Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Het Oordeel van Franciscus Gomarus over het Eerste Artikel


    HET OORDEEL VAN FRANCISCUS GOMARUS OVER HET EERSTE ARTIKEL,
    NAMELIJK
    VAN DE VERKIEZING EN VERWERPING

    HET EERSTE ARTIKEL DER REMONSTRANTEN.
    God heeft door een eeuwig en onveranderlijk besluit, in Jezus Christus, eer des werelds grond gelegd was, besloten uit het gevallen zondig menschelijk geslacht, diegenen in Christus en om Christus wil, en door Christus zalig te maken, die door de genade des H. Geestes in denzelven zijnen Zoon Jezus zullen gelooven, en in datzelve geloof en gehoorzaamheid des geloofs door dezelve genade tot den einde toe zullen volharden. En daarentegen, de onbekeerlijken en ongeloovigen in de zonde onder den toorn te laten, en te verdoemen als vreemd van Christus; naar 't woord des H. Evangelies, Joh. 3:63. Wie in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; En wie den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. En meer anderen plaatsen der Schriftuur.

    VERKLARING DEZES ARTIKELS.

    VAN DE ALGEMEENE PRAEDESTINATIE DER MENSCHEN.

    Onschriftmatige Stellingen.

    1.De praedestinatie (dewelke de verkiezing

    [616]

    en verwerping bevat) is niet eene eenige praedestinatie, maar is tweëerlei. De gedaagde Remonstranten in hunne verklaring, Art. 1. En in den brief aan die van Walcheren, 41.
    Schriftmatige Tegenstellingen.

    1. De praedestinatie (dewelke de verkiezing

    [616]

    en de verwerping bevat) is niet tweëerlei, maar eene eenige praedestinatie.



    En zulks zal uit het navolgende blijken.

    2. De eerste is een generaal of algemeen Goddelijk besluit, door hetwelke Hij besloten heeft, de geloovigen zalig te maken, en de ongeloovigen te verdoemen. Op dezelfde plaatsen.
    2. Het generale of algemeene Goddelijke besluit, door hetwelk Hij besloten heeft de geloovigen zalig te maken, en de ongeloovigen te verdoemen, is de praedestinatie niet ter zaligheid en ter verdoemenis.


    1. Overmits het in zichzelf noch eenige toekomstige zaligheid, noch eenige toekomstige verdoemenis besluit, maar alleen de wijze en de voorwaarde der zaligheid en der verdoemenis beschrijft.

    2. Overmits dezelve geene verkiezing of verwerping der menschen aanwijst, maar alleen der hoedanigheden, namelijk des geloofs en des ongeloofs. De geciteerde Remonstranten in hunne verklaring. Dewijl namelijk dit algemeen besluit (naar het gevoelen der Remonstranten) niet alleen voor henen gaat voor het voorzien van de bizondere geloovige menschen, maar ook ganschelijk voor henen gaat voor het ordineeren der middelen, die daar noodig zijn om het geloof in de menschen te werken. Remonstranten, brief aan die van Walch. 35, 36.

    3. Dit is het gansche en geheele besluit der praedestinatie. Haagsche Conferent, 57.









    3. Dit is niet het gansche en geheele besluit der praedestinatie.

    Want de waarheid dezes kan blijken, indien het of geschiedt, dat ze allen geloofden en behouden werden, zoodat niemand verdoemd werd, of dat ze allen ongeloovig werden en verdoemd, zoodat er niemand zalig werd, hetwelk ganschelijk tegen de geheele praedestinatie (dewelke samen uit de verkiezing en verwerping bestaat) is strijdende.















