Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden der Geldersche Synode


    [622]

    HET OORDEEL DER GEDEPUTEERDEN DER GELDERSCHE SYNODE.
    over,
    HET EERSTE ARTIKEL DER REMONSTRANTEN, HETWELK IS VAN DE PRAEDESTINATIE.

    GENOMEN UIT DE HAAGSCHE CONFERENTIE.

    HET ARTIKEL DER REMONSTRANTEN.

    Dat God, door een eeuwig en onveranderlijk besluit, in Jezus Christus, zijnen Zoon, eer des werelds grond gelegd was, besloten heeft uit het gevallene, zondige, menschelijke geslacht, diegenen in Christus, om Christus wil, en door Christus zalig te maken, die door de genade des H. Geestes in denzelven zijnen Zoon Jezus gelooven, en in ditzelve geloof, en gehoorzaamheid des geloofs, door dezelve genade tot den einde toe zouden volharden.
    En daarentegen de onbekeerlijken en ongeloovigen in de zonde en onder den toorn te laten, en te verdoemen, als vreemd van Christus, naar 't woord des H. Evangelies, bij Johannes 3:36. Wie in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; en wie den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.

    Latijnsche Conf. Brand. pag. 66, regel 21.
           „         „       „       „    85,    „   31.
           „         „       „       „    69,    „   17.
           „         „       „       „    41,    „   16, 22.
           „         „       „       „    42,    „     4.
           „         „       „       „    70,    „   25.

    In dit Artikel zeggen de Remonstranten. 1. Dat daarin vervat is het gansche, geheele besluit van de praedestinatie, mitsgaders de leer van de praedestinatie ter zaligheid; voorts, dat zij bekennen, dat deze praedestinatie is de eenige en ware praedestinatie ter zaligheid; en dat zij deze leer bekennen in het Evangelie geopenbaard te zijn. 2. Dat dit eeuwige besluit het fondament des Christendoms is, der zaligheid en der zekerheid van de zaligheid.

    Wij meenen gansch anders. Want,
    1. De praedestinatie, die in het Evangelie geopenbaard is, dezelve is een werkend besluit.
    De praedestinatie der Remonstranten is geen werkend besluit, maar een ledig besluit.
    Derhalve, de praedestinatie der Remonstranten is dezelfde niet, dewelke in het Evangelie geopenbaard is.
    Het eerste deel dezer sluitrede blijkt. Want de praedestinatie is een besluit van hetgeen God doen wil en doen zal.
    Het tweede deel blijkt mede. Want het kan geschieden, dat God niets doet van hetgeen Hij door dat besluit gezegd wordt te willen doen, en evenwel nochtans zoude het besluit zelf vast blijven staan. Voor den val werd aan den mensch het leven geordineerd onder voorwaarde van gehoorzaamheid: „Indien gij niet eet, zoo zult gij leven." Maar de mensch heeft gegeten, en wij zijn allen van het leven vervallen, evenwel nochtans blijft dat besluit Gods vast. En alzoo zoude het kunnen geschieden, dat er niemand geloovig of wordt, of bleef, want het geloof, naar het zeggen der Remonstranten, hangt aan de veranderlijkheid van der menschen wil; en alzoo diensvolgens zoude het kunnen geschieden, dat er niemand zalig werd; en evenwel zoude dit onbeweeglijk blijven staan: Ik zal de geloovigen zalig maken.
    II. Indien het besluit van bizondere personen zalig te maken, is de praedestinatie ter zaligheid, zoo is dan hetgeen vervat is in het bovengenoemde Artikel, niet het geheele besluit der praedestinatie. Maar het voorste deel dezer rede is waar. Derhalve ook het achterste deel.
    Het gevolg blijkt. Want het besluit van bizondere personen zalig te maken is in dat Artikel niet begrepen; Lat. Conf. Brand. p. 104, regel 22, en p. 492. Tegen die van Walch, p. 47; ja, hetzelve is ganschelijk daarvan verscheiden, ja, daarvan zoo onderscheiden, even gelijk het algemeene van het bizondere,

    [623]

