|
Titelpagina en voorreden
Zitting 1-25
Zitting 26-50
Zitting 51-75
Zitting 76-100
Zitting 101-125
Zitting 126-150
Zitting 101-125
Zitting 126-150
zitting 151-154
zitting 36
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Vijfde Artikel
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
Na-handelingen Nationale Synode
zitting 155 t/m 180
inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
|
Het Oordeel der Gedeputeerden van de synode der Stad Groningen en Ommelanden |
VAN HET EERSTE ARTIKEL DER REMONSTRANTEN, HETWELK IS: VAN DE PRAEDESTINATIE.
HET OORDEEL DER GEDEPUTEERDEN VAN DE SYNODE DER STAD GRONINGEN EN OMMELANDEN.
I.
Wij gelooven, dat de a verkiezing of b praedestinatie tot het leven, zij een c eeuwig en d onbeweeglijk e besluit Gods, door hetwelk Hij naar het f loutere welbehagen zijns willens g eer's werelds grond gelegd was, besloten heeft, uit het h verdorven menschelijk geslacht, i eenige zekere menschen, k welker bepaalde getal Hij weet, l zonder aanmerking van het voorgezien geloof, of eenige goede hoedanigheid m in Christus ter zaligheid te verkiezen, en te dien einde aan diezelve n uitverkorenen Christus tot een Middelaar te geven, en door zekere en van Hem beslotene middelen, dat is, door de krachtige o roeping, en alzoo door het p geloof in Jezus Christus, door de q rechtvaardigmaking en r heiligmaking, tot s prijs zijner heerlijke genade t zalig te maken en te verheerlijken; en dat dit het geheele besluit zij der Goddelijke praedestinatie tot de zaligheid. a Matth. 20:16; Joh. 13, vs. 18; Rom. 8:33; Ef. 1: 4; 1 Pet. 1, vs. 10. b Rom. 8: 29, 30; Ef. 1:5. c Ef, 1:4; 2 Tim. 1 vs. 9. d Ef. 14:27; en 46:10; Rom. 9:6; en 11, vs. 29. e Rom. 8:28; en 2:11; Ef. 1: 11; 2 Tim. 1:9. f Matth. 11:26; Luc. 12: 13; Ef. 1:5, 9, 11; Rom. 9:15, 18; en 11: 5. g Ef. 1:4; 2 Tim. 1:9. h Rom. 9:18, en vs 23. i Matth. 20:16; Rom, 9:18; Matth. 25:34. Rom. 11:7. k Luc. 10 |
I.
Daarentegen oordeelen wij, dat de wil Gods van zalig te maken de geloovigen en die in het geloof en in de gehoorzaamheid er van volharden, niet zij het geheele besluit der praedestinatie tot de zaligheid, maar dat het slechts zij zijn wil van de uitvoering van hetzelve besluit, welke wil genaamd wordt eene uitvloeiende werking Gods. De reden hiervan is klaar. Want in de leer der praedestinatie zijn aan te merken het besluit zelf, en de uitvoering des besluits. Het besluit zelf is de eeuwige wil Gods, door denwelken Hij naar zijn louter welbehagen besloten heeft, zekere menschen, in dezelfde ellende en onwaardigheid met de anderen staande; Ef. 2: 3, 5; niet alleen te zijner tijd door Christus zalig te maken, maar ook te roepen, het geloof te geven, te rechtvaardigen, en door den H. Geest te vernieuwen. Naardien dit alles in dit Artikel nagelaten is, zoo is het dat hetzelve voorwaar niet vervat het gansche besluit der praedestinatie. De uitvoering des besluits geschiedt door zekere en van God beslotene en van te voren verordineerde middelen, Rom. 8:18, namelijk door de krachtige roeping; 1 Tim.1:9; 1Cor.1:21; en alzoo door het geloof in Jezus Christus; Joh.3:16. 36; 20; | [676]
vs. 20; Openb. 21:27; Joh. 10:3, 14; 2 Tim. 2:19. l Matth. 11:26; Luc. 12:32; Ef. 1: 5, 9, 11; 2 Tim. 1:9; Ezech. 16:6; Ef. 2: 3, 5; Tit. 3:3, 4, 5. m Ef. 1:4: 2 Tim. 1: 9. n Jes. 42:7; en 49:6; en 61:1, 2, 3; Joh. 3:16; Col. 1:19; Joh. 17, vs. 6, 12, 13. o Joh. 6:44; Rom. 1:16; en 8:29; 2 Tim. 1:9; 1 Cor. 1:21. p Joh. 3:16, 36; Hand. 13:39; Rom. 1:16, en 10:9, 10, 11, en 4:2, 3; en 5:1, 2; Ef. 2:8; Fil. 3:9; 1 Joh. 5: 1, 4, 5. q 1. Cor. 6:11; Rom. 8: 28; en 5:1; 2 Cor. 5:2; Rom. 3:24; 1 Cor. 1:30; en 6:1; Ef. 2:10; 1 Pet. 1:2, 3. s Ef. 1:6, 11. r 1 Cor. 1:31. t Joh. 6:39, 40; en 3:16; en 5:24; en 10:28; Rom. 8: 2; Joh. 17:24; Fil. 3:21: 1 Joh. 3, vs. 3; 1 Ef. 4:17. |
Hand. 13:39; door de rechtvaardigmaking; Rom. 3:22, 23. 24, 2 Cor. 5:21; en door de heiligmaking; Ef. 1:4; en 2. 10; 1 Pet. 1:2, en 3. Aangezien dan de Remonstranten in dit eerste Artikel handelen van de menschen zalig te maken door het geloof, zoo blijkt het genoegzaam, dat eigenlijk zalig maken door het geloof niet moet uitgestrekt worden tot het besluit, maar tot de uitvoering des besluits, of tot de middelen der uitvoering door de roeping en rechtvaardig-making, dat is, tot die middelen, in dewelke het geloof eigenlijk plaats heeft. Het geloof ziet op de genadige beloften des Evangelies in Christus; want naar het getuigenis des Apostels, zoo hebben het geloof en de beloften betrekking op elkander; Rom. 4:20, 21; Gal. 3, vs. 14, 22. Dewijl de beloften niet voorhenen gaan voor de verkiezing (want de verkiezing is van eeuwigheid, alleen naar het welbehagen Gods), maar indertijd, of in dit leven, zoo wanneer door de middelen der uitvoering het besluit Gods tot de dadelijke uitvoering in het werk gesteld wordt, geschieden, en in Christus ook zijn ja en Amen; 2 Cor. 1 vs. 20; zoo volgt daaruit, dat dit zalig maken door het geloof, behoort tot de uitvoering door de roeping en rechtvaardigmaking, en diensvolgens, dat deze wil van de geloovigen zalig te maken niet zij, of niet bevat, het geheele besluit der praedestinatie. |
II.