    4. Het besluit van de geloovigen zalig te maken is alleen het fondament van het Christendom, van de zaligheid en van de zekerheid der zaligheid. Haagsche Conf. 61.
    4. Het besluit van de geloovigen zalig te maken, is niet het eenige fondament van het Christendom, van de zaligheid, en van de zekerheid der zaligheid; maar het eerste fondament der zaligheid is de genadige liefde en verkiezing Gods; dewelke de oorzaak is en het fondament niet alleen van de zaligheid, maar ook van de schenking des Zaligmakers, Christus, en des geloofs in Hem. Rom. 8:29, 30; Joh. 3:16, en 6:37; Hand. 13:48.

    5. De tweede praedestinatie is een speciaal of een bizonder Goddelijk besluit, door hetwelk Hij besloten heeft, naar het voorgaande besluit, dezen zalig te maken, en die te verderven; dat is dezen, aangemerkt als geloovigen, tot het eeuwige leven te verordineeren en die, aangemerkt als ongeloovigen, of die niet gelooven willen, tot den eeuwigen dood en het verderf te veroordeelen. De geciteerde Remonstranten in hunne verklaring en in den brief aan die van Walch, 34, en 41. 3. Dit is niet het gansche en geheele besluit der praedestinatie. 5. Daar is wel eene bizondere praedestinatie, maar dezelve moet met meerdere waarheid op eene andere wijze beschreven worden, gelijk zulks uit de navolgende verklaring met goed onderscheid zal blijken.

    [617]

    VAN DE BIZONDERE PRAEDESTINATIE, OF VERKIEZING DER MENSCHEN TER ZALIGHEID.

    Onschriftmatige stellingen.

    1. De bizondere praedestinatie der menschen ter zaligheid, is tweederlei: ten einde toe, dewelke met zich samen gaande en samengevoegd heeft, eene dadelijke gemeenschap of mededeeling der eeuwige zaligheid; en niet ten einde toe, waar datzelve niet is. De geciteerde Remonstranten in hunne verklaringen op het 1. Artikel.
    Schriftmatige tegenstellingen.

    1. De heilige Schriften bekennen geene andere, dan een eenige bizondere praedestinatie der menschen tot zaligheid.

    2. Die ten einde toe is het besluit Gods, van diegenen in 't bizonder zalig te maken, dewelke Hij voorzien heeft, dat door de genade zijns H. Geestes in Christus zouden gelooven, en in dit geloof tot den einde toe volharden. Remonstranten, in den Brief aan die van Walch. 36. 2. De praedestinatie des menschen ter zaligheid, is het besluit Gods van de heerlijkheid en de genade (die ter zaligheid genoegzaam is, en dezelve ook krachtelijk is werkende, te geven aan zekere menschen, uit het gansche menschelijk geslacht, naar zijn allervrijst en waarlijk genadig welbehagen; 2 Thess. 2:13; Rom. 8:28, 29, 30; Fil. 2:13; tot lof zijner heerlijke genade, Ef. 1:6.

    3. Welke praedestinatie alleen tot de zaligheid en tot de heerlijkheid is, maar niet tot de genade. In denzelfden Brief, 38 en 45. 3. Dezelve praedestinatie is niet alleen tot de zaligheid en tot de heerlijkheid, maar is ook tot de genade, dewelke, om de heerlijkheid aan te brengen, noodig is; 2 Thess. 2:13; Rom. 8:28, 29, 30. Zoodanig als daar is, de genade der schenking van Christus tot een Zaligmaker, Joh. 3:16; 1 Petr. 1:20; en 1 Joh. 4:10; en de genade der roeping, Rom. 8:28, 30; en des geloofs, Hand. 13: 41; en 2 Thess. 2:13, Fil. 1:29, en 2:13; der rechtvaardigmaking; Rom. 8:40; der gelijkvormigheid met Christus, Rom. 8:29; en der heiligmaking; Ef. 1:4; en 2 Thess. 2:13; der aanneming tot kinderen; Ef. 1:5; en der bewaring in Christus en door Christus; Joh. 6:29, en 10:28, 29. Tot welke genade de praedestinatie niet minder aangesteld is, als tot de zaligheid.

