|
Titelpagina en voorreden
Zitting 1-25
Zitting 26-50
Zitting 51-75
Zitting 76-100
Zitting 101-125
Zitting 126-150
Zitting 101-125
Zitting 126-150
zitting 151-154
zitting 36
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Vijfde Artikel
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
Na-handelingen Nationale Synode
zitting 155 t/m 180
inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
|
Het Gevoelen en Advies der Theologen van Geneve |
VAN HET VIJFDE ARTIKEL.
VAN DE VOLHARDING DER HEILIGEN,
HET GEVOELEN EN ADVIES DER THEOLOGEN VAN GENÈVE.
EERSTE STELLING.
Diegenen, die God van eeuwigheid verkoren heeft; voor welke Christus zekerlijk en met voorgezetten raad gestorven is; voor welke Hij altijd bidt, die Hij door eene krachtige verbinding in zijn geestelijk lichaam met zich heeft vereenigd en ingelijfd; die Hij eindelijk door de leiding en levende regeering zijns Geestes aangenomen heeft te onderhouden, te bewaren, te bevorderen en te voltrekken; diezelven kunnen van de genade Christi, van de gemeenschap des Geestes en van hunne rechtvaardigmaking, noch geheel noch eindelijk afwijken.
Jes. 55:22. Mijne uitverkorenen zullen het werk hunner handen doen verkonden. Rom. 8:29. Die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren geordineerd, dat gelijkvormig zouden gemaakt worden den beelde zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zij onder vele broederen. En die Hij te voren geordineerd heeft, die heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt. Fil. 1:16. Vertrouwende datzelve, dat Hij, die het goede werk in u begonnen heeft, dat volbrengen zal tot den dag van Jezus Christus. 2 Thes. 2:17. Onze Heere Jezus Christus en de God en Vader, die ons lief gehad en een eeuwigen troost heeft gegeven, en eene goede hope in de genade, die vertrooste uwe harten, en versterke u in alle goede woord en werk. 1 Cor. 1:7. U ontbreekt geene gave, verwachtende de verzekering onzes Heeren Jezus Christus, die u ook zal versterken tot den einde toe onstraffelijk, in den dag onzes Heeren Jezus Christus. God is getrouw, die u geroepen heeft tot de gemeenschap zijns Zoons Jezus Christus, onzes Heeren. 1 Thes. 3:12. De Heere vervulle u, en doe u wassen in de liefde jegens elkander, en jegens allen, om de harten in heiligheid te versterken, onstraffelijk voor God tot de toekomst van Christus. Jer. 24:6. Ik zal mijne oogen op hen slaan ten goede, en zal stichten en niet af breken;
[572]
Ik zal planten en niet uitroeien, en zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de Heere ben; en zij zullen mijn volk zijn, en Ik zal hun God zijn. Jes. 6:13. Gelijk de eiken en de haageik in Sallechet hunne sterkte hebben in zichzelven, alzoo zal het heilige zaad hunne vastigheid zijn. 2 Tim. 2:18. Het fondament Gods staat vast, en heeft dezen zegel: De Heere weet diegenen, die zijne zijn. Luk. 22:31. De Duivel heeft u gezocht te ziften als tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet afwijke; gij dan, bekeerd zijnde, versterk uwe broeders! Joh. 17:12. Als ik met hen was in de wereld, zoo bewaarde Ik ze in uwen naam; Ik heb ze bewaard, die Gij mij gegeven hebt, en geene is verloren gegaan dan het kind des verderfs, opdat de Schriftuur vervuld worde; dit spreek Ik in de wereld opdat zij mijne blijdschap in zich hebben; Ik bid niet, dat Gij ze uit de wereld neemt, maar dat Gij ze bewaart van den kwade. Joh. 10:17. Mijne schapen hooren mijne stem, en Ik ken ze, en zij volgen Mij na; en Ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen niet vergaan in der eeuwigheid, en niemand zal ze uit mijne hand rukken. Joh. 6:39. Dit is de wil des Vaders, die Mij gezonden heeft, dat van hetgeen Hij Mij gegeven heeft, Ik niet verlieze, maar dat opwekke ten uitersten dage. Rom. 8:33. Wie zal de uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardig maakt. Wie zal verdoemen? Christus is het, die gestorven is; die ook opgestaan is; die ook ter rechterhand Gods is; die ook voor ons bidt. 1 Joh. 3:9. Wie uit God geboren is, die doet geene zonde; want zijn zaad blijft in hem, en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. Joh. 8:35. De dienstknecht blijft niet altijd in het huis; de zoon blijft er altijd. Joh. 14:16. Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u eenen anderen Trooster geven, die bij u blijve in der eeuwigheid. Jer. 31:33. Dit is het verbond, dat Ik met den huize Israëls maken zal in die dagen, zegt de Heere; Ik zal mijne wet in 't midden van hen geven, en in hunne harten schrijven. En Jerem. 32:40. Ik zal met hen een eeuwig verbond maken, dat Ik niet ophouden zal hen wel te doen; maar zal mijne vreeze in hun hart geven, dat zij van Mij niet wijken, en zal Mij verheugen in hen wel te doen, en zal ze in de waarheid planten in dit land, uit mijn gansche hart en ziel. Hebr. 12:2. Ziende op den Leidsman en den Volmaker des geloofs, Christus.
