Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Het Oordeel van de Gedeputeerden der Kerken van Friesland


    HET OORDEEL VAN DE GEDEPUTEERDEN DER KERKEN
    VAN FRIESLAND.

    OVER HET DERDE EN VIERDE ARTIKEL.

    Volgen nu het derde en vierde Artikel, dewelke in de Haagsche Conferentie bij elkander samen gevoegd worden. Nochtans schijnen dezelve niet onbekwamelijk aldus te kunnen onderscheiden worden: Dat men zegge, dat het derde handelt van de onbekwaamheid, of het onvermogen van den verdorvenen mensch tot het ware goed, dat is, van de verdorvenheid des menschen, welke, en hoe groot dezelve is; en dat het vierde handelt van de bekeering van den verdorvenen mensch, of, gelijk de Remonstranten willen, van de wijze der bekeering, of dezelve wederstandelijk is, dan of ze onwederstandelijk is.
    De woorden van het derde Artikel, gelijk ze uiterlijk luiden, en gelijk ze daar liggen, schijnen goed en rechtgevoelende te zijn.
    Maar aangezien (gelijk eertijds Chrysostomus gezegd heeft) in den zin der woorden de ketterij placht te zijn, zoo is het, dat men den zin van deze woorden ook uit den hoek moet voorthalen, en dat uit de eigene schriften en boeken der Remonstranten zelven. En van deze zaak schrijven en gevoelen zij aldus:
    1. De verdorven mensch kan de gemeene genade, die hij heeft (dat is, het licht der natuur), recht gebruiken. Als hij dit doet, zoo geeft hem God meedere en grootere gaven, zoo verre, dat de mensch, door dit rechte gebruik der gemeene genade, en door de gaven, die om deszelfs wil hem gegeven zijn, allengskens bij trappen kan komen tot de zaligmakende genade, en tot de kennis des Evangelies.
    2. De natuurlijke of verdorven mensch kan door zijn verstand, zonder openbaring, niet vinden, noch bedenken de verborgenheden, die in het Evangelie en de h. Schriftuur geopenbaard zijn; maar nochtans, indien hij de Schriftuur aandachtiglijk leest of hoort, zoo kan hij lichtelijk, zonder eenig bovennatuurlijk licht, en zonder eenige eigene en de inwendige werking des H. Geestes in het verstand, den zin verstaan van alle die dingen, die in de Schrifturen, als noodig, om te weten, te gelooven, te doen en te hopen, voorgesteld worden.
    3. De onwedergeborene mensch is zoo gansch niet dood in de zonde, of hij kan zijnen geestelijken dood bekennen, denzelven met een nederigen en vermorzelden geest beklagen, naar de verlossing en het nieuwe leven verlangen, hongeren en dorsten, en meer andere dingen doen, dewelke Christus vereischt in degenen, die Hij wil wederbaren.
    4. Gelijk in den wil des menschen nooit eenige geestelijke gaven geweest zijn, en eigenlijk geene plaats in denzelven hebben; alzoo zijn ook door den val die gaven van den wil niet weggenomen; maar in denzelven is na den val gebleven eene macht en aangeborene kracht en vrijheid, van wel of kwalijk te doen, en van het geestelijke goed te willen.
    Deze vrijheid en macht kan nochtans de wil niet oefenen, eer het verstand en de genegenheden zijn levend gemaakt. Zoo wanneer dit geschied is, alsdan kan de wil deze vrijheid oefenen. Deze en diergelijke dingen, dewelke doorgaans in de schriften der Remonstranten gevonden worden, luiden verre anders, dan de schoonschijnende woorden van het derde Artikel.
    De mensch, zeggen zij, kan, in den stand der afwijking en der zonde, niets goeds, hetwelk waarlijk goed is, bedenken, willen, of volbrengen.
    En Artikel 4. Zoodat alle de goede werken, die wij kunnen bedenken, in het geheel moeten toegeschreven worden aan de genade Gods in Christus.
    Van Pelagius verhaalt Augustinus, dat hij anathema gezegd heeft, dat is, vervloekt heeft dengene, die daar of gevoelt, of zegt, dat de genade Gods, door dewelke Christus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, niet van noode is, niet alleen in elk uur en oogenblik, maar ook zelfs in elk van onze werkingen.
    Als, zegt Augustinus, „als Gods dienaars, zijnde voorstanders van de algemeene waarheid, dit gehoord hadden, hebben zij geene andere genade Gods kunnen verstaan, dan dezelve, die zij gewoon waren in de boeken Gods te lezen, en aan het volk Gods te