    4. Welke zaligheid in de geloovigen de belooning des geloofs is, doch niet het einde. De geciteerde Remonstranten, in hunne verklaring. 4. Welke zaligheid in de geloovigen beide de belooning des geloofs is, 2 Tim. 4:8; en ook het einde; 1 Petr. 1:8. Want het is het opperste goed, om welks wil het geloof gegeven wordt, en waartoe het geloof zich uitstrekt; 2 Thess. 2:13; Joh. 20:3; Hand. 26:18.

    5. Doch de genade der schenking van Christus, der roeping des geloofs, der rechtvaardigmaking, der heiligmaking, der aanneming tot kinderen, en der volharding,

    [618]

    is niet een middel, hetwelk gesteld wordt onder de bizondere praedestinatie ter zaligheid; maar dezelve gaat zelfs voor de praedestinatie in orde der natuur. Brief aan die van Walch. 41, 44.
    5. Doch de genade der schenking van Christus, der roeping, der aanneming tot kinderen, en der volharding, gaat voor de zaligheid zelve, als een middel, daartoe ver ordineerd, maar zij

    [618]

    volgt in orde na de praedestinatie tot de zaligheid.
    Ditzelve blijkt uit de derde tegenstelling.

    6. Want het geloof en deszelfs gehoorzaamheid en volharding, zijnde als van den mensch gewrocht, en van God voorzien, is een voorwaarde in dengene, die verkoren zal worden, van te voren vereischt, en eene oorzaak (die men noemt), zonder dewelke de zaak niet is, op dewelke het besluit der verkiezing is steunende. De geciteerde Remonstranten in hunne verklaring, en de Brief aan die van Walch. 41, en 44. 6. Want het geloof, deszelfs gehoorzaamheid en de volharding in hetzelve, is niet eene voorwaarde in dengene, die verkozen zal worden, die voor de verkiezing van te voren voorzien is, en is ook geene oorzaak, zonder dewelke de zaak niet is, maar is een eigen werk der verkiezing, 't welk uit dezelve is voortvloeiende, Hand. 13:48; Rom. 8:30; en 2 Thess. 2:13; en 1 Petr. 1:2. Anderzins zoude onze liefde en verkiezing voor henen gaan, voor de liefde en verkiezing Gods, 't welk tegen de Schriftuur is; 1 Joh. 4:10; Rom. 9:16, en 5:8, en 10.

    7. Welke genade des geloofs niet alleen den uitverkorenen ter heerlijkheid gegeven wordt, en dengenen, die zalig zullen worden, maar ook gegeven wordt den verworpenen, en dengenen, die verdoemd zullen worden. De geciteerde Remonstranten in hunne verklaring. 7. Welke genade des geloofs alleen gegeven wordt den uitverkorenen ter heerlijkheid, en dengenen, die zalig zullen worden; maar wordt niet gegeven aan eenige verworpenen, en den genen, die verdoemd zullen worden; Joh. 10:26, 27; en 6:44, 45; Tit. 1:1; 2 Thess. 3:2.

    8. En het geloof der uitverkorenen, hunlieden eenmaal gegeven zijnde, kan ganschelijk en geheel verloren worden, en ook wederom hersteld worden, en wat meer is, wordt somtijds ook metterdaad zelf verloren, en, verloren zijnde, wordt ook wederom hersteld. Aldaar terzelfder plaats. 8. En het geloof der uitverkorenen, hunlieden eenmaal gegeven zijnde, kan nooit in henlieden ganschelijk en geheel verloren worden, van wege de waarheid en de kracht Gods, die hen bewaart; veel minder is het waar, dat hetzelve kan verloren worden, en, verloren zijnde, hersteld worden, alhoewel het eensdeels kan verminderd of vermeerderd worden; Joh. 10:28, 29; en 1 Petr. 1:5; Matth. 24:24; Rom. 8:30, 39.