TWEEDE STELLING.
De volharding, hoewel ze in de bediening onzer zaligheid van alle geloovigen vereischt wordt, gelijk als eene zekere conditie, om het eeuwige leven te verkrijgen; omdat hetzelve niet kan bezeten noch bewaard worden, dan van diegenen, die zijnen wil naar den wil Gods schikt, en al zijn vlijt, pogen en zorg daartoe aanwendt; nochtans is er inderdaad eene ware gave Gods, uit loutere genade medegedeeld, voor welke God bizonderlijk te danken is.
Hebr. 3:13. Wij zijn Christus deelachtig geworden, zoo verre wij het beginsel des vertrouwens tot den einde toe vasthouden. En vs. 6. Christus is getrouw over zijn huis Gods, als de Zoon; wiens huis wij zijn, is het, dat wij de vrijmoedigheid en roem der hope tot den einde toe vasthouden. Rom. 11:22. Aanmerkt de goedertierenheid Gods in u, is het, dat gij in de goedertierenheid blijft; anderszins zult gij ook afgehouwen worden. Joh. 8:31. Jezus zeide tot de Joden, die in Hem geloofden: Is het, dat gij in mijne leer blijft, zoo zult gij waarlijk mijne discipelen zijn, en zult de waarheid bekennen, en de waarheid zal u vrij maken. Col. 1:22. Hij heeft u verzoend in het lichaam zijns vleesches door den dood, opdat Hij u voor zich stelle onstraffelijk en heilig, is het, dat gij volhardt, gefondeerd en vast in den geloove, en niet bewogen wordt van de hope des Evangelies, dat gij gehoord hebt. Joh. 3:27. De mensch kan niet ontvangen, tenzij dat het hem van den Hemel gegeven worde. Hebr. 13:21. De God des vredes vervulle u, en volmake u in alle goed werk, om zijnen wil te doen, doende in u hetwelk voor Hem behaaglijk is, door Jezus Christus. Ef. 5:10. Dankt voor alles God en den Vader.
[573]
DERDE STELLING.
De volharding, naar de orde der natuur en der oorzaken, als een waar en eigen effect of vrucht, volgt de verkiezing en rechtvaardigmaking; maar ten aanzien van de kennis en het gevoel, en van onze conscientie, zoo bekennen wij, dat naar de manier, aanwas, en vastigheid der volharding, de verborgenheid der verkiezing bekend wordt; en dat de laatste daad der volharding is de laatste overwinning en victorie, over de twijfelingen en dubbelingen des vleesches.
Openb. 22:11. Die rechtvaardig is, worde noch rechtvaardiger; die heilig is, worde noch heiliger; en Matth. 13:12. Dengene, die heeft, zal gegeven worden, opdat hij overvloediger hebbe. 2 Petr. 1:10. Weest naarstig, om uwe roeping en verkiezing vast te maken. Want zoo gij dat doet, zoo zult gij niet struikelen. 1. Joh. 3:19. Hieruit weten wij, dat wij uit de waarheid zijn, en versterken onze harten voor Hem; omdat wij de broeders liefhebben, zoo weten wij, dat wij overgezet zijn van den dood in het leven; en hieruit weten wij, dat Hij in ons blijft, uit den Geest, dien Hij ons gegeven heeft.
