Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • zitting 136


    DE HONDERD ZESENDERTIGSTE ZITTING.

    Denzelfden dag namiddag.

    Zijn voorgelezen en onderteekend de leerregelen van de andere, namelijk, tweede, derde, vierde en vijfde Artikelen. Is ook voorgelezen en onderteekend de verwerping der lasteringen. Hetwelk wij hier, nevens de leerregelen, bizonderlijk van iedereen onderteekend, vertoonen.

                                    ________________________


    [257]


    HET EERSTE HOOFDSTUK VAN DE LEER

    namelijk,

    VAN DE GODDELIJKE VERKIEZING EN VERWERPING

    Art I
    Aangezien alle menschen in Adam gezondigd hebben, en der vervloeking en des eeuwigen doods zijn schuldig geworden, zoo zou God niemand ongelijk hebben gedaan, indien Hij het gansche menschelijke geslacht in de zonde en vervloeking had willen laten, en om de zonde verdoemen, volgens deze spreuken des Apostels: Rom. 3: 19, 23: De gansche wereld is voor God verdoemelijk. Zij hebben allen gezondigd, en zijn verhinderd te komen tot de heerlijkheid Gods. En: De bezoldiging der zonde is de dood. Rom. 6:23.
    II.
    Maar hierin is de liefde Gods geopenbaard, dat Hij zijnen eeniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verga, maar het eeuwige leven hebbe. 1 Joh. 4:9;Joh. 3:16.
    III.
    En opdat de menschen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap tot wie Hij wil, en wanneer Hij wil; door welker dienst de menschen geroepen worden tot bekeering en het geloof in Christus, den gekruiste. Rom. 10:14, 15. Want hoe zullen zij gelooven in Hem, van welken zij niet gehoord hebben? en hoe zullen zij hooren zonder predikant? hoe zullen zij prediken, tenzij dat ze gezonden worden?

    IV.
    Die aan 'dit Evangelie niet gelooven, op die blijft de toorn Gods. Joh. 3:36; Marc. 16:16. Maar die het aannemen, en den Zaligmaker Jezus met een waarachtig en levend geloof omhelzen, die worden door Hem van den toorn Gods, en van het verderf verlost, en met het eeuwige leven begaafd.

    V.
    De oorzaak of schuld van dat ongeloof,gelijk ook van alle andere zonden, is geenszins in God, maar in den mensch. Maar het geloof in. Jezus Christus, en de zaligheid door Hem, is een genadige gave Gods, gelijk geschreven is: Uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave. Insgelijks:Het is u uit genade gegeven in Christus te gelooven. Ef. 2:8; Fil. 1:29.

    VI.
    Dat God sommigen in den tijd met het geloof begaaft, sommigen niet begaaft, komt voort van zijn eeuwig besluit. Want al zijne werken zijn Hem van eeuwigheid aan bekend. Hand. 15:8. En Hij doet alle dingen naar den raad zijns wils. Ef. 1:11. Naar welk besluit Hij de harten der uitverkorenen, hoewel zij hard zijn, genadiglijk vermurwt, en buigt om te gelooven; maar dengenen, die niet zijn verkoren, naar zijn rechtvaardig oordeel, in hunne boosheid en hardigheid Iaat. En hier is het, dat zich voornamelijk opdoet die diepe, tezamen barmhartige en rechtvaardige onderscheiding der menschen, zijnde in even gelijken staat des verderfs, of het Besluit van de Verkiezing en Verwerping, in den Woorde Gods geopenbaard. Hetwelk, gelijk als het de verkeerde, onreine en onvaste menschen verdraaien tot hun verderf, alzoo geeft het de heilige en Godvreezende zielen eenen onuitsprekelijken troost.
    VII.
    Deze verkiezing is een onveranderlijk voornemen Gods, door 'twelk Hij, voor de grondlegging der wereld, een zekere menigte van menschen, niet beter of waardiger zijnde dan anderen, maar in de gemeene ellende niet anderen liggende, uit het geheele menschelijk geslacht, van de eerste oprechtigheid door hun eigen schuld vervallen in de zonde en verderf, naar het vrije welbehagen van zijnen wil, tot de zaligheid uit loutere genade uitverkoren heeft in Christus, denwelken Hij ook van

    [258]