    en het bepaalde van het onbepaalde. Daarenboven, de verkiezing van bizondere personen steunt op de voorwetendheid des geloofs, dewelke dadelijk is in het voorwerp der verkiezing, of in dengene, die verkoren wordt. Maar de verkiezing, die in het Artikel beschreven wordt, steunt niet op de voorwetendheid des geloofs; want in plaats van dit besluit der verkiezing wordt eindelijk hetgene gesteld, 't welk daar aangaat de aandiening der middelen, die tot het einde noodig zijn.
    Het voorste deel is het zeggen der Remonstranten; Latijnsche Conf. Brand. p. 492. Derhalve zoo blijft ook het navolgende deel.
    III. De verkiezing niet ten volle vervuld, niet ten einde toe, en wederroepelijk, is of in het Evangelie niet geopenbaard, of is geene verkiezing ter zaligheid, gelijk ook de verkiezing, die in het Artikel vervat staat, niet is de eenige verkiezing ter zaligheid, dewelke alleen in het Evangelie geopenbaard is. Ziet Grevinch. p. 136 en 137, tegen Amesius.
    Reden: want de verkiezing, waarvan het Artikel spreekt, is ten volle vervuld, ten einde toe, en onwederroepelijk.
    Maar de verkiezing, niet ten volle vervuld, is geopenbaard in het Evangelie, en is ter zaligheid, naar het gevoelen van de Remonstranten.
    Derhalve de verkiezing, welke in het Artikel vervat staat, is niet de eenige verkiezing ter zaligheid.
    En dus verre van het eerste.
    Volgt het tweede.
    I. Het besluit, door hetwelk Christus van God gesteld wordt tot een Zaligmaker en Hoofd dergenen, die erfelijk de zaligheid zullen ontvangen, is het fondament des Christendoms. Maar door het besluit der Remonstranten wordt Christus niet gesteld tot een Zaligmaker en Hoofd dergenen, die erfelijk de zaligheid zullen ontvangen. Derhalve, enz.
    Het eerste deel dezer sluitrede is het zeggen der Remonstranten. Latijnsche Conf. Brand. p. 70, regel 20.
    Het tweede deel wordt bewezen: Alwaar geene gesteld worden te zijn of te zullen zijn, die de zaligheid zullen ontvangen, aldaar kan Christus niet gezegd worden gesteld te zijn tot een Zaligmaker en Hoofd dergenen, die de zaligheid zullen ontvangen.
    In het besluit der Remonstranten worden geene gezegd te zijn of te zullen zijn, die de zaligheid zullen ontvangen. Derhalve enz.; of op deze wijze :
    Zoodanigen als in het besluit der Remonstranten gesteld worden zalig te worden en geloovig te zijn, zoodanig een Zaligmaker en Hoofd wordt ook Christus in hetzelfde besluit gesteld te zijn.
    Maar in het besluit der Remonstranten worden gesteld zalig te worden, en geloovig te zijn, die noch in dadelijkheid, noch in mogelijkheid zoodanig zijn. Derhalve.
    Zoo wordt Christus in hetzelve besluit gesteld een Zaligmaker en Hoofd, daar Hij noch in dadelijkheid zoodanig zij, noch in mogelijkheid.
    Een zeer treffelijk fondament, voorwaar, des Christendoms.
    II. Het besluit, door hetwelk aan niet een eenig mensch in daad of in hope de zaligheid toegeschikt wordt, maar door hetwelk (blijvende hetzelve niettemin in zijn geheel) alsnog zoude kunnen geschieden, dat er ganschelijk niemand zoude zalig worden, dat kan het fondament der zaligheid niet wezen.
    Nu zoodanig is het besluit, naar het gevoelen der Remonstranten. Derhalve, enz.
    En het is van geen belang, dat in dit besluit melding gemaakt wordt van Christus, die het fondament der zaligheid is. Want ook in het besluit van den Zoon te zenden, geschiedt melding van Christus; ja, dat meer is, aldaar wordt Christus geordineerd, ten einde Hij de zaligheid, en alle geestelijke zegeningen, verdiene; en evenwel nochtans zoo zullen de Remonstranten dit besluit niet bekennen het fondament der zaligheid te zijn, dewijl zij hetzelve stellen, als voorgaande hetgene, 't welk zij noemen het fondament der zaligheid.
    III. Hieruit blijkt, dat de mensch in geenerlei wijze, kan noch moet zeker wezen van zijne zaligheid, zoolang hij leeft, en dat dit ten onrechte gezegd wordt het fondament te zijn der zekerheid van de zaligheid.
    Nu, uit het besluit der Remonstranten kan, noch moet de mensch zeker wezen van zijne zaligheid, zoolang hij leeft. Derhalve, enz.
    Het eerste deel dezer gevolgreden blijkt bij zichzelf.
    Het tweede deel blijkt uit de belijdenis der Remonstranten. Want zij stellen, als te zien is in het Artikel, dat de eindelijke verkiezing (aan dewelke alleen de zekerheid der zaligheid kan hangen) aan en omtrent

    [624]

    dien mensch alleen geschiedt, dewelke tot den einde toe volhardt in het geloof en in de gehoorzaamheid des geloofs. Doch dat er niemand kan of moet zeker wezen van zijne volharding, zeggen zij doorgaans; Latijnsche Conf. Brand. p. 70, naast-laatste regel; Latijnsche Conf. Brand. p. 410, reg. 10; Het is prijselijk te twijfelen, of wij altijd dezelfden zullen wezen; en pag. 504, reg. 2; Geen geloovige, zonder bizondere openbaring, kan zeker wezen, dat hij altijd in het geloof zal volharden; en pag. 506; die eenmaal waarlijk gelooft, is niet buiten alle vreeze der verdoemenis. Laat hierbij gevoegd worden Grevinch. tegen Amesius, pag. 136, 137, en 138. En de Remonstranten gaan geheel buiten zichzelven, en schijnen zichzelven ten eenenmaal vergeten te hebben als zij de menschen dusdanig besluit leeren maken. „De geloovigen zullen zalig worden. Ik ben geloovig. Derhalve zal ik zalig worden." Daar men veel meer aldus naar hun gevoelen behoorde te zeggen: ,,De volhardende geloovigen, of die nu volhard hebben, zullen zalig worden. Ik ben nu wel geloovig,
    maar ik heb alsnog tot den einde toe niet volhard, en ik ben ook ganschelijk onzeker, of ik tot den einde toe zal volharden, ja, ik ben niet buiten de vreeze der verdoemenis, en het kan ook geschieden, dat ik verdoemd worde. Derhalve ben ik ook onzeker, of ik zal zalig worden."
    Dusverre dan, alhoewel kortelijk, meenen wij nochtans klaar genoeg bewezen te hebben, I. Dat de praedestinatie, dewelke van de Remonstranten geleerd wordt, niet zij de geheele praedestinatie, die in het Evangelie geopenbaard is.
    II. En dat ook dezelve niet zij het fondament des Christendoms, der zaligheid en der zekerheid van de zaligheid. Volgt nu, dat wij zelven de praedestinatie, die wij oordeelen in het Evangelie geopenbaard te zijn, en ook waarlijk het fondament des Christendoms, der zaligheid, en der zekerheid van de zaligheid te zijn, kortelijk en onderscheidelijk verklaren. Aldus gevoelen wij dan.

    VAN DE VERKIEZING.