VIERDE STELLING.
Zoo wie niet wil volharden; zoo wie geërgerd wordt; traag wordt; de genade Gods verzuimt; zichzelven onttrekt; terug wijkt; den duivel, eenmaal uitgedreven, weder toelaat; vervalt wederom in den algemeenen stand der zonden; verloochent den Heere; bluscht den Geest uit; die hetoont metterdaad, dat Hij nooit waarlijk verkoren en gerechtvaardigd is geweest.
Matth. 15:11. Toen kwamen de discipelen tot Jezus, en zeiden tot Hem: Weet Gij niet, dat de Farizëen, deze woorden gehoord hebbende, zijn geërgerd geweest? En Hij zeide tot hen: alle plant, die mijn hemelsche Vader niet heeft geplant, zal uitgeroeid worden. Hebr. 10:38. De rechtvaardige zal uit het geloof leven; en is het, dat iemand afwijkt, in hem zal mijne ziel geen welbehagen hebben. Maar wij zijn niet van de afwijking ten verderve, maar van het geloof tot zaligheid der zielen. 1 Joh. 2:19. Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want, waren zijuit ons geweest, zij zouden bij ons gebleven zijn, maar zij zijn van ons uitgegaan, opdat blijken zoude, dat ze niet allen uit ons zijn. Joh. 13:17. Zoo gij dit weet, zoo zijt gij zalig, zoo gij het doet; Ik zeg niet van u allen; Ik weet, wien Ik verkoren heb. Joh. 17:12. Ik heb bewaard, die Gij Mij gegeven hebt; en niemand van hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werde. Rom. 11:7. De verkiezing heeft het verkregen; de anderen zijn verhard geworden. Filp. 3:12. Ik jaag daar naar, of ik het eenigzins grepe, waartoe ik gegrepen ben van Christus Jezus.
VIJFDE STELLING.
Zoodanigen zijn alle degenen, die voor een tijd gelooven, niet hebbende den levenden wortel des geloofs, alleenlijk in het kerkelijke en Godsdienstige lichaam Christi, door eene zekere uitwendige invloeiing, ingelijfd, maar niet door de Geestelijke; welker geloof nimmermeer is waarachtig en grondig; hunne wedergeboorte is in alle deelen nooit volkomen geweest, noch hun hart is tot in 't binnenste besloten, en van Christus door den Geest vernieuwd geweest, en zij hebben nooit rechte en duurzame vruchten des rijks der Hemelen, Gode behaaglijk, voortgebracht.
Matth. 17:10. Hetgeen dat op het steenachtige gezaaid is, is diegene, die het Woord hoort, en terstond datzelve met blijdschap ontvangt; maar hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is tijdelijk, en wanneer verdrukking of vervolging opstaat om het Woord, worden zij terstond geërgerd. Joh. 15:2. De Vader neemt weg alle rank, die in Mij geene vrucht draagt. Matth. 25:3. De dwaze maagden hebben geen olie in hunne lampen. Matth. 21:19. De vijgeboom, die geen vruchten had, is ook aan zijne bladeren van Christus vervloekt geweest, tot verdorring toe. Jud. 12. Waterlooze wolken, boomen, tweemaal ontworteld, en zonder vruchten.
[574]
ZESDE STELLING.
De ware geloovigen hebben de gave der volharding van de genade; naar eene wijze, die op de krachtige genade past, die niet ongevoelig is, maar levend en gewillig; door eene gedurige invloeiing in het hart en den wil, waardoor zij ook zelve met hem werkt in den loop te loopen, en door gestadige onderstutting des H. Geestes, tegen de zwakheden des vleesches, en het geweld en de listen des duivels; in zulker voegen, dat de ware oorzaak der volharding is de Heilige Geest zelf, den wil des menschen regeerende, met den wil zelven werkende uit zijn natuur en aard, door eene onbepaalde beweging.
