Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Het Oordeel der Theologen van Bremen


    [578]

    HET OORDEEL DER THEOLOGEN VAN BREMEN,

    VAN DE IN HET VIJFDE ARTIKEL DER REMONSTRANTEN IN TWIJFEL GETROKKEN QUAESTIE :

    VAN DE VOLHARDING DER HEILIGEN.

    OF DE WARE HERBORENEN DOOR EEN ALGEMEENEN AFVAL DEN GEEST DER
    GENADE TEN EENENMAAL KUNNEN UITSCHUDDEN, EN ZICHZELVEN VAN ALLE HEMELSCHE GOEDEREN BEROOVEN.

    I.

    Wanneer wij spreken van de volharding der heiligen, zoo verstaan wij door de heiligen alle de herborene menschen en die alleen, dewelke God, door het Woord en zijnen Geest, met het zaligmakende geloof, de hope, en liefde begiftigd heeft; en door het woord volharding, die standvastigheid en gestadigheid, dat diegenen, die eenmaal begonnen hebben kinderen Gods te zijn door de wedergeboorte, ook kinderen blijven, en alzoo zekerlijk zijne erfgenamen worden; hoewel ze in de gehoorzaamheid, zoo veel belangt de deelen en sommige trappen, dikwijls voor een tijd in gebreke zijn, en dusverre hunne volharding afbreken. Deze zijn het, die op die spreuk: Die volstandig blijft tot den einde zal zalig worden; mogen en moeten van zichzelven zeggen: wij zullen door Gods genade volharden; en dan daaruit besluiten: derhalve, zoo zullen wij ook zalig worden.

    II.

    Gelijk namelijk aan de schepping toegevoegd is eene bewaring in de natuur, opdat de geschapene dingen niet tot niet worden: alzoo is aan de herschepping of wedergeboorte eene bewaring in de genade aanklevende; opdat degenen, die in Christus geworden zijn nieuwe creaturen, niet wederom vallen in den stand van te wezen geene kinderen, of geheel vreemde menschen, ten eenenmaal kinderen des toorns, worden.

    III.

    Derhalve verklaren wij, dat de recht herborenen niet alleenlijk moeten volharden, maar ook kunnen en willen volharden door de kracht, van God gegeven. Dat zij moeten, blijkt, 1. Omdat het God gebiedt, 2 Thess. 2:15; 1 Corint. 16:15; 1 Tim. 3:14; Joh. 15:4. 2. Omdat God den volhardenden belooningen toezegt, Lev. 26:3; 2 Cor.6:16; Joh. 5:11, 31; Joh. 15:7; Matth. 10:12, en 24:13. Dat zij kunnen en willen, is daaruit te vernemen, I. Omdat God hun is ter rechterhand, Rom. 8:31. II. Omdat God hun krachten geeft, Fil. 4:13. III. Omdat de H. Geest in hen woont.

    IV.

    En dat is zoo gansch waarachtig, dat zij zelfs niet kunnen verleid worden ten verderve, Matth. 24:24; Joh. 10:28, 29.

    V.

    Hieruit is het dan, dat de herborenen zekerlijk volharden, en het eeuwige leven verkrijgen, Rom. 8:30, 35; Joh. 10:27, 28.

    VI.

    De vastigheid dezer volharding hangt aan de onveranderlijkheid van den raad Gods, waarmede Hij zijne uitverkorenen, door en om Christi wil, en in Hem en met Hem, zekerlijk besloten heeft zalig te maken, en tegen alle beletselen in den weg des levens tot het zalige leven te brengen.

    VII.

    En dat behoort tot de glorie onzes Verlossers, denwelken wij gelooven en belijden, dat ons zalig maakt, niet alleenlijk naar verdienste, maar ook naar kracht.

    VIII.

    Indien Hij zonder deze weldaad is, zoo zullen wij geenszins gelukkiger wezen in den tweeden Adam, als wij geweest zijn in den eersten; want in dezen hadden wij ontvangen eene veranderlijke gerechtigheid, en dat wij konden, indien wij wilden; maar in Hem ontvangen wij eene onveranderlijke gerechtigheid, zoodat wij beide kunnen hetgeen wij willen, en ook willen hetgeen wij kunnen; zoo veel nochtans als de brooze conditie dezer pelgrimagie en veranderlijkheid lijdt.

