Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Het Gevoelen en het Oordeel der Gedeputeerde Broederen van de Synode van Groningen en de Ommelanden


    HET GEVOELEN, EN HET OORDEEL DER GEDEPUTEERDE BROEDEREN
    VAN DE SYNODE VAN GRONINGEN EN DE OMMELANDEN,

    OVER HET VIJFDE ARTIKEL DER REMONSTRANTEN, HETWELK IS,
    VAN DE VOLHARDING DER UITVERKORENEN.


    De volharding, dat is, de voortgang, en het gestadigdurende vervolg in hetgeloof en in de wedergeboorte, gelijk het is eene veroorzaakte werking of vrucht der genadige verkiezing, alzoo is het ook mede, deels eene belofte des nieuwen Verbonds, deels is het waarlijk en eigenlijk eene gave Gods, met dewelke, uit loutere genade, om Jezus Christus wil, door de werking des H. Geestes, degenen beschonken worden, die van eeuwigheid, naar het genadig en onveranderlijk besluit Gods, verkoren zijn, en krachtiglijk geroepen, zoodat zij de genade Gods, en het geloof, met hetwelk zij eenmaal beschonken zijn, en ook den H. geest, niet geheel, noch ten einde toe, kunnen verliezen, en gansehelijk afvallen en verloren gaan.
    Twee dingen inzonderheid drukken wij uit in deze stelling;
    1 vanwaar de volharding is;
    2 dat dezelve zeker is, en niet zal te niet gaan.

    I.
    Derhalve zeggen wij ook, overeenkomende met de h. Schriftuur, dat dezelve is, 1. eene vrucht der verkiezing. Want God heeft ons verkoren, niet alleen opdat Hij ons ter zijner tijd zoude roepen, rechtvaardigen en heilig maken, maar ook, opdat Hij ons zoude verheerlijken; Rom. 8 : 29, 30. 2. Dat dezelve eene belofte is des nieuwen Verbonds. Van het nieuwe Verbond, dat is, van het genadige Verbond, spreekt God, der. 31: 31; en 32 : 40. Want in dezelve plaatsen wordt het nieuw genoemd en eeuwig. Hetzelve betuigt ook de Apostel; Hebr. 8:8, 9, 10, 11, 12, 13; en cap. 9:5; en cap. 10:16. Doch de belofte dezes Verbonds is de volharding. Ik zal hen, zegt God; Jer. 31:13, 34; tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn; Ik zal hunne ongerechtigheid genadig wezen, en Ik zal hunne zonde niet meer gedenken; en cap. 32 : 39, 40.

    [910]

    Ik zal hun geven een eenerlei hart, en eenerlei weg, om Mij te eeren alle hunne dagen, ten goede van hen, en van hunne kinderen na hen; en Ik zal een eeuwig Verbond met hen maken, zoodat Ik Mij niet afwenden zal van hen gunst te betoonen, met wel te doen; en mijne vreeze zal Ik in hun hart geven, opdat zij niet van Mij wijken. In deze woorden wordt niet alleen de rechtvaardigmaking of de vergeving der zonden, en de wedergeboorte, maar ook de volharding klaarlijk beloofd; en met deze zelfde woorden worden ook verklaard de woorden der eerste belofte, gedaan aan Adam, en aan alle uitverkorenen; want God; als Hij de overwinning van het zaad der vrouw, dat is, van Christus, belovende; Gen. 3:15; uitdrukkelijk zegt: Hetzelve zal uw hoofd vermorzelen; hoewel Hij inzonderheid de overwinning van Christus beschrijft, voor zooveel Hij den Satan te niet gedaan heeft, die de heerschappij des doods heeft; Hebr. 2:14; beschrijft daardoor nochtans ook overwinning der uitverkorenen door Jezus Christus; gelijk Paulus zegt, Rom. 8 : 37: In deze alle zijn wij meer dan overwinnaars, door dengene, die 'ons liefgehad heeft; en Johannes in zijn eersten Zendbrief, hfdst. 2:13, 14: Ik schrijf u, jongelingen, omdat gij sterk zijt, en het woord Gods in ulieden woont, en nu den booze overwonnen hebt; cap. 5 : 4, 5. Dit is de overwinning, die de wereld overwint, ons geloof. Wie is het, die de wereld overwint, anders dan die gelooft, dat Jezus is de Zone Gods? Dezelfde belofte des Verbonds lezen wij wederom door God herhaald te zijn op andere plaatsen, tot vertroosting der uitverkorenen; gelijk Ps. 89: 29. In der eeuwigheid zal Ik hem mijne barmhartigheid houden, en mijn getrouw Verbond voor hem; en vers 33, 34, 35. Ik zal zijne ongerechtigheden met een roede bezoeken, enz.; doch zal mijne barmhartigheid van hem niet afkeeren, en zal niet bedriegen in mijne waarheid; Ik zal mijn Verbond niet ontheiligen, en zal niet te niet maken hetgeen van mijne lippen voortgekomen is; Jes. 51 : 6. Mijne zaligheid zal in der eeuwigheid zijn, en mijne gerechtigheid zal niet ophouden; en cap. 54:10. Bergen zullen wel wijken, en de heuvelen bewogen worden, doch mijne goedgunstigheid zal van u niet wijken, en het Verbond mijns vredes niet zal bewogen worden, spreekt uw Ontfermer, de Heere; en vers 14. Gij zult in gerechtigheid gegrond worden; gijzult verre zijn van geweld en onrecht; gij zult ook niet vreezen voor versaagdheid, want dezelve zal u niet genaken; Jes. 56: 5. Ik zal hun geven eenen eeuwigen naam, dewelke niet vergaan zal; Hos. 2 : 18. Ik zal Mij aan u verloven in der eeuwigheid, Ik zal Mij aan u verloven in gerechtigheid en gericht, en in barmhartigheden..en in ontfermingen.
    Dezelfde beloften worden doorgaans in de Evangeliënen meer schriften der Apostelen voorgesteld en ingedrukt; Matth. 7:25; en 16 :18; Joh. 4:14; en 5:25; en 6:35, 37; Joh. 8:35. De Zoon blijft in het huis in der eeuwigheid; insgelijks Joh. 10 : 28; Rom. 8:39; Filip. 1:6; 2 Thess. 3:3; 1 Petr. 1 :35. Dezelve is eene gave Gods, die getrouwelijk nakomt hetgeen Hij beloofd heeft. In 't algemeen wordt gezegd, Joh. 3 : 27: De mensch kan niets ontvangen, tenzij dat het hem gegeven zij van den Hemel; Joh. 15 : 5. Zonder Mij kunt gij niets doen; 1 Cor. 4: 7. Wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? Jac. 1:17. Alle volkomene gave is enz. In het bizonder wordt ook gezegd, Jer. 32: 40: Ik zal hen mijne vreeze in hunne harten geven, opdat zij niet van Mij wijken; Ezech. 36: 26. lk zal ulieden geven een nieuw hart, en mijnen Geest zal Ik in het midden van ulieden leggen, en Ik zal maken, dat gij in mijne geboden wandelt; Rom. 6:13. Het eeuwige leven is eene gave Gods; Fil. 2: 13. God is diegene, die in ulieden werkt, beide dat gij wilt, en dat gij volbrengt; 1 Thess. 5:24. Hij is getrouw, die ulieden geroepen heeft, dezelve volbrengt het ook.
    Derhalve wordt Gode, die de volharding geeft, doorgaans niet alleen dit toegeschreven; gelijk 1 Cor. 1 :8. Dewelke (namelijk Christus) u ook zal versterken tot den einde toe; Fil. 1:6. Ik houde dat voorzeker, dat Hij, die dat goede werk in u begonnen heeft, hetzelve ook volbrengen zal tot den dag van Jezus Christus; insgelijks 1 Thess. 3: 3; 1 Petr. 5:10. De God aller genade, enz. make ulieden volkomen, bevestige, sterke en fondeere u; maar ook, opdat zij zouden volharden, hebben zij God gebeden, als namelijk Christus, voor Petrus; Luc. 22:32; voor de discipelen; Joh. 17:15; voor alle de geloovigen; Joh. 17:20, 21, 24; als ook de Apostel Paulus; Efez. 3: 13, 16. Daarom bid ik, dat Hij u geve, naar zijne rijke heerlijkheid, dat gij met kracht versterkt wordt door zijnen Geest, naar den inwendigen mensch, enz. Fil. 1: 9, 10.