1 Joh. 5:18. Wij weten, dat zoo wie uit God geboren is, niet zondigt, maar die uit God geboren is, bewaart zichzelven, en de booze raakt hem niet. 2 Cor. 7:1. Hebbende deze beloften, laat ons onszelven reinigen van alle besmetting des vleesches en des geestes, en onze heiligmaking volbrengen in de vreeze Gods. Fil. 2:12. Vervult uwe zaligheid met vreeze en beven; Want het is God, die in u werkt het willen en het volbrengen naar zijn welbehagen. 1 Pet. 1:5. Wij worden door de kracht Gods bewaard tot de zaligheid, die in den laatsten tijd geopenbaard zal worden. 2 Tim. 4:17. De Heere is bij mij geweest, en heeft mij versterkt en ik ben verlost uit de hand des leeuws; en de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot zijn Hemelsch Koninkrijk. Ps. 84:6. Wel dien mensch, die u voor zijne sterkte houdt, en wien uwe wegen ter harte gaan; gaande van sterkte tot sterkte.
ZEVENDE STELLING.
De volharding is een beeld, ja een beginsel des eeuwigen levens, en hetzelve volgt de volharding na, gelijk op de kindsheid de jongelingschap, en de manschap op de jongelingschap, enz. bij wijze van orde, niet van oorzaak.
Ef. 4: 15.Dat wij, naar de waarheid staande, met liefde alleszins opwassen in Hem, die het Hoofd is, Christus, in welken het gansche lichaam, enz. totdat wij komen tot de eenigheid des geloofs, en der kennis des Zoons Gods, tot een volkomen man, tot de mate des volkomenen ouderdoms Christi.
ACHTSTE STELLING.
De ware geloovigen, wanneer zij in de aanvechtingen onder liggen, en van den Duivel en het vleesch verleid of verrukt worden, zoo wijken zij daarom niet geheel van Christus, naar den geest en het geloof, en verbijsteren niet alle zijne gaven; overmits eene zonde, hoewel ze ook gruwelijk is, terstond niet den band breekt, waarmede wij met Christus vereenigd zijn, hetwelk alleen de eindelijke onboetvaardigheid, de innerlijke vermakelijkheid, verharding en roem in het kwade, en de zonde tegen den Heiligen Geest doen zouden, zoo die in de uitverkorenen konden vallen.
Luc. 22:32. Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet afwijke. Matth. 12:20. Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rookende vlas niet uitblusschen. Zach. 3:2. Is deze niet een brand, die uit het vuur verlost is? Matth. 16:18. De poorten der hel zullen daartegen niet vermogen. Ps. 130:3. Zoo gij de zonden wilt gadeslaan, Heere! wie zal bestaan? maar Gij zijt barmhartig, opdat men U vreeze. 1 Joh. 2:1. Dit schrijf ik, opdat gij niet zondigt; is het, dat iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige. Joh. 17:23. Ik ben in hem, en Gij in Mij, opdat zij volmaakt zijn in één, en opdat de wereld bekenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij ze lief gehad hebt, gelijk Gij Mij lief gehad hebt. Ik bid niet, dat Gij ze weg neemt uit de wereld, maar dat Gij ze bewaart van den booze. Luc. 15:18. De verloren zoon zegt: Ik zal weder keeren tot mijnen Vader, en zeggen: Vader! ik heb gezondigd tegen den Hemel, en tegen U. Derhalve was hij nog zijn Vader.
[575]
Hos. 11:7. Ik zal tot mijnen eersten man wederkeeren. Derhalve nog haar man. Openb. 3:8. Ik heb eene opene deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want gij hebt een weinig machts, en hebt mijn woord gehouden, en hebt mijnen naam niet geloochend. Joh. 14:16. Ik zal u dien Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid. Ps. 30:6. Zijne toornigheid duurt een oogenblik, maar zijne gunst is het leven. Jes. 54:7, 8. Ik heb u een oogenblik verlaten; Ik heb mijn aangezicht van u verborgen, in een oogenblik des gramschaps, maar Ik heb u ontfermd met eene eeuwige goedertierenheid. Jes. 59:21. Dit is mijn verbond met hen: Mijn geest en mijn woord zullen nimmermeer van u wijken, noch van uw zaad. Jer. 32:40. Ik zal mijne vreeze in hunne harten geven, dat zij van Mij niet wijken. Joh. 3:9. Zoo wie uit God geboren is, die doet geene zonde; want het zaad Gods blijft in hem, en hij kan niet zondigen; want hij is uit God geboren.