    [579]

    IX.

    Doch de herborenen, hoe dapper zij ook tegen de zonden strijden, zoo zijn zij nochtans met vele en groote zwakheid des vleesches beladen, waartegen zij wel worstelen, zijnde de Geest van God opgewekt; maar nochtans laten zij zichzelven dikwijls van de begeerlijkheden des vleesches overwinnen, Rom. 7:19, 22, 23, 24; Gen. 8:20; Gen. 19:30; 2 Sam. 12:9; Matth. 26:30; Gal. 2:14.

    X.

    Met zulke zonden vertoornen zij God zeer zwaarlijk, en, zooveel als in hen is, maken zij zich der eeuwige verdoemenis schuldig, uit dewelke zij nimmermeer zouden geraken, ten ware dat hunne zonden vergeven, en de gerechtigheid Christi hen van God toegerekend werde, en zij zich tot een ernstige behartiging der ware boetvaardigheid bekeerden.

    XI.

    Wanneer de herborenen aldus met hunne zonden God vergrammen, sluiten zij, zooveel als in hen is, zichzelven uit de genade Gods, bedroeven den Geest, verliezen eene goede conscientie, de zuiverheid des harten, de blijdschap des Geestes, het gevoel van den troost, en de vurigheid om Gods Woord te hooren, God aandachtiglijk te bidden en te dienen, en meer andere gaven des Heiligen Geestes; daarentegen gevoelen zij verschrikkingen en knagingen der conscientie. Dit leert ons de algemeene ervaring.

    XII.

    Nochtans, de recht herborenen treden nimmermeer zoo verre buiten spoor, dat zij met een algemeenen afval van God ten eenenmaal zouden afwijken, Hem met eenen vijandelijken haat vervolgen, en met opgezette boosheid, gelijk als de duivel, zondigen, en zichzelven van alle hemelsche goederen berooven. Want geen exempel van zoodanigen afval kan uit de H. Schrifturen bijgebracht worden.

    XIII.

    Derhalve ook kunnen zij nimmermeer uit de genade en gunst Gods uitvallen; maar God is alzoo over hunne zonden gram, dat Hij hen nochtans als kinderen niet haat, maar kastijdt, opdat zij niet verwerpelijk worden, 2 Sam. 7:14; Ps. 89:33, 34, 35.

    XIV.

    Maar tweeërlei misbruik dezer leer moet men voornamelijk vermijden; 't eene is, dat zij niet in zonden vallen; het andere, dat zij in dezelve niet blijven steken, maar liever, hoe wij zekerder zijn van de gunste Gods, hoe ook des te wakkerder wij ons zelven tot alle onze schuldige plichten moeten opwekken.

    XV.

    Opdat wij de vallen vermijden, zullen wij altijd ons zelven voor oogen stellen, dat God zijne genade door deze middelen en niet anders in ons wil bevestigen, zoodat wij trachten naar de Goddelijke gerechtigheid en heiligheid; ons toeleggen op gestadig bidden, hetrachting van Gods Woord, herinnering aan den ontvangenen Doop, het Godzalige en menigvuldige gebruik des H. Avondmaals, een sober leven, de vermijding van eenen wereldschen omgang, en diergelijke; zoodat diegenen, die zorgelooslijk deze dingen tot den einde toe verzuimen, hetoonen, dat zij van 't getal der herborenen niet zijn. (Beziet Ursinus, in de plaats van den H. Geest, hoe dezelve ontvangen en verloren wordt.)

    XVI.

    En om van de vallen op te staan, zoo zullen wij de Goddelijke barmhartigheid bemerken, ons gemoed keeren tot den oneindigen prijs des doods Christi, gaarne en dankbaar de vermaningen van vrome lieden toelaten, enz.

    XVII.

    Deze leer, alzoo geloofd, en alzoo ook verhandeld, recommandeert de volheid en standvastigheid der Goddelijke genade, bedwingt de zorgeloosheid des vleesches, en onderhoudt en koestert in de kinderen Gods eene behoorlijke vreeze en vertrouwen; zoodat wij, herborenen en aangenomene kinderen Gods, den aard en de volmaaktheid des eenigen Zoons Gods naar onze geringheid navolgen, en als leden Hem, het Hoofd, gelijk worden.