    1. God heeft door zijn eeuwigen en onveranderlijken raad, naar zijn welbehagen, uit het gevallen menschelijk geslacht, eenige zekere menschen, over welke Hij zich heeft willen ontfermen, gepraedestineerd, dewelke Hij aan Jezus Christus zoude geven, krachtelijk zoude roepen tot de genade en heerlijkheid, zoude aannemen tot kinderen, door Jezus Christus, zoude rechtvaardigen, zoude heiligmaken, en ten laatste metterdaad erfgenamen zoude maken des eeuwigen levens, en dat tot prijs zijner heerlijke genade.
    1 Joh. 13:18. Ik spreek van u allen niet; Ik weet wie Ik verkoren heb.
    Ef. 1:3, 4. Geloofd zij de God en de Vader onzes Heeren Jezus Christus, die ons in Hem uitverkoren heeft, eer des werelds grond gelegd was.
    Zoo dan heeft de mensch zichzelven niet verkoren, maar wordt verkoren van God.
    En niet alleen God de Vader, maar ook de Zoon Gods, is de oorzaak, fontein, en auteur onzer verkiezing.
    2. Matth. 25:34. Bezit dat Rijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld.
    Ef. 1 :4. Hij heeft ons in Hem verkoren, eer des werelds grond gelegd was.
    En vs. 11. Wij zijn tot zijn lot aangenomen, als wij te voren geordineerd waren naar zijn voornemen, die alle dingen doet naar den raad zijns wils.
    2. Tim. 2:19. Het vaste fondament Gods staat, en heeft dezen zegel: De Heere kent degenen, die zijne zijn.
    Hebr. 6:17. God, willende bewijzen de onveranderlijkheid zijns raads, enz.
    Jac. 1:17. Bij denwelken (namelijk bij den Vader der lichten) geene verandering, of beschaduwing der verandering is. Jes. 14: 27. Als de Heere der heirkrachten eenen raad besluit, wie zal denzelve te niet maken?
    En 46:11. Ik roep een vogel uit het oosten, en eenen man, die mijnen raad doet, uit verren lande. Ik heb het gesproken, en zal zulks hier brengen; Ik heb het gesteld, en zal zulks doen.
    Brand heeft, pag. 69, naast-laatste regel, bijgebracht 1 Cor. 13:9; Rom. 8:23; 2 Cor. 7:1; 1 Joh. 3:1.
    Hieruit leeren wij, dat de verkiezing, en de zaligheid der uitverkorenen vast en onbeweeglijk staat. En diensvolgens, al is het, dat het geloof der uitverkorenen, de aanneming tot kinderen, de heiligmaking, en de zaligheid, zoolang zij hier strijden, niet ten volle vervuld zij, dat daar nochtans geene verkiezing, niet ten volle vervuld,

    [625]

    geene niet eindelijke, geene ten halve afgebrokene of blijvende, en geene wederroepelijke kan wezen.
    3. Matth. 11:25. Dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kleinen geopenbaard; vs. 26; Ja, Vader! want het heeft U alzoo behaagd.
    En 20:14. Ik wil dezen laatsten geven, gelijk als u.
    Vs. 15. Is het mij niet geoorloofd te doen, wat ik wil in mijn goed?
    Zoo dan kan daar niet wezen eenige voorgaande, bewegende oorzaak, om de verkiezing te maken tot de genade en heerlijkheid. Noch in den mensch, aan denwelken de genade en heerlijkheid geschiedt, kan of moet daar iets bedacht worden, hetwelk God bewogen heeft, of als bewogen heeft, dat Hij die genade en heerlijkheid aan hen zou ordineeren, of geven. God mocht alle menschen laten in de zonde; Hij mocht verkiezen diegenen, die Hij niet verkoren heeft, en niet verkiezen diegenen, die Hij verkoren heeft; of Hij mocht daar minder of meerder verkiezen. Maar Hij heeft eenigen verkoren, en met name deze, en niet die. Waarom? Alleen daarom, overmits het Hem alzoo behaagd heeft.
    4. Joh. 15:19. Ik heb u verkoren uit de wereld.
    Rom. 9:21. En heeft de pottebakker niet macht over het leem, uit denzelfden klomp te maken het eene vat ter eere, en het andere ter oneere?
    Vs. 22. Maar zoo, God, willende toorn bewijzen, enz.
    De toorn geeft te kennen, dat er zonde is, gelijk ook straf; zoodanige, voorwaar, als voor ons is het maken van het vat ter oneere.
    En derhalve, zoo is de praedestinatie geene oorzaak van den val.
    5. Rom. 9:13. Ik heb Jakob lief gehad, en Ezau gehaat.
    2 Tim. 2:19. De Heere kent diegenen, die zijne zijn.
    Joh. 17:9. Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt.
    Vs. 20. En Ik bid niet alleen voor die, maar ook voor diegenen, die door hun woord in Mij gelooven zullen.
    En daarom bekennen wij niet eenige zoodanige algemeene, en onbepaalde verkiezing, door dewelke te stellen, het alsnog zoude kunnen geschieden, dat er niemand zoude zalig worden.
    Hieruit blijkt ook klaarlijk, dat het getal der uitverkorenen niet kan verminderd of vermeerderd worden, en dat diegenen, die God voor de zijnen houdt, in alle verzoekingen onbeweeglijk blijven staan, en diensvolgens, dat ook de verkiezing onbeweeglijk blijft staan.
    6. Rom. 9:16. De verkiezing is niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods.
    Vs. 18. Hij ontfermt, wien Hij wil, en verhardt, wien Hij wil.
    De voorhenen gaande oorzaak van de verkiezing is de barmhartigheid Gods, dat is, Godes, die daar wil ontfermen, genadige genegenheid jegens eenigen, die ellendig zijn, maar niet daarom, overmits zij ellendig zijn; want zij waren allen ellendig, en alleen over eenigen heeft Hij zich willen ontfermen.
    Maar, aangezien ontferming over de ellendigen te kennen geeft ellendigheid, zoo heeft God dien ellendige bemerkt, dien Hij verkoren heeft. Derhalve heeft Hij hem dan aangezien niet geloovig, niet heilig, niet dengene, die den loop der Godzaligheid volbracht had. Want zoodanig een is ganschelijk nu bevrijd van alle ellende, namelijk niet alleen van de schuldigheid der verdoemenis en van de heerschappij der zonde, maar ook van het lichaam der zonde en des doods.
    Ja, dat meer is, hieruit besluiten wij, dat er geene andere verkiezing zij der heiligen des Ouden Testaments, en geene andere des Nieuwen Testaments; dewijl er eene en dezelfde ellende der volkeren van beide de Testamenten, eene en dezelfde wijze van ontferming over de ellendigen, een en dezelfde weg om uit de ellende door Christus te geraken; gansch en geheel moet gesteld worden; Joh. 14:6; Hand. 4:12; Hebr. 11:5, 6; Luc. 1:68; enz.
    7. Ef. 1:5. Die ons gepraedestineerd heeft, προορισας. [prφorisas].
    Rom. 8:29. Die Hij te voren gekend heeft, dezelven heeft Hij gepraedestineerd, προόρισε. [prφoorise].
    Hij heeft dan in orde eer het einde aangemerkt, dan de middelen; en daar benevens zijn einde even gelijk met het einde des menschen, zoodat wij gelooven, dat God besloten heeft, tot lof zijner genade (dit is het einde Gods) eenige zekere personen te verkiezen ten eeuwigen leven (gelijkerwijs dit het uiterste einde des menschen is, alzoo is het ook het middel om de eere