    eeuwigheid tot een Middelaar en Hoofd van alle uitverkorenen, en tot een fundament der zaligheid gesteld heeft. En opdat ze door Hem zouden zalig gemaakt worden, heeft Hij ook besloten dezelve Hem te geven, en krachtiglijk tot deszelfs gemeenschap door zijn Woord en Geest te roepen en te trekken, of met het ware geloof in Hem te begiftigen, te rechtvaardigen, te heiligen en, in de gemeenschap zijns Zoons krachtiglijk bewaard zijnde, ten laatste te verheerlijken, tot bewijzing van zijne barmhartigheid, en ten prijze van de rijkdommen zijner heerlijke genade. Gelijk geschreven is: God heeft ons uitverkoren in Christus, eer des werelds grond gelegd was, opdat wij zouden wezen heilig en onstraffelijk voor Hem in de liefde; Die ons van te voren heeft geschikt tot de aanneming der kinderen, door Jezus Christus in Zichzelven, naar het welbehagen zijns willens; tot prijs van zijn heerlijke genade, in dewelke Hij ons Zichzelven aangenaam gemaakt heeft in dien Beminde. Ef. 1 :4-6. En elders:Die Hij te voren geordineerd heeft, diezelve heeft Hij ook geroepen: en die Hij geroepen heeft, diezelve heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, diezelve heeft Hij ook verheerlijkt, Rom. 8:30.
    VIII.
    De voorgemelde verkiezing is niet menigerlei, maar een en dezelfde, van alle degenen, die zalig worden, beide in het Oude en Nieuwe Testament; gemerkt ons de Schriftuur een eenig welbehagen, voornemen en raad des willens Gods voorstelt, waardoor Hij ons van eeuwigheid heeft verkoren, beide tot de genade en tot de heerlijkheid, tot de zaligheid en tot den weg der zaligheid, denwelken Hij bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.
    IX.
    Dezelfde verkiezing is geschied, niet uit het voorgezien geloof en de gehoorzaamheid des geloofs, heiligheid, of eenige andere goede hoedanigheid of geschiktheid, als een oorzaak of conditie, te voren vereischt in den mensch, die verkoren zoude worden; maar tot het geloof en de gehoorzaamheid des geloofs, tot heiligheid, enz. en dienvolgens is de verkiezing de fontein van alle zaligmakende goed, waaruit het geloof, de heiligheid en andere zaligmakende gaven, en eindelijk het eeuwige leven zelfs, als vruchten, vloeien; naar het getuigenis des Apostels: Hij heeft ons verkoren (niet omdat wij waren, maar) opdat wij zouden wezen heilig en onstraffelijk voor Hem in de liefde, Ef. 1:4.
    X.
    De oorzaak van deze genadige verkiezing is het eenige welbehagen Gods, niet daarin bestaande, dat Hij eenige hoedanigheden of werkingen der menschen, uit alle mogelijke conditiën, tot een conditie der zaligheid heeft uitverkoren; maar hierin, dat Hij eenige zekere personen, uit de gemeene menigte der zondaren, zich tot een eigendom heeft aangenomen. Gelijk geschreven is: Als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, enz. is tot haar (namelijk Rebecca) gezegd: De meeste zal den minste dienen; gelijk geschreven is: Ik heb Jakob liefgehad en Ezau gehaat, Rom. 9:11, 12, 13. En: Daar geloofden er zoo velen als er ten eeuwigen leven verordineerd waren, Hand. 13:48.
    XI.
    En gelijk God zelf op het hoogste wijs, onveranderlijk, alwetende, en almachtig is, alzoo kan de verkiezing van Hem gedaan, niet ontdaan en weder gedaan, noch veranderd, noch wederroepen, noch afgebroken worden, noch de uitverkorenen verworpen, noch het getal derzelve verminderd worden.
    XII.
    Van deze hunne eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid, worden de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel bij verscheidene trappen en met ongelijke mate, verzekerd; 2 Cor. 13:5; niet als zij de verborgenheden en diepten Gods curieuselijk doorzoeken, maar als zij de onfeilbare vruchten der verkiezing, in den \Voorde Gods aangewezen (als daar zijn: het ware geloof in Christus, kinderlijke vreeze Gods, droefheid, die naar God is, over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz.), in zich zelven, met een geestelijke blijdschap en heilige vermaking, waarnemen.

    XIII.
    Uit het gevoelen en de verzekerdheid van deze verkiezing, nemen de kinderen Gods dagelijks meerder oorzaak, om zichzelven voor God te verootmoedigen, de diepte van zijne barmhartigheden te aanbidden, zichzelven te reinigen, en Hem, die hen eerst zoo uitnemend heeft liefgehad, wederkeerig

    [259]

    vuriglijk te beminnen. Zoo verre is het van daar, dat ze door deze leer van de verkiezing, en door de overlegging van dezelve, in het onderhouden van Gods geboden vertragen, of vleeschelijk zorgeloos zouden worden; hetwelk, door Gods rechtvaardig oordeel, dengene pleegt te gebeuren, die of zich zelven van de genade der verkiezing lichtvaardig vermetende, of ijdellijk en dartelijk daarvan klappende, in de wegen der uitverkorenen niet begeeren te wandelen.

    XIV.
    Voorts, gelijk deze leer van de Goddelijke verkiezing, naar Gods wijzen raad, door de Profeten, Christus zelven en de Apostelen, zoowel in 't Oude als in 't Nieuwe Testament, gepredikt is, en daarna in de H. Schriften voorgesteld en nagelaten; alzoo moet ze ook ten huidigen dage te zijner tijd en plaats in de Kerke Gods, Hand. 20:27; Rom. 12:3 en 11: 33, 34; Hebr. 6: 17, 18. (dewelke zij bizonderlijk is toegeëigend) voorgesteld worden met den geest des onderscheids en Goddelijke eerbiediging, heiliglijk, zonder onderzoeking van de wegen des Allerhoogsten, ter eere van Gods H. naam, en tot eenen levendigen troost van zijn volk.

    XV.
    Deze eeuwige en onverdiende genade van onze verkiezing wijst en prijst ons de H. Schriftuur daarmede allermeest aan, wanneer ze wijders getuigt, dat niet alle menschen zijn verkoren, maar sommigen niet verkoren, of in Godes eeuwige verkiezing voorbijgegaan, namelijk die, welke God naar zijn gansch vrij, rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen besloten heeft in de gemeene ellende te laten, in dewelke zij zichzelven door hunne eigene schuld hebben gestort, en met het zaligmakende geloof en de genade der bekeering niet te begiftigen, maar dezelve in hun eigen wegen en onder zijn rechtvaardig oordeel gelaten zijnde, eindelijk niet alleen om het ongeloof, maar ook om alle andere zonden, tot verklaring van zijne gerechtigheid te verdoemen en eeuwig te straffen. En dit is het besluit der Verwerping, 'twelk God geenszins maakt tot een auteur van de zonde, 'twelk Godslasterlijk is te denken, maar stelt Hem tot een verschrikkelijk, onberispelijk en rechtvaardig rechter en wreker van dezelve.
    XVI.
    Die het levend geloof in Christus, of het zekere vertrouwen des harten, den vrede der conscientie, de betrachting van de kinderlijke gehoorzaamheid, den roem in God door Christus, in zich nog niet krachtiglijk gevoelen, en nochtans de middelen gebruiken, door welke God beloofd heeft deze dingen in ons te werken, die moeten niet mismoedigd worden, wanneer zij van de verwerping hooren gewagen, noch zichzelven onder de verworpenen rekenen, maar in het waarnemen der middelen vlijtig voortgaan, naar den tijd van overvloediger genade vuriglijk verlangen, en denzelven met eerbied en ootmoedigheid verwachten. Veel minder behooren voor deze leer van de verwerping verschrikt te worden degenen, die ernstiglijk begeeren zich tot God te bekeeren, Hem alleen te behagen, en van het lichaam des doods verlost te worden, en nochtans in den weg der Godzaligheid en des geloofs zoo verre nog niet kunnen komen, als zij wel wilden; gemerkt de barmhartige God beloofd heeft, dat Hij het rookende vlas niet zal uitblusschen, en het gekrookte riet niet zal breken. Maar deze leer is niet recht schrikkelijk dengenen, die, God en Christus den Zaligmaker niet achtende, zichzelven de zorgvuldigheden der wereld en de wellusten des vleesches geheel hebben overgegeven, zoo lang zij zich niet met ernst tot God bekeeren.
    XVII.
    Nademaal wij van den wil Gods uit zijn Woord moeten oordeelen, 'twelk getuigt, dat de kinderen der geloovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van 't genadeverbond, in hetwelk zij met hunne ouders begrepen zijn; zoo moeten de Godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hunne kindschheid uit dit leven wegneemt.