    OORDEEL VAN HET VIJFDE ARTIKELDER REMONSTRANTEN.

    I.

    De inhoud des vijfden Artikels heeft twee voornaamste deelen; het eerste stelt

    [580]

    de faculteiten en zekerheid van de zaligheid der geloovigen; het tweede trekt dezelven in twijfel.

    II.

    Het eerste deel leert drie dingen; 1. Dat diegenen, die Christus met een waar geloof ingelijfd zijn, en derhalve zijn levend makenden Geest deelachtig zijn geworden, met genoegzame krachten voorzien zijn, waarmede zij tegen den Satan, de zonde, de wereld en hun vleesch kunnen strijden, ja ook de victorie over dezelven behalen. 2. Dat Jezus Christus hen door zijnen Geest in alle verzoekingen bijstaat, de hand biedt, hen ondersteunt en bevestigt. 3. Dat zij door geen list of geweld des duivels geheel kunnen verleid, of uit de handen Christi getrokken worden, naar de belofte Christi, Joh. 10:28.

    III.

    Een deel van het laatste trekt in twijfel, ,,of diezelven niet zouden kunnen door sloffigheid, als de Apostel spreekt, Heb. 3:6, 14, het beginsel van hun zijn in Christus verlaten, deze tegenwoordige wereld wederom omhelzen, van de heilige leer, hun overgelaten, afwijken, de goede conscientie verliezen, en de genade verwaarloozen"; en zegt: ,,dat dit nauwer uit de Schriftuur zoude moeten onderzocht worden, eer wij dat met volle verzekerdheid onzes harten anderen zouden kunnen leeren" (Haag. Confer. blz. 296).

    IV.

    Maar is het, dat de Remonstranten deze drie, die in 't eerste deel des Artikels vervat zijn, waarlijk en van harte gezegd hebben, zoo kunnen noch moeten zij hieraan twijfelen. Want is het zaak, dat diegenen, die Christus ingelijfd zijn, overvloediglijk met kracht voorzien zijn, om de overwinning over den duivel, de wereld en het vleesch te behalen, en dat Christus in alle verzoekingen hen nabij is, de hand biedt, en hen versterkt, zoodat zij door geen bedrog of geweld des duivels verleid en uit zijne handen gerukt kunnen worden; lieve! wat twijfel is er, dat zij door de krachten, die Christus hen gegeven heeft, en door zijn bijstand en versterking geholpen en gestijfd zijnde, ooit het beginsel van hun zijn in Christus zullen verlaten, en van het geloof afwijken, en van de genade ontbloot worden! Wat is dat anders, dan zichzelven tegenspreken?

    V.

    Maar zij zullen zeggen, dat zij het niet gezegd hebben volstrektelijk, maar met voorwaarde, dat Christus dengenen, die Hem door waar geloof ingelijfd zijn, met zijnen Geest bijstaat, de hand biedt, en bevestigt, indien namelijk zij ten strijde bereid zijn, zijne hulp verzoeken, en in geen gebreke zijn van hun schuldigen plicht. Maar dat deze voorwaarde van velen niet wordt volbracht.

    VI.

    Deze uitvlucht geeft aan God niet, noch ook aan Christus en den H. Geest, al den lof, dien wij Hem schuldig zijn, alsof Hij wel diegenen, die met waar geloof Christus ingelijfd zijn, met krachten der wederstandelijke genade voorzag, maar tot den strijd niet bereid maakte, en zoo zorgeloos laat zijn, dat
    zij zijne hulp niet begeeren, en in gebreke zijn van hunnen plicht.

    VII.