    9. Derhalve iemand, ten einde toe verkoren zijnde, kan in dit leven een verworpene worden, en wederom van een verworpene een uitverkorene worden. 9. Derhalve iemand, ten einde toe verkozen zijnde, kan in dit leven geen verworpene worden, noch van een verworpene een uitverkorene worden; Matth. 24:24; Rom. 8:30, 33, 35, 39.

    10. Waaruit dan volgt, dat de eene verkiezing, n.l. die ten einde toe, veranderlijk is, dewelke is van de levende uitverkorenen, en dat de andere onveranderlijk is, dewelke alleen van de gestorvenen is. 10. Waaruit dan volgt, dat er geene eindelijke verkiezing veranderlijk is, naar uitwijzen van de onveranderlijke natuur der waarheid en des eeuwigen, Goddelijken raads; Jes. 46:3. 10; Jac. 1:17.

    11. De aandrijvende of bewegende oorzaak van deze verkiezing is beide het eenige en allervrijste welbehagen Gods en de verdienste van Christus. Brief aan die van Walch. 35, en 41, en 46, en 36.


    [619]
    11. De aandrijvende of bewegende oorzaak van deze verkiezing is alleen het allervrijste en genadige welbehagen Gods, en derhalve niet de verdienste van Christus, noch iets buiten God. Bizonderlijk des te meer, dewijl

    [619]

    de schenking van Christus een middel is, 't welk geordineerd is onder de verkiezing der menschen ter zaligheid, gelijk als in de derde Tegenstelling bewezen is. En derhalve, zoo is dezelve niet de oorzaak der zaligheid, maar een navolgend werk der verkiezing.

    12. De geloovigen hebben geene volstrekte zekerheid in dit leven van hunne zaligmakende verkiezing, maar er is alleenlijk eene geconditioneerde zekerheid, als dewelke hangt aan een voorwaarde van de onzekere volharding. Grevinch. tegen Ames. 138. 12. De geloovigen zijn verzekerd in dit leven van hunne zaligmakende verkiezing, niet alleen onder deze voorwaarde: indien zij volharden; maar ook volstrektelijk; want zij zijn zeker, dat zij door de genade van God en Christus zullen volharden; Rom. 8:39; en dat, uit de gemeene belofte Gods, van de volharding te geven aan alle ware geloovigen; Jer. 32: 40; Joh. 4:14; en 6:37, 39, 59, 58; en 10:28, 29; en ook uit het bizonder gevoel des geloofs, dat den uitverkorenen eigen is; Tit. 1:1 en 2 Thess. 3:2; en uit het getuigenis des H. Geestes; Rom. 8:13; als de verzegeling van het onderpand onzer erve tot den dag der verlossing; Ef. 1:13, 14, 30; en uit een ernstige lust en hetrachting der goede werken, des geloofs en der liefde; 2 Petr. 1:10.

    13. De volstrekte zekerheid der verkiezing is niet nut tot de Godvruchtigheid. Aldaar ter zelfder plaatse, 139. 13. De volstrekte zekerheid der verkiezing is grootelijks nut tot de Godvruchtigheid, dewijl dezelve den geloovigen opwekt, ten einde zij God, voor deze genadige en onbegrijpelijke weldaad zijner liefde en verkiezing tot de genade en eeuwige heerlijkheid, van gelijken wederom met behoorlijke dankbaarheid liefhebben, aanroepen en verheerlijken, en zichzelven waardig der genade en heerlijkheid dragen; 2 Thess. 2:13, en 14; Ef. 4:4, 5; Ef. 4:1; en 1 Petr. 2:9; Fil. 3:14; en zichzelven in het verdragen des kruises hiermede ondersteunen; Rom. 8:17, 18, 35; 2 Cor. 4:18; wijders, ten einde zij vromelijk en standvastiglijk tegen den Satan, de wereld, en het vleesch (als gestadige vijanden van de eere en genade Gods en van onze zaligheid) strijden; 2 Tim. 4:7, 8; en ten einde zij een vasten troost beide in leven en sterven hebben, en in dit gevoel van de gunst Gods, als in een voorspel des eeuwigen levens, heiliglijk rusten en zichzelven verheugen, Rom. 8:33, 38, 39; en 5:23.