    XVIII.
    Tegen degenen, die over deze genade der onverdiende verkiezing, en strengheid der rechtvaardige verwerping murmureeren, stellen wij deze spreuk des Apostels: O mensch, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Rom. 9:20. En deze van onzen Zaligmaker, Matth. 20:15: Of is het Mij niet geoorloofd met het mijne te doen wat Ik wil?
    Wij daarentegen, deze verborgenheden met een Godvruchtige eerbiediging aanbiddende, roepen uit

    [260]

    met den Apostel, Rom. 11 :33, 34, 35, 36:O diepe rijkdom der wijsheid en kennisse Gods! Hoe onbegrijpelijk zijn zijne oordeelen, hoe onbevindelijk zijne wegen? Want wie heeft den zin des Heeren bekend, of wie is zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem vergolden worden? Want alle ding is uit Hem, en door Hem, en tot Hem, Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid, Amen.
    Verwerping der dwalingen, door welke de Nederlandsche Kerken een tijdlang zijn beroerd geworden.

    De rechtzinnige leer van de verkiezing en verwerping verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwalingen dergenen,

    I.
    Die leeren, ,,dat de wil Gods van zalig te maken degenen, die daar zouden gelooven, en in het geloof en de gehoorzaamheid des geloofs volharden, zij het gansche en geheele besluit van de verkiezing ter zaligheid, en dat er niets anders van dit besluit in den Woorde Gods zij geopenbaard." Want deze bedriegen de eenvoudigen, en wederspreken klaarlijk de H. Schriftuur, die getuigt, dat God niet alleen degenen, die gelooven zullen, wil zalig maken, maar dat Hij ook eenige zekere menschen van eeuwigheid heeft uitverkoren, welke Hij indertijd voor anderen met het geloof in Christus en met volstandigheid zoude begiftigen; gelijk geschreven is, Joh. 17: 6, Ik heb uwen naam den menschen geopenbaard, die Gij Mij van de wereld gegeven hebt. Hand. 13:48, En daar geloofden zoo velen als er ten eeuwigen leven verordineerd waren. Ef. 1:4, En Hij heeft ons verkoren, eer der werelds grond gelegd was, opdat wij zouden heilig wezen, enz.

    II.
    Die leeren, ,dat de verkiezing Gods ten eeuwigen leven velerlei zij: de eene algemeen en onbepaald, de andere bizonder en bepaald; en dat deze wederom of onvolkomen, wederroepelijk, niet beslissende en voorwaardelijk zij, of volkomen, onwederroepelijk, beslissend en volstrekt." Insgelijks: ,dat er een andere verkiezing zij tot het geloof, eene andere tot de zaligheid, alzoo dat de verkiezing tot het rechtvaardigmakende geloof kan zijn, zonder de beslissende verkiezing ter zaligheid." Want dit is een gedichtsel van 's menschen hersenen, buiten de Schriftuur versierd, waardoor de leer van de verkiezing verdorven, en deze gulden keten van onze zaligheid verbroken wordt, Rom. 8.: 30, Die Hij te voren geordineerd heeft, dezelve heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezelve heeft Hij ook gerechtvaardigd; die Hij gerechtvaardigd heeft, dezelve heeft Hij ook verheerlijkt.

    III.
    Die leeren, ,dat het welbehagen en voornemen Gods, van hetwelk de Schriftuur in de leer van de verkiezing gewagmaakt, niet daarin bestaat, dat God eenige bizondere menschen voor anderen heeft uitverkoren; maar daarin, dat God, uit alle mogelijke voorwaarden (onder welke ook zijn de werken der Wet), of uit die geheele orde van alle dingen, de onedele daad des geloofs en de onvolmaakte gehoorzaamheid deszelven tot een voorwaarde der zaligheid heeft uitgekozen, welke Hij voor een volkomen gehoorzaamheid genadiglijk zoude hebben willen houden, en der belooning des eeuwigen levens waardig achten." Want met deze schadelijke dwaling wordt het welbehagen Gods en de verdienste van Christus krachteloos gemaakt, en de menschen door onnutte vragen van de waarheid der genadige rechtvaardigmaking, en van de eenvoudigheid der Schriftuur afgetrokken, en deze spreuk des Apostels van onwaarheid beschuldigd: God heeft ons geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar zijn voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus voor de tijden der wereld, 2 Tim. 1 :9.

    IV.
    Die leeren, ,dat in de verkiezing tot het geloof deze voorwaarde te voren vereischt wordt, dat de mensch het licht der natuur recht gebruike, vroom zij, klein, nederig, en ten eeuwigen leven geschikt, gelijk alsof aan die dingen de verkiezing eenigszins hing." Want dit smaakt naar het gevoelen van Pelagius, en strijdt tegen de leer des apostels, waar hij schrijft: Wij hebben eertijds gewandeld in de begeerte onzes vleesches, doende den wille des vleesches en der gedachten, en waren van nature kinderen des toorns, gelijk de anderen; maar God, die rijk is in barmhartigheden, heeft ons door zijne groote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, mede

    [261]

    levend gemaakt met Christus, door wiens genade gij zijt zalig geworden;en heeft ons mede opgewekt, en mede gezet in de hemelen in Christus Jezus, opdat Hij in de toekomende eeuwen zoude bewijzen den uitnemenden rijkdom zijner genade, in die vriendelijkheid tot ons door Christus Jezus. Want uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme, Ef, 2:3-9.