Wij gelooven, dat er zij eene eenige verkiezing van alle de uitverkorenen in het Oude en Nieuwe Testament, door dewelke God van eeuwigheid, met ééne en dezelfde allerenkelste daad, zekere menschen geordineerd heeft tot de zaligheid, en tot de middelen, die geordineerd zijn tot bevordering der zaligheid; welke menschen op zichzelven wel velen zijn; Matth. 8:11; Rom. 5:19; Openb. 7:9; maar, vergeleken zijnde bij de verworpenen zijn ze weinig; Matth. 20:16; Luc: 12:32; Rom. 9:27; welke alleen en met de anderen, Gode als de zijnen bekend zijn; Joh. 14:3, 14; Luc. 10:20; welke alleen van Christus verlost zijn, Joh. 6:37, 45; Hand. 13:48; Tit. 1:1; welke alleen krachtiglijk geroepen worden, gerechtvaardigd worden, verheerlijkt worden; Rom. 8:30; welke, eindelijk, alleen beide zekerlijk en onfeilbaarlijk de zaligheid verkrijgen; Rom. 11, vs. 7. |
II.
Daarentegen ontkennen wij, dat de verkiezing ter zaligheid zij velerlei, namelijk onbepaald en bepaald, algemeen en particulier of bijzonder; en dezelve wederom niet ten volle vervuld en ten volle vervuld; niet ten einde toe en ten einde toe, en oordeelen wijders, dat deze menigvuldigheid der raden en besluiten ten hoogste vreemd zij van Gods natuur en Woord. Want daar is een Jehova, dat is, een eenig, allerenkelst en allervolmaakt wezen, en door zijn eenig en eeuwig besluit wordt alles vervat, hetgeen Hij wil. Daarom ook stelt de H. Geest ons hetzelve in zijn Woord in het enkelvoudig getal voor; Psalm. 33: 11; Jes. 46:10; Joh. 6:39, 40; Ef. 1, vs. 5, en 11; naar den raad zijns wils.
| [677]
III.
Wij gelooven, dat de oorzaak der verkiezing zij het loutere welbehagen Gods, en dat het geloof, de bekeering, en de loop des geheelen Evangelies, en de volharding, gelijk ook de roeping, rechtvaardigmaking en heiligmaking, vruchten en voortvloeiende werken zijn van de verkiezing tot de zaligheid, en tot de middelen, geordineerd tot de voltrekking der zaligheid. |
III.
Daarentegen oordeelen wij, dat de Remonstranten tegen de h. Schriftuur leeren, dat het geloof en de bekeering zij eene oorzaak, zonder dewelke de verkiezing niet is, of eene voorwaarde, van te voren in het verkiezen vereischt, en van God gevorderd; zoo deze volbracht is volgt daarop niet alleen de zaligheid, maar ook zelfs het willen en ordineeren tot de zaligheid. | Want nergens wordt daar in de heilige Schrifturen gelezen, dat er ooit of eenig mensch of eenig volk van God om den wille des geloofs verkoren zij, of door het geloof verkoren werd; maar het tegendeel leest men Deut. 7:8, 9; Ezech. 16. En daar wordt in het Woord Gods geleerd, 1 dat alleen de eenige oorzaak der verkiezing zij het eenige welbehagen Gods; Ef. 1:5. 12; Matth. 11:26; het voornemen Gods; Rom. 8:28, en 6:11; 2 Tim. 1:9; de raad des wils; Ef. 1:11; de genade en barmhartigheid; Deut. 10:15; Rom. 9:15; 2 Tim. 1:9. Waarom ook de Apostel dezen raad Gods of dit besluit noemt eene genadige verkiezing; Rom. 11. 5; en de uitverkoren vaten der barmhartigheid, Rom. 9. 23; en zegt, dat wij verkoren zijn tot prijs zijner heerlijke genade; Ef. 1:6, 12; en dat de verkiezing niet zij, noch uit het geloof, noch uit de voorgeziene werken des Evangelies, blijkt aldus;
niet uit het voorgeziene geloof.
1. Want wij zijn verkoren, opdat wij zouden gelooven, en wij gelooven niet, opdat wij zouden verkoren worden, want de roeping en het geloof gaan niet voorhenen voor de verkiezing, maar volgen dezelve, Rom. 8:29, Et. 1: 48; Hand. 3: 4. 2. Het geloof is niet eeuwig, maar is altijd in zijn eigen subject of stof, namelijk in de geloovigen, en dat indertijd, en als een werk, uit de verkiezing zijn oorsprong nemende, Hand. 13: 48. Derhalve kan hetzelve geene oorzaak zijn van een eeuwig besluit. Want hetgeen tijdelijk is, kan geene oorzaak zijn van eenige zaak, die eeuwig is. 3. Het geloof is een gave Gods, Fil. 1:29; Rom.12:3; Ef. 2:8. Zoo is het dan geene oorzaak, dewelke God bewogen heeft om te verkiezen.