    [809]

    prediken; maar verre een andere genade heeft hij verstaan; namelijk, gelijk diezelfde (Augustinus Zendbrief, 106) zegt:
    “dewelke den Heidenen en den Christenen, den ongodvruchtigen en den Godvruchtigen, den geloovigen en den ongeloovigen gemeen is, dat is, hij heeft verstaan de algemeene genade, dat is, het licht der natuur".
    Hoe verre de Remonstranten verschillen van deze leer en van dit nemen van het woord genade, laten wij een ieder oordeelen.
    Maar dat ontzien wij ons niet te zeggen, dat zij veel meer van Pelagius en zijne aanhangers, dan van den H. Geest, sprekende in de Schriftuur, geleerd hebben, en dat zij het licht der natuur den naam van genade geven.
    Want de H. Geest verstaat altijd door genade, of de fontein zelve van alle zaligmakende gaven, mitsgaders de barmhartigheid Gods, of de genadige en bovennatuurlijke werkingen, en de bovennatuurlijke en geestelijke gaven, dewelke uit die loutere genadige liefde en barmhartigheid, in Christus en door Jezus Christus onzen Middelaar, ons gegeven worden.
    Zoo blijkt dan uit de voorverhaalde leeringen der Remonstranten
    1. Dat zij verminderen, en ten meerendeel ontkennen, die verdorvenheid des menschen, dewelke in het Woord Gods voorgesteld en geleerd wordt.
    2. Dat zij toeschrijven aan het rechte gebruik van het licht der natuur, dat is, aan de krachten des verstands, en aan de werken van den onwedergeborenen en verdorvenen mensch, hetgeen men alleen moet toeschrijven aan de eenige ware genade Gods, die daar is door Jezus Christus.
    Het eerste bewijzen wij:
    Want het Woord Gods leert verre andere en veel meer dingen van de verdorvenheid des menschen, als wij boven gehoord hebben, dat de Remonstranten doen. Namelijk
    1. Dat de onwedergeboren mensch geheel is verdorven, geheel is een dienstknecht der zonde, ja, dat hij in de zonden dood is; Gen. 6:5; Jer. 13:23; Matth. 8:22; Matth. 7:18 ; Matth. 12:34 ; Joh. 7:25; 8:38; Rom, 6:17, 20; Ef. 2:5; enz.
    2. Dezelfde Schriftuur leert van het verstand des onwedergeborenen menschen; dat hetzelve verblind is in onwetendheid, dat het duisternis is, dat het niets ziet noch verstaat van die dingen, dewelke van God en van het Koningrijk der hemelen zijn; ja, dat hij zelfs ook zulks niet kan verstaan, maar dat hem dit alles eene dwaasheid is, gelijk deze navolgende plaatsen leeren; Rom. 1:11, 21; Joh. 1:5; Ef. 5:8; Hand. 26:18; Ef 4:17, 18, 10, 8; en 1 Cor. 2:14; 2 Cor. 3:5, en diergelijke plaatsen meer.
    3. De Schriftuur verklaart van het hart des onwedergeborenen menschen,
    Gen. 6:5. Het gedichtsel van de gedachten van het menschelijk hart is alleen boos ten allen tijde;
    Jer. 17:9. Het hart zelf is bedriegelijk boven alle dingen;
    Ef. 4:18. Uit de verharding van hunlieder hart;
    Ezech. 11:19. Ik zal het steenen hart wegnemen;
    Rom. 1:21. Hun dwaas hart is verduisterd geworden, enz.
    4. Van den wil verklaart en leert dezelve ook van gelijken, dat dezelve ongehoorzaam en wederspannig is tegen den wil Gods;
    Matth. 23. Jeruzalem! hoe dikwijls heb Ik uwe kinderen willen vergaderen, enz. en gij hebt niet gewild.
    Datzelfde wordt ook bewezen, zoo dikwijls als het Woord Gods getuigt van en klaagt over de wederspannigheid en de moedwillige ongehoorzaamheid van het wenschelijk hart. Want dat onder het hart de wil begrepen wordt, is gansch zeker en buiten allen twijfel. Want de H. Geest onderscheidt noch handelt alhier met nauwe haarklieving, gelijk in de Scholen der Filosofen geschiedt, van de machten en krachten der ziel, en van de vrijheid des wils ter weerszijden. Maar eenvoudiglijk en blootelijk leert en verklaart Hij, dat de geheele mensch, mitsgaders zijn hart en al zijne krachten inwendig en uitwendig verdorven zijn.
    Maar deze verdorvenheid en de ellende te bekennen, vanwege dezelve bedroefd te zijn, te zuchten, te dorsten, te hongeren naar de zaligheid, en diergelijke, datzelve leert Hij, dat geene werken zijn van den verdorvenen mensch, gelijk de Remonstranten zeggen, maar zegt, dat dezelve gaven zijn desgenen, die een vermorzeld hart en Geest in ons baart en schept, dat is, werken van God zelven; insgelijks van dengene, die met onuitsprekelijke zuchten voor ons bidt, dat is van den H. Geest; Rom 8:26.
    Het tweede hoofdstuk der leer der Remonstranten, vervat in de voorgaande stellingen; dat namelijk de onherborene mensch, door het rechte gebruik van het licht der natuur, meerdere gaven zoude kunnen verkrijgen, ja zelfs ook de zaligmakende kennis van het Evangelie; wordt niet alleen wederlegd in de boven verhaalde getuigenissen der Schriftuur; in dewelke geleerd wordt,