    V.
    Die leeren, ,,dat de onvolkomene en niet beslissende verkiezing van bizondere personen ter zaligheid zij geschied uit het voorgezien geloof, bekeering, heiligheid, Godzaligheid, die of eerst begonnen, of ook een tijdlang geduurd heeft; maar dat de volkomene en beslissende verkiezing geschied zij uit de voorgeziene eindelijke volharding in het geloof, bekeering, heiligheid en Godzaligheid; en dat dit zij de genadige en Evangelische waardigheid, om welker wil hij, die verkoren wordt, waardiger is dan die niet verkoren wordt; en dat derhalve het geloof, de gehoorzaamheid des geloofs, heiligheid, Godzaligheid en volharding niet zijn vruchten van de onveranderlijke verkiezing ter heerlijkheid, maar dat het zijn conditiën, die te voren vereischt, en, als volbracht zijnde, voorzien zijn in degenen, die ten volle verkoren zullen worden, en oorzaken, zonder welke de onveranderlijke verkiezing ter heerlijkheid niet geschiedt." Hetwelk strijdt tegen de geheele Schriftuur, die deze en diergelijke spreuken in onze oogen en harten doorgaans inscherpt: De verkiezing is niet uit de werken, maar uit den roepende, Rom. 9:11. Daar geloofden zoo velen, als er ten eeuwigen leven verordineerd waren, Hand. 13: 48. Hij heeft ons verkoren in Hem, opdat wij zouden heilig wezen, Ef. 1: 4, Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, Joh. 15:16. Is het uit genade, zoo is het niet uit de werken, Rom. 11: 6. Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad, en zijnen Zoon gezonden, 1Joh. 4:10.

    VI.
    Die leeren, ,dat niet alle verkiezing ter zaligheid onveranderlijk is; maar dat sommige uitverkorenen, niettegenstaande eenig besluit Gods, kunnen verloren gaan, en gaan ook eeuwiglijk verloren. Met welke grove dwaling zij God veranderlijk maken, en den troost der Godzaligen omstooten, dien zij scheppen uit de vastigheid van hunne verkiezing, en wederspreken de H. Schriftuur, welke leert, dat de uitverkorenen niet kunnen verleid worden, Matth. 24: 24. Dat Christus degenen, die Hem van den Vader gegeven zijn, niet verliest, Joh. 6:39. Dat God, die Hij te voren geordineerd, geroepen en gerechtvaardigd heeft, dezelve ook verheerlijkt heeft, Rom. 8:30.

    VII.
    Die leeren, ,dat er in dit leven geen vrucht, noch gevoelen is van de onveranderlijke verkiezing ter heerlijkheid; ook geene zekerheid, dan die hangt aan eene veranderlijke en onzekere conditie". Want behalve dat het ongerijmd is te stellen een onzekere zekerheid, zoo strijdt dit ook tegen de bevinding der heiligen, die, uit het gevoelen van hunne verkiezing, zich met den Apostel verheugen, en deze weldaad Gods roemen; die, volgens Christus' vermaning, zich met de discipelen verblijden, dat hunne namen in den hemel geschreven zijn, Luk. 10:20; die ook het gevoelen van hunne verkiezing stellen tegen de vurige pijlen van de aanvechtingen des Duivels, vragende: Wie zal de uitverkorenen Gods beschuldigen, Rom. 8:33.

    VIII.
    Die leeren, ,,dat God niemand uit zijn louter rechtvaardigen wil besloten heeft, in den val Adams en in den gemeenen stand der zonden en verdoemenis te laten, of in de mededeeling van de genade, die tot het geloof en de bekeering noodig is, voorbij te gaan." Want dit staat vast: Hij ontfermt Zich, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil, Rom. 9 :18. En ook dit:Het is u gegeven te verstaan de verborgenheden des Koninkrijks der hemelen, maar dezen is dat niet gegeven, Matth. 11: 25. Insgelijks:Ik dank u Vader, Heere des hemels. en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze den kleinen geopenbaard; ja, Vader! want het heeft u zoo behaagd, Matth. 11: 25, 26.

    IX.
    Die leeren, ,,dat de oorzaak, waarom God tot het eene volk meer dan tot het ander het Evangelie zendt, niet is het loutere en eenig welbehagen Gods, maar omdat het eene volk beter en waardiger is, dan het

    [262]

    ander, 'twelk het Evangelie niet wordt medegedeeld." Want dit ontkent Mozes, het Israelietische volk aldus aansprekende: Ziet, des Heeren, uws Gods, is de hemel, en der hemelen hemel, de aarde en al wat daarin is; nog heeft Hij alleen tot uwe vaderen lust gehad, dat Hij ze beminde, en heeft verkoren hun zaad na hen, ulieden voor alle volken, als het heden tendage staat, Deut. 10:14, 15. En Christus: Wee u, Chorazin! Wee u, Bethsaida! want waren in Tyrus en Sidon die krachten gedaan, die in u gedaan zijn, zij hadden voortijds, in zakken en asch zittende, zich bekeerd, Matth. 11:21.

    Onder stond.
    Dat wij alzoo gevoelen en oordeelen, getuigen wij met onderteekening onzer handen,
    en was onderteekend.

    Johannes Bogerman, herder der Kerk van Leeuwarden en praeses der Synode. Jacobus Rolandus, herder der Kerk van Amsterdam en bijzitter van den praeses. Herman Faukelius, herder der Kerk van Middelburg en bijzitter van den praeses. Sebastianus Damman, herder der kerk van Zutfen en scriba der Synode. Festus Hommius, herder der Kerk van Leiden, scriba der Synode.

    Uit Groot-Brittanje.
    Georgius, Bisschop van Landa. Johannes Davenantius, Doctor en publiek Professor der gewijde Theologie aan de Academie van Cambridge, en praeses van het Koninklijk Collegie aldaar. Samuel Wardus, Ouderling; Doctor der H. Theologie, Aartsdiaken van Faunton, en praeses van het Sidneyaansch Collegie aan de Academie van Cambridge. Thomas Goadus, Ouderling; Doctor der H. Theologie, voorzanger van de Paulische Kathedraal te Londen. Gualterus Balcanquallus, uit Schotsch-Brittanje, Ouderling, Baccalaureus der H. Theologie.