Niet uit de voorgeziene werken des Evangelies
1. Paulus sluit alle werken uit van de oorzaken der zaligheid en der verkiezing; Rom. 9:11, 12. Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, hetwelk is naar zijne verkiezing, niet uit de werken, maar uit den roepende, vast bleve, zoo is tot haar gezegd, enz. AIzoo ook 2 Tim. 1:9; Tit. 3:5. 2. Onze werken zijn het einde der verkiezing, en zijn zoodanige zaken, die door de verkiezing veroorzaakt worden; want wij zijn verkoren, opdat wij heilig zouden zijn; Ef. 1, vs. 4. Onze werken zijn van tevoren bereid, opdat wij daarin zouden wandelen; Ef. 2:10. Nu, de werkende oorzaak kan nimmermeer in aanzien van orde des tijds achter die zaak wezen, dewelke door dezelve gewrocht of veroorzaakt is. Maar de werken zijn in aanzien van orde des tijds achter de verkiezing. Want de werken worden gedaan indertijd, en de verkiezing is eeuwig; zoo mag dan daar geene andere oorzaak der verkiezing wezen, dan die eeuwig is, dewelke in God is, namelijk het welbehagen zijns willens. 3. De werken zijn geen oorzaak der roeping; 2 Tim. 1:9; noch der rechtvaardigmaking, enz; Rom. 3: 20; Gal. 2:16; Tit. 3:5. Ja, ten dien einde heeft Christus zichzelven voor ons gegeven, opdat Hij zichzelven zoude reinigen een eigen volk, hetwelk vurig ware tot goede werken; Tit 2:14. Veel minder dan zijn ze de oorzaak der verkiezing. Derhalve, in het gemeen is het zeker, dat het geloof en de vruchten des geloofs voortkomen uit de verkiezing; Hand 13. 48; Joh. 6:37; Rom. 8, vs. 29, 30; Ef. 1:4, 5, 13; 2 Tim 1:9; En dat de genade der verkiezing ons geschied is, opdat wij geloovigen zouden zijn, en niet het tegenovergestelde; 1 Cor. 7:5. Derhalve het geloof en de gehoorzaamheid des geloofs, is eene weldaad der verkiezing, en niet het beweegmiddel desgenen, dewelke verkiest; want anders zoude God niet het eerste beginsel onzer zaligheid kunnen zijn;
[678]
insgelijks zoude de verkiezing niet genadig kunnen wezen; Rom. 11:6. Ja, niemand zoude er uitverkoren zijn, overmits in niemand het geloof en de gehoorzaamheid des geloofs van nature is; en ook kan niemand gelooven, noch ook de vruchten des geloofs voortbrengen, tenzij hem zulks gegeven zij; Joh. 6:44, 45; Joh. 15:5; Fil. 1:29; Ezech. 36:27. En aangezien de Remonstranten door dat loof ('t welk zij zeggen te zijn eene voorwaarde, of eene zekere vereischte zaak, voorhenen gaande voor de verkiezing) eigenlijk verstaan de volbrachte Evangelische gehoorzaamheid zelve, dat is, het geloof, de boetvaardigheid, de gehoorzaamheid des nieuwen verbonds, en de volharding tot het uiterste einde huns levens, zoo zoude daaruit moeten volgen, dat er niemand inderdaad verkoren is, zoo lang hij in het leven is, en diensvolgens, dat die uitverkorenen moeten genaamd worden niet die geloovigen zijn, maar die zoodanigen geweest zijn; ja, dat het ook zoude kunnen geschieden, dat er niemand van alle diegenen, die nu leven, verkoren en zalig zouden worden.
IV.
Wij gelooven, dat de oorzaak der verkiezing, beide tot de zaligheid en tot het geloof, zij het loutere welbehagen Gods, dooor hetwelk Hij, niemand iets schuldig zijnde, door zijn vrijen, enkelen en genadigen wil besloten heeft zich over dezen vóór dien te ontfermen, en in Christus dezen vóór dien het geloof en de heiligheid ter zaligheid te geven.
|
IV.
Hiertegenover oordeelen wij, dat de Remonstranten in eene groote doling zijn, als zij gevoelen, dat in het verkiezen tot het geloof van te voren vereischt worden andere voorwaarden, als namelijk, dat de mensch zijne zonden uit de wet bekenne, en van wege dezelve berouw en leedwezen hebbe; Johannes Arnold. tegen Tilenus, pag. 56, lin. 20; dat hij ook vroom zij, ootmoedig en tot het eeuwige leven geschikt; Episcop. in Thess. privatis disp. 15, Thess. 7, 8, pag. 45; Grevinchovius tegen Amesius, pag. 117, enz. | REDENEN.