    [810]

    dat de verdorven mensch het licht der natuur nergens anders toe gebruikt, dan tot meerdere verblinding, verharding en verdoemenis; maar het strijdt en wederspreekt ook die plaatsen van het Woord Gods, dewelke de roeping en de mededeeling des Evangelies, en der zaligmakende kennis van God en Christus, alleen toeschrijven aan de eenige genade en barmhartigheid Gods;
    1 Tim. 1:9. Hij heeft ons geroepen met zijne heilige roeping, niet uit onze werken, maar uit zijn voornemen en genade, dewelke ons gegeven is voor de tijden der wereld;
    Tit. 3:3, 4, 5. Want wij waren voortijds ook onwijs, ongehoorzaam, dwalende, enz. (ziet daar dat schoone, rechte gebruik van het licht der natuur); maar nadat de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, en de liefde tot den mensch klaarlijk is verschenen, heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de rechtvaardige werken, die wij gedaan hadden, maar uit zijne barmhartigheid, enz.
    Hetzelfde wordt ook geleerd Efez. 2:4, 5; 1 Cor. 6; Matth. 4:16; Col. 2:13; Deut. 9:4, 5, 6; enz.
    Doch, gelijk deze leer der Remonstranten aan de eene zijde strijdt tegen het Woord Gods, alzoo komt dezelve aan de andere zijde overeen met de oude dwaling der Pelagianen, en brengt wederom die leering te voorschijn, dewelke eertijds zoo ernstiglijk van de Kerken Gods is verworpen en afgekeurd geweest, namelijk, dat de genade gegeven zoude worden uit verdiensten. Wij weten wel, dat de Remonstranten zich onthouden van den naam en van het woord verdienste. Maar, wat baat zulks, als de zaak en de leering, vervat zijnde in dat woord, behouden wordt?
    Onder de Kerkvaders beschrijft Bellarminus (Bellarm. lib. 2; van de genade en den vrijen wil; cap. 12) de verdienste aldus, dat het een goed is, om welks aanzien de genade aan den mensch gegeven wordt. Nu, aangezien de Remonstranten leeren, dat de mensch het licht der natuur recht kan gebruiken, en dat hij, door het rechte gebruik er van, verdere genade van God, ja, zelfs eindelijk de zaligmakende genade kan verkrijgen, hoe stellen zij dan geen verdienste, en dat de genade niet uit verdienste gegeven zoude worden?
    Nu, hoe ganschelijk deze leer der Remonstranten, ja, zelfs ook de woorden dezes Artikels, en de gansche verklaring er van, overeenkomen met de Haagsche en Jesuitische leer, is kennelijk genoeg uit het lezen van de Canones van het Concilie van Trente (ziet Ghemnicius, over het Concilie van Trente, in de plaats van den vrijen wil) aangaande deze zaak, en onder anderen ook uit de schriften van Andradius van Portugaal, die op dat Concilie geweest is, en den zin deszelven verklaard heeft. Derhalve, gelijk wij die leering van henlieden verwerpen, alzoo verwerpen wij ook mede deze leering der Remonstranten, als strijdende tegen het Woord Gods, en als ten allen tijde verworpen zijnde van de rechtgevoelende Kerken.
    In het vierde Artikel wordt wederom gehandeld van de genade Gods, en, gelijk de Remonstranten willen, bijzonderlijk van de wijze der werking zijner genade in het bekeeren van den mensch. welke wijze zij noemen wederstandelijk, dat is, gelijk zij verklaren, tegen dewelke, zoo wanneer God den mensch door zijne genade wil bekeeren, des menschen wil tegenstand kan doen, dezelve beletten, en ten eenenmaal van zich afweren; en dat het ook dikwijls geschiedt, dat hij dezelve belet en van zich afweert. Aangezien dan wederom de Remonstranten zeer breed en overvloedig de genade Gods voorstellen en aanprijzen, met eenen uitwendigen schijn van woorden, zoo is van noode, dat men uit hunne andere geschriften en boeken onderzoeke en versta, hoe zij dit verstaan en verklaren. Onder andere zijn dit hunne leeringen:
    1. Als daar al gesteld zijn alle de werkingen der genade, dewelke God tot de bekeering en wedergeboorte gebruikt; dat evenwel nochtans de bekeering alzoo in des menschen vrije macht en vrijen wil blijft, dat hij zich kan bekeeren of niet bekeeren, wedergeboren worden of niet wedergeboren worden.
    2. De mensch kan den H. Geest en God wederstaan, zoo wanneer Hij in den mensch werkt met wil en voornemen van hem te bekeeren.
    3. Wij ontkennen, dat het geloof genaamd wordt eene gave Gods, ten aanzien van eenige dadelijke instorting in ons hart, maar hetzelve wordt alzoo genaamd, ten aanzien van de macht, om daartoe te mogen komen.
    4. Het geloof en de bekeering zijn zoodanige gaven Gods, met dewelke God ons niet wil beschenken, dan door tusschenkomen van onzen wil. Want de wil Gods, door denwelken Hij ons wil bekeeren, is niet anders, dan dat God wil, dat de mensch zichzelven bekeere.