    [911]

    Dat bid ik, dat uwe liefde alsnog meer en meer overvloedig worde in kennis en allerlei gevoelen, enz. opdat gij oprecht zijt, en, zonder u in uwen loop te stooten, voortgaat tot den dag van Christus toe; 2 Thess. 1:11. Wij bidden altijd voor ulieden, dat onze God u waardig make dezer roeping, en dat Hij vervulle alle de genadige goedwilligheid zijner goedheid, en het werk des geloofs met kracht; Thess. 2 : 16, 17. Onze Heere Jezus Christus zelf, en onze God en Vader, die ons lief gehad heeft, enz. die trooste uwe harten sterke u in alle goede woorden en werken; insgelijks Hebr. 13 : 21.

    II.
    Dat de volharding zeker is, en nimmermeer vergaan zal; want wij zeggen in onze stelling, dat zij de genade Gods en het geloof, met hetwelk zij eenmaal enz. Hoe waarachtig dat zij, bewijzen wij door zekere redenen, getogen uit de heilige Schriftuur.
    1. Uit de leer der verkiezing zelve, want die is eeuwig en onveranderlijk, gelijk wij in het eerste artikel, thes. 5, hebben betoond.
    Indien dan de verkiezing niet alleen van eeuwigheid is, Efez. 1: 4; 2 Tim. 1: 9, maar ook in der eeuwigheid zal duren; Hos. 2 : 18; . Jer 32:36, 40; Joh. 10:18; indien Hij diegenen, die Hij lief heeft, geduriglijk, en tot den einde toe lief heeft; Jer. 31:3; Joh. 13: 1; indien Hij ze niet zal verlaten, maar in der eeuwigheid zal bewaren. Ps. 37:28; Jes. 45:17; indien de gaven Gods en zijne roeping zoodanig zijn, dat ze Hem niet kunnen berouwen; Rom. 11: 29; zoo volgt ook, dat de uitverkorenen niet geheel kunnen afwijken; maar het eerste deel blijkt uit de bijgebrachte plaatsen. Derhalve; enz.
    2. Van de oorzaken onzer zaligheid. De zaligheid is uit loutere genade, door de eenige verdienste van Christus, en door de kracbtige werking des H. Geestes, zonder enig aanzien van 's menschen waardigheid, niet alleen zooveel aangaat het beginsel en het verkrijgen der zaligheid, maar ook zooveel aangaat den voortgang, het gestadigdurende vervolg, en het bewaren er van; want wat zekerheid en troost zoude daar zijn, indien het begin zoude wezen uit de genade, maar de bewaring en de volharding zoude wezen uit de menschen, die de genade Gods wel zullen gebruiken. Daartegenover Ieert ons het Woord Gods, da de geheele zaligheid een werk Gods is,die datzelve gestadiglijk bevordert, onderhoudt en volbrengt.
    Uit de genade Gods is het begin, want uit dezelve zijn wij uitverkorenen; Ef. 1: 4, 6, 9; geroepen; 2 Tim. 1 :9; gerechtvaardigd; Rom. 3: 24; wedergeboren; Tit. 3:5; 1 Petr. 3; uit dezelve is de voortgang; Ps. 138:8; Ezech. 36:17; desgelijks de bewaring en de volbrenging, of volmaking; Jer. 32: 39, 40; Jes. 46 : 4; 1 Cor. 1 : 8; Fil. 1 : 6;
    In Jezus Christus, in wien de eenige verdienende oorzaak is onzer zaligheid, in denzelven bestaat ook de zekerheid derzelver zaligheid, dewelke door zijne verdiensten verkregen is; want Hij maakt ons volkomenlijk zalig, en bidt getrouwelijk voor ons voor.
    Volkomenlijk maakt Hij ons zalig; want Hij heeft niet alleen een genoegzaam rantsoen voor de schuld en de straf onzer zonden aan den Vader betaald, insgelijks de verlorene gerechtigheid en het leven verdiend; wijdere. voor ons allervolkomenst, deels door de vervulling der Wet, deels door de betaling der straffen voldaan, en diensvolgens ons alzoo van alle de vijanden onzer zaligheid verlost; Luc. 1:71, 72; Gal. 2:13, 14, 15; Rom. 8:1, 33, 34; Tit. 1: 14.; 1 Joh. 1: 17; maar ook bewaart Hij, volgens den raad des Vaders, de verkregene verlossing, en brengt dezelve tot het einde; Jes. 45:17. Israël is zalig gemaakt met eene eeuwige zaligheid in den Heere; enz.; Joh. 6:39, 40. Dit is de wil desgenen, die Mij gezonden 1 heeft, namelijk des Vaders, dat Ik, van al hetgeen Hij Mij gegeven heeft, niet verlieze, maar datzelve opwekke ten uitersten dage, enz,; en cap. 10:28. Ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen in der eeuwigheid niet vergaan, en niemand zal ze uit mijne hand rukken: daarom ook zegt Paulus, Hebr. 7:25: Hij kan geheel of volkomenlijk zaligmaken, die door Hem tot God gaan.
    Getrouwelijk bidt Hij voor ons. Hij heeft op der aarde voor de zijnen gebeden, opdat zij bewaard zouden zijn; Luc. 22:31, 32; niet alleen voor den eenen Petrus (want het gevaar, hetwelk l Petrus genaakte, en hetwelk de Satan voornam en zocht, was allen den anderen gemeen; want Christus zegt; Luc. 22:31: Ziet, de Satan heeft ulieden begeerd, om te wannen en te ziften, gelijk tarwe), maar ook voor alle de Apostelen; Joh. 17:11, 15; ja ook voor alle geloovigen;vers 20, 24.

    [912]