NEGENDE STELLING.
Ja, de band met Christus, door de kracht Gods in zijn geheel bewaard in de zwaarste vallen, is de eenige oorzaak en het beginsel van de wederoprichting door boetvaardigheid; indien deze band gebroken werd, zoo ware daar geen wederoprichting.
Hebr. 6:6. Zoo zij vallen (dat is, alleszins van Christus afvallen in den algemeenen stand der zonde), het is onmogelijk, dat zij weder opgericht worden tot bekeering. Joh. 15:5. Buiten Mij kondt gij niets doen; zoo iemand in Mij niet blijft, die wordt uitgeworpen, als eene rank, en hij verdroogt, en men verzamelt zoodanige ranken, en zij worden in 't vuur gesmeten, en zij verbranden. Marc. 11:14. De vijgeboom (dien Christus vervloekte) verdroogt terstond. Het krachteloos zout heeft niet, waarmede het gezouten wordt, maar wordt uitgeworpen, en van de menschen vertreden. Matth. 25:30. De onnutte dienstknecht, dien het talent ontnomen wordt, wordt terstond geworpen in de uiterste duisternis, daar weening is en knersing der tanden. Eene conscientie, die met een brandijzer afgebrand is, kan niet weder levend worden, 1 Tim. 4:3. De tweemaal verstorvenen en ontwortelden worden niet weder opgericht, Jud. 12, en Hos. 9:12. Wee hen, wanneer Ik van hen zal zijn geweken.
TIENDE STELLING.
De wederoprichting van 't gevoel des geestelijken levens, de wedergeving van den vrede en de blijdschap der conscientie, de genezing van een lidmaat Christi, dat door de zonde zwaarlijk verwond is, kan niet weder verkregen worden dan door boetvaardigheid. Maar dezelve kan niet bestaan of gegeven worden, wanneer alle geloof en alle geestelijk leven, hetwelk door datzelve uit Christus geschept wordt, is uitgeschud; welk leven eigen is, bedroefd te zijn, te dorsten naar het geneesmiddel en dat zelve te zoeken, en gezondheid van gezondheid te trekken.
Ef. 4:19. De Heidenen, vervreemd van het leven Gods, hebben ook alle droefheid der conscientie verloren. Joh. 11:26. Die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. 1 Cor. 5:7. Doet uit den ouden zuurdeesem, opdat gij een nieuw deeg zijt, gelijk gij ongezuurd zijt. En vers 5. De bloedschender worde den Duivel overgegeven tot verderving des vleesches, opdat de geest behouden worde in den dag des Heeren. Derhalve, zoo bleef de geest in hem, die door de kastijding moest gezuiverd worden. Joh. 13:10. Die gewasschen is, heeft maar van noode, dat hem de voeten gewasschen worden.
Een waar geloovige weet, dat hij een waarachtig lidmaat Christi is, door den Geest Gods, die in hem inwendig is wonende en werkende, en deze Geest drukt hem in 't hart de waarheid der beloften Gods van de volharding, die in Gods Woord staan; daarmede oprijzende, overwint hij de twijfelingen en dubbelingen des vleesches, en overdenkt hij met geloof, in de vrees van den tegenwoordigen val, dat hij heeft eenen dwarsboom en grendel, welke daartegen geschoven is, namelijk de genade, de bewaring, de tegenwoordigheid
[576]
des Geestes Gods, die ook in hem stort de gave der vreeze, der zorgvuldigheid, voorzichtigheid en geloovigheid, om zich te wachten van God te verzoeken, ja gebruikt dezelve naar Gods gebod, als ordinaire geheiligde, noodige middelen om te volharden, en nimmermeer kan het gevoel der volharding bestaan met wulpschheid, vermetelheid en luiheid des vleesches. Wij bekennen wel, dat deze zekerheid in den geloovigen mensch menigmaal verzwakt en menigmaal gewankeld en geschud wordt, en dat het derhalve heter is voor diegenen, die nog niet bevestigd zijn, zich liever hij trappen en allengskens in de wegen des Heeren vast te houden, dan alle die wijde ruimten der volharding met een gezicht des geloofs te omhelzen en vooraf in zich op te nemen. Maar die nu de zinnen geoefend hebben door oefening en gewoonte; die de Heere na vele verzoekingen wil vertroosten en beloonen; den zelven geeft Hij kracht om het eeuwige leven aan te nemen door den gemeenen Geest des lichaams Christi, en vastelijk bij zichzelven van de volharding een besluit te maken.