    [811]

    5. Daar zoude ook mogen onderzocht worden, of dit niet is de alleredelste werking omtrent den mensch (verstaat die bekeerd wordt), dewelke geschiedt door aanrading; en of het gevoeglijk is eenige andere manier te gebruiken omtrent den mensch, behoudens de eigenschappen der menschelijke natuur. En diensvolgens, of de werking niet krachtig genoeg zoude zijn, indien ze zoodanig ware, als die werking is, die de Satan gebruikt.
    Want wat reden is er, waarom men minder zou zeggen, dat de zedelijke aanrading alleen, dat is, die door de uiterlijke prediking en aanrading des Woords geschiedt, de natuurlijke menschen geestelijk maakt?
    6. En voorwaar, indien er eenige aanrading ware, welker reden en bewijs van zoodanige dingen genomen werd, dewelke niemand kan bedenken, noch in zijne hand heeft, dan alleen God, zoo zoude dezelve alle menschelijke en geschapene kracht te boven gaan.
    Nu, tot de bekeering wordt vereischt zoodanige kracht, dewelke alle geschapene kracht te boven gaat. Want, opdat de natuur omgekeerd moge worden, zoo is van noode, dat er iets is, wat sterker is dan dezelve, opdat ze te boven gegaan worde, en dat hetzelve bovennatuurlijk zij. En of zulks de belofte des eeuwigen levens is, dewelke geen oog gezien heeft, geen oor gehoord heeft, noch ooit in 's menschen gedachte gekomen is, kunnen diegenen oordeelen, die te eeniger tijd het goede Woord Gods, en de krachten des toekomenden levens, gesmaakt hebben. Deszelfs handeling of werking nochtans is niet onwederstandelijk.
    7. De werking of vrucht der genade hangt, naar gewone orde, aan eenige daad van den wil, als zijnde eene voorgaande voorwaarde, zonder dewelke de zaak niet geschiedt.
    8. Wij ontkennen, dat tot de bekeering des menschen aan de zijde Gods, behalve de voorkomende, opwekkende en helpende genade, van noode zij eenige bepalende genade.
    9. Wij ontkennen, dat het samengaan van den wil in Paulus eene werking of vrucht is, welke noodwendiglijk de genade volgt, alleen uit kracht van eene alles werkende oorzaak der bekeering.
    10. Ik (zeggen de Remonstranten) onderscheid mijzelven. Want aangezien ik Gode en zijne Goddelijke voor-bepaling konde wederstaan, en nochtans dezelve niet wederstaan heb, waarom zoude het mij niet geoorloofd wezen hierin, als van het mijne, te roemen ? Want dat ik gekunnen heb, dat is des ontfermenden Gods, maar dat ik gewild heb, daar ik konde niet-willen, dat moet mijnen wil toegeschreven worden.
    11. Het is zeer ongerechtig, van diegenen gehoorzaamheid af te eischen, in dewelke het werk der gehoorzaamheid door macht gewrocht zoude worden.
    Deze en diergelijke dingen, dewelke overal in de schriften der Remonstranten gevonden worden, leeren openlijk, hoe zij het vierde Artikel verstaan, en wat zij willen te kennen geven, zoo wanneer zij de wijze van werking der Goddelijke genade, in den mensch te bekeeren en te wederbaren, zeggen wederstandelijk te zijn; namelijk; zij willen niet, dat het geloof, de bekeering en de wedergeboorte des menschen toegeschreven zoude worden, eenig en alleen, aan den machtigen en krachtigen wil, het voornemen en de werking Gods, door de inwendige genade des H. Geestes (wij begrijpen ook daaronder de prediking des Woords), als eene oorzaak, die de bekeering zoude bepalen, en als eene oorzaak zoude wezen, die, aan allen gelijkelijk (opdat wij hunne woorden gebruiken) het geloof, de bekeering en de wedergeboorte verleent; maar zoo wanneer ook alle de werkingen van de krachtige genade Gods gesteld zijn, dat het nochtans evenwel alsnog blijve in het believen en den wil des menschen, zichzelven te bekeeren of niet te bekeeren, het geloof te ontvangen, wedergeboren te worden, of niet wedergeboren te worden, alzoo dat het kunnen of mogen van God is, maar het willen en het uitvoeren, of te weeg te brengen, waarlijk en metterdaad van den mensch zelven is.
    Daarom zoude ook de bekeerde en geloovige mensch reden hebben, dat hij van het zijne mag roemen, ja, dat hij vanwege het geheel, als van het zijne, mag roemen; dewijl, volgens deze leering, het geheele werk Gods, al zijn voornemen en wil, gansch te vergeefsch is, en geen vrucht kan voortbrengen, noch eenige werking uitvoeren, tenzij de mensch zelf ook wille en werke.
    Deze leering, als ongoddelijk zijnde, en daar benevens ook lasterlijk tegen God, tegen zijn wil, macht en genade, en daarenboven ook als strijdende tegen Gods Woord, verwerpen wij, en houden dezelve van ganscher harte voor gruwelijk.
    En tegen dezelve stellen wij deze leeringen, als rechtzinnig:

    [812]

    1. Ons geloof, onze bekeering en wedergeboorte hangen aan God, en worden van Hem gegeven en gewrocht, door zijnen wil, mitsgaders door zijn believen en door zijn krachtig voornemen, en door zijne genadige uitwendige werking door het Woord, en inwendige werking door den H. Geest; alzoo, dat het geloof, de bekeering en de wedergeboorte ten eenenmaal aan God hangen, als eenig en alleen de naaste, afpalende oorzaak.
    2. Alzoo ook, dat alle diegenen, dewelken God op deze manier wil bekeeren, wederbaren, en geloovig maken, onfeilbaarlijk, zekerlijk en noodwendiglijk zich bekeeren en gelooven, en ook deze hunne bekeering en wedergeboorte niet willen, noch kunnen wederstaan, dezelve beletten of afwenden.
    Deze leering bewijzen wij uit het Woord Gods, met deze navolgende getuigenissen en bewijsredenen:
    1. Aan God wordt toegeschreven, dat Hij ons hart besnijdt, opdat wij Hem lief hebben; Deut. 30;
    dat Hij zijne wet indrukt in ons verstand, en inschrijft in ons hart, alzoo dat wij Hem vreezen al onze dagen; Jer. 31, en 32;
    dat Hij een vleeschen hart ons geeft, en het steenen hart wegneemt; dat Hij eenen nieuwen geest legt in ons, opdat wij in zijne inzettingen wandelen, en zijne rechten houden; Ezech. 11, en 36;
    2 Kron. 30:12, wordt gezegd: Ook was Gods hand over de Joden, gevende hun eenerlei hart, om te doen het bevel des Konings en der Prinsen, naar het Woord des Heeren;
    Jes. 50:4, 5. De Heere, Heere, wekt mij alle morgens; Hij wekt mij het oor, om te hooren.
    De Heere, Heere, opent mij het oor, en ik ben niet wederspannig, ik wend mij niet achterwaarts, noch terug.
    2. Dezelve leer wordt bewezen uit alle die Schriftuurplaatsen, in dewelke de genade der bekeering genaamd wordt wedergeboorte, levendigmaking, nieuwe schepping; en God wordt gezegd te wederbaren, levend te maken, op te wekken van de dooden, en wederom te scheppen; gelijk Psalm 51:12; 2 Cor. 5:17; Jacob. 1:18; Joh. 3:3; en 5:25; Ef.2:5; Coloss. 2 ; enz.
    Met welke woorden geleerd wordt, dat wij in dit werk der genade, door de krachten en de macht van onzen wil en ons believen, niet meer doen of werken, dan wij in die natuurlijke werken, van onszelven te scheppen, enz. doen, of hebben kunnen doen.
    3. Dezelve bovengestelde leer wordt ook bevestigd in die plaatsen, dewelke melding maken in deze zaak van de mogendheid, van de macht, en van de sterkte Gods; Ef. 1:19, 20; Col. 2:13; 1 Thess. 1:5; 2 Thess. 1:11; 2 Petr. 1:3; uit dewelke te recht besloten wordt: Indien God in de bekeering des menschen optreedt en krachtiglijk, met eene sterkte, werkt, dat het dan ook alzoo is, dat degene, in denwelke Hij alzoo werkt, zijne macht en sterkte niet kan wederstaan, of van zich afwenden.
    Doch hier is het ook gansch dienstig en noodig, dat men gedenke hetgeen wij te voren, in de stellingen der Remonstranten, uit de Haagsche Conferentie bijgebracht hebben, in hetwelk zij verklaren, wat zij door deze mogendheid, en sterkte, en kracht Gods, verstaan; namelijk, de bijzondere kracht van die redenen, dewelke genomen worden van de belofte des eeuwigen levens en der gelukzaligheid.
    Wat is dit anders, als de gansche inwendige, dadelijke werking, en geestelijke en onmiddelijke beweging Gods, te loochenen en te verwerpen, en alleen die werking, dewelke daar is naar de wijze van eene aanrading door redenen, in de plaats te stellen?
    4. Wij bewijzen de rechtgevoelende leer, hierboven gesteld, niet deze getuigenissen der Schriftuur:
    Joh. 6:37. Al wat Mij de Vader geeft, dat zal tot Mij komen; dat is, die gegeven en bekeerd worden van God tot Christus, wederstaan die geving niet, noch kunnen dezelve wederstaan;
    en vers 45. Zoo wie van den Vader gehoord heeft en geleerd heeft, die zal tot Mij komen;
    en vs. 44, voorhenen gaande: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke;
    Col. 1:13. Die ulieden verlost beeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Rijk Zijns beminden Zoons;
    Fil. 1:20. Ulieden is gegeven in de zaak van Christus niet alleen in Hem te gelooven, maar ook voor Hem te lijden;
    Cap. 2:13. Want God is diegene, die in ulieden werkt beide, dat gij wilt en dat gij werkt, naar zijn welbehagen. Deze en diergelijke plaatsen leeren, dat de genade, door dewelke God ons bekeert en geloovigen maakt, niet alleen die is, door dewelke Hij predikt, vermaant, roept, klopt, raadt en beveelt, maar door dewelke Hij ook inwendiglijk overtuigt; door dewelke Hij opent, en maakt, dat wij zijn, hetgeen Hij beveelt, dat wij zullen zijn; door dewelke Hij alzoo trekt, dat wij loopen; niet