Want zoodanige hoedanigheid, geschiktheid of bekwaamheid, door dewelke diegenen wie het geloof gegeven wordt, waardigerer zijn dan diegenen, denwelken God met deze genade niet verwaardigt, kent de h.Schriftuur niet in den gevallenen mensch voor de krachtige roeping; maar zij betuigt schier op ontallijke plaatsen, dat in den mensch na den val gansch en gaar geene kracht overgebleven zij, door dewelke hij Gode, als deze hem tot zich roept, zoude kunnen antwoorden, of Hem, als Hij zijne zaligheid voorstelde, eenige toestemming zoude kunnen doen, dewijl hij zoodanig is, dat hij niet verstaat die dingen, die des Geestes Gods zijn; 1 Cor. 2:14. En al is het, dat hij het natuurlijker wijze verstaat, zoo kan hij zulks nochtans niet aannemen, omdat hij het voor dwaas oordeelt; 1 Cor.1:23, en 2:14; omdat hij onbekwaam is om eenig goed te denken; 2 Cor. 3; omdat zijn verstand eene vijanschap is tegen God; Rom. 8. Want hetzelve brengt alleenlijk voort werken des vleesches en kwade vruchten des doods; Rom. 7:5; Matth. 7; en noch hij noch zijne werken kunnen Gode behagen; Rom. 14:23; Hebr. 11:6. Daarentegen leert de Schriftuur ons, dat al het goed, hetwelk in ons is, uit de verkiezing is; Rom. 8:29, 30; Ef. 2:8, 9, 10; en dat men hetzelve aan de genade Gods hebbe toe te schrijven; 1 Cor. 15:10; die in ons werkt het willen en het volbrengen; Fíl. 2:13; zonder dewelke wij niets vermogen; Joh. 15:5; En wij hebben niets goeds, hetwelk wij van Hem niet ontvangen hebben; 1 Cor. 4:7; zoodat al hetgeen, hetwelk den uitverkorenen noodig is om de zaligheid te verkrijgen, van deze gestadig loopende fontein der genade, en geenszins uit de modderige beroerde poelen van den vrijen wil is voortvloeiende; en voorts, dat er geene geschiktheid of bekwaamheid in ons zij ten eeuwigen leven, dewelke niet hieruit veroorzaakt wordt, en dewelke niet een gevolg er van zij, en diensvolgens niet kan zijn eene voorwaarde, van te voren tot het geloof vereischt. Want het voorzien er van is in orde naar den wil desgenen, die besloten heeft dezelve te werken. Want Hij zoude hetzelve niet voorzien, ten ware Hij hetzelve besloten had te werken.
[679]
Want anders zoude het geloof zijn, ten minste ten deele, uit ons, tegen die spreuk van Paulus Ef 2:8; Fil. 1:29; Rom. 12:3. En het beginsel der zaligheid zoude van diegenen wezen, die zalig gemaakt worden, en niet van God, die zalig makende is.
V.
Wij gelooven, dat de verkiezing ter zaligheid onveranderlijk zij, en dat dezelve door geene gebrekkelijkheden, struikelingen of ook zware vallen kunnen doorbroken of afgebroken worden.
|
V.
Daarentegen oordeelen wij dit tegen Gods Woord strijdig te zijn, als er gezegd wordt, dat het besluit der verkiezing ter zaligheid zij veranderlijk, en dat hetzelve door de apostasie of afval der uitverkorenen kan verbroken en wederroepen worden, en dat de uitverkorenen somtijds kunnen overgaan tot het getal der verworpenen. | REDENEN.
De waarheid van onze leer, en de valschheid van de tegenleer, blijkt uit klare spreuken der h. Schriftuur, handelende beide van het besluit der verkiezing, als ook van de uitverkorenen zelven. Aangaande het besluit, datzelve wordt gezegd te zijn eeuwig en onveranderlijk. Eeuwig, niet alleen, omdat het is van eeuwigheid, Ef. 1, vs. 4; 2 Tim. 1:9; 2 Ef. 2:13, maar overmits het ook in der eeuwigheid zal duren; Hos. 2:18; Jer. 32:39, 40; Joh. 10:28. Het is onveranderlijk, omdat het eeuwig is, gelijk wij bewezen hebben, en omdat het volstrekt is, want daar is niets buiten God geweest, door hetwelk Hij bewogen is of zoude kunnen bewogen worden; want hier is geen aanzien op eenige waardigheid, werk of hoedanigheid in de menschen. Want nademaal zij allen even gelijk zondaren zijn, en diensvolgens onwaardig het eeuwige leven, en daarentegen waardig de eeuwige straf; Ef. 2:3; zoo is het, dat God, naar zijn voornemen, en naar zijn welbehagen, uit het gemeene, verdorvene menschelijk geslacht deze verkoren heeft, en die verworpen heeft, zich over deze ontfermt, en zich over die niet ontfermt; Rom. 9:15, 18. Want Hij werkt alles naar den raad zijns wils; Ef. 1, vs. 53:11. Derhalve is het volstrekt, omdat het is zonder voorwaarde van eenige hoedanigheid. En het is daarom zonder eenige voorwaarde, omdat het genadig is; Ef. 1:6; 2 Tim. 1:9. Want genade en voorwaarde van eenige geziene hoedanigheid of werken, kunnen te zamen niet bestaan; Rom. 11, vs. 6. Nu, de onveranderlijkheid van het besluit Gods, zooveel de verkiezing belangt, wordt in de h. Schriftuur bevestigd beide in 't gemeen en in 't bizonder. In 't gemeen; Num, 23:19; 1 Sam. 15: 29. De Held in Israel liegt niet, en het berouwt Hem niet, want Hij is niet een mensch, dat Hem iets berouwe. Jes. 14:27. De Heere der Heirkrachten heeft besloten, en wie kan het te niet doen? Jes. 46:10. Mijn raad zal bestaan, en al mijn wil zal geschieden. In 't bizonder, Rom. 9, vs. 6. Het is niet mogelijk, dat het Woord Gods uitvalle. En vs. 11. Opdat het voornemen Gods, hetwelk is naar de verkiezing, niet uit de werken, maar uit den roepende, vast bleve. Rom. 11:29. De gaven en roeping Gods kunnen Hem niet berouwen. Derhalve zoo is de verkiezing onveranderlijk. Aangaande de uitverkorenen, daarvan spreekt God aldus in zijn Woord, Ps, 37:28. Hij zal zijne heiligen niet verlaten, in der eeuwigheid zullen zij behouden zijn. Jes. 41, vs. 10, 13, 17; Jes. 45:17, Israel is zalig gemaakt in den Heere met eene eeuwige zaligheid; gij zult niet te schande worden, gij zult beschaamd staan van eeuwigheid tot eeuwigheid. Jes. 46:3, 4, hoort Mij, gij van den huize Jakobs, gij, die van Mij in den lijve gedragen wordt, en Mij in de moeder ligt, ja Ik wil u dragen tot in den ouderdom, en totdat gij grauw wordt; Ik wil het doen; Ik wil heffen; Ik wil dragen en zalig maken. Jes. 94:15. Kan eene vrouw haar kind vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars buiks? En zoo zij denzelven vergeet, zoo zal Ik nochtans uwer niet vergeten, ziet in de handen heb Ik u geteekend; uwe muren zijn altijd voor mijne oogen. Alzoo des. 51: 6; en 56: 5,Jer. 32, vs. 40. En Ik wil een eeuwig verbond met hen maken, en wil niet aflaten hen wel te doen, en hem mijne vreeze in