    De Goddelijke beloften bewijzen verre wat anders. Want hoewel de strijd, de gebeden, zorgvuldigheid, en diergelijke voorwaarden, die zij eischen, gansch noodig zijn tot de volharding, worden die nochtans niet gesteld van de geloovigen, maar worden van den H. Geest in de geloovigen gewrocht, volgens deze getuigenissen: Deut. 30:6, God, de Heere, zal uw hart besnijden, en het hart uws zaads, dat gij den Heere, uwen God, lief hebt van ganscher harte; Jer. 32:40, Ik zal mijne vreeze in hunne harten geven, dat zij van Mij niet wijken. Hetwelk Augustinus aanhaalt; de Bono Persever, cap. 2; en tot voordeel van de weldaad der volharding verklaart. Voegt hierbij Ezech. 36:27; Jes. 59:21; Zach. 12:10; 1 Cor. 1:8; 1 Pet. 1:6.

    VIII.

    Het heeft ook niet veel om 't lijf, dat zij zeggen, dat de beloften niet zijn volstrekt maar onder voorwaarde, en dat, ten nauwste genomen, ook de allerminste zonden der heiligen dezelve uitsluiten. Want de beloften spreken uitdrukkelijk van de voorwaarde zelve des geloofs, der gebeden en der volharding, in de geloovigen te zullen te weeg brengen.

    581

    IX.

    En het volgt niet, dat de voorwaarde niet beloofd wordt, als van den H. Geest in ons volbracht te zullen worden, omdat ze bevolen, en de geloovigen afgeeischt wordt. Want daar wordt ook geboden, dat zij God zullen vreezen, Hem aanhangen en in zijne wegen wandelen, en nochtans belooft God, dat Hij dit alles zal geven en te weeg brengen.

    X.

    En nochtans, deze beloften sluiten niet uit alle de vallen en zonden der heiligen, maar richten de gevallenen op van hunnen val. Want ook daartoe worden ze menigmaal uitgestrekt, Ps. 37:24, en 89:34.

    XI.

    Derhalve, indien het eerste deel des artikels waarachtig en zeker is; gelijk het gansch zeker en waarachtig is; zoo is wederom teneenenmaal valsch het laatste deel, als hetwelk openlijk het eerste tegenspreekt, hetwelk een klaar bewijs is van eene kwade zaak.

    XII.

    En deze tegenstrijdigheid ontgaan ze niet, ontkennende, dat zij de volharding der heiligen in twijfel trekken, maar een nader bericht aangaande dezelve begeeren, overmits zij in de gansche Conferentie van de volharding der heiligen alzoo disputeeren, dat zij het geen zij in het eerste deel dezes Artikels als waarachtig en zeker stellen, niet alleenlijk beweren te zijn twijfelachtig en onzeker, maar ook merkelijk valsch en Godloos; opdat wij niets zeggen van hunne stellingen, en verklaringen des 5. Artikels, die zij aan de Synode hebben overgeleverd.

    XIII.

    Daarenboven, opdat zij met des te meerdere aangenaamheid zouden mogen disputeeren, zoo zeggen zij dikwijls in de Conferentie, dat wij zouden leeren, dat degenen, die eenmaal geloofd hebben, nimmermeer vallen kunnen, noch vallen zullen, maar verzekerd zijn, hoezeer zij zondigen, dat zij nimmermeer het geloof kunnen verliezen, en uit de genade vallen, maar onfeilbaarlijk zullen volharden en zalig worden, en dat zij deze wijze van volharding maar in twijfel trekken. Haag. Confer. pag. 354, 403, 404.

    XIV.

    Daarhenen worden de zeven soorten van bewijsredenen gericht.
    1. Omdat zij uit zichzelven voor de Godzaligheid en goede zeden nadeelig is, of omdat de predikatie der zelve vol ergernis is [Pag. 353].
    2. Omdat ze de middelen van vermaningen, geboden, beloften, dreigementen, en het gebruik derzelve, alle kracht beneemt [blz. 356].
    3. Omdat ze de waarschuwingen des H. Geestes, van de bedriegerijen en listen des Satans te vermijden, krachteloos maakt [blz. 359].
    4. Omdat de exempelen bewijzen, dat velen ganschelijk zijn afgeweken [blz. 360].
    5. Omdat men in de Schriftuur leest, dat vele geloovigen zwaarlijk gevallen zijn in die zonden, die met het geloof niet kunnen bestaan [blz. 361].
    6. Omdat, deze leer gesteld zijnde, niet alle gedoopte kinderen, van geloovige ouders geboren, zouden zalig worden [blz. 362].
    7. Omdat velen van de geloovigen in zoodanige zonden vallen, dat zij ge-excommuniceerd en den Satan overgegeven worden [blz. 363].