    [813]

    door dewelke Hij ons willen verwacht, maar door dewelke Hij in ons het willen werkt; door dewelke de grootheid van de toekomstige heerlijkheid niet alleen beloofd wordt, maar ook gegeven wordt en gehoopt wordt; niet alleen de wijsheid geopenbaard wordt, maar ook bemind wordt; door dewelke diegenen, die bekeerd worden, uit niet-willenden willenden worden; uit wederstaanden bewilligenden worden; uit tegenstrijdenden beminnenden worden; alzoo door dezelve (genade) de liefde Gods niet alleen aan ons is getoond, niet alleen gepredikt, maar ook zelfs uitgestort in onze harten door den H. Geest.
    Doch hier heeft men aan te merken eene zekere ijdele en onnutte uitvlucht, dewelke, om deze zeer waarachtige getuigenissen krachteloos te maken, van de Remonstranten bijgebracht wordt. God, zeggen zij, is diegene, die in ons werkt het willen, maar hieruit volgt niet, dat diegene, in denwelke
    God het willen werkt, niet zoude kunnen niet-willen. Maar wat is dit toch voor eene wonderbare hardnekkigheid der menschen?
    Het is wel waar, dat hij niet kan niet-willen, die wil; en het is ook van noode, dat die-gene wil, in denwelke God het willen werkt.
    En daar de mensch niet wil, daar kan ook niet gezegd worden, dat God het willen gewrocht heeft. Want het willen te werken is voorwaar anders niet dan uit één, die niet wil, maken, dat hij wil. En het is kenlijk, dat hij niet kan niet-willende zijn, die nu willende is, want al hetgeen, als het is, zoo is het noodwendig, dat het is. Derhalve, zoo is het eene tegenstrijdigheid van redenen, indien gij zegt, dat de mensch kan niet-willen, daar God het willen werkt. Nu dit is de bloote, eenvoudige en openbare zin des Apostels, dat het willen eene eigene vrucht of eene zelf veroorzaakte daad is van de werking Gods; en dat niet vanwege onzen wil, maar, gelijk de Apostel bijvoegt, naar het welbehagen, namelijk van God. Dergelijk eene uitvlucht hebben zij nog eene andere, of liever eene zoodanige, dewelke veel meer een verkeering en verdraaien van de woorden en van de Schriftuurlijke wijze van spreken is, die door de Remonstranten daarin begaan wordt. Het geloof belijden zij eene gave Gods te zijn, maar zij nemen daaruit eene uitvlucht, dat zulks gezegd wordt, niet ten aanzien van eenige instorting in onze harten, of van een dadelijke geving, maar ten aanzien van de macht, om tot hetzelve te komen, dat is, door dewelke wij vermogen het geloof te hebben, indien wij willen. En dit verklaren zij met eene gelijkenis, genomen van een bedelaar, en van een geschenk, hem aangeboden. Maar dit is zeer klaar, en ten hoogste strijdende, niet alleen tegen den zin en de wijze van spreken in de Schriftuur, maar is ook in zichzelf ongerijmd en valsch. Want hetgeen niet in wezen is, of hetgeen niet is, datzelve kan niet gezegd worden Gods gave te zijn. Het geloof wordt Gods gave gezegd, niet zoo wanneer het niet is, maar zoo wanneer het is.
    Want met recht wordt niet gezegd, dat iets gegeven wordt, of gegeven is, hetwelk diegene niet heeft, aan denwelke het gegeven wordt, of gezegd wordt gegeven te zijn. Want de gever en de ontvanger hebben altijd te gelijk een onderling aanzien en omhelzing van elkander. Alwaar dan het geloof is eene gave Gods, aldaar geeft God het geloof alzoo, dat men het heeft. Want deze gave wordt niet gezegd gegeven te zijn, waar God niet maakt, dat er geloofd wordt. Maar waar Hij maakt, dat er geloofd wordt, daar maakt Hij ook mede, dat er niet wederstaan wordt.
    5. Dat de bekeering, en zelfs ook onze gansche zaligheid niet is van onzen wil, maar van God, die dezelve krachtig werkt, leeren deze plaatsen der h. Schriftuur:
    Ef. 1:5. Welke God ons gepraedestineerd heeft, enz. naar het goedgunstige voornemen van zijnen wil; en vers 5,11. Naar het voornemen desgenen, die alles werkt of doet naar den raad zijns wils.
    De Apostel spreekt aldaar van de geestelijke gaven, en van het werk onzer zaligheid.
    Jac. 1:18. Die God, omdat Hij gewild heeft, heeft ons gebaard door het Woord der waarheid;
    Rom. 9:16. Het is niet des loopenden, noch des willenden (menschen), maar des ontfermenden Gods. Matth. 11. Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij dit verborgen hebt voor de wijzen en verstandigen, enz. Ja, Vader! want het heeft U alzoo behaagd.
    Laat ons op deze plaats, tegen de verdraaiingen der Remonstranten, kortelijk aanmerken de woorden van Fulgentius, dewelke aldus luiden; lib. 1, ad Mon. Want, zegt hij, die nederiger, die Hij de genade geeft, heeft Hij, vóór het geven van de genade, niet nederig gevonden, maar dezelven heeft Hij, met zijne genade te geven, nederig gemaakt.
    Doch indien het gevoelen en de leer der Remonstranten waarachtig is, zoo moeten alle die