    En nu bidt Hij in de hemelen voor alle uitverkorenen. Want Hij verschijnt in de hemelen, in het aanschijn Gods voor ons; Hebr. 9:24; en zit in der eeuwigheid ter rechterhand Gods; Hebr. 10:2. Daarbenevens, de weldaad of het leven, verkregen door zijne verdiensten, eigent Hij ons toe, beide uitwendig en inwendig door zijne GoddeIijke kracht; Hij maakt ons bekwaam om te bidden, en maakt ons derzelve weldaden deelachtig; Rom. 8: 34; Rom. 4: 9, 10; Gal. 4:6; Rom. 8:26, 27; Hebr. 7:24, 25; 1 Joh. 2:1, 2.
    En ten aanzien vande krachtige werking des H. Geestes, zonder dewelke niemand kan zeggen, dat Jezus de Christus is; 1 Cor. 12:3. Want alzoo bevordert en werkt de H. Geest in ons, niet alleen de verkiezing; 2 Thess. 2: 13; 1 Petr. 1: 2; de verlichting; Ef. 1: 17, 18; 1 Cor. 2: 10, 13; het geloof; Gal. 5:22; 1 Cor. 12:9; de afwassching; Jes. 4: 4; 1 Cor. 6:11; de zekerheid der liefde Gods tot ons; Rom. 5:5; de aanneming tot kinderen Gods; Rom. 8:15; de gemeenschap met God, en met Jezus Christus, of de inblijving, en de inwoning van Christus in ons; 1 Joh. 3: 24; Ef. 3: 16, 17; de ware blijdschap en vrede; Rom. 14:17; en 15:13; de vrijheid en den toegang tot den Vader met vertrouwen; Ef. 2:12; Rom. 8:15, 16, 17; en in alles de ware vertroosting; Joh. 15:16; en 16: 26; eindelijk, ten aanzien van de heiligmaking, de wedergeboorte; Joh. 3 : 5, 8;1 Cor. 6: 11; de dooding der werken des lichaams en de levendmaking; Rom. 8 :13; en 2:10, 11; en maakt, dat wij in de geboden Gods wandelen; Ezech. 26:16; en werkt dit alles overvloediglijk en krachtiglijk door zijne macht; Rom. 15:13.
    Maar Hij bewaart ook dezelve in ons; Hij onderhoudt ze; Hij versterkt ze; zooverre en voor zooveel het ten aanzien van dit leven nuttig en noodig is, en eindelijk Hij, die de Geest der heerlijkheid is, brengt ons tot de verheerlijking zelve. Zij zullen groeien en wassen, spreekt de Heere, gelijk als wilgen omtrent de voorbijvlietende waterbeken; Jes. 44:4. Stroomen des levendigen waters zullen uit zijnen buik vloeien; Joh. 7 : 38. Zij worden met kracht versterkt in den inwendigen mensch; Ef. 3.16. Zij worden in Christus versterkt, en worden gezalfd van God, die ons verzegeld heeft tot den dag der verlossing, en ons het onderpand des Geestes gegeven heeft inonze harten, enz. 1 Cor. 1:22. Ef. 1:13, 14; en 4:30.
    Aangezien het dan klaarlijk uit Gods Woord blijkt, dat onze geheele zaligheid, zooveel aangaat het begin, den voortgang en de volbrenging, alleen is uit de genade Gods, uit de verlossing van Christus, en uit de versterking des H. Geestes; zoo volgt daar ook openbaarlijk uit, dat de zekerheid en de bewaring er van, mitsgaders de volharding in dezelve, bestaat in God, in Jezus Christus, en in den H. Geest, en dat de uitverkorenen van de genade Gods niet kunnen vervallen, of verloren gaan.
    3. Bewijzen wij dit uit die dingen, die wij te bemerken hebben in den Drieëenigen God, die ons verkiest uit genade, en die door de verdiensten des Middelaars, door de krachtige werking des H. Geestes, ons zalig maakt; als op dewelke ons geloof zijn steunsel heeft; want de uitverkorenen gelooven, en zijn verzekerd, dat zij alle die dingen zullen verkrijgen, want zij weten zekerlijk uit Gods Woord, dat God die dingen wil nakomen en ook kan nakomen.
    Dat God wil, blijkt klaarlijk, niet alleen uit zijn eeuwige en onveranderlijke liefde en besluit, van hetwelk in het voorgaande gesproken is; maar ook uit de zeer bekende beloften, die van God in der tijd geschied zijn, en in Jezus Christus Ja zijn, en in Hem ook Amen zijn; 2 Cor. 1: 20.
    Voorwaar, zeer vele beloften komen u doorgaans voor bij de Profeten en Apostelen, van dewelke wij sommigen alreede hierboven aangeteekend hebben. Nu, van dezelve, en zoo daar nog eenige meer zijn, spreekt God aldus; Ps. 89:35. Ik zal mijn Verbond niet ontheiligen, en Ik zal niet te niet doen hetgeen van mijne lippen voortkomt; 1 Sam. 15:29. De Held in Israël liegt niet, en wordt niet geen berouw bewogen; want Hij is geen mensch, dat Hem iets berouwe; Rom. 9:6. Het kan niet geschieden, dat het Woord Gods uitvalle; 1 Thess. 1:14. Hij is getrouw, die ons geroepen heeft; Hij zal hetzelve ook volbrengen; Tit. 1 : 2. Tot de hope des eeuwigen levens, hetwelk God beloofd heeft, die niet liegen kan, enz.; en tot de Hebr. hfdst. 10: 25. Laat ons de belijdenis onzer hope houden zonder wankelen, want Hij is getrouw, die het beloofd heeft.
    Dat God die dingen ook kan nakomen, die Hij beloofd heeft, wie zal daaraan twijfelen? Want Hij is almachtig; Hij kan doen hetgeen Hij wil; Psalm 115:3; en 137:6; Rom. 4:20.

    [913]

    En Hij kan ook uitvoeren die dingen, die Hij besloten heeft, en beloofd heeft; Jes. 14:27. De Heere der heirkrachten heeft besloten, en wie zal het kunnen te niet doen? want Hij is meerder dan allen; .Joh. 10:29; en Hij is machtiger (zegt Johannes), die in ulieden is, dan die in de wereld is; 1 Joh. 4:4.
    Zal dan niet geschieden al wat Hij wil? Mijn raad (zegt God) zal bestaan, en mijn wil zal geschieden; Jes. 46:10. Ja, ten aanzien van de menigte zijner kloekheid, mitsgaders zijner sterkte en kracht, is er niet één overgebleven. Daarom zegt David; Psalm 89:9, 14: Heere, God der sterkten! wie is U gelijk! Gij zijt machtig, Heere! en uwe waarheid is in uwen omloop; en uw arm is met macht, enz.
    Deze almachtigheid stelt God zijn volk voor op vele plaatsen tot zekerheid en vertroosting; Jes. 41:10. 13, 14; en cap. 49 : 16. Alzoo ook onze Heere Jezus Christus; Mark. 13:22; Matth. 16:18; Joh. 10:28, 29. Daarom zegt ook Paulus tot de Rom. hfdst. 8 : 39: Noch eenig ander schepsel kan ons scheiden van de liefde Gods, enz.; en 1 Tim. 1:12: Ik weet, wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, hetgeen bij Hem van mijnentwege in bewaring weggelegd is, te bewaren tot op dien dag; en Petrus in zijn eersten Zendbrief, cap. 1: 5.
    Derhalve, zoo is het zeker, dat die dingen, dewelke daar steunen op den Goddelijken wil en de almachtigheid, ook in de uitverkorenen voortbrengen eene allerhoogste zekerheid des geloofs, en dat zij noch geheel, noch ten einde toe; al is het, dat zij van vele en verscheidene vijanden, gevaar-lijkheden en verzoekingen, aangerand en bestreden worden; van de genade Gods kunnen vervallen, of ook kunnen verloren gaan; in alles, zegt hij, worden wij verdrukt, maar niet benauwd; wij haperen, maar wij blijven niet geheel steken; wij lijden vervolging, maar wij worden in dezelve niet verlaten; wij worden ter neder geworpen, maar wij gaan niet verloren; 2 Cor. 4 : 8, 9. Wanneer zij vallen, zegt David; Ps. 37: 24; worden zij niet voorts ter neder gestooten, want de Heere ondersteunt hunne hand.
    Hierom worden ook de uitverkorenen in de h. Schriftuur vergeleken bij boomen, geplant aan de waterbeken, dewelke in tijden van droogte niet verdroogd worden, maar bladeren voortbrengen, en hunne vruchten geven te zijner tijd; Ps. 1:3; Jet. 17:8; Ezech. 47 : 12; bij een huis, gebouwd zijnde op eene steenrots, hetwelk door geene winden of stormen van onweder ter neder geslagen wordt; Matth. 7:24, 25.
    Uit deze alle dan wordt overvloedig genoeg bewezen, dat de ware geloovigen of de uitverkorenen, de genade Gods, het ware geloof en den H. Geest, nimmermeer geheel, noch ten einde toe kunnen verliezen; en derhalve, zoo volgt daaruit noodzakelijk, dat de volharding der ware geloovigen zeker is, en nimmermeer vergaan zal.
    Doch dat de Remonstranten hierop tegenspreken, dat al hetgeen, dat van de beloften en van de macht Gods voortgebracht wordt, verstaan moet worden onder voorwaarde des geloofs, en der bekeering enz., dat strijdt merkelijk met de leer van de genadige verlossing, of zaligheid; want al is het, dat de voorwaarden, eigenlijk genomen zijnde, in het verbond der natuur of der werken plaats hebben, nochtans hebben zij geen plaats in het genadeverbond, in hetwelk alles, het beginsel, de voortgang en het einde, is uit de loutere genade Gods, of tot lof der heerlijke genade. Het is wel waar, dat God het geloof, en de vruchten en werkingen des geloofs eischt, maar Hij eischt dezelve als middelen, waardoor de uitverkorenen naar zijnen wil ter zaligheid gebracht worden. Zoo eischt Hij dan dezelve eigenlijk niet als voorwaarden; want wat zij voorwaarden noemen, dit zijn gaven van God, zooals de heilige Schriftuur leert, uit genade aan de uitverkorenen gegeven. Derhalve, zoo veroordeelen en verwerpen wij met recht de meeningen der Remonstranten, als merkelijk strijdende met Gods Woord, als zij ontkennen, dat de volharing eene veroorzaakte werking en vrucht is van het volstrekte besluit.
    De ontbodene Remonstranten, in hunne overgeleverde verklaring, over het vijfde Artikel, Thes. 1; insgelijks als zij ontkennen, dat dezelve ook is eene gave Gods, eigenlijk genomen, doch alleen eene zoodanige gave, met dewelke de wil, als eene oorzaak, nevens dezelve haar gedeelte in het werk hebbende, medewerkt en in het geloof, en in de Godvruchtigheid volhardt; Haags. Conf. Lat. Brand. pag. 407, r. 4; en pag. 439, reg. 14; Armin. Bedenkelijke Art. pag. 31, 32; desgelijks tegen die van Walcheren, pag. 74, reg. 24.