    Uit den keurvorstelijken Pàltz.
    Abrahamus Scultetus, Doctor der H. Theologie en Professor aan de Academie te Heidelberg. Paulus Tossanus, Doctor der H. Theologie en raad in den Kerkeraad van den Neder-Paltz. Henricus Alting, Doctor der H. Theologie en Professor aan de Academie te Heidelberg.
    Uit Hessen.
    Georgius Cruciger, Doctor der H. Theologie, Professor, en thans Rector aan de Academie te Marburg.
    Paulus Steinius, Hofprediker en Professor der H. Theologie aan het vorstelijk Mauritsche Collegie voor de Broeders te Kassel. Daniel Angelocrator, herder der Kerk te Marburg, en Superintendent der naastgelegene Kerken aan de Laan en Eder. Rodolphus Goclenius, de Oude, eerste Professor in de zuivere Philosophie aan de Academie te Marburg en thans Deken.
    Uit Zwitserland.
    Johannes Jakobus Breytingerus, herder der Kerk van Zurich. Marcus Rutimeyerus, Doctor der H. Theologie en Dienaar der Kerk te Bern. Sebastianus Beckius, Doctor der H. Theologie en Professor in het Nieuwe Testament aan de Academie te Bazel en aldaar Deken der Theologische Faculteit. Wolgangus Mayerus, Doctor der H. Theologie, herder der Kerk te Bazel. Johannes Conradus Kochius, Dienaar der Kerk te Schaffhausen.
    Van de Wetteravische Correspondentie.
    Johannes Henricus Alstedius, gewoon Professor aan de Illustre Nassausche School, welke te Herborn is. Georgius Fabricius, herder der Windechsche Kerk aan het hof van Hannover en Inspecteur der omgeving.
    Uit de Stad en Kerk van Genève.
    Johannes Deodatus, herder in de Kerk te Genève en Professor in de H. Theologie aan de school aldaar.
    Theodorus Tronchinus, Bedienaar des Goddelijken Woords in de Kerk te Genève, en aldaar Professor in de H. Theologie.

    Uit de Stad en Kerk van Bremen.
    Matthias Martinius, Rector der Illustre School te Bremen en aan haar Professor der gewijde Letteren.
    Henricus Isselburg, Doctor der H. Theologie, Dienaar van Jezus Christus, en aan de School Professor in het Nieuwe Testament.

    [263]

    Ludovicus Crocius, Doctor der H. Theologie, herder der Kerk van den H. Maarten te Bremen, en Professor in het Oude Testament en in de Practische wijsbegeerte aan de Illustre School.

    Uit de Stad en Kerk van Embden.
    Daniel Bernardus Eilshemius, oudste herder in de Kerk van Embden. Ritzius Lucas Grimershemius, herder der Kerk van Embden.

    De Nederlandsche Professoren.
    Joannes Polyander, Doctor der H. Theologie en Professor aan de Academie te Leiden. Sibrandus Lubbertus, Doctor der H. Theologie en Professor aan de Friesche Academie. Franciscus Gomarus, Doctor en Professor der H. Theologie aan de Academie van Groningen en Ommelanden. Antonius Thysius, Professor der H. Theologie aan de Illustre School van de Geldersche Veluw, welke is te Harderwijk. Antonius Waleus, herder der Kerk van Middelburg, en door de Illustre Theologische School dezer stad naar de Synode geroepen.

    Uit Gelderland en het Graafschap van Zutfen.
    Guilielmus Stephani, Doctor der H. Theologie, herder der Kerk van Arnhem. Ellardus van Mehen, herder der Kerk van Harderwijk. Johannes Bouillet, herder te Warnsfeld. Jacobus Verheyden, Oudste der Kerk van Nymegen, en Rector der School.

    Uit Zuid-Holland.
    Balthasar Lydius, M. F. herder van de kerk Gods in de stad Dordrecht. Henricus Arnoldi, predikant te Delft. Gisbertus Voetius, herder der Kerk van Heusden. Arnoldus Muys van Holy, Baljuw van ZuidHolland, Oudste der Kerk van Dordrecht. Joannes de Laet, Oudste der Kerk van Leiden.

    Uit Noord-Holland.
    Jacobus Triglandus, herder der Kerk van Amsterdam. Abraham van Dooreslaer, herder der Kerk van Enkhuizen. Samuel Bartholdus, herder der Kerk van Monnikendam. Theodorus Heyngius, Oudste der Kerk van Amsterdam. Dominicus van Heemskerck, Oudste der Kerk van Amsterdam.

    Uit Zeeland.
    Godefridus Udemannus, herder der Kerk van Zierikzee. Cornelius Regius, herder der Kerk van Goes. Lambertus de Rycke, herder der Kerk van Bergen op Zoom. Iosias Vosbergius, Oudste der Kerk van Middelburg. Adrianus Hofferus, Senator der stad Zierikzee, en Oudste der Kerk aldaar.

    Uit de Provincie van Utrecht.
    Johannes Dibbezius, herder te Dordrecht. Afgevaardigde der Utrechtsche Orthodoxe Synode. Arnoldus Oortcampius, herder der Kerk van Amersfoort.

    Uit Friesland.
    Florentius Johannes, Dienaar van Jezus Christus den Gekruiste, in de Kerk van Sneek. Philippus Danielis Eilshemius, herder der Kerk van Harlingen. Kempo Harinxma van Donia, Oudste der Kerk van Leeuwarden. Tacitus van Aysma, Oudste der Kerk te Buirgirt, Hichtum, en Hartwart.

    Uit Overijsel.
    Casparus Sibelius, herder der Kerk van Deventer. Hermannus Wiserding, Bedienaar van het Evangelie van Christus, in de Kerk van Zwolle. Hieronymus Vogellius, herder der Kerk van Hasselt, tijdelijk dienende als afgevaardigde van de orthodoxe Kerk van Kampen. Johannes Langius, predikant te Vollenhoven. Wilhelmus van Broickhuisen ten Doerne, als afgevaardigde Oudste.
    Johannes van Lauwick, als afgevaardigde Oudste.

    Uit de Stad Groningen en de Ommelanden.
    Cornelus Hillenius, Dienstknecht van Jezus Christus in de Kerk van Groningen. Georgius Placius, herder der Kerk van Appingadam.