    XV.

    Hierop antwoorden wij kortelijk; en dat op het 1.
    Indien de leer der volharding ergernis en ongebondenheid baart, zoo zullen de profeten en Apostelen te beschuldigen zijn, die dezelve de Kerk hebben geleerd en aangeprezen, en zij zullen geen spoorslag tot de Godzaligheid gehad hebben. Maar dit is ongerijmd; derhalve, ook het ander.
    Op het 2. en 3. Door deze middelen wordt de vlijt en zekerheid, in de harten der herborenen, gekoesterd en versterkt.
    Op het 4. Maar deze zijn nooit geweest recht herborene en levende lidmaten der Gemeente, 1 Joh. 2:19.
    Op het 5. De exempelen van Mozes, Aaron, David, Saul, Judas en van anderen, doen hier niets ter zake. Want deze zijn of niet waarlijk herboren geweest, of hebben zich ten laatste bekeerd en zijn zalig geworden.
    Op het 6. Het volgt niet. Hoewel wij datzelve hopen in' diegenen, die in de kindsheid sterven, gelijk op het 1. Artikel gezegd is.

    [582]

    Op het 7. De ge-excommuniceerden zijn niet van eenerlei soort. Sommigen zijn herborenen, en deze, al is het, dat zij met de kerkelijke censuur over hunne zonde gestraft worden, zoo blijven zij nochtans in de innerlijke gemeenschap der heiligen, door den band des geloofs, welken zij niet ten eenenmaal hebben gebroken door de uiterlijke ergernis; sommigen zijn niet herboren, dewelke, zoo zij herboren worden, eindelijk volharden, en zoo zij niet herboren worden, onder de onheiligen te rekenen zijn.

    XVI.

    Verder diegenen, die anders in dit hoofdpunt niet bestrijden, die hebben geene bekwame reden, waarom zij de Kerken in onrust gebracht hebben. Want datzelve verwerpen, verfoeien en verstooten wij uit de Kerke Gods, niet alleenlijk als twijfelachtig, maar ook als valsch en vol ergenis.

    XVII.

    Derhalve doen zij kwalijk, dat zij ons eene leer toedichten, die wij geenszins voor de onze erkennen; en met de zeven voorzegde redenen die valsche leer wel te niet maken, maar ons gevoelen geenszins raken; gelijk in de Conferentie aangewezen wordt, pag. 36.

    XVIII.

    In stede van een besluit stellen wij en verwerpen de voornaamste dwalingen omtrent deze leer, wie dezelve ook zouden mogen drijven.

    DWALINGEN.

    1. De volharding is eene eenparige en gelijkvormige standvastigheid in 't geloof en de gehoorzaamheid, die door geene daad der zonde is verbroken.
    2. Zoo menigmaal als de geloovigen eenig werk des vleesches begaan, zoo menigmaal verliezen zij ganschelijk het ware geloof dergenen, die na den doop gevallen zijn, en hebben geene hope van in boetvaardigheid weder opgericht te worden, en vergeving te verkrijgen.
    3. De volharding hangt alleen aan den wil des menschen.
    4. De mogelijkheid om te volharden, maar niet de volharding zelve wordt den geloovigen gegeven.
    5. De kracht en wil van te volharden is geen effect of vrucht van de verkiezing ter zaligheid, maar gaat voor de verkiezing.
    6. De volharding is geene gave, ons door de dood Christi verkregen, maar alleenlijk aangeboden.
    7. De gruwelijke zonden, die de geloovigen somwijlen begaan, zijn maar zwakheden.
    8. Geen herborene kan in dit leven verzekerd zijn van de volharding zonder bizondere openbaring.
    9. De leer van de zekerheid der volharding is uit zichzelve voor de ware Godzaligheid en den ganschen Godsdienst verderfelijk.
    10. De twijfeling aangaande de volharding is prijselijk en nuttig.
    11. Wij kunnen van de volharding verzekerd zijn, zonder waken, bidden, en andere heilige oefeningen, onzen schuldigen plicht verzuimende.
    12. Het tijdelijke geloof is in het wezen zelf niet verschillende van het zalig makende en duurzame geloof.
    13. Daar is geen beginsel, waaruit de gedurigheid des geloofs noodzakelijk vloeit.
    14. De volharding kan een extraordinair voordeel en gave van sommige geloovigen wezen, maar zij is niet allen gemeen.
    15. Uit de leer van de volharding komt niet voort eenige liefde tot Godzaligheid.
    16. Nergens leest men in de Schriftuur, dat God in den wil des menschen wil instorten eene kracht, de volstandigheid des geloofs bewarende.
    17. Een geloovig mensch kan niet verzekerd zijn van zijne zaligheid.
    18. Het is den mensch niet noodig, dat hij weet, dat hij volharden zal.