    14. Geen jongen kinderen komt de verkiezing toe, overmits zij geen voorgezien geloof hebben. Grevinch. tegen Ames. p. 150.


    [620]
    14. De jonge kinderen dergenen, die in het verbond Gods zijn door Christus, en dergenen, die ware geloovigen zijn, dezelve gelooven wij Godvruchtelijk, dat mede verkoren

    [620]

    zijn, indien zij voor het gebruik der rede komen te sterven, naar uitwijzen van het formulier des verbonds: Ik ben uw God en uws zaads God; Gen. 17, en Hand. 2:39. Doch, indien ze tot het gebruik der rede komen, zoo bekennen wij die alleen uitverkorenen te zijn, die in Christus gelooven, want deze alleen worden naar het Evangelie behouden.

    15. De niet-eindelijke praedestinatie is diegene, dewelke niet met zich samen gaande, noch samen gevoegd heeft eene dadelijke gemeenschap of mededeeling der eeuwige zaligheid. 15 De niet-eindelijke praedestinatie strijdt tegen de Schriftuur, en tegen de natuur van de eenige en onveranderlijke praedestinatie ter zaligheid.

    Dit volgt op de eerste stelling.                  En zulks blijkt uit het voorgaande.



    16. En dezelve is, of beiden den ongeloovigen en den geloovigen gemeen, of is alleen den geloovigen eigen. 16. Aangezien daar geene niet-eindelijke praedestinatie is, zoo kan ook van dezelve geene verdeeling wezen.

    17. De gemeene is dewelke in 't gemeen zichzelve uitbreidt tot alle degenen, dewelke genadiglijk der Goddelijke roeping deelachtig worden, hetzij dat ze de roeping gehoorzaam zijn, of dat ze door ongeloovigheid dezelve verwerpen. De geciteerde Remonstranten, in hunne verklaring. 17. Nademaal de Heilige Schriftuur een zekere gemeene roeping afzondert van de verkiezing ter zaligheid; en nademaal niet allen, die in 't gemeen worden geroepen, zalig worden, zoo volgt daaruit, dat er geene praedestinatie ter zaligheid, in het gemeene besluit der roeping vervat wordt; Matth. 22:40.

    18. De eigene is dewelke alleen toekomt den waren geloovigen, die niet volharden. 18. Daar is geene niet-eindelijke praedestinatie ter zaligheid, dewelke toekomt den waren geloovigen, die niet volharden.
    Want daar zijn geene ware geloovigen, die ook niet volharden. En daar is geene praedestinatie ter zaligheid, dewelke niet zij ten einde toe.

    VAN DE BIZONDERE VERWERPING DER MENSCHEN TOT DE VERDOEMENIS.

    Onschriftmatige Stellingen.

    1. De verwerping is, de eene ten einde toe, dewelke met zich samengaande, en samen gevoegd heeft eene dadelijke verdoemenis; en de andere is niet ten einde toe. Daar tegenover.
    Schriftmatige Tegenstellingen.

    1. Daar wordt in de Heilige Schriftuur geene niet-eindelijke verwerping gevonden.

    2. De eindelijke verwerping is een besluit Gods, van die in 't bizonder te verdoemen, die Hij van te voren gezien heeft, dat in hunne ongeloovigheid zouden sterven.





    [621]
    2. De eindelijke verwerping is het besluit Gods, door hetwelk Hij naar zijn allervrijsten wil, tot verklaring van zijne wrekende gerechtigheid, zekere menschen, uit het gansche menschelijk geslacht, besloten heeft noch genade, noch heerlijkheid te geven, maar dezelven toe te laten, naar hunnen vrijen wil, in de zonden

    [621]

    te vervallen, en in de zonden te laten, en eindelijk rechtvaardiglijk om hunner zonden wil te verdoemen; Matth. 11:26; en 7:23; Joh. 6:44 en 65; en 10:26; Rom. 11:7, 8; Openb. 20:13; Rom. 9:18, 20, 21, 22.