1 Joh. 3:24, en 4:13. Hieruit weten wij, dat Hij in ons woont, en wij in Hem, uit den Geest, dien Hij ons gegeven heeft. En Rom. 8:9. Gij zijt niet in het vleesch, maar in den Geest, zoo maar de Geest Gods in u woont; maar zoo iemand de Geest Christi niet heeft, die behoort Hem niet toe. 1 Cor. 2:10. God heeft ons geopenbaard dat geen oog gezien heeft, enz. door zijnen Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, ook de diepten Gods; wij hebben ontvangen den Geest, niet der wereld, maar den Geest, die uit God is, opdat wij weten die dingen, die ons van God gegeven zijn. Paulus sprekende door den gemeenen Geest des geloofs zegt, 2 Cor. 4:13: Niets kan ons scheiden van de liefde Gods, die daar is in Christus Jezus, Rom. 8:39. En Fil. 1:19. Dat zal mij ter zaligheid gedijen door uw gebed en door verleening des Geestes Christi; naar mijne ernstige verwachting en hoop, dat ik in geen ding beschaamd zal worden, maar, met alle vrijmoedigheid van spreken, gelijk als altijd, alzoo ook nu, Christus in mijn lichaam groot gemaakt zal worden, hetzij door leven, hetzij door den dood. Ef. 1:13. Gij zijt verzegeld met den Heiligen Geest door de beloften, waarmede gij verzegeld tot den dag der verlossing. Ef. 4:30. En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, waarmede gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing. 1 Tim. 6:11. Maar gij, o mensch Gods! schouw deze dingen, en sta naar gerechtigheid, Godzaligheid, geloof, liefde, zachtmoedigheid, lijdzaamheid! Strijd een goeden strijd des geloofs; grijp naar het eeuwige leven, waartoe gij geroepen zijt! en vers 17. Vermaan de rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoovaardig zijn, en hunne hoop niet stellen op den ongestadigen rijkdom, maar op den levenden God; dat zij weldadig zijn, rijk in goede werken, gaarne mededeelen, zichzelven een goed fondament weg leggende voor het toekomende, opdat zij het eeuwige aangrijpen. Jes. 33:15. Die in gerechtigheid wandelt, die spreekt wat recht is; die de gerechtigheid verwerpt, onrecht, enz. die zal in der hoogte wonen, zijne vesten en bescherming zullen rotssteenen zijn; brood zal hem gegeven worden, en water zal hem niet ontbreken. Uwe oogen zullen den Koning zien in zijn sieraad, en zullen het land verwijd zien. Ps. 112:6. De rechtvaardige zal nimmermeer bewogen worden; hij zal niets vreezen; zijn hart is vast, vertrouwende den Heere. Zijn hart is onderstut, en zal niet vreezen.
TWAALFDE STELLING.
Deze leer van de volharding; dewelke een waar eigendom is der Godzalige zielen; het binnenste heiligdom Gods, waarin Hij de zijnen invoert, waaruit geweerd worden alle onheilige en vleeschelijke menschen; de aansporing der loopenden; de troost der arbeidenden, amechtigen en vallenden; stoot niet omver de vurigheid tot den Godsdienst, noch verzwakt de zorge der Godzaligheid; ja integendeel houden wij, dat degenen, die de volharding volstrektelijk loochenen, zich stellen tegen Gods uitgedrukte Woord; en die ze op een ander fondament bouwen, dan op de eeuwige en onverdiende verkiezing Gods en aan eene andere gedurige oorzaak, als de krachtige werking, bewaring, en tegenwoordigheid des H. Geestes in het hart zelf, toeschrijven; dat zij de Majesteit Gods tekort [577] doen, dat zij zulk een groot gebouw, als is de volharding, op slijk en zand, hoedanig is de willekeur van den menschelijken wil, bouwen; den troost ten eenenmaal omver rukken; de menschen maken tot dleven van Gods eere, en de volharding zelve ten eenenmaal te niet maken.