[680]
het hart geven, dat zij niet van Mij wijken. Matth. 7:25.Het huis is niet gevallen, want het was getimmerd op eene steenrots. Matth. 16:18. De poorten der hel zullen hetzelve niet overweldigen. Joh. 8:35. De Zoon blijft in der eeuwigheid, namelijk in het huis. Joh.10:28. Ik geef hunlieden het eeuwige leven, en zij zullen in der eeuwigheid niet vergaan, en niemand zal ze uit mijne handen grijpen. Rom. 8:30. Geen schepsel kan ons scheiden van de liefde Gods, dewelke is in Jezus Christus, onzen Heere. 1 Cor. 1:8. God zal u ook bevestigen tot den einde toe, opdat gij onstraffelijk zijt in den dag onzes Heeren Jezus Christus. 1 Petr, 1:5. In de kracht Gods door het geloof worden wij bewaard ter zaligheid, die bereid is om ter laatster tijd geopenbaard te worden. Dat derhalve de verkiezing ter zaligheid onveranderlijk zij, blijkt nu genoegzaam uit deze bovenverhaalde spreuken der Schriftuur. Het is wel waar, dat de uitverkorenen zwaarlijk zondigen, of uit onwetendheid; Ps. 12, of uit zwakheid des vleesches, gelijk David, of uit vreeze van zwarigheden, gelijk Abraham en gelijk Petrus; evenwel in die zware vallen wordt niet de verkiezing verbroken, want het zaad Gods blijft in henlieden; 1 Joh. 3:9. Want de Heere ondersteunt hem de hand; Ps 37:24. Zij worden verbeterd en staan wederom op; gelijk te zien is in David, Petrus, enz. Zoo blijkt dan, dat de verkiezing onveranderlijk zij.
VI.
Wij gelooven, dat de uitverkorenen in dit leven, aangaande deze genadige en onbegrijpelijke weldaad, van God verzekerd worden. |
VI.
Daarentegen oordeelen wij, dat de Remonstranten tegen de Schriftuur leeren, zoo wanneer zij zeggen, dat God in dit leven de uitverkorenen van hunne verkiezing twijfelachtig en onzeker laat. | REDENEN.
Want het Evangelie verklaart, dat de ware geloovigen een zeker en vast vertrouwen πλήροφορίαυ hebben, en dat deels uit het inwendige getuigenis des H. Geestes, en deels uit de werkingen van Hem in ons. Uit het getuigenis des H. Geestes, met hetwelk zij verzegeld zijn tot den dag hunner verlossing, en door hetwelk zij die genadige weldaden weten, die God zijne uitverkorenen aangedaan heeft; 1 Cor. 2:12. Van dit getuigenis betuigt Paulus aldus: Romein 8: 15: Gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door hetwelk wij roepen: Abba, dat is, Vader! 2 Cor. 1:21, 22. Die ons met u versterkt in Christus, en die ons gezalfd heeft, is God, die ons ook verzegeld heeft, en het onderpand des Geestes ons gegeven heeft in onze harten; Ef. 1:13, 14. Gij zijt verzegeld met den H. Geest der belofte, dewelke het pand onzer erve is; en eindelijk Rom. 8:16. Dezelve Geest betuigt mede met onzen Geest, dat wij kinderen Gods zijn, en dat niet voor eenen zekeren tijd, maar, zegt Paulus; Ef. 1:14; totdat wij in de vrijheid toegeëigend zijn tot prijs zijner heerlijkheid; en Johannes: de zalving, die gij van Hem ontvangen hebt, blijft in ulieden; 1 Joh. 2:27. Uit de werkingen; want deze Geest, zooveel de trappen aangaat, werkt alle dingen in ons. Zooveel belangt de roeping: Deze, die daar is de Geest der wijsheid, des verstands en des raads; Jes. 11:2; verlicht de oogen onzes verstands, opdat wij mogen weten, welke die hope der roeping zij; Ef. 1:17, 18; dewelke de Geest des geloofs is; 2 Cor. 4, vs. 13; Hij werkt in ons het ware geloof in Jezus Christus. Want niemand kan zeggen, dat Jezus de Heere zij, dan door den H. Geest; 1 Cor. 12:3. Door Hem worden wij zeker van de inwoning van Christus in ons; door Hem hebben wij een zeker zegel, door hetwelk wij bekennen, dat wij in denzelven onzen Heere Jezus Christus verkoren zijn tot het eeuwige leven. Daarom zegt Paulus, 2 Cor. 13:5: Onderzoekt uzelven, of gij in het geloof zijt; beproeft uzelven; of erkent gij uzelven niet, namelijk, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij verwerpelijk zijt. En 1 Joh. 5, vs. 10. Wie daar gelooft in den Zone Gods, die heeft dat getuigenis in zichzelven; wie Gode niet gelooft, die heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, overmits hij niet geloofd heeft dat getuigenis, hetwelk God getuigd heeft van
[681]
zijnen Zoon. En dit is het getuigenis, namelijk dat God ons het eeuwige leven gegeven heeft. En dit leven is in zijnen Zoon. Zooveel aangaat de rechtvaardigmaking; door den Geest onzes Gods zijn wij gewasschen en gerechtvaardigd; 1 Cor. 6:11; deze zelfde Geest, die daar is de Geest der genade; Zach. 12:10; giet uit in onze harten de liefde Gods; Rom. 5:5; dat is, verzegelt in onze harten, dat wij geliefd worden van onzen God. Derhalve, deze Geest der aanneming tot kinderen getuigt waarlijk en onfeilbaarlijk, dat wij kinderen Gods zijn; Rom. 8:15, 16. En deze zelfde Geest is ook de olie der verheuging; Hebr. 1:9; die ons vervult met alle blijdschap en vrede, opdat wij overvloedig in hope zijn door zijne kracht; Rom. 15:13; daarom is het ook tot de Rom. Hfst. 5:1, 2; gerechtvaardigd zijnde uit den geloove enz. Eindelijk, deze is de ware Vertrooster; Joh. 15:16; en 16:26. Hij komt onze zwakheden te hulp, en bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchten; Rom. 8:26; en maakt, dat wij in verdrukkingen vervuld worden met vertroosting; Hand. 9:31; en dat wij roemen; Rom. 5:3.