    [914]

    En ook, als zij zeggen, dat de uitverkorenen geheel en ten einde toe van de genade kunnen vervallen. Haags. Conf. Lat. Brand. pag. 359, reg. 12; en 362, reg. 7; pag. 402, reg. 19; en pag. 506 reg. 14, 15; en in andere plaatsen meer. Armin. in de Bedenkelijke Artikelen, Art. 1, 2, pag. 62. Ontbodene Remonstranten over het vijfde Artikel, Thes. 3, 4; Bertius doorgaans; Episcop. disput. public. van de dadelijke zonden, aanhangsel 2.

    II.

    Het is wel waar, dat de uitverkorenen zwaarlijk zondigen, dat ze dikwijls vallen, en door hunne zonden verdienen, dat zij, zooveel hen aangaat, geheel van den H. Geest zouden verlaten, en in der eeuwigheid verworpen worden en verloren gaan; nochtans zoo is het zeker, dat zij alzoo van God bewaard worden, dat ze de gaven des H. Geestes niet geheel verliezen, maar dat zij eindelijk, door zijne genade opgewekt zijnde, op den rechten weg wederkeeren, en alzoo de zaligheid, hun geordineerd zijnde, zekerlijk verkrijgen.
    Voorwaar er is geene zoude, zoo tegen de eerste, als tegen de tweede tafel der Goddelijke Wet, uitgezonderd alleen de eenige zonde tegen den H. Geest, in dewelke de uitverkorenen niet kunnen vervallen, en ook dikwijls, sommigen in deze, sommigen in die, niet vervallen; nochtans is er groot onderscheid tusschen de wedergeborenen en onwedergeborenen; want hoewel zij dezelfde zonden begaan, is nochtans de reden of de wijze, en de uitkomst ganschelijk verscheiden.
    De zonde tegen den H. Geest zonderen wij niet recht en niet zonder reden uit; want zij zijn wedergeboren uit een onverderfelijk zaad; 1 Petr. 1: 23. Derhalve blijft het zaad, naar het getuigenis van Johannes, in hen; daarom besluit hij ook van een ieder wedergeborene aldus: hij kan niet zondigen (namelijk tot den dood, gelijk hij zichzelven verklaart, 1. Zendbr. cap. 5:15), omdat hij uit God geboren is; 1 Joh. 3:9; en met zeer klare en openbare woorden; cap. 5 : 18. Wij weten, dat een ieder, die uit God geboren is, niet zondigt; maar die uit God geboren is, zichzelven bewaart, en de booze of de Satan genaakt hem niet, of tast hem niet aan. Hij wandelt wel rond als een brieschende leeuw, zoekende, wien hij verslinde; 1 Petr. 5 : 8. En hij heeft hen begeerd, om te wannen en te schudden als tarwe;Luc. 22:31. Nochtans worden zij niet doodelijk gewond. Zij zijn de tempel des H. Geestes, en Hij woont in hen; 1 Cor. 3:16; en 6:19; Rom. 8:9. Christus woont in hunne harten, door het geloof; Efez. 3 : 17. Zij worden geleid van den H. Geest, en hebben den Geest der aanneming tot kinderen, door denwelken zij roepen Abba, dat is, Vader: Rom. 8:14, 15; en worden in hunne harten verzegeld door het onderpand des Geestes; 1 Cor. 1: 22; enz.
    Ondertusschen, op alle deze wijzen van zondigen vallen wel de Godvruchtigen, sommigen, gelijk gezegd is, op deze wijze, sommigen op eene andere wijze. Want zoolang de uitverkorenen in deze wereld in vreemdelingschap zijn, worden zij niet volkomenlijk wedergeboren : ook kunnen zij tot de volkomenheid der wedergeboorte niet komen, vooraleer ze uit deze wereld scheiden; want zoolang zij hier zijn, dragen zij om het lichaam des doods, en het vleesch, strijdende tegen den geest; Rom. 7: 14, 24; Gal. 5:17. Daarom roept Paulus ook uit: Ik, ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? Rom. 7:14 en 24. Want de volkomene wedergeboorte is een deel der toekomstige verheerlijking; Ef. 5:17; Openb. 14:5. Derhalven zal dezelve niet in dit, maar in het hemelsche leven volbracht warden; 1 Cor. 13 : 10; Ef. 4:13; Fil. 3:14; 2 Tim. 4:8. De uitverkorenen blijven dan zondaars, zoolang zij hier zijn; 1 Kon. 8: 46; Spr. 20 : 9; Pred. 7:31; 1 Joh. 1:8. Hetzelve blijkt uit de standvastige belijdenis der heiligen; Job 9: 2; Ps. 130:3; en 143:2; Jes. 64 : 6; Dan. 9; Rom. 7 : 1; Joh. 1: 8; ja ook uit de voorbeelden van alle de heiligen, die de H. Geest, zelfs ook wanneer ze nu heerlijke titelen van lof gekregen hadden, betuigt zwaarlijk gezondigd te hebben.
    Nochtans, dat er groot onderscheid is, tusschen het zondigen der heiligen en der goddeloozen, hebben wij gezegd, en hetzelve zeggen wij alsnog.
    Want, als de goddeloozen zondigen, en den breidel hunner begeerlijkheid los laten, alsdan heerschen de zonden over hen; Ef. 4:19; Rom. 6. Want zij zondigen met een lust en vermakelijkheid, zonder eenigen strijd, of inwendige tegenworsteling; want de ziel komt overeen niet het lichaam; daarom worden zij ook gezegd te leven naar de begeerlijkheden; 1 Petr. 1:14; en 4:2-4.