    [264]

    Wolfgangus Agricola, herder der Kerk van Bedum. Wigboldus Homerus, herder der Kerk van Midwolde. Egbertus Halbes, Oudste der Kerk van Groningen. Johannes Rufelaert, Oudste der kerk van Stedum.

    Uit Drente.
    Themo van Asschenberg, herder der Kerk van Meppel. Patroclus RomeIingius, herder der Kerk van Rhuinen.

    Uit de Waalsche Kerk.
    Daniel Colonius, herder der Kerk van Leiden, en Regent van het Fransch-Hollandsch Collegie aan de Leidsche Academie. Joannes Crucius, herder te Haarlem. Joannes Doucher, herder te Vlissingen. Jeremias de Pours, herder der Fransch-Hollandsehe Kerk te Middelburg. Evenrardus Beckius, Oudste der Fransch-Hollandsche Kerk te Middelburg. Petrus Pontanus, Oudste der Kerk te Amsterdam.




    HET TWEEDE HOOFDSTUK DER LEER,

    VAN DEN

    DOOD VAN CHRISTUS, EN DE VERLOSSING DER MENSCHEN DOOR DENZELVEN.

    Art. I.
    God is niet alleen ten hoogste barmhartig, maar ook ten hoogste rechtvaardig. En zijne gerechtigheid (gelijk Hij Zich in zijn Woord geopenbaard heeft) vereischt, dat onze zonden, tegen zijne oneindige Majesteit begaan, niet alleen met tijdelijke, maar ook met eeuwige straffen, beide naar ziel en lichaam gestraft worden; welke straffen wij niet kunnen ontgaan, tenzij dat de gerechtigheid Gods genoeg geschiede.

    II.
    Maar alzoo wij zelven niet kunnen genoeg doen, en ons van den toorn Gods bevrijden, zoo heeft God uit oneindige barmhartigheid zijnen eeniggeboren Zoon ons tot een borg gegeven, dewelke, opdat Hij voor ons zoude genoeg doen, voor ons of in onze plaats, zonde en vervloeking aan het kruis geworden is.

    III.
    Deze dood des Zoons Gods is de eenige en volmaakte offerande en genoegdoening voor de zonden; van oneindige kracht en waardigheid; overvloedig genoegzaam tot verzoening van de zonden der gansche wereld.

    IV.
    En deze dood is daarom van zoo groote kracht en waardigheid, omdat de persoon, die denzelven geleden heeft, niet alleen een waarachtig en volkomen heilig mensch is, maar ook de eeniggeboren Zoon Gods, van eenzelfde eeuwig en oneindig wezen met den Vader en den H. Geest; zoodanig als onze Zaligmaker wezen moet. Daarenboven, omdat zijn dood is vergezelschapt geweest met het gevoelen van den toorn Gods, en den vloek, dien wij door onze zonden verdiend hadden.

    V.
    Voorts is de belofte des Evangelies, dat een iegelijk, die in den gekruisten Christus gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Welke belofte allen volkeren en menschen, tot welke God naar zijn welbehagen zijn Evangelie zendt, zonder onderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden, met bevel van bekeering en geloof.

    VI.
    Doch dat velen, door het Evangelie geroepen zijnde, zich niet bekeeren, noch in Christus gelooven, maar in ongeloof vergaan, zulks geschiedt niet door gebrek of ongenoegzaamheid van de offerande Christi, aan 't kruis geofferd, maar door hun eigen schuld.

    [265]

    VII.
    Maar zoo velen als er waarachtiglijk gelooven, en door den dood Christi van de zonden en 't verderf verlost en behouden worden, diezelven genieten deze weldaad alleen uit Gods genade, hun van eeuwigheid in Christus gegeven; welke genade Hij niemand schuldig is.

    VIII.
    Want dit is geweest de gansch vrije raad, de genadige wil en het voornemen Gods, des Vaders, dat de levendmakende en zaligmakende kracht van den dierbaren dood zijns Zoons, zich uitstrekken zoude tot alle uitverkorenen, om die alleen met het rechtvaardigmakende geloof te begiftigen, en door hetzelve onfeilbaarlijk tot de zaligheid te brengen; dat is: God heeft gewild, dat Christus door het bloed zijns kruises, (waarmede Hij het nieuwe verbond bevestigd heeft) uit alle volkeren, stammen, geslachten en tongen, die allen, en alleen, krachtiglijk zoude verlossen, die van eeuwigheid tot de zaligheid verkoren, en van den Vader Hem gegeven zijn; deze begiftigen met het geloof, 't welk Hij hun, gelijk ook andere zaligmakende gaven des H. Geestes, door zijnen dood heeft verworven;en van alle hunne zonden, zoo de aangeborene als werkelijke, zoo na als voor het geloof begaan, door zijn bloed zoude reinigen, tot den einde toe getrouwelijk bewaren, en ten laatste zonder eenige vlek en rimpel heerlijk voor zich stellen.

    IX.
    Deze raad, voortkomende uit de eeuwige liefde Gods tot de uitverkorenen, is van het begin der wereld, tot op dezen tegenwoordigen tijd (de poorten der hel zich tevergeefs daartegen stellende), krachtiglijk vervuld geweest, en zal ook voortaan vervuld worden, alzoo dat de uitverkorenen te zijner tijd bijeenvergaderd zullen worden, en dat er altijd een Kerk der geloovigen zal zijn, gefundeerd in het bloed Christi, welke dezen haren Zaligmaker, die voor haar, als een bruidegom voor zijn bruid, aan 't kruis zijn leven overgegeven heeft, standvastiglijk bemint, geduriglijk dient, en hier en in alle eeuwigheid zal prijzen.

    Verwerping der dwalingen.
    De rechte leer verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwalingen dergenen,

    I.
    Die leeren, ,,dat God de Vader zijnen Zoon tot den dood des kruises verordineerd heeft, zonder zekeren en bepaalden raad, van iemand zalig te maken; zoodat de noodzakelijkheid, nuttigheid. en waardigheid van de verwerving des doods Christi wel zouden hebben kunnen bestaan, en in alle deelen volmaakt, volkomen, en in haar geheel blijven, al ware 't schoon dat de verworven verlosssing niet een eenig mensch immermeer metterdaad ware toegeeigend geweest." Want deze leer strekt tot versmading van wijsheid des Vaders, en der verdienste van Jezus Christus, en strijdt tegen de Schriftuur. Want zoo zegt onze Zaligmaker, Joh. 10:15, 27, Ik stel mijn leven voor mijne schapen, en:Ik ken hen. En de profeet Jesaja zegt van den Zaligmaker: Wanneer Hij zijn leven ten schuldoffer gegeven heeft, zal Hij zaad hebben, en lang leven, en des Heeren voornemen zal door zijn hand voortgaan, Jes. 53:10. Eindelijk, zij stoot om het artikel des geloofs, waarmede wij gelooven: De algemeene Christelijke Kerk.