Nopens de heiligmaking; dezelfde is de Geest der heiligmaking; Rom. 1:4; Hij wederbaart en heiligt ons; Joh. 3:5, 8; 1 Cor. 6:1; Hij doodt de werken des lichaams; Rom. 8:13; en maakt, dat wij in de geboden Gods wandelen; Ezech. 36:27; waarom de geloovigen uit die vruchten bekennen, dat zij kinderen Gods of uitverkorenen zijn; want zoovelen als er door den Geest Gods geleid worden, dezelven zijn kinderen Gods; Rom. 8:14. En hierom vermaant Petrus; 2 Petr. 1:10; dat wij naarstig zouden zijn om, namelijk door de goede werken, onze roeping en verkiezing vast te maken. Insgelijks Paulus; 2 Tim. 2:10.
En eindelijk, zooveel belangt de verheerlijking; deze zelfde is de Geest der heerlijkheid; 1 Petr. 4: 14; die niet alleenlijk maakt, dat wij roemen onder de hope der heerlijkheid Gods, Rom. 5:2, maar werkt ook alzoo, als zelf zijnde de Geest der sterkte; 2 Tim. 1:7; en der kloekheid; Jes. 11:2; die ons tot het geloof versterkt, opdat wij in Hem hebben eene krachtige onderhouding en bewaring, Jes. 41:10. Hierom bidt Paulus God voor de geloovigen, dat Hij hunlieden wil geven naar zijne rijke heerlijkheid, dat zij kloekelijk mogen versterkt worden door zijnen Geest in den inwendigen mensch; enz. Ef. 3:16, 17, 18, 19. Want Hij zal ons bevestigen tot den einde toe, opdat wij onstraffelijk zijn, in den dag onzes Heeren Jezus Christus. 1 Cor. 1:8. Vastelijk betrouwende, dat Hij, die dat goede werk in u begonnen heeft, hetzelve ook zal voleinden tot op den dag van Jezus Christus; Fil. 1:6. Zoo is er dan eene ware zekerheid der verkiezing. Zoodat de bewerking en de overleggingen onzer verkiezing in Christus, den waren geloovigen zoet en liefelijk zij, en vol van onuitsprekelijke vertroostingen, en daarbenevens, dat dezelve in henlieden werke, dat zij God lief hebben, aanroepen, verheerlijken, en zichzelven gedragen, waardig zoodanig eene weldaad, in het kruis zichzelven daarmede ondersteunen, kloekelijk en standvastelijk tegen den Satan, het vleesch en de wereld strijden, en alle die twijfelingen, die heimelijk hen overkomen, met het zwaard des Geestes dooden, en met het schild des geloofs uitblusschen; Ef. 6; en dat zij daardoor, beide in dit leven en in het sterven, eenen vasten troost hebben, en in dit gevoelen van de gunst Gods, als in een voorspel des eeuwigen levens, zichzelven heiliglijk verheugen; Rom. 8; 2 Tim. 4. Het gevoelen en de vrucht dezer zekerheid hebben de Godvruchtigen in dit leven ontvangen; Job. 19:25, 26, 27; Ik weet, dat mijn Verlosser leeft, enz.; David; Ps. 4:9, 10. In vrede zal ik slapen en rusten, want gij Heere! hebt op eene zonderlinge wijze mij in hope gesteld; Ps. 23:6. Uwe barmhartigheid zal mij navolgen alle de dagen mijns levens, en ik zal in het huis des Heeren wonen in de lengte mijner dagen of in der eeuwigheid; Jes. 12:2. Ziet, God is mijn Zaligmaker; ik zal met een vast vertrouwen leven, en zal niet vreezen, want de Heere is mijne sterkte en mijn lof, en is mij tot zaligheid geworden; Paulus, de Apostel; Gal. 2. Christus heeft mij liefgehad, en zichzelven voor mij gegeven; 1 Tim. 1:6. Christus heeft zich over mij ontfermd, enz.; 2 Tim. 1:12. Ik word niet beschaamd, want ik weet, Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is te bewaren tot op dien dag hetgeen ik bij Hem in bewaring heb; 2 Tim. 4:7, 8; en Rom. 8:38, 39; van zichzelven en van andere geloovigen; Ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, enz. ons kunnen scheiden van de liefde Gods, die daar is in Jezus Christus, onzen Heere.