    Men moet ook vermijden deze termen van spreken; sommige als valsch, sommige als onbekwaam tot stichting.

    Dat de mensch zelfs willens het geloof niet kan verliezen.
    Dat de noodwendigheid om te volharden gansch onvermijdelijk is in zichzelve; als de herborenen zondigen, dat het daaruit is, omdat hun eenige genade onttrokken wordt; dat de verlating Gods eene voorgaande oorzaak is, waarom de menschen ophouden God te gehoorzamen.
    Dat de geloovigen door geene zonden het geloof kunnen verliezen, dat de zonden niet kunnen scheiden van de genade Gods; dat de geloovigen niet meer de vlijt van volharden kunnen verliezen, dan een moorman zijne kleur veranderen, of een man of vrouw hun mannelijk of vrouwelijk geslacht afleggen.

    [583]

    Dat de ware geloovigen niet met opzet kunnen zondigen, maar alleenlijk uit onwetendheid en zwakheid.

    BESLUIT ONZER OORDEELEN VAN DE VIJF ARTIKELEN.

    En dit zij gezegd van de vijf vermaarde artikelen, door welker disputatiën men niet alleenlijk getracht heeft de aangenomene rechtzinnige belijdenis te vervalschen, maar ook, tot gemeene droefheid en hartzeer der geloovigen, de liefde en eendracht, tevoren in deze landen met recht als een exempel, dat waardig was nagevold te zijn, zeer geroemd zijnde, te verbreken en te niet doen. Wij hebben ons gevoelen kortelijk verklaard. Indien ergens van noode is, dat wij eenige zaken nog zouden verklaren of breeder bewijzen; het zal bij ons aan getrouwheid, oprechtheid en naarstigheid niet ontbreken, gelijk hetamelijk is dengenen, die God zulks gezworen hebben.
    Maar wat nu wijders noodig zij om te doen, dat zullen anderen, die wijzer zijn, heter kunnen zeggen, en de Hoogmog. Magistraten, al zwijgen wij schoon, zullen naar hunne Godzaligheid en voorzichtigheid daarop letten. Daarentusschen twijfelen wij niet, of God, die alle dingen wijselijk doet en toelaat, heeft voor in het toekomende eene meerdere ruimte te openen tot stichting en verbreiding des rijks Christi, en opdat de fouten onzer nalatigheid alleszins geheterd mogen worden.
    Ons is belast geweest in 't geven van onze adviezen op twee zaken te zien, namelijk op de Goddelijke waarheid en op den vrede dezer Provinciën. Tot beide wordt inzonderheid vereischt eenvoudigheid en oprechtheid, dat wij, tevreden zijnde met die leer, die ons eene leermeesteres is van vertrouwen op God en van gedurige ootmoedigheid en Godzaligheid, de speculatien, die twist en oneenigheden veroorzaken, vermijden.
    Dat is het hoofdstuk van de zaak, dat ons geene leer behage, die God klein en den mensch groot maakt, en niet altijd daar toekomt, wat de Apostel zegt: Die roemt, die roeme in den Heere. Daar zijn vele verborgenheden op aarde, welker kennis wij heter zullen uitstellen, totdat wij gekomen zullen zijn in de hemelsche vergadering der volkomene geesten, en daarentusschen God dienen in reinigheid des harten en standvastige liefde.
    Voorwaar, wij moeten toezien, dat niet, onder den naam der vrijheid van profeteeren, de ongebondenheid, te hoog klimmende, het teedere en schoon-staande gewas der Kerk overvloeie en verstikke; de verschillen van den Godsdienst, gelijk het woord zelf ons leert, moeten Godsdienstiglijk verhandeld worden, en met behoorlijk onderscheid, en niet, dat wij elkander zouden leed doen, maar met onzen arbeid elkander gunstig zijn, de noodige dingen van de niet noodige en de waarblijkelijke van de minder waarblijkelijke onderscheiden; zonder welke billijkheid nimmermeer in de Kerken of Scholen eenige vrede is te hopen.