    [915]

    1n dezelve arbeiden zij, en worden niet vermoeid; Jes. 57:10; Spr. 4:16. In dezelve volharden zij zonder bekeering, niettegenstaande zij zwaarlijk gestraft en gepijnigd worden; Jes. 1:5; en 9:12; Jer. 2:30; en 5:2; en eindelijk in dezelve sterven en vergaan zij, gelijk de oude wereld; Gen. 7: 17, 21; gelijk de Sodomieten; Gen. 19:24; gelijk Farao en de Egyptenaren; Exod. 9, en cap. 10 en 11; en cap. 14: 27, 28; Korach, Dathan en Abiron; Num. 16:31, 32; Saul; 1 Sam. 31:4; Achab; 1 Kon. 22:34; Judas; Matth. 27:5; Hand. 1:18. Daarom wordt ook Psalm 34:22, gezegd: De dood der goddeloozen is de allerergste.
    Maar de Godvruchtigen, als zij zondigen, geschiedt datzelve niet alleen, en dat dikwijls, uit onwetendheid; Psalm 19:13; 1 Tim. 1: 13. Maar het geschiedt ook, en dat inzonderheid, uit zwakheid, beide of inwendiglijk of uitwendiglijk.
    Inwendiglijk, vanwege het vleesch en de begeerlijkheid, ons aanhangende uit de erfzonde, dewelke dikwijls ons verzoeken en tergen om te zondigen; want het vleesch begeert tegen den geest; Gal. 5:17. De wet, die in onze leden wederspannig is tegen de wet des gemoeds; Rom. 7: 23. De begeerlijkheden, die in henlieden zijn, strijden tegen de ziel; 1 Petr. 2:11; waardoor het geschiedt, dat zij niet al hetgeen doen, dat zij willen; Gal. 5:17; en dat zij het goede, dat zij willen, niet doen, maar dat zij het kwade, dat zij niet willen, doen; Rom. 7 :19; gelijk David en anderen.
    Uitwendiglijk, wanneer zij de zonde wel van binnen, en in hun hart verfoeien, en nochtans dezelve doen, hetzij of overwonnen zijnde van het vleesch, en van vleeschelijke voor oogen komende zaken, of hetzij ook om dreigingen der vijanden en dergelijke verhinderingen. Alzoo heeft David overspel begaan, en Petrus heeft met zweren en vloeken Christus verzaakt. Alzoo heeft ook Nicodemus gevreesd des daags tot Christus te komen; Joh. 3.
    Nochtans blijven zij in de zonden niet, maar, opgewekt zijnde, of uiterlijk door de kastijdingen Gods en de vermaningen, of innerlijk door de genade des Heiligen Geestes, zoo is het, dat zij zich bekeeren en weder opstaan; Ps. 119 : 71 en 67. Het is mij goed, dat Gij mij vernederd hebt, opdat ik uwe rechtvaardigmaking leere. Eer Gij mij vernederdet, heb ik misdaan, daarom heb ik nu uw woord waargenomen; 1 Cor. 11:32. Als wij gestraft worden van den Heere, zooworden wij geleerd, opdat wij niet met de wereld verdoemd worden.
    David, vermaand zijnde van Nathan en Gad, en van God vernederd zijnde, belijdt zijne zonden, en doet boetvaardigheid; 2 Sam. 12:7, 8, 13; en 15:25, 30; 2 Sam. 24:10, 14; Psalm 32:12, 13, 14; en 51:3, 4, 5; alzoo ook Hiskia; Jes. 38:2, 3; alzoo Manasse; 2 Kron. 33:12, 13, 14: alzoo Petrus; Luc. 22 : 61, 62. Zoo zegt dan Salomo zeer waarachtiglijk; Spreuk. 24:16. De rechtvaardige zal zevenmaal vallen op éénen dag, en zal weder opstaan.
    Nademaal dan de Godvruchtigen zondigen en vallen, zoo is het, dat zij wel niet doen, wat den kinderen Gods betaamt, nochtans blijven zij kinderen Gods; want het zaad Gods, als gezegd is, blijft in hen, en zij zullen weder opstaan ten leven, enz.

    Van harte verwerpen wij dan deze onschriftmatige meeningen der Remonstranten.

    I. Dat de uitverkorenen kunnen vallen in de zonde tegen den Heiligen Geest; S. Episc. disput. pub. van de dadelijke zonde; Aanhangsel 1.
    II. Dat de ware geloovigen door ieder werk des vleesches het geloof verliezen, sommigen voor een tijd, sommigen in der eeuwigheid; Haagsche Conf. Lat. Brand. pag. 362, reg. 7; en 363, reg. 5; en 338; en 359, reg. 12; en pag. 456, reg. 18; en 404, reg. 11, 12; en 441, reg. 15; en 439, reg. 18, en pag. 506; Remonstr. Delphens. op het 5 Art. Thes. 1; indien dezelve vergeleken worden niet de woorden der Conf. Lat. Brand. pag. 404, en 410, reg. 9; Tegen die van Walch. pag. 75, reg. 20, 23; De ontbodene Remonstr. over het 5 Art. Thes. 3, 4, 6.
    III. Dat de uitverkorenen tweemaal kunnen wedergeboren worden, enz. Haagsche Conf. Lat. Brand. pag. 457, reg. 22, 27; en Conf. Nederduitsche, 384, reg. 18.
    IV. Dat deze onderscheiding ijdellijk en te vergeefs verdicht is, dat namelijk de geloovigen wel kunnen afvallen ten aanzien van zichzelven, maar geenszins ten aanzien van het eeuwige besluit Gods; Haagsche Conf. Lat. Brand. pag. 509, reg. 8, van het einde; en Conf. Nederduidsche, pag. 427, reg. 9, van het einde.

    III.

    Hoewel de uitverkorenen somtijds eenige zeer zware bevingen en knagingen van hun geweten lijden,

    [916]

    en met vele twijfelingen ook strijden, nochtans kunnen zij van de volharding in het geloof verzekerd zijn, en zijn ook verzekerd in dit leven.
    Deze zekerheid wordt door dezelfde redenen en getuigenissen der Schriftuur zekerlijk bewezen, door dewelke wij in het eerste Artikel, op de zesde stelling, en in de eerste stelling van dit oordeel, de zekerheid der verkiezing en der volharding bewezen hebben.
    Zoo verwerpen wij dan de Remonstranten, als zij stellen eene voorwaardelijke en onzekere volharding; Haagsche Conf. Lat. Br. pag. 403, reg. 8; en 412, 413; en 410, reg• 10; en 415; en in andere plaatsen meer, te voren aangeteekend; Geldersche Remonstr. in de verschillende Artikelen, van het vijfde Artikel, Thes. 8.

    IV.