    II.
    Die leeren, „dat dit het einde van den dood Christi niet zij geweest, dat Hij metterdaad het nieuwe verbond der genade door zijn bloed zoude bevestigen; maar alleen dat Hij den Vader een bloot recht zou verwerven, om met de menschen wederom zoodanig verbond, als het Hem believen zoude, 't zij der genade, of der werken, te mogen oprichten." Want zulks strijdt tegen de Schriftuur, dewelke leert, dat Christus geworden is Borg en Middelaar eens beteren, dat is, des nieuwen verbonds, Hebr. 7:22. En, dat het testament in de dooden eerst bevestigd is, Hebr. 11: 15 en 17.

    III.
    Die leeren, ,dat Christus door zijne gegenoegdoening voor niemand zekerlijk de zaligheid zelve, en het geloof, waardoor deze genoegdoening Christi tot zaligheid krachtiglijk toegeeigend wordt, verdiend

    [266]

    heeft; maar alleen voor den Vader verworven heeft de macht of volkomen wil, om opnieuw met de menschen te handelen, en nieuwe voorwaarden, zulke als Hij zoude willen, voor te schrijven van welke de volbrenging aan den vrijen wil des menschen hangen zoude; en dat het derhalve had kunnen geschieden, dat of niemand, of alle menschen dezelve zouden vervullen." Want dezen gevoelen al te verachtelijk van den dood Christi; erkennen geenszins de voornaamste vrucht of weldaad, door dezelve verkregen, en brengen wederom uit de hel hervoor de Pelagiaansche doling.

    IV.
    Die leeren, „dat het nieuwe verbond der genade, dat God de Vader, door tusschenkomst van den dood Christi, met de menschen gemaakt heeft, niet daarin bestaat, dat wij door het geloof, voor zooveel het de verdienste Christi aanneemt, voor God gerechtvaardigd en zalig gemaakt worden; maar daarin, dat God, afgeschaft hebbende het afeischen van de volmaakte gehoorzaamheid der Wet, het geloof zelf, en de gehoorzaamheid des geloofs, alhoewel onvolmaakt, voor de volmaakte gehoorzaamheid der Wet rekent, en der belooning des eeuwigen levens uit genade waardig acht. Want dit wederspreekt de Schriftuur, Rom. 3:24, 25, Zij worden om niet gerechtvaardigd door zijn genade, door de verlossing, geschied in Christus Jezus; denwelken God heeft voorgesteld tot verzoening door 't geloof in zijn bloed. En brengen, met den godloozen Socinus, voort een nieuwe en vreemde rechtvaardigmaking des menschen voor God, tegen de eendrachtige overeenstemming van de gansche Kerk.

    V.
    Die leeren, „dat alle menschen in den staat der verzoening en in de genade des verbonds zijn aangenomen; alzoo dat niemand om de erfzonde der verdoemenis schuldig zij, of verdoemd zal worden, maar dat alle menschen van de schuld dezer zoude vrij zijn." Want dit gevoelen strijdt tegen de Schriftuur, welke zegt, dat wij van nature kinderen des toorns zijn.

    VI.
    ,,Die het onderscheid tusschen verwerving en toeeigening daartoe gebruiken, opdat ze den onvoorzichtigen en onervarenen dit gevoelen mochten inplanten, dat God, zooveel Hem aangaat, allen menschen die weldaden, die door den dood Christi verkregen worden, evengelijkelijk heeft willen mededeelen;maar, dat sommigen de vergeving der zonden, en des eeuwigen levens deelachtig worden, anderen niet, dat zulk een onderscheid hangt aan hunnen vrijen wil, welke zich zelven voegt bij de genade, die zonder onderscheid aangeboden wordt; en dat het niet hangt aan die bizondere gaven der barmhartigheid, die krachtiglijk in hen werkt, opdat ze zich zelven die genade boven anderen zouden toeeigenen." Want dezen, zich uitlatende alsof zij dit onderscheid in eene gezonde meening voorstelden, trachten den volke het verderfelijk venijn van de Pelagiaansche dwalingen in te geven.

    VII.
    Die leeren, ,,dat Christus voor diegenen, die God ten hoogste liefheeft, en ten eeuwigen leven verkoren, niet heeft kunnen noch moeten sterven, ook niet gestorven is, naardien dezulken den dood Christi niet van noode hebben. Want zij wederspreken den Apostel, zeggende: Christus heeft mij liefgehad en heeft zichzelven voor mij overgegeven. Gal. 2:20. Insgelijks: Rom. 8 :33, Wie zal de uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt? Christus is gestorven, namelijk, voor hen. En tegen den Zaligmaker, zeggende: Ik stel mijn leven voor mijne schapen, Joh. 10:15. En: Dit is mijn gebod, dat gij malkander lief hebt, gelijk Ik ulieden lief gehad heb. Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zet voor zijne vrienden, Joh. 12:13.
    Onder stond.
    Dat wij alzoo gevoelen en oordeelen getuigen wij met onderteekening onzer handen, en was onderteekend.
    Johannes Bogerman, herder der Kerk van Leeuwarden en praeses der Synode. Jacobus Rolandus, herder der Kerk van Amsterdam en bijzitter van den praeses. Herman Faukelius, herder der Kerk van Middelburg bijzitter van den praeses. Sebastianus Damman, herder der Kerk van Zutfen en scriba der Synode. Festus Hommius, herder der Kerk van Leiden, scriba der Synode.


    Uit Groot-Brittanje.
    Georgius, Bisschop van Landa.mJohannes Davenantius, Doctor en publiek Professor der gewijde Theologie aan de Academie van Cambridge, en praeses van het Koninklijk Collegie aldaar.