    [626]

    Gods te verklaren), die Hij aan Christus zou geven, enz.
    Dit zijn de middelen, om den mensch te brengen tot zijn einde, 't welk hem alreede van te voren toegeschikt is in zijne verkiezing. Want wij kunnen zelfs met onze gedachten niet begrijpen, hoe Hij ons gepraedestineerd heeft, die Hij aannemen zou tot kinderen, ten ware God van te voren iets zekers bij zichzelven besloten had, van de erve mede te deelen, en dat ook aan ons mede te deelen.
    8. Joh. 17:6. Ik heb uwen naam den menschen geopenbaard, die Gij Mij gegeven hebt, die afgezonderd zijn van de wereld. Zij waren uwe, en Gij hebt ze Mij gegeven.
    En 6:37. Al wat Mij mijn vader geeft, dat zal tot Mij komen.
    Deze geving gaat ganschelijk voor het geloof; want komen is gelooven, gelijkerwijs als het blijkt uit den ganschen tekst. Zoo dan is Christus, als God en mensch, en als Middelaar, het fondament en de verdienende oorzaak onzer zaligheid, en aller onzer goederen, dewelke van de eeuwige verkiezing te voren bereid zijn, en dewelke indertijd van God gegeven worden. Ja, hetzelve is ook het fondament der verkorenen.
    9. Rom. 8:30. Die Hij gepraedestineerd heeft, dezelven heeft Hij ook geroepen.
    1 Thess. 1:4. Dewijl wij weten, dat wij van God verkoren zijn.
    Vs. 5. Want ons Evangelie bestaat bij ulieden niet alleenlijk in het woord, maar ook in de macht.
    2 Thess. 2:13. Wij moeten God altijd danken voor u, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, door de heiligmaking des Geestes, en het geloof der waarheid.
    2 Petr. 1:3. Zijne Goddelijke macht heeft ons alles gegeven, dat tot het leven en de Godzaligheid noodig is, door de kennis desgenen, die ons geroepen heeft tot de heerlijkheid en deugd.
    Zoo heeft God dan niemand geordineerd tot het einde dan door middelen; Rom. 8:28. En die Hij tot de heerlijkheid, dat is, tot de zaligheid verordineerd heeft, dezelven heeft Hij ook tot de middelen der zaligheid verordineerd, niet om die alleen aan henlieden aan te bieden, maar ook om dezelve te geven. En daarom wordt deze roeping genoemd naar het voornemen. En diegene, die het einde begeert, die moet ook geheel ernstelijk bekommerd zijn, van de voorverordineerde middelen daarbij te doen. Zoodat het dwaas en goddeloos zij te zeggen: indien ik tot de zaligheid en tot het zaligmakende geloof ben gepredestineerd, zal ik het beide wel bekomen, wat het ook zij, dat ik doe. Ja, indien gij wilt zalig wezen, gelooft; indien gij het geloof begeert, hoort het Woord. Want uit het gehoor is het geloof.
    De krachtige roeping, en het geloof, mitsgaders alle die dingen, die het geloof volgen, zijn vruchten en werken der verkiezing ten eeuwigen leven; opdat wij met de Remonstranten, tegen de Remonstranten Conf. 8, p. 489; Cap. 8, zelven spreken: De praedestinatie is de ware oorzaak, en zelfs de fontein, waaruit de genade, en al de andere dingen volgen. Zoo kan dan daar niet gezegd worden, dat in degenen, die verkoren zouden worden, geweest zij het voorgezien geloof, veel minder, dat die dingen in hen voorzien zijn, dewelke na het geloof volgen. Nu, aangaande diegenen, die nimmermeer geroepen worden door het gepredikte woord, dezelven kunnen wij niet gelooven (wij spreken van de volwassenen) ten eeuwigen leven verkoren te zijn.
    Niet allen, die geroepen worden, worden van God geroepen. Maar door de aanspraak, dat is, door de uiterlijke predikatie worden alle diegenen geroepen, aan dewelken het Woord verkondigd wordt; maar door de kracht, dat is, door de inwendige en krachtige roeping des H. Geestes, worden alleen geroepen de uitverkorenen. Maar ook niet alleen worden zij geroepen tot de zaligmakende genade en heerlijkheid, dewelke van God door eene inwendige kracht des Geestes geroepen worden. Want twee dingen moeten daar gepredikt worden: de wet en het Evangelie. Het eerste leert de zonde, en werkt de gramschap; het andere verkondigt de genade en heerlijkheid.
    Het eigene opzicht, en het rechte voorwerp van de prediking der eerste, dewelke voorhenen moet gaan, is de mensch, zijnde dood in de zonden; maar van het andere, hetwelk nader moet volgen, is de mensch, in denwelke de zonde weder levend is geworden. Het einde van het eerste is niet altijd, dat de mensch aangepord wordt, om de zaligmakende genade, mitsgaders om de eeuwige zaligheid zelve te begeeren; Matth. 11:28; Luc. 25:47; Joh. 7:37; maar dikwijls alleen, opdat hij, om eene lichamelijke weldaad te ontvangen, door de hetrachting van boetvaardigheid, bekwaam