    Deze leer van de volharding is voor de ware Godvruchtigheid, Religie en Godsdienst niet schadelijk, of dient niet tot voeding en bevordering van de vleeschelijke zorgeloosheid; maar zij wekt de uitverkorenen hoe langer hoe meer op tot Godvruchtigheid en ware vreeze Gods, en geeft hun daartoe meer en meer een prikkel en spoor.
    Wij meenen, dat de waarheid hiervan genoegzaam blijkt uit de oorzaak en uit het onderge-schikte einde onzer verkiezing.
    De eenige oorzaak daarvan is de liefde Gods, zijne genade of barmhartigheid; Rom. 9 : 1 3; Ef. 1 :4, 5; en cap. 2:4.
    Nu, het bemerken van de liefde en barmhartigheid Gods maakt de uitverkorenen niet traag, maar wekt hen meer en meer op tot nederigheid, en tot bekennen van hunne eigene onwaardigheid en gebrekkelijkheid (want zij weten, dat zij uit kinderen des toorns gemaakt zijn kinderen Gods; Ef. cap. 2:3; en 1:5; 1 Zendbrief van Petrus 2 : 9, 10); en is hun een zeer krachtig spoor tot de liefde Gods, of om God wederom lief te hebben; Psalm 116 :1; 1 Joh. 4 : 9; hetwelk nochtans niet kan geschieden, tenzij wij die dingen beminnen, die Hem behagen, en die dingen daarentegen vermijden, dewelke Hij haat, en dewelke met zijne liefde niet kunnen bestaan; nu, aangezien de liefde der wereld, en het verstand onzes vleesches, met de liefde Gods strijden; Jac. 4:4; 1 Joh. 2:16, 17; Rom. 8:7; zullen de uitverkorenen dan hun uiterste best nietdoen om Gode wederom liefde te vergelden, om dankbaarheid te betoonen, om van het kwade af te wijken, en het goede te doen? Ps. 18:2; en 116:12; 1 Petr. 3:11. Want de liefde Christi (gelijk ook Gods) dwingt en dringt hen; 2 Cor. 5 : 14.
    Het ondergeordineerde einde is geenszins daartoe, dat zij zorgelooslijk het vleesch en de wereld zouden dienen, maar opdat zij die middelen, door dewelke zij tot het einde, volgens het besluit Gods, gebracht worden, wel en getrouwelijk zouden gebruiken. Want die uitverkoren en uit God geboren zijn, die hooren het Woord Gods; Joh. 8:47; blijven volstandig in de leer der Apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden; Hand. 2:42; leven Godvruchtiglijk en heiliglijk. Want zij zijn uitverkoren en verlost niet alleen tot het eeuwige leven, maar ook ten dien einde, opdat zij zouden heilig en onstraffelijk voor Hem zijn door de liefde; Ef. 1: 4. Zij zijn geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God van te voren bereid heeft, opdat zij daarin zouden wandelen; Ef. 2 : 10. Opdat zij God zouden dienen met heiligheid en gerechtigheid in zijn aanschouwen, alle de dagen des levens; Luc. 1:74, 75; Tit. 2:14; en cap. 3:8. Want dit is de wille Gods, de heiligmaking der uitverkorenen; 1 Thess. 4:3. Hierom worden zij van denzelfden Geest, door denwelken zij wedergeboren worden, en de aanneming tot kinderen ontvangen, met de vreeze Gods begiftigd, opdat zij God vreezen alle de dagen, en van Hem niet afwijken; Jer. 32:29, 40; opdat zij in zijne geboden wandelen, zijne gerichten i en wetten bewaren en doen; Ezech. 36: 27. Van dienzelfden Geest, die de Geest der gebeden is; Zach. 12:10; verkrijgen zij, dat zij een toegang hebben tot den Vader; EL 2:18; en dat zij roepen Abba, dat is, Vader, en dat zij met onuitsprekelijke zuchten God, den Vader, aanroepen; Rom. 8:15, 26.
    Zij handelen dan lasterlijk en smadelijk tegen God, die deze leer met verscheiden vreemdigheden en ongerijmdheden, die zij uit hunne hersenen verdicht hebben, gaan bezwaren, en die dingen, die God in zijn besluit samengevoegd heeft, van elkander gaan scheiden; want deze leer neemt geenszins weg, of maakt geenszins krachteloos de vermaningen, bestraffingen, dreigingen, gebeden, enz.

    [917]

    Want dezelve zijn volgens den wille Gods noodig, alzoo ze deelen zijn van de Christelijke leer, in hetwelk het eene deel niet wegneemt het gebruik des anderen deels, en die dingen, die, om de zaligheid te volbrengen, zijn ingesteld, strijden tegen de andere niet, al is het, dat alles niet eenerlei en hetzelfde gebruik heeft: de leer van de verkiezing der heiligen, en van de zekerheid der zaligheid, heeft haar gebruik; van gelijken ook de vermaningen, de bestraffingen, dreigingen, gebeden, enz. hebben hun bizonder gebruik.
    De leer der verkiezing en der zekerheid leert, vanwaar alle onze bekwaamheid, naarstigheid, boetvaardigheid, geloof, zekerheid is, enz., namelijk alleen van de eenige genade Gods, die ons verkiest, en ons alles geeft.
    Maar de vermaningen, bestraffingen, dreigingen, gebeden, enz. worden noodig en zijn noodig, opdat wij mogen weten aan de eene zijde, door wat middelen ons God tot de zaligheid brengt; en aan de andere zijde, welke onze schuldige plicht is, of wat wij moeten en behooren te doen. Nademaal dan een ieder deel zijn eigen gebruik heeft, zoo is het, dat ook elk noodig is, en het eene verhindert niet het andere.
    Derhalve, uit de zekerheid der verkiezing en der zaligheid, vermaant de H. Geest op vele plaatsen de uitverkorenen, om Godvruchtiglijk en heiliglijk te leven; gelijk onder anderen uit de zekerheid der barmhartigheden en ontfermingen Gods; Rom. cap. 12:1, 2; der verkiezing; Ef. 4; der roeping; Ef. 4:1; 1 Thess. 4:7; 1 Petr. 1:15; der rechtvaardigmaking; Rom. 6:1; Tit. 3:6, 7, 8; der verzegeling door den Heiligen Geest; Ef. 4 : 30; der heiligmaking; 2 Cor. 7:1; der verheerlijking; 2 Petr. 3: 11, 12; 1 Joh. 3:3.
    En evenwel nochtans, om den wille van de zekerheid der verkiezing of der zaligheid, laat Hij daarom niet achterwege de vermaning, noch de bestraffingen, noch de aansporingen, om te bidden. Onze Heere Jezus Christus zegt : Niemand komt tot Mij, tenzij de Vader hem trekke; Joh. 6: 44. Evenwel noodigt Hij tot zich alle degenen, die belast en beladen zijn; Matth. 11:28. God geeft, dat de menschen, zich bekeerende, de waarheid bekennen; 2 Tim. 2:25; Jes. cap. 52:8; Jer. 31:18, 19; nochtans vermaant Hij hen in zeer vele plaatsen tot boetvaardigheid; Jes. 1: 16, 17; en Hij zegt, cap. 45; 22: Bekeert u tot Mij! insgelijks Jer. 3:7, 12, 22; Mark. 1:15; Hand. 2:38. Paulus leert, dat de zaligheid uit genade is; Rom. 3 : 24; en evenwel heeft hij daarom niet nagelaten de vermaningen, bevelen en aansporingen, om Godvruchtiglijk te leven; Rom. 12:1, 2, 3; 1 Cor. 5; en 10; 2 Cor. 7 : 1; Ef. 4; en doorgaans. Paulus zegt tot de Romeinen; cap. 9:16; dat het niet is des willenden, noch des loopenden, maar des ontfermenden Gods; evenwel desniettegenstaande vermaant hij hen, dat zij zouden loopen; 1 Cor. 9:24; en hij vermaant ook, dat ze dezer wereld niet gelijkvormig worden.
    Christus zegt uitdrukkelijk tegen de verworpene Farizeën, dat zij niet gelooven, omdat zij niet zijn van zijne schapen; Joh. 10:26; en dat zij het Woord Gods niet hooren, omdat zij uit God niet zijn; Joh. cap. 8:47; evenwel beschuldigt en bestraft Hij dezelven heftiglijk; Matth. cap. 23:13. Petrus zegt, dat die Joden, die hem hoorden, door den bepaalden of besloten raad en voorzienigheid Gods, Christus gedood hadden; Hand. 2:23. Ondertusschen evenwel, onaangezien dit, bestraft hij hen heftiglijk van zoodanige gruwelijke daad, en vermaant hen tot bekeering en boetvaardigheid; vers 38. Christus zegt, Matth. 6 : 8: De Vader weet, wat gij van noode hebt, eer gij bidt; nochtans voegt Hij daarbij, vers 9: Bidt gijlieden dan alzoo, enz. Paulus zegt tot de Rom., cap. 8:26: Wij weten niet, wat wij bidden; maar de Geest bidt voor ons, enz. En Jacobus. cap. 1: 17: Alle goede en volkomene gave is van den Vader der lichten. Nochtans vermanen en bevelen zij, dat de Godvruchtigen Gode zullen bidden, en wijsheid van God begeeren; 1 Thess. cap. 5:17; Jac. 1 :5.
    Hoewel dan de geheele zaligheid, en al wat tot de zaligheid behoort, de zekerheid derzelve, en ook de volharding in dezelve, aan Gods genade, en eeuwige verkiezing en bewaring hangt, zoo volgt nochtans daaruit niet, dat de vermaningen, dreigingen, gebeden, enz. daardoor ijdel en te vergeefs gemaakt zouden worden, en dat men van dezelve zich zoude hebben te onthouden. Van gelijken ook strijdt het gebruik der middelen niet tegen het besluit Gods, want degenen, die ons besloten heeft zalig te maken, heeft ook de middelen geordineerd, door dewelke Bij de uitverkorenen tot Christus trekt, en tot het eeuwige leven brengt.