    3. De verworpenen zijn wel voor een tijd begiftigd met het levende geloof, en worden ook levende leden van Christus, worden gerechtvaardigd en wedergeboren; maar eindelijk vallen zij ganschelijk, en ook voor eeuwig af van het geloof, en gaan verloren. 3. De verworpenen zijn nooit begiftigd met het levende geloof, noch worden ook levende leden van Christus, noch worden gerechtvaardigd noch wedergeboren, veel minder vallen zij af van het geloof; Joh. 10:26, 27; 2 Thess. 3:2; Tit. 1:1; Matth. 7:23.

    4. En daarom kunnen de verworpenen voor een tijd uitverkorenen ter zaligheid worden. En wederom kunnen zij van uitverkorenen worden verworpenen in der eeuwigheid. 4. En daarom kunnen noch de verworpenen uitverkorenen worden, noch degenen, die uitverkoren en geworden zijn, kunnen wederom verworpenen worden in der eeuwigheid.

    5. De niet-eindelijke verwerping, dewelke niet samen gaande noch samengevoegd heeft eene dadelijke verdoemenis, is bij degenen, die, door het Evangelie geroepen zijnde, in den beginne niet gelooven, of, indien zij gelooven, zoo vallen zij af van het geloof voor een tijd, maar eindelijk evenwel zoo sterven zij in het geloof. 5. Deze niet-eindelijke verwerping strijdt ganschelijk tegen de onveranderlijke, en met elkander strijdende natuur der verkiezing en verwerping. Want op deze wijze zoude een en dezelfde persoon op eenen tijd beide verkoren wezen ter zaligheid, en verworpen; een kind Gods, en een kind des Duivels.

    6. De voor-henen gaande, bewegende oorzaak, niet alleen der verdoemenis, maar ook der verwerping van de genade en heerlijkheid tot de rechtvaardige verdoemenis, is de voorgeziene zonde, en dat namelijk de werkelijke zonde, samengevoegd met de oorspronkelijke.
    6. De voor-henen gaande, bewegende oorzaak der verwerping van de genade en heerlijkheid tot de rechtvaardige verdoemenis, is alleen het vrije welbehagen Gods; alhoewel de oorzaak, van de uitvoering hiervan of van de rechtvaardige verdoemenis, zij allerlei zonde, van den mensch gewrocht, en van God toegelaten en verdragen; Matth. 11:25, 26; Rom. 9:16, 18, 22; Rom. 6:23; 2 Thes. 1:8, 9.

    7.Want om de oorspronkelijke zonde alleen wordt niemand verworpen, niemand verdoemd. En derhalve, zoo is er gansch geene verwerping der jonge kleine kinderen. Grevinch. Tegen Ames. 142, 145, 150; Episc. Thes. p. 28. 7. Want ook alleen om de oorspronkelijke zonde is de verdoemenis, dewelke de bezoldiging is van allerlei zonde, zelfs ook van die, welke geene dadelijke zonde is; Rom. 5:12, 14, 21. En derhalve zijn de kleine, jonge kinderen der ongeloovigen, die vreemd zijn van het verbond Gods, zijnde niet wedergeboren, van nature kinderen des toorns, zonder Christus, zonder hoop, zonder God; Ef. 2:3, 12; gelijk ook in den zondvloed de jonge kinderen van de godloozen der wereld, en ook in den gemeenen brand van Sodom de jonge kinderen van de godlooze Sodomieten vergaan zijn, en samen met de ouderen de gramschap Gods rechtvaardiglijk onderworpen zijn geworden; 2 Petr. 2:5, 6.


    FRANCISCUS GOMARUS.
                                                __________________