    [814]

    plaatsen der Schriftuur verkeerd worden, en men moet zeggen:
    naar het voornemen en den wil des menschen;
    insgelijks:
    Het is des loopenden en des willenden menschen;
    en:
    Omdat het den mensch alzoo heeft behaagd.
    Aangezien dan uit het voorgaande blijkt, dat de bekeering, en de wedergeboorte, mitsgaders de gansche zaligheid des menschen, een werk is van den krachtigen, werkenden, machtigen, en genadigen wil, het voornemen en de genade Gods, zoo besluiten wij daaruit zeer zekerlijk en zeer waarachtiglijk, dat het werk Gods zoodanig is, dat, diegene en de wil desgenen, in denwelken en omtrent denwelken het Gode behaagt, dit zijn werk te werken en uit te richten, niet kan wederstaan, beletten en af keeren.
    De gevolgrede hiervan is, dat geen schepsel zijn macht of wil kan wederstaan; Jes. 14:27; 46, 10, 11.
    Want zoo wanneer God wil zalig maken, zoo wederstaat Hem geen wil des menschen; want het willen en het niet-willen is alzoo in de macht des willenden en niet-willenden, dat het den Goddelijken wil niet verhindert, noch zijne macht te boven gaat.
    En dit is hetgeen, hetwelk die getrouwe en gezegende dienstknecht van God en van Jezus Christus, van zaliger en Godvruchtiger gedachtenis, Johan. Calvijn, lib. 2. Institut. cap. 13, § 10, met weinige woorden verklaart. God, zegt hij, beweegt den wil, niet gelijk in vele eeuwen geleerd en geloofd is, dat het daarna aan onze verkiezing bestaat, de beweging of te gehoorzamen of te wederstaan; maar door krachtiglijk denzelven te bewegen, te weten, alzoo, dat hij dengene, die hem beweegt, volgt en gelooft.
    6. Eindelijk bevestigen wij daarenboven de voorgaande leer met deze zeer klare en onwedersprekelijke plaatsen der Schriftuur;
    1 Cor. 4:7. Wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt?
    Rom. 11:35. Wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem vergolden worden.
    Joh. 3:27. De mensch kan niet ontvangen, tenzij het hem gegeven zij van den Hemel.
    Joh. 15:5. Zonder Mij kunt niets doen.
    Rom. 11:6. Indien het uit genade is, zoo is het nu niet uit de werken, anderszins zou de genade nu geene genade zijn. En indien het uit de werken is, zoo is het nu niet uit genade.
    Anderszins zoude het werk nu geen werk zijn; dat is, de genade zal geene genade wezen op eenigerlei wijze, indien ze niet genadig is op allerlei wijze. Derhalve, zoo heeft men alhier geene deeling te maken tusschen God en des menschen wil, of de vrije toestemming van den wil; maar in het geheel moet men alles aan God toeschrijven. Daar moet niet gezegd worden, dat Hij of medewerkt met ons, of wij met Hem; maar Hij moet gezegd worden alles te werken in allen.

