Nederlandse kerk in Londen vervullen53.

|