[682]
Uit deze leer van de zekerheid der verkiezing, neemt de H. Geest op vele plaatsen oorzaak, om de zijnen te vertroosten, en om dezelven te sterken tegen de klippen der mistroostigheid en wanhoop, in de zekerheid hunner verkiezing en de zaligheid, opdat dezelve hieruit eenige allerzekerste bewijzen en allervaste redenen trekt tegen de vreeze van de eeuwige schaamte en schande; Jes. 45:17. Israël is zaliggemaakt in den Heere met de eeuwige zaligheid; gij zult niet te schande worden noch beschaamd worden van eeuwigheid tot eeuwigheid. Zoo wanneer de geloovigen zeggen: „De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mijner vergeten," zoo antwoordt God: Kan eene vrouw haar kind vergeten, enz. Ziet in mijne handen heb Ik u geteekend; uwe muren zijn altijd voor mijne oogen. Tegen de straffen der zonden; Ps. 89:33, 34. Ik zal hunne misdaden met de roede bezoeken, maar mijne barmhartigheid zal Ik van hen niet wenden, enz. Zoo wanneer het volk Gods spreekt; Jer. 31:3: „De Heere is van verre mij verschenen," zoo antwoordt God: In eeuwige liefde heb Ik u liefgehad, daarom heb lk u tot Mij getogen uit enkele goedertierenheid. Tegen de vreeze der verleiding zegt Christus; Matth. 24:24. Opdat zij zouden verleiden, indien het mogelijk, ware, zelfs de uitverkorenen. Alzoo ook Paulus; 2 Tim. 2:19. Zij verkeeren sommiger geloof, doch evenwel het vaste fondament Gods staat, enz. Alzoo Johannes; 1 Brief 2:19, 20. Zij zijn uit ons gegaan enz. Maar gij hebt de zalving van dien Heilige; en Cap. 4:4. Tegen de Antichristenen: Gijlieden zijt uit God, en hebt henlieden overwonnen, want Hij is machtiger, die in ulieden is, dan die in de wereld is. Tegen alle zorgvuldigheid der tijdelijke dingen zegt Christus; Luk. 12:32. En vreest niet, gij klein kuddeken! want het heeft uwen Vader behaagd ulieden het Koninkrijk te geven. Alzoo ook Paulus tegen alle, niet alleen lichamelijke, maar ook geestelijke aanvechtingen; Rom. 8: 1, 2, 3, 4. Daar is geene verdoemenis dengenen, die in Christus zijn. En vers 28, 29, 30, en 32, 33. Zoo is dan de leer der verkiezing allerzekerst en zeer zoet, en het gevoelen en de vrucht er van wordt in dit leven genoten, en die samenknooping is verre de zekerste, en ook gansch onverbrekelijk, door dewelke die onberouwelijke weldaden, die God aan zijne uitverkorenen mededeelt, samengebonden en verknocht zijn; Rom. 8:29, 30. En derhalve, uit al hetgeen boven verhaald is, namelijk, uit de werking kunnen de geloovigen zeker wezen van die oorzaak, die van alle eeuwigheid voor henen gegaan is. Zij zullen in der eeuwigheid niet vergaan, en niemand zal ze rukken uit de handen van Christus; Joh. 10:28, 29.
VAN DE VERWERPING.
II.
Wij gelooven, dat God naar het welbehagen zijns wils, tot bewijs van zijne gerechtigheid, sommigen besloten heeft in den val en ellende te laten, en dezelven niet te geven de middelen noodig zijnde tot het geloof en tot de bekeering, en eindelijk om der zonden wil te verdoemen; en dat dit zij het geheele besluit der verwerping, of der praedestinatie ter dood.
|
II.
Daarentegen oordeelen wij, dat de wil Gods, van de ongeloovigen, en die in de ongeloovigheid zijn volhardende, te verdoemen, niet zij het geheele besluit der verwerping ter dood; en daarbenevens, dat het ook niet waarachtig zij, dat God niemand tot bewijs zijner gerechtigheid besloten heeft in den val Adams of in de ellende te laten, maar dat Hij, met een algemeene genegenheid en wil, aller menschen zaligheid begeert en voorneemt, en dat Hij allen noodigt en genoegzame middelen aandient, zoodat ze allen ter zaligheid kunnen bevorderlijk zijn, en in der waarheid ook bevorderen, tenzij zij dezelve door derzelver misbruik tot hun eigen verderf keeren. | REDENEN.
Want indien daar sommigen verkoren zijn, zoo zijn noodwendiglijk de anderen verworpen. Want zonder verwerping kan zelfs niet eenige verkiezing bedacht worden.
[683]
En niet alleen maakt de Schriftuur melding van de verkiezing maar ook van de verwerping; Jes. 30: 33; Jer. 6:30; Spreuk. 16:4; Rom. 9:18, 21, 22, 33; 2 Cor. 13:5; Judas vs. 4. Velen loopen op dien weg, dewelke leidt ten verderve, dewelken ten jongsten dage zullen verlaten worden, en zullen gaan in het eeuwige verderf, of straf, Matth. 7:13, 14; Matth. 25:30, 46; Luc. 17:34; Hand. 19:20, en 20:14, 15; hetwelk niet geschieden zoude, ten ware zij van eeuwigheid verworpenen waren. Want gelijk God van eeuwigheid besloten heeft, alzoo geschieden alle dingen indertijd; en indien zijne wijsheid, mogendheid en wil zoo groot is, dat tegen zijn dank of buiten zijn weten zelfs niet een muschje kan verloren gaan, noch een haar van ons hoofd kan vallen, veel minder worden, zonder zijn raad en besluit, zoovele allerheerlijkste schepselen tot hun einde gebracht. Maar die algemeene wil, die aller menschen zaligheid, bekeering, enz., begeert en voorneemt, is een gedichtsel van de menschelijke hersenen, en verandert God in een onmachtig en zwak mensch, dewelke wel wil, dat alle menschen zalig worden, maar zulks niet kan te weeg brengen. Hij geeft ook een iegelijk niet genoegzame middelen tot de zaligheid; Ps. 147:20: want allen worden zij niet uiterlijk geroepen, hetwelk Paulus betuigt van alle de Heidenen, die God, voor de eerste komst van Christus, heeft laten wandelen in hunne wegen; Hand. 14:16. En tegenwoordig is zelfs het derde deel der menschen zoo weinig begiftigd met de kennis van Christus, dat het zelfs den naam van Christus door het allerminste gerucht niet heeft hooren noemen. Inwendiglijk worden die alleen geroepen, die ter heerlijkheid gepraedestineerd zijn; Rom. 8:29, 30; zonder welke krachtige roeping niemand tot Christus komt; Joh. 6; en diensvolgens ook niet tot de zaligheid, want buiten Christus is geene zaligheid. Alzoo namelijk heeft God besloten van eeuwigheid te handelen, die zonder ongerechtigheid over allen en een ieder mensch heeft kunnen besluiten, zooals Hem naar beide zijden behaagd heeft, gelijk Paulus leert door het exempel van den pottenbakker; Rom. 9.