    En zulks heeft waarachtiglijk en Godvruchtiglijk uitgedrukt Lactantius, lib. 1, cap. 11, van de valsche Religie, veranderende den naam van Jupiter, dat is, van den valschen God, in Jehova, dat is, in den naam des waren Gods. Cicero verklaart, zegt hij, Jupiter en Juno genoemd te zijn a juvando, dat is, van helpen, en dat Jupiter even zooveel gezegd is, als juvans Pater, dat is, de helpende Vader; maar deze naam voegt geenszins aan God; want helpen is het werk van eenen mensch, die eenige hulp aan iemand doet, dewelke aan eenige weldaad gebrek heeft. Niemand bidt alzoo God, dat Hij hem helpe, maar dat Hij hem beware, en dat Hij hem geve het leve en de zaligheid.; hetwelk veel meer en grooter is, dan te helpen. En aangezien wij van den Vader spreken, zegt Lactantius, van geen vader wordt gezegd, dat hij zijne kinderen helpt, zoo wanneer hij hen teelt of opvoedt, want dat woord is veel te min en licht, dan dat door dat woord de grootheid der vaderlijke weldaad zoude uitgedrukt worden. Hoe veel te meer is zulks ongevoegelijk voor God, die de waarachtige Vader is, door denwelke wij zijn, en wiens wij geheel zijn; van denwelke wij gemaakt worden, de ziel ontvangen, en verlicht worden; die ons het leven deelachtig maakt, de zaligheid geeft, enz.
    Eindelijk besluit hij aldus:
    Diegene verstaat niet de Goddelijke weldaden, die alleenlijk meent, dat hij van God geholpen wordt.
    Wij voegen daarbij:
    dat een zoodanige God lastert, en zijne weldaden loochent, die daar meent, dat God van hem geholpen wordt.
    En dit is dat medewerken van onzen vrijen wil, namelijk, dat vermogen van onzen wil, door hetwelk wij God kunnen wederstaan, en als hetzelve God niet wederstaat, zoo wordt de daad en het werk Gods volbracht, hetwelk anderszins te vergeefs zal zijn, tenzij onze wil daarin bewilligt, volgens de leer der Remonstranten.
    Nademaal dan deze dingen alzoo zijn, zoo oordeelen wij, dat deze leer der Remonstranten geput is uit de poelen van Pelagius, van de Pauselijke Schoolleeraars, en van de Jesuiten, en dat dezelve vreemd is

    [815]

    van de leer der Godvruchtigheid, geopenbaard in het Woord Gods, en tot nu toe geleerd en gepredikt in de Algemeene en rechtgevoelende Kerke Gods. Ja, opdat wij dit ook hierbij voegen, wij zeggen, dat deze hunne leer niet vreemd is van het gevoelen van den Heidenschen Cicero; want deze (volgens het getuigenis van eenige geloofswaardige Schrijvers), meenende, dat de Goddelijke voorwetendheid niet konde overeenkomen, met de gevallen der fortuin, en met den vrijen wil des menschen, heeft, opdat hij de menschelijke zaken meerder en beter gedienstigheid en voordeel zoude kunnen doen, den vrijen wil aangenomen, verloochenende de voorwetendheid. Want, zeide Cicero, indien de zaken aldus staan, zoo wordt 's menschen leven omgekeerd; te vergeefs worden er te werk gesteld prijzingen, bestraffingen (zijn dit niet de woorden der Remonstranten), vermaningen. En er is geene gerechtigheid; ook kunnen er geene belooningen noch vereeringen gesteld zijn voor de goeden, noch straffen voor de kwaden. Dusverre Cicero.
    Maar, laat ons hierover hooren het oordeel van Augustinus.
    Welke Cicero (zegt Augustinus), als hij de menschen vrij heeft willen maken, heeft hij dezelve gemaakt schenders van het heilige.
    Nu, of deze schending van het heilige niet mede heden ten dage begaan wordt van die Remonstranten, dewelken zich niet schamen de menschen alzoo vrij te maken, dat ze schrijven, zelfs in het midden van het Gereformeerde Christendom: 's menschen wil kan tot zijn werkingen door geene onwederstandelijke beweging bepaald worden, ja, zelfs niet van God;
    dat-zelve geven wij allen Godvruchtigen en geleerden verstanden, en voornamelijk deze eerwaardige Synode, te oordeelen en te bedenken.
    Wij ondertusschen, eindigende met den Profeet en Koning David, roepen uit met geheeler en het binnenste van ons hart, en spreken van de geestelijke goederen, hetgeen hij zeide van de lichamelijke; 1 Kron. 29:14. Wie ben ik, of wie is mijn volk, o Heere! dat wij de kracht zouden vermogen, om vrijwillig zulks te geven, gelijk dit is; want van U is het alles gekomen, en van uwe hand hebben wij het U gegeven.
    Van God zijn dan de gaven, van God is de macht en de wil, om te geven. Alles is uit Hem, door Hein en in Hem. Hem zij eere en prijs in der eeuwigheid, Amen!
                                             __________________