    [918]

    Zoo oordeelen wij dan, dat het een loutere laster der Remonstranten is, als zij smadelijk zeggen, en ijdellijk onder het volk strooien, dat deze leer van de volharding en zekerheid der zaligheid, voor de ware Godvruchtigheid en de goede werken schadelijk is; insgelijks, dat de waarschouwingen en vermaningen ijdel, te vergeefs, en krachteloos gemaakt worden; Haags. Conf. Lat. Brand. pag. 354 reg. 4, 5; en 355; en 359, reg. 2 van het einde; pag. 404, reg. 14; en 409, reg. 8; dat ook dezelve daartoe dient, om nalatigheid en onachtzaamheid voort te brengen en te baren, zoodat ze in het midden der zonden den menschen zoude dienen tot een zacht oorkussen, op hetwelk hij, gemakkelijk slapende, zichzelven kan vleien en troosten; Haagsche Conf. Lat. Brand. pag. 403, reg. 3; en 405, reg. 22; en pag. 507, reg. 3 van het einde. Tegen die van Walch pag. 75, reg. 20.

    Op het eerste aanhangsel.

    Het rechtvaardigmakende geloof, zooveel de wezenlijke eigenschappen aangaat, verschilt van het tijdelijk geloof.
    Want het rechtvaardigmakende geloof is eigenlijk een middel, door hetwelk wij Christus en alle zijne weldaden omhelzen, en onszelven toeëigenen; gelijk in de roeping; Hebr, cap. 4:2; in de rechtvaardigmaking; Hand. 13:38, 39; Rom. 3:14; en 10:4; Hand. cap. 10:43; in de vruchten der rechtvaardigmaking; want door het geloof ontvangen wij de aanneming tot kinderen Gods; Joh. 1 :12; genieten wij den vrede der gewetens; Rom. 5:1; hebben wij een toegang tot God, met een vast vertrouwen; Ef. 3:12; rusten wij in de beloften Gods; Luc. 1:45; overwinnen wij de wereld, en behouden de overwinning; 1 Joh. 5:4; door hetzelve worden wij bewaard ter zaligheid; 1 Petr. 1:5, en verkrijgen wij de zaligheid; Ef. 2:8; Joh. 3:14, 16; en 6.
    Derhalve, gelijk de mensch uiterlijk, door het gezicht en den smaak, de zichtbare voorgestelde verwen en gedaanten onderscheidt, mitsgaders ook de spijs; en gelijk hij met zijne voeten tot de gewenschte plaats voortgaat; alzoo is het ook, dat de uitverkorenen met het geloof zien; 1 Cor. 13:12; en met het geloof niet alleenlijk smaken, hoe goedertieren de Heere zij; Ps. 34: 9; 1. Petri 2:3; maar ook het vleesch van Christus eten, en zijn bloed drinken; Joh. 6:54; tot Christus komen; Joh. cap.6: 35; en wandelen door het geloof; 2 Cor. 5:7.
    Door ditzelve bekennen en verstaan wij niet alleen; waarom het ook genaamd wordt eene kennis van den wille Gods en eene wijsheid; Col. 1:9, 10; maar wij stemmen ook toe de beloften der genade, en eigenen dezelve ons toe met een vast vertrouwen, voor zeker en buiten allen twijfel houdende, dat niet alleen anderen, maar dat ook wij eenen genadigen God hebben, om Christus wil. Derhalve zijn wij in Christus, en door Christus in God gerust, en verheugen en verblijden ons; Rom. 4:18, 19; en 8: 38; Gal. 2:20; 1 Tim. 1:16; Joh. 8:56; Hand. 8:39. In dit geloof is eene ware, zekere, gewisse en volle verzekerdheid des gemoeds van onze zaligheid; Coloss. 2 : 2; Hebr. 10:22; Rom. 4 : 21; Hebr. 6 :11; en 11: 1. Hetzelve is wel onvolkomen in dit leven; want altijd blijft in het verstand eenige onwetendheid, en in het hart de begeerlijkheid; want wij bekennen ten deele; 1 Cor. 13:12; en het vleesch begeert tegen den geest; Gal. 5:17; ja, hetzelve is dikwijls zeer zwak en klein; Jes. 42:3; Matth. 17:20; Rom. cap. 14:2. Evenwel nochtans is het een waar en zeker geloof, want het omhelst, hoewel zwak, Jezus Christus, het eigen en eenige voorgestelde oogmerk en opzicht des geloofs, en wordt nimmermeer geheel of ganschelijk uitgebluscht, of verloren; want de gaven Gods zijn zoodanig, dat ze Hem niet kunnen berouwen; Rom. cap. 11:29. Door den Geest Gods worden de uitverkorenen verzegeld; Ef. 1:13; 2 Cor. 1:22. Het kan niet geschieden, dat ze verleid zouden worden, en verloren gaan; Matth. cap. 24:34. Zij kunnen niet zondigen tot den dood; 1 Joh. 3:9. De booze raakt of tast hen niet aan; 1 Joh. cap. 5:18. Het zaad en de wortel des geloofs, die nimmermeer te niet gaan zal, blijft in hen; 1 Job. cap. 3:9; en door de kracht Gods worden zij door het geloof bewaard ter zaligheid; 1 Petr., cap. 1: 5; gelijk wij boven gezegd hebben.
    Van dit rechtvaardigmakende geloof, zooveel aangaat de wezenlijke eigenschappen, verschilt geheel het geloof, dat maar voor een tijd duurt.
    Het is wel waar, dat door dit geloof zoodanigen, die voor een tijd gelooven, het ware Evangelie van Christus gelooven, datzelve ontvangen, en niet eene zekere zoetigheid en blijdschap dikwijls ook smaken.

    [919]