    [627]

    gemaakt worde; Jona 3:5, enz.; Ps .99:8; 1 Kon. 21:29; maar van het andere is het einde alleen, om den mensch de zaligmakende genade en de heerlijkheid deelachtig te maken. Aangezien dit zoo is; alhoewel wij gelooven, dat er niemand uit zichzelven, en door zijne eigene kracht, behoorlijke droefheid over zijne zonde kan ontvangen, noch ook kan bekeerd worden, zelfs ook niet, zoo wanneer hij door de aanspraak, dat is, door de uiterlijke predikatie der wet geroepen wordt, maar dat het ook van noode zij, dat diegene, die zulks doet, ook door de kracht, dat is, door de inwendige stem Gods geroepen worde, ja, dat zelfs ook God de droefheid en de bekeering werkt; nochtans, overmits God dikwijls alleen voorneemt, aan den bekeerden zondaar eenig uiterlijk goed te geven, of eenige bizondere en buitengewone straffen weg te nemen; zoo besluiten wij, dat ze niet allen tot de zaligmakende genade, en heerlijkheid geroepen worden, dewelke van God, of door de inwendige kracht Gods, geroepen worden.
    10. Ef. 1:5. Die ons gepraedestineerd heeft, om aan te nemen tot kinderen, door Jezus Christus.
    Nademaal Hij ons tot de aanneming tot kinderen verkoren heeft, zoo heeft Hij dan zekerlijk niet verkoren diegenen, die Hij nu van te voren voorzag, dat geloovig zouden wezen. Want door het geloof worden wij aangenomen tot kinderen Gods. Nu, indien wij kinderen zijn, zoo zullen wij ook erfgenamen zijn; Joh. 1:12; Gal. 3:26; Rom. 8: 5, 16, 17; Ef. 1:3, 14. Derhalve, zoo haast als wij den Geest dezer aanneming tot kinderen ontvangen hebben, zoo mogen wij ook van onze verkiezing zeker zijn.
    11. Rom. 8: 30. Die Hij geroepen heeft, dezelven heeft Hij ook gerechtvaardigd.
    En hieruit blijkt, dat de rechtvaardigmaking, dat is, de genadige en zaligmakende vergiffenis der zonden, zij eene vrucht, een gevolg en een werk der verkiezing, dat is, dat de gerechtvaardigden niet verkoren worden, maar dat de verkorenen gerechtvaardigd worden. Niet, dat wij gelooven, dat alle uitverkorenen gerechtvaardigd zijn, want dezelven zijn ook niet allen geroepen; maar wij zeggen, dat het niet kan geschieden, dat diegenen, die God verkoren heeft om te roepen en geloof te geven, niet mede zouden geroepen worden, het geloof hun gegeven worde, en zij door het geloof gerechtvaardigd worden.
    12. Ef 1:4. Hij heeft ons verkoren, opdat wij heilig en onstraffelijk zouden wezen voor Hem, door de liefde.
    1 Petr. 1:2. Die verkoren zijn naar de voorkennis Gods des Vaders, tot de heiligmaking des Geestes.
    En hierom bevelen wij den lieden zoo zeer de heiligheid des levens, en de ernstige hetrachtiging der Godvruchtigheid, en alle andere dingen, die ons tot de Godvruchtigheid kunnen helpen; gelijk daar zijn de gebeden, vasten, wakingen, afsterving des vleesches, vermijding der zonde, enz. Daarom drukken wij ook zoo dikwijls de lieden in de spreuk des Apostels, Fil. 2:12: werkt uws zelfs zaligheid met vreezen en beven.
    En 1 Cor. 10:12. Wie van zichzelven denkt dat hij staat, die zie toe, dat hij niet valle.
    En 2 Petr. 1:10. Weest naarstig om uwe beroeping en verkiezing vast te maken. En een ieder, die den naam van Christus noemt, wijke van de ongerechtigheid. Want wij gelooven ganschelijk, dat zoo velen, als er door den Geest Gods geleid worden, kinderen Gods zijn; en, indien iemand den Geest van Christus niet heeft, dat die Hem ook niet toekomt, en dat alle diegene, die van Christus zijn, het vleesch gekruist hebben, niet alle zijne genegenheden en begeerlijkheden. Derhalve, zoo houden wij alle diegenen voor openbare godloozen, dewelke zeggen, dat zij, wat zij ook doen, evenwel buiten allen twijfel zullen zalig worden, overmits zij namelijk uitverkorenen zijn. Ja, wij zeggen, dat een ieder uit de vrucht van den boom, uit de werken van 't geloof, en dat hij beide uit de inwendige en uitwendige heiligheid, dat is, uit den Geest der aanneming tot kinderen en der heiligmaking en uit de werken van dien Geest, over zijne verkiezing moet oordeelen, ja, op geene andere wijze mag oordeelen. Zonder heiligheid zal niemand God zien. En alhoewel niemand anders dan die geheiligd is, zalig wordt, nochtans zijn ze daarom niet verkoren ter zaligheid, dewelke God in zijne gedachten te voren alreede bekende geheiligd te zijn. Want God heeft ons even zoowel verkoren tot heiligheid als tot zaligheid; het is wel waar, eer tot deze, als tot die, zoo als wij hier boven gezegd hebben, alhoewel nochtans niet tot deze (dat is tot de zaligheid), anders dan door die (dat is door de heiligheid).
    13. Matth. 25:34. Komt, bezit dat Rijk, u door recht der erfenis bereid, enz.
    En 20:23. Te zitten tot mijne rechter- en tot mijne linkerhand zal gegeven worden