II.
Wij gelooven, dat er eene eenige verwerping zij van alle verworpenen beide des Ouden en des Nieuwen Testaments, en dat dezelve onveranderlijk zij. |
II.
Hiertegenover verwerpen wij alle die menigvuldige verwerpingen der Remonstranten als valsch, en strijdig zijnde tegen Gods natuur en tegen zijn Woord. | REDENEN.
Want het besluit, hetwelk God van eeuwigheid gemaakt heeft, dat verandert Hij niet indertijd; Hij wederroept het niet, dewijl ditzelve samen gevoegd en vergezelschapt is met zijne onfeilbare voorwetendheid, en almachtigheid; van welke twee de eene niet kan bedrogen worden, en de andere niet kan belet worden. De verworpenen kunnen ook geene uitverkorenen worden, maar zij blijven in den eeuwigen dood, in den welken zij zichzelven ingestort en gestooten hebben, alzoo God, die zich daar ontfermt over wien Hij wil; Rom. 9; hun niet geeft zijne zaligmakende genade.
III.
Aangaande de oorzaak, waarom God deze door het Evangelie roept, en die niet roept, dezelve gelooven wij te zijn het loutere welbehagen Gods, of zijne allervrijste en allerrechtvaardigste wil. |
III.
Daarentegen oordeelen wij, dat dezer onbekwaamheid en gener onwaardigheid, heimelijk in de menschen zelven schuilende, niet de oorzaak daarvan zij.
| REDENEN.
Want daar is in den mensch geene waardigheid of bekwaamheid, dewelke dezen voordien onderscheidt voor God, dewelke hem niet ingedrukt wordt van dengene, dewelke het steenen hart wegneemt, en het vleeschen geeft. En geen vleesch heeft ooren om den roepende te hooren, of oogen om denzelve te zien, tenzij hij zelf die gemaakt hebbe en geopend.
[684]
Daar kan ook geene onwaardigheid of onbekwaamheid zijn, dewelke God niet kan verbeteren en wegnemen, even gelijk Hij die in de uitverkorenen wegneemt, werkende in hen het geloof en de heiligheid. Maar waarom doet Hij niet in allen, hetgeen Hij in sommigen gedaan heeft. Christus antwoordt; Matth. 11:25; 26; Ja, Vader! want het heeft U alzoo behaagd.
IV.
Belangende de oorzaak, waarom God, sommigen genadiglijk verkoren hebbende, de anderen voorbij gegaan heeft, hen latende in het gemeene verderf, in hetwelk alle menschen zichzelven zouden instorten; deze oordeelen wij te wezen dezelve allerrechtvaardigste en allervrijste wil Gods. |
IV.
Daarentegen oordeelen wij, dat het strijdig zij tegen Gods Woord, dat de Remonstranten zeggen, dat de verwerping geschied zij naar het bemerken van eenige voorhenen gaande ongeloovigheid, en volharding in dezelve, of ook alleen naar het bemerken van de voorhenen gaande werkelijke zonden, als dewelke de mensch heeft kunnen nalaten. | REDENEN.
Wij zeggen wel, dat de ware oorzaak der verdoemenis zij de zonde, zoo erfzonde, als andere, dadelijke zonden, tegen de Wet en het Evangelie begaan; maar dat de aandrijvende of verdienende oorzaak van het besluit der verwerping, niet zij noch eenige voorgeziene ongeloovigheid, noch eenige andere zonde, zulks leert de Apostel, Rom. 9, vs. 18, alwaar hij de verkiezing en verwerping gelijk maakt ten aanzien van hare bewegende oorzaak, dewelke hij niet stelt in dengene, die verkoren of verworpen wordt, maar alleen in dengene, die verkiest en verwerpt. En indien de zonde eene oorzaak ware der verwerping, zoo zoude Jakob niet minder dan Ezau, ja, wij allen zouden verworpen zijn, want wij allen zijn zondaars; Rom. 5; en van nature kinderen des toorns; Ef. 2, vs. 3. En indien de pottenbakker door geene andere reden, dan alleen door zijn wil, bewogen is, waarom Hij uit eenen klomp het eene vat ter eere maakt, en het andere ter oneere; zoo is het, dat veel meer God, om geene andere oorzaak, sommigen verkoren heeft, en sommigen verworpen heeft, dan omdat Hij alzoo gewild heeft; Jer, 18, vs. 4; Rom. 6, vs. 21; welken wil Gods wij nochtans niet buiten reden stellen, maar zeggen, dat de reden daarvan Hem bekend zij, al is het, dat ze ons niet gegeven wordt. En derhalve oordeelen wij, dat wij dezelve niet behooren te onderzoeken buiten en boven de palen van Gods Woord, maar zeggen, dat men dezelve behoore te aanbidden, dewijl zelfs zijne Engelen de reden daarvan niet kunnen begrijpen. __________________
|