    Maar wat aangaat de tegenwoordige zaken, met recht voegen wij ons bij diegenen, die zwaarlijk bedroefd zijn geweest, dat met deze twisten de Kerken tot nog toe beroerd en verstoord zijn geweest. En wij kunnen niet nalaten te oordeelen, dat degenen zwaarlijk zich bezondigd hebben, die lichtvaardiglijk en onbedachtelijk deze twisten veroorzaakt en aangenomen hebben, die men terstond in den aanvang had behooren te onderdrukken, en met eene zekere gematigdheid naar de Schriftuur onderzocht zijnde, de zware ergernissen te verhinderen en te beletten. Wij wenschten wel, dat de zaak daar henen gebracht mocht worden, dat, alle scheuring en oneenigheid geweerd zijnde, de Leeraars der Kerken en de toehoorders tot eenigheid gebracht mochten worden. Maar wij zien niet, hoe men tot nog toe door de geciteerde Broeders tot het uitwerksel van goeden raad zoude hebben kunnen komen, ja wij durven vrij uitzeggen, dat wij vreezen, dat onder de Artikelen, in verschil gebracht zijnde, iets ergers is schuilende, waarmede de Satan zijn voordeel gemeend heeft te doen, hetwelk zelfs vele Broeders en toehoorders niet hebben gezien of gemerkt. Maar hetgeen wij geoordeeld hebben, wat van ieder artikel te houden zij, en wat dwalingen wij achten, dat uitgesloten moeten worden, dat wijzen onze schriften uit. De somma komt hierop uit, dat het God is, die de menschen, in gelijk verderf stekende, uit zijne loutere genade en oordeel onderscheidt, en tot de vrucht des lijdens Christi roept die Hij wil, en zijne verdiensten hen toeeigent. In dezen wordt het geloof voortgebracht, door het Woord en zijnen Geest, die hunne verdorvenheid door zijne Goddelijke en Vaderlijke kracht overwint, en hen neigt en tot zich trekt, en

    [584]

    hen tot het zalige einde zekerlijk en altijd bewaart. En derhalve, dat het vreemd is van de waarheid, van de eere Gods, van den troost en van het ambt der geloovigen, te meenen, dat de genade der verkiezing van de willekeur des menschen zoude afhangen, en dat hij de genade der voldoening en der verdiensten Christi, en de genade der wedergeboorte, en der geheele geestelijke bewaring, gelijk als in zijne macht zoude hebben; dat onze wil al den raad Gods en zijn besluit, hetwelk anderszins onzeker zoude vallen, de maat zoude stellen.
    De goede God verhoore onzer aller gebeden, dat in de benauwde conscientiën de vrede weder mag groenen, en, alle haat en afgunstigheid geweerd zijnde, ware eendracht zeer lieflijk mag groeien en bloeien; dat ook Gods genade den staat dezer landen tegen alle tegenwoordige en toekomende gevaren wille wapenen, zoodat voortaan de Satan en Antichrist verlorene moeite mogen doen, in dezelve te bestrijden, en al hunne raadslagen en macht te schande worden, tot eeuwige glorie Gods, onzes Zaligmakers, en dat bij ons blijve de kracht en het gebruik van dien lofzang der Engelen: Eere zij God in de hoogste, vrede op aarde, en in de menschen een welbehagen.

    Was onderschreven en onderteekend.

    DE GEDEPUTEERDEN DER REPUBLIEK VAN BREMEN.
                                               _____________________