    [628]

    dengene, dien het van mijnen hemelschen Vader bereid is.
    1 Petr. 1:4. Tot eene erve, die in de hemelen bewaard is voor u.
    Luc. 12:32. Het heeft uwen Vader behaagd, u dat Koninkrijk te geven.
    Gelijk wij uit genade kinderen worden, alzoo worden wij ook in de bezitting der erve gesteld, ganschelijk uit genade, barmhartiglijk, en geheel buiten verdienste. Zoo wordt dan kwalijk gezegd, dat het eeuwige leven van God als eene belooning toegevoegd wordt, en dat hetzelve aan diegenen gegeven wordt, die de voorwaarden, die Hij voorgeschreven heeft, nakomen of vervullen. Want het leven te geven als eene belooning, nadat die voorwaarde nu alreede volbracht is, onder dewelke het eeuwige leven, als eene belooning toegevoegd was, is niet geheel uit genade en naar het welbehagen het leven geven, maar uit kracht van schuld.
    14. Ef. 1:6. Tot prijs zijner heerlijke genade, door dewelke Hij ons genadiglijk aangenaam heeft gemaakt in dien Beminde.
    En dat in het geheel, zoodat er ganschelijk niets zij voor de werkenden, geloovenden, en volhardenden, van hetwelke hij, als van wege het zijne, in eenigerlei wijze mag roemen. Dusverre van de verkiezing.
    En dat deze leer van de verkiezing, met recht gezegd wordt te zijn het fondament des Christendoms, der zaligheid, en der zekerheid van de zaligheid; zulks bewijzen wij hieruit.
    I. Het besluit, door hetwelk de zaligheid onfeilbaarlijk toegevoegd wordt aan zekere personen, en door hetwelke te gelijk de noodige middelen geordineerd worden ter zaligheid, en uit welks kracht; van den eersten oorsprong aan, en krachtiglijk; de mededeeling vloeit, zoo van de noodige middelen ter zaligheid, als van de zaligheid zelve; datzelve wordt waarlijk gezegd te zijn het fondament der zaligheid.
    Zoodanig is datzelve besluit, 't welk nu van ons beschreven is.
    Derhalve, enz.
    II. Dat besluit, 't welk ons leert geheel aan Christus te hangen, en van Hem alleen de gansche zaligheid te begeeren, en hetwelk tegelijk ook te kennen geeft alle de middelen, door dewelke men alleen tot de mededeeling van Christus en der zaligheid komt; datzelve vervat, of datzelve is, het fondament des Christendoms.
    Zoodanig is datzelve besluit, 't welk nu van ons beschreven is.
    Derhalve, enz.
    III. Het besluit; 't welk daar stelt, dat de eeuwige zaligheid onfeilbaarlijk, en onwederroepelijk bereid is allen en een iegelijk, dewelke eenmaal waarlijk deelachtig zijn geworden aan de middelen ter zaligheid noodig; datzelve is het fondament der zekerheid van de zaligheid.
    Zoodanig is dat besluit, 't welk nu van ons beschreven is.
    Derhalve, enz.
    Want aldus leeren wij de besluiten te maken, en eerstelijk in 't algemeen.
    Alle diegenen, die God verkoren heeft van eeuwigheid, dezelven zullen onfeilbaarlijk zalig worden; nu
    Alle diegenen, over dewelke God zich heeft willen ontfermen, dezelven heeft Hij van eeuwigheid verkoren.
    Derhalve,
    Alle diegenen, over welke God zich heeft willen ontfermen, dezelven zullen onfeilbaarlijk zalig worden.
    Het is eene sluitreden van vast bewijs, en alle de deelen er van kunnen over en weder over omgekeerd worden. Daarna maken wij aldus de toeeigening in bizonder.
    Alle diegenen, over dewelken God heeft willen ontfermen, dezelven zullen onfeilbaarlijk zalig worden.
    Over mij heeft God zich willen ontfermen; derhalve, zoo zal ik onfeilbaarlijk zalig worden.
    Het tweede deel van deze sluitreden wordt bewezen; Want
    1. Hij heeft mij aan Christus gegeven. Hetwelk ik besluit uit mijn levend geloof; Joh. 6:37.
    2. Hij heeft mij krachtelijk geroepen. En zulks besluit ik mede uit mijn geloof; Rom. 10:17.
    3. Hij heeft mij aangenomen tot een kind door Christus. Zulks leert mij de Geest der aanneming tot kinderen, met denwelke ik verzegeld ben; Rom. 8:16; Gal. 4:6. Insgelijks leert mij zulks mijn geloof, Joh. 1:12, Gal. 3:26.
    4. Hij heeft mij gerechtvaardigd. Zulks weet ik uit den vrede van mijn geweten, Rom. 5:1.
    5. Hij heeft mij geheiligd. Zulks getuigt mij ten deele mijn leven, en bizonderlijk de gestaltenis mijns gemoeds en van mijn geweten; Hand. 15:9; Matth. 12:34, 35; Col. 3:12, 13, 14, 15, 16, 17.
    Alhier, zoowel in het besluit, als in de uitvoering des besluits, dat is, zoowel daar

    [629]

    ik in 't gemeen spreek, als daar ik spreek in bizondere toeeigening, zijn alle dingen, niet des loopenden, noch des willenden, maar des ontfermenden Gods.
    En op deze wijze word ik van achteren allerverzekerdst van mijne verkiezing. En wederom uit mijne verkiezing, dat is, uit den voorsten oorsprong, word ik allerverzekerdst van mijne volharding, en bijgevolg van mijne zaligheid.
    Hetwelk, voorwaar, de meeste en zekerste troost is. Ook is daar niet te vreezen, dat diegenen, die zulks doen, tot zorgeloosheid zullen vervallen. De zaak is gansch klaar.
    Volgt nu, dat wij verklaren, wat wij gevoelen.

    VAN DE VERWERPING.