    En daar benevens zoo is ook in hen eene zekere kennis huns verstands, en ook eenige aanneming van hun wil, of hun hart; want Christus zegt, Matth. cap. 13:20: Zij hooren het Woord Gods, en ontvangen het terstond niet blijdschap; insgelijks Hebr. 6: 4, 5. Zij smaken het goede Woord Gods en de krachten der toekomstige wereld; en Joh. 5:35. Johannes was een brandende en lichtende kaars, en gij wildet u voor een tijd in zijn licht verblijden. En alzoo schijnen zij voor een tijd op dezelfde wijze gesteld te zijn, gelijk de ware geloovigen.
    Nochtans datzelve geloof 1. is niet uit den Heiligen Geest der aanneming tot kinderen; want van degenen, die het tijdelijke geloof hebben, zegt Christus, dat ze uit God niet zijn; Joh. 8:47; ja, dat ze zijn eene steenachtige aarde; Matth. 13:20; 2. Is niet oprecht; want de oorzaken, op dewelke het steunt, zijn niet gegrond, noch vast; want dezelve zijn niet, om Christus' wil, die in het woord des Evangelies voorgedragen wordt; ook zijn dezelve niet om God, noch om den wille van zijne eer; ook zijn dezelve mede niet om de hemelsche weldaden van Christus, noch om zijne gerechtigheid, noch om het eeuwige leven; hetwelk alles het ware geloof alleen zoekt, en in dewelke hetzelve gerust is, zelfs ook vóór de ervaring en bevinding; Joh. 20: 29; Hebr. 11:1; ja, zelfs ook zoo wanneer anders niet dan ellende en de dood voor de oogen aangemerkt worden; Job 13:15; en 19:25; Ps. 23:4; Spr. 14:32; Rom. 8:35, 36, 37, 38, 39.
    Maar het geloof, dat maar voor een tijd duurt, is om andere oorzaken; of om de nieuwheid des Evangelies; Joh. 5:38; of om eenige wonderheden en zoetigheden, dewelke met het Evangelie, door eene zekere bestelling en beschikking Gods, somtijds samen gevoegd zijn; Joh. 6: 14; Hand. cap. 8 :13; of om vrijheid van te zondigen, dewelke zij, zoo haast zij aangehoord hebben de leer des Evangelies van de genadige gerechtigheid en zaligheid in Christus, en van de Christelijke vrijheid, terstond aannemen, en alzoo mitsdien de genade onzes Gods overzetten tot wulpschheid; Judas, vers 4; van dewelke ook Paulus spreekt; Rom. 6 : 1; of eigenlijk en inzonderheid om lichamelijke weldaden, rijkdom, eer, staat, spijs, brood, en om andere gemakken dezes levens, gelijk te zien is in dien Schriftgeleerde, die tot Christus zeide: Meester! ik zal u volgen, waar gij gaat. Maar wat hij gezochtheeft, blijkt uit het antwoord van Christus; want Hij zegt: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niets, waarop Hij zijn hoofd legge. Insgelijks in de Joden, van dewelke Christus zegt, Joh. 6:26: Gij zoekt Mij, omdat gij van de brooden gegeten hebt, en verzadigd zijt; en Matth. 13 : 21. Maar als daar verdrukking of vervolging opkomt om des Woords wil, zoo worden zij terstond geërgerd.
    3. Is ook niet grondig of vast, noch sterk; want hetgeen niet oprecht is, kan niet grondig wezen; en hetgeen niet grondig is, dat kan ook niet vast, noch sterk, noch duurachtig, noch gestadig, of bestendig wezen. Want de oorzaken, waarop het steunt, gelijk daar zijn rijkdom, eer en staat, brood, spijs, enz. zijn niet vast, noch langdurig, maar zijn vergankelijke dingen, en die te niet gaan. Derhalve, als dezelve ophouden, zoo houdt ook op ditzelve geloof. Zoo worden zij dan met waarheid en niet zonder oorzaak van Christus genoemd geloovigen voor een tijd; Matth. 13:21. Want, aangezien zij geen wortel hebben, zoo worden zij geërgerd, zoo blijven zij niet in het woord van Christus, zij wijken terug; Matth. 13:21; Luc. 8:13. Daarom wordt ook gezegd, Joh. 6:66: Van dien tijd aan gingen vele van zijne discipelen terug, en wandelden voortaan niet meer niet hem.
    Zoo blijkt dan klaarlijk, dat de geloovigen, die voor een tijd gelooven, nooit gehad hebben de ware kennis der zaligheid in het verstand, noch eigenlijk de rechte toestemming, en aanneming in den wil, of in het hart, en diensvolgens ook niet de ware blijdschap of vermakelijkheid; uiterlijk en van buiten aan worden zij alleen een weinig bewogen, en vermaakt; zij gelooven, maar niet bestendig, noch standvastiglijk; zij worden geraakt en geroerd, maar niet levendig; zij worden bewogen met blijdschap; maar het raakt of doordringt niet inwendiglijk tot het binnenste merg der ziel toe. Derhalve, zoo is dat niet het ware geloof; maar het is een geheel verscheiden, of een geheel ander geloof, dan het rechtvaardigmakende geloof.
    Zoo dwalen dan grovelijk de Remonstranten, als zij leeren, dat het rechtvaardigmakende geloof niet verscheiden is van het tijdelijk geloof, of van het geloof, dat voor een tijd duurt; ja wat meer is, als zij ook zeggen, dat het geloof te onderscheiden in een

    [920]

    waar en in een tijdelijk, alleenlijk door degenen geschiedt, die daar stellen een volstrekte verkiezing en verwerping; Bertius Hymen. desert. Lat. pag. 44, reg. 3, van het einde; en pag. 43, en 42. Grevinch. tegen Amesius, pag. 141, reg. 12.
    En dit is ons oordeel, zoo van dit vijfde Artikel, als ook mede van de voorgaande 1, 2, 3 en 4. Artikelen der Remonstranten; hetwelk, volgens den inhoud van onzen gedanen eed, ons geweten ons betuigt en verklaart overeen te komen met het Woord Gods.
    Derhalve oordeelen wij, dat deze leer der Remonstranten; met dewelke zij, zoo in deze vijf Artikelen, als in andere hoofdstukken der leer, zeer verre en zeer wijd van de rechtgevoelende waarheid afwijken, en met dewelke zij, onder den schijn en het voorwenden van de vijf Artikelen, het Pelagiaansche vergift, ja het Sociniaansche, dat nog erger en schadelijker is, dan het Pelagiaansche, den Kerken en Gemeenten pogen in te geven, en te doen innemen; met dewelke zij ook zoodanige dwalingen voorstaan, die zelfs de fondamenteele leer des geloofs niet alleen merkelijk besmetten, maar dezelve ook geheel en ganschelijk omkeeren; in geenerlei wijze in de tegenwoordige Nederlandsche Kerken te lijden, te dulden, en te verdragen is; maar dat men deze van nieuws weder uitspruitende dwalingen van Pelagius tijdelijk en van stonde aan behoort af te snijden en uit te roeien, en dat men de Kerken van dit Sociniaansche vergift behoort te zuiveren, en dat alle de auteurs, vinders en drijvers van deze leer, mitsgaders allen, die dezelve leer der Remonstranten omhelzen, voorstaan en leeren van hunnen kerkedienst behooren geweerd en afgezet te worden. Want het is redelijk en behoorlijk, dat zoodanigen in de Gereformeerde Kerken van leeren en prediken ophouden, die dezelve leer misprijzen, lasteren en veroordeelen, en die met openbare betuiging voor de geheele wereld betuigen, dat het oordeel van alle de Gereformeerde Kerken, bij hen en hunne Kerken geen aanzien of kracht zal hebben, noch dat zij hetzelve immermeer zullen aannemen.
    En voorwaar, met een goed geweten kan met diegenen geen vrede gehouden, noch eene onderlinge verdraagzaamheid aangegaan of gemaakt worden, die daar opstaan tegen de fondamenteele leer des geloofs, en tegen dezelve zichzelven opzetten, en daarentegen de dwalingen aannemen en omhelzen.
    Eindelijk meenen wij, dat men alle en een ieder der Remonstranten, scherpelijk op het hoogste zal bevelen, dat zij niet schrijven, noch ook door de levende mondelijke stem onder het volk strooien, noch ook den lieden heimelijk ingeven, van lietgeen tot voeding van twist en oneenigheid, mitsgaders ook tot stijving van hunne valsche leer eenigszins zoude mogen strekken of behooren. God geve, dat degenen, die niet willen, dat de vrede van nieuws herbouwd, en gelukkiglijk hersteld zoude worden, met smarten en droefheid hunner harten, doch met blijdschap der Godvruchtigen, dezelven moeten zien en aanschouwen; en dezelve goede God, en goedertierenste Vader der barmhartigheden, gunne ons, dat eindelijk wij en alle Godvruchtigen mogen bekomen eene gelukkige uitkomst, en een gewenscht einde van alle deze jammerlijke beroerten, verstoornissen en moeite, tot opbouwing van de Gereformeerde Kerken, tot welvaren en behoudenis van de Republiek dezer Nederlanden, en inzonderheid tot de eere zijns h. Naams, en tot de zaligheid veler zielen, door onzen Heere Jezus Christus, Amen.
                                                _______________