Jer. 17:5. Vervloekt is hij, die vleesch stelt tot zijnen arm; die zal wezen als de Heiden. Gezegend is hij, die op den Heere vertrouwt. Ps. 115:1. Niet ons, o Heere! niet ons, maar uwen name geef de eere, om uwer goedertierenheid en waarheid wil. Jac. 1:17. Alle goede gave en volmaakte giften, komt van boven, van den Vader der lichten, bij denwelken geene verandering is, noch veranderlijke beschaduwing. 1 Cor. 1:7. U ontbreekt geene gave, verwachtende de openbaring onzes Heeren Jezus Christus, die u ook versterken zal, onstraffelijk tot den einde, tot den dag onzes Heeren Jezus Christus; God is getrouw, die u geroepen heeft tot de gemeenschap zijns Zoons.
WIJ VERWERPEN DEZE VALSCHE LEERPUNTEN.
De volharding is eigenlijk geene gave Gods, noch een effect of vrucht der verkiezing, maar heeft voor eigene oorzaak de menschelijke wil, na zijnen ingeborenen aard vrijelijk en veranderlijk en tot beide werkende; ja, naar orde der oorzaken, gaat de volharding voor de verkiezing, en niemand kan gezegd zijn verkoren te wezen ten volle, dan die tot den einde toe volhard heeft. De ware geloovigen, gevallen zijnde in eenige zonden des vleesches, verliezen het geloof geheel. De ware geloovige kunnen zondigen tegen den Heiligen Geest, en in der eeuwigheid sterven, en alzoo uitvallen. Daar is geene zekerheid der volharding, dan door bizondere openbaring. De leer van de volharding is eene leer, die voor de Godzaligheid en den Godsdienst verderfelijk is. Deze en andere diergelijke zaken, voortkomende uit de leer van den vrijen wil, verwerpen wij van ganscher harte, en in 't algemeen de nieuwe leeringen, waarmede de eeuwige verkiezing Gods; de kracht des doods Christi en der heiligmaking en toeeigening; de werking des H. Geestes binnen in den mensch; de volharding zelve, en in 't gemeen de gansche stand des geestelijken menschen; gesteld wordt, af te hangen van de natuurlijk onbepaalde, en tot beide buiglijke beweging en neiging van den wil; wij verwerpen die, en, na aanroeping van den naam des Heeren in zijne vreeze, gevraagd zijnde naar ons gevoelen, zoo verwerpen wij ze, en verfoeien ze in den naam van onze algemeene en van onze bizondere Kerk, als die tegen de klare Schrifturen, tegen de eenstemmigheid der zuivere oudheid, en aller ware Gereformeerde Kerken, Gods eere verduisteren; het fondament der zaligheid onzeker en op schroeven stellen; allen troost benemen; het rechte Pausdom weder invoeren; de Pelagiaansche ketterij, herkookt en gepolijst, weder opdringen; de pees en den boog des Pausdoms, namelijk den afgod des vrijen wils, tegen de genade in het altaar des harten weder oprichten; de krachtige invloeiing des H. Geestes in 't hart loochenen; de zeer lieflijke leer van onze geestelijke vereeniging, leven en blijven in en met Christus krachteloos maken; het oude verbond der werken met het nieuwe der genade en des geloofs onder malkander vermengen, den mensch, van Christus wederom afgetrokken, zichzelven overgeven, en in een oneindigen afgrond van twijfelingen, ongerustheid en wanhoop werpen, en de Gemeente, door eene droevige scheuring, rijten en tarnen, en met ijdele disputatiën, en ijdel geklap, de oprechtheid des Evangelies vervalschen. Wenschende van den Almachtigen en algoeden God met waar zuchten den dwalenden en den leeraars der dwalingen bekeering, en den Regenten dezer Landen een zoodanig gemoed, dat zij kloek en heiligheid zich bevlijtigen dezen verderfelijken zuurdeesem uit te vagen, en alle andere Kerken te verlossen van het gevaar om daarmede besmet te worden.
_____________________

|