    Wij gelooven, dat anderen, over welke God zich niet heeft willen ontfermen, voorbij gegaan zijn, en in den val gelaten zijn, dewelke aan Christus niet gegeven zijn, aan dewelken Hij de zaligmakende kennis van Christus en zijn Evangelie, mitsgaders het geloof, door hetwelk zij aangenomen worden tot kinderen, en gerechtvaardigd worden, overmits het Hem alzoo behaagd heeft, nooit voorgenomen heeft te geven; maar, om hunner zonden wil, eenigen zelfs in dit leven verhardende, en in eenen onbedachtzamen zin overgevende, doch allen te zamen na dit leven, voorgenomen heeft met de eeuwige verdoemenis te straffen, en dat om te bewijzen zijnen toorn, mogendheid en gerechtigheid.
    1. Rom. 9:18. Hij ontfermt, wiens Hij wil.
    Over dewelken God zich in der tijd ontfermt, over dezelven wil Hij zich, en heeft Hij zich van eeuwigheid willen ontfermen. Daarentegen; over dewelken Hij zich niet ontfermt, over dezelven wil Hij zich niet of heeft Hij zich niet willen van eeuwigheid ontfermen. Zoo is dan de wil, en het welbehagen Gods de eenige oorzaak, gelijk van hunlieder verkiezing, alzoo van de nietverkiezing van deze; en de eenige en geheele stof van beide, zoo der verkiezing, als der niet-verkiezing, is de ellendige mensch, zijnde door zijne eigene schuld, aan de zonde en de gramschap Gods onderworpen. Derhalve, gelijk een ieder, die verkoren is, barmhartiglijk verkoren is, zoodat hij in geenerlei wijze mag roemen, noch zich boven een ander verheffen; alzoo heeft ook diegene, die niet verkoren is, rechtvaardiglijk kunnen niet verkoren worden; een zoodanige heeft geene reden, waarom hij rechtvaardiglijk klage, anders dan van zijne eigene schuld, Rom. 9:14, 15.
    2. Matth. 24:40. De een zal aangenomen worden, en de andere gelaten.
    Rom. 11:7. De uitverkorenen hebben het verkregen; de anderen zijn verhard geworden.
    Zoo heeft God dan diegenen ellendig, verdorven, onderworpen onder de zonde en den toorn, genegen tot kwaad, onbekwaam tot eenig zaligmakend goed, gevonden, dewelke Hij niet verkoos of voorbijging, zoodat Hij ganschelijk alleen hen zoodanigen gelaten heeft, als zij door hunne eigene schuld waren, maar hen zoodanigen geenszins gemaakt heeft door eenig besluit van Hem.
    3. Joh. 17:6. Den menschen, die Gij Mij gegeven hebt, zijnde afgezonderd uit de wereld.
    Zoo heeft Hij dan aan Christus de geheele wereld niet gegeven.
    Rom. 9:3. Ik zoude zelf wenschen vervloekt te zijn, afgezonderd van Christus. Zoo zijn dan de verworpenen afgezonderd van Christus.
    Joh. 6:37. Al wat mijn vader Mij geeft, dat zal tot Mij komen. Die derhalve tot Christus nooit komen, dat is, die in hunne ongeloovigheid blijven, die worden daaruit bekend, dat ze aan Christus niet gegeven zijn. Maar hiervan zal breeder gesproken worden in het tweede Artikel.
    4. Matth. 13:11. Ulieden is gegeven de verborgenheden des Koninkrijks der hemelen te verstaan, maar hunlieden is dat niet gegeven.
    Joh. 10:26. Gijlieden gelooft niet, want gij zijt van mijne schapen niet.
    2 Thess. 3:2. Het geloof is niet aller menschen.
    Hand. 13:48. Daar geloofden er zoovelen, als er ten eeuwigen leven geordineerd waren.
    Zoo ontkennen wij dan, dat alle wetenschap van Christus en van het Rijk der hemelen, en alle blijdschap, die in het hart der menschen verwekt is, zij het ware en zaligmakende geloof. Hetwelk daaruit bewezen wordt.
    Diegene, die droefenis van zijne zonde, die naar God is, niet gehad heeft, die heeft het zaligmakend geloof niet gehad.
    Die in godloosheid en in ongeloovigheid sterft (hoedanig hij ook in dit leven geweest zij), die heeft geene droefenis van zijne zonde, die naar God is, gehad. De reden daarvan

    [630]

    is hetgeen gezegd wordt, 2 Cor. 7:10.
    Derhalve, zoo heeft ook een zoodanige het zaligmakend geloof niet gehad. Maar hiervan zal breeder gehandeld worden in het vijfde Artikel.
    5. Ef. 1:13. In hetwelk gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden, door den H. Geest der belofte.
    Vs. 14. Dewelke is het pand onzer erve.
    Joh. 1:12. Zoovelen als Hem aangenomen hebben, dezelven heeft Hij deze waardigheid gegeven, dat zij kinderen Gods zouden worden, namelijk, dengenen, die in zijnen naam gelooven.
    Diegenen dan, die Hij niet voorgenomen heeft het geloof te geven, dezelven heeft Hij ook niet voorgenomen aan te nemen tot kinderen, en diensvolgens ook niet te rechtvaardigen, noch te heiligen. Want door 't geloof worden wij gerechtvaardigd, en door het geloof worden onze harten geheiligd.
    Derhalve wordt ons, voorwaar, ook ten onrechte tegengeworpen, evenals of wij leerden, dat de verworpenen niet kunnen behouden worden, al deden zij alle de werken der heiligen. Want alhoewel wij niet ontkennen, dat er vele dingen in schijn van de geveinsden geschieden, dewelke zelfs inderdaad zouden mogen schijnen aan de werken der heiligen niet ongelijk te wezen; evenwel nochtans zoo zeggen wij, dat het niet kan geschieden, dat er iets van henlieden zou gedaan worden; ik zeg, zoolang zij geveinsden blijven, 't welk waarlijk en in zijne rechte behoorlijkheid goed zij. En zulks beweren wij uit Matth. 7 :16,18; vergelijkende dezelve plaats met Matth. 12:34, en Hand. 15:9.
    6. Matth. 11:25, 26. Dat Gij dit voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt. Ja, Vader! want het heeft U alzoo behaagd.
    En derhalve, de eenige oorzaak, gelijk van de zaligheid, alzoo ook van de uitdeeling en bediening der middelen, zijnde ter zaligheid noodig, verklaren wij te zijn het welbehagen Gods, en zijn allervrijste, mitsgaders allergerechtigste en allerwijste wil. En op deze wijze wordt God niet gesteld eene stellige oorzaak te zijn van de ongeloovigheid, maar alleen eene ontkennende; dewijl de mensch zelf de stellige oorzaak is zijner ongeloovigheid, alzoo hij door zijne eigene schuld blind, verkeerd, en onmachtig ten goede geworden is, en niet kan gelooven.
    7. Matth. 13:11. Maar hunlieden is het niet gegeven. Derhalve heeft Hij ook niet voorgenomen gehad hunlieden het te geven. Want Gode zijn van alle eeuwen alle zijne werken bekend.
    En tot nu toe is alles aan en omtrent de verworpenen, aan de zijde van God, alleen ontkennend te bemerken, en in het minste niets stelligs. En, gelijk deze ontkenning, of niet-willen, niet kan zijn eene stellige oorzaak van eenige zonde; alzoo gelooven wij ook niet, dat de zonde, onder dewelke diegenen onderworpen waren, die niet verkoren werden, de oorzaak zij dezer ontkenning of van dit niet-willen.
    8. Rom. 1:28. God heeft hun overgegeven in een verstand, zijnde zonder eenig oordeel, opdat zij deden wat niet hetaamde.
    En Cap. 9:18. Hij verhardt, dien Hij wil.
    Joh. 12:40. Hij heeft hunne oogen verblind, en hun hart verhard, opdat zij met de oogen niet zien, en met het hart verstaan, en bekeerd worden, en Ik ze gezondmake.
    Dit zijn werkingen van de straffende gerechtigheid; en daarom stellen wij de zonde eerst voorhenen, zonder welker aanschouwing wij niet gelooven, dat God iemand is straffende; en derhalve, zoo meenen wij ook, dat God zelfs deze straf niet besloten heeft anders dan over de zondaren. Zoo dan, de zonden voorhenen gesteld zijnde, zoo handelt God aan en omtrent de verworpenen stelliglijk.
    9. Matth. 25:41. Gij, vervloekten! gaat weg van Mij in het eeuwige vuur!
    Judas, vers 4. Die nu in voortijden tot deze zelfde verdoemenis te voren opgeschreven zijn.
    2 Thess. 1:9. Dewelke zullen straf lijden de eeuwige verderving, verdreven zijnde van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid zijner macht.
    God verdoemt de menschen om hunne zonden, en heeft ook besloten dezelven te verdoemen om hunne zonden.
    10. Rom. 9:14. Is er dan ongerechtigheid bij God? Dat zij verre.
    En vers 22. Wat? Indien God, willende toorn bewijzen, en zijn mogendheid bekend maken, enz.
    Dit is het uiterste einde Gods geweest in de verwerping, bij Hem aangemerkt. Nu, toorn en gerechtigheid stellen kennelijk voorhenen de zonde. Zoodat ons ganschelijk en ten hoogste ongelijk geschiedt, zoo wanneer wij gezegd worden te gelooven: Dat God besloten heeft de menschen te verdoemen, zonder eenig aanschouwen te nemen op de

    [631]

    zonde, die zij bedreven hebben. Want; hetzij dat gij de zonde aanmerkt, dewelke wij allen bedreven hebben in Adam, hetzij dat gij aanmerkt de zonde, dewelke wij dagelijks, zoolang wij leven, zijn doende; wij gelooven, dat God, straffende den mensch met den eeuwigen dood, altijd opzicht neemt op hunne zonde, en zelfs ook op de zonde niet alleen der ongeloovigheid, indien het bizonderlijk verstaan wordt, maar ook van alle ongehoorzaamheid. En dusverre ook kortelijk van de verwerping, alzoo daarvan weinig in de Schriftuur gelezen wordt.
    En niemand kan uit deze leer eenige wettelijke gelegenheid nemen, of eenige oorzaak aangrijpen, om te veronachtzamen of te versmaden het gehoor van het Woord Gods en te wanhopen van zijne zaligheid. Want, indien iemand aldus eenig besluit maakt:
    ,,Alle diegenen, over dewelke God zich heeft willen ontfermen, dezelven zullen onfeilbaarlijk zalig worden. Over mij heeft God zich niet willen ontfermen, want Hij heeft zich over mij nog niet ontfermd;
    Derhalve zoo zal ik niet onfeilbaarlijk zalig worden ;"
    wij antwoorden: Dat sommigen vroeger, en sommigen later barmhartigheid geschiedt; dat deze geroepen worden ter zesder, en die ter elfder ure; en dat de moordenaar, die in het einde zijns levens tot Christus gekomen is, zooveel ontvangen heeft, als de anderen, die, hun geheele leven door, God gediend hebben; dewijl het eeuwige leven niet naar verdienste gegeven wordt, maar uit genade. Aangezien dan in alle andere dingen, die het tegenwoordige leven aangaan, een ieder van zichzelven het beste hoopt, en alle middelen aanwendt, door dewelke hij meent, dat hij datgene zal kunnen bekomen, wat hij is hopende; zoo vermanen wij allen en een iegelijk, dat ze ook geenszins in gebreke willen wezen voor zichzelven, in die dingen, dewelke daar belangen het toekomstige leven, en bovenal, dat zij het Woord Gods willen hooren, of misschien God te eeniger tijd hen bekeering wil geven tot kennis der waarheid, opdat zij, ontvangende de gezondheid huns verstands, uit de strikken des duivels mogen ontgaan. Zoo geven wij dan daarom den moed van niemands zaligheid verloren, zoolang hij leeft; ook laten wij niet toe, dat iemand twijfele, tenzij dat klare teekenen van verwerping, verblinding namelijk, en de zonde tegen den H. Geest, dewelke ter dood is, en voor dewelke het niet geoorloofd is te bidden, in iemand kennelijk en merkelijk gevonden werden.

    DIT IS BEHOUDENS HETER OORDEEL, ONS GEVOELEN, OVER DIT EERSTE ARTIKEL.

                                             ___________________