    [267]

    Samuel Wardus, Ouderling; Doctor der H. Theologie Aartsdiaken van Faunton, en praeses in het Sidneyaansch Collegie aan de Academie van Cambridge. Thomas Goadus, Ouderling; Doctor der H. Theologie, voorzanger van de Paulimsche Kathedraal te Londen. Gualterus Balcanqualles, uit Schotsch-Brittanje, Ouderling, Baccalaureus der H. Theologie.

    Uit den keurvorstelijken Paltz.
    Abrahamus Scultetus, Doctor der H. Theologie en Professor aan de Academie te Heidelberg.Paulus Tossanus, Doctor der H. Theologie en raad in den Kerkeraad van den Neder-Paltz. Henricus Alting, Doctor der H. Theologie en Professor aan de Academie te Heidelberg.

    Uit Hessen
    Georgius Cruciger, Doctor der H. Theologie, ,Professor, en thans Rector aan de Academie te Marburg.
    Paulus Steinins, Hofprediker en Professor der H. Theologie aan het vorstelijk Mauritsche Collegie voor de Broeders te Kassel. Daniel Angelocrator, herder der Kerk te Marburg, en Superintendent der naastgelegen Kerken aan de Laan en Eder. Rodolphus Goclenius, de Oude, eerste Professor in de zuivere Philosophie aan de Academie Marburg en thans Deken.

    Uit Zwitserland
    Johannes Jakobus Breytingerus, herder der Kerk van Zurich. Marcus Rutimeyerus, Doctor der H. Theologie en Dienaar der Kerk te Bern. Sebastianus Beckius, Doctor der H. Theologie en Professor in het Nieuwe Testament aan de Academie te Bazel, en aldaar Deken der Theologische Faculteit.
    Wolgangus Mayerus, Doctor der H. Theologie, herder der Kerk te Bazel. Johannes Conradus Kochius, Dienaar der Kerk te Schaffhausen.

    Van de Wetteravische Correspondentie
    Johannes Henricus Alstedius, gewoon Professor aan de Illustre Nassausche School, welke te Hernborn is. Georgius Fabricius, herder der Windechsche Kerk aan het hof van Hannover en Inspecteur der omgeving.

    Uit de Stad en Kerk van Genève.
    Johannes Deodatus, herder in de Kerk te Genève en Professor in de H. Theologie aan de School aldaar. Theodorus Tronchinus, Bedienaar des Goddelijken Woords in de Kerk te Genève, en aldaar Professor in de H. Theologie.

    Uit de Stad en Kerk van Bremen.
    Matthias Martinius, Rector der Illustre School te Bremen en aan haar Professor der gewijde Letteren.
    Henricus Isselburg, Doctor der H. Theologie, Dienaar van Jezus Christus, in de Kerk der gezegende Maagd te Bremen, en aan de School Professor in het Nieuwe Testament. Ludovicus Crocius, Doctor der H. Theologie, herder der Kerk van den H. Maarten te Bremen en Professor in het Oude Testament en in de Practische wijsbegeerte aan de IlIustre School.

    Uit de Stad en Kerk van Embden.
    Daniel Bernardus Eilshemius, oudste herder in de Kerk van Embden. Ritzius Lucas Grimershemius, herder der Kerk van Embden.

    De Nederlandsche Professoren.
    Joannes Polyander, Doctor der H. Theologie en Professor aan de Academie te Leiden. Sibrandus Lubbertus, Doctor der H. Theologie en Professor aan de Friesche Academie. Franciscus Gomarus, Doctor en Professor der H. Theologie aan de Academie van Groningen en Ommelanden. Antonius Thysius, Professor der H. Theologie aan de Illustre School van de Geldersche Veluwe, welke is te Harderwijk.
    Antonius Waleus, herder der Kerk van Middelburg, en door de Illustre Theologische School dezer stad naar de Synode geroepen.

    Uit Gelderland en het Graafschap van Zutfen.
    Guilielmus Stephani, Doctor der H. Theologtie, herder der Kerk van Arnhem.

    [268]

    Ellardus van Mehen, herder der Kerk van Harderwijk. Johannes Bouillet, herder te Warnsfeld.
    Jacobus Verheyden, Oudste der Kerk van Nijmegen, en Rector der School.

    Uit Zuid-Holland.
    Balthasar Lydius, M. F. herder van de kerk Gods in de stad Dordrecht. Henricus Arnoldi, predikant te Delft. Gisbertus Voetius, herder der Kerk van Heusden. Arnoldus Muys van Holy, Baljuw van ZuidHolland, Oudste der Kerk van Dordrecht. Johannes de Laet, Oudste der Kerk van Leiden.

    Uit Noord-Holland.
    Jacobus Triglandus, herder der Kerk van Amsterdam. Abraham van Dooreslaer, herder der Kerk van Enkhuizen. Samuel Bartholdus, herder der Kerk van Monnikendam. Theodorus Heyngius, Oudste der Kerk van Amsterdam. Dominicus van Heemskerck, Oudste der Kerk van Amsterdam.

    Uit Zeeland.
    Godefridus Udemannus, herder der Kerk van Zierikzee. Cornelius Regius, herder der Kerk van Goes.
    Lambertus de Rycke, herder der Kerk van Bergen op Zoom. Iosias Vosbergius, Oudste der Kerk van Middelburg. Adrianus Hofferus, Senator der stad Zierikzee, en Oudste der Kerk aldaar.

    Uit de Provincie van Utrecht.
    Johannes Dibbezius, herder te Dordrecht, Afgevaardigde der Utrechtsche Orthodoxe Synode.
    Arnoldus Oortcampius, herder der Kerk van Amersfoort.

    Uit Friesland.
    Florentius Johannis, Dienaar van Jezus Christus den Gekruiste, in de Kerk van Sneek. Philippus Danielis Eilshemius, herder der Kerk van Harlingen. Kempo Harinxma van Donia, Oudste der Kerk van Leeuwarden. Tacitus van Aysma, Oudste der Kerk te Buirgirt, Hichtum, en Hartwart.

    Uit Overijsel.
    Casparus Sibelius, herder der Kerk van Deventer. Hermannus Wiserding, Bedienaar van het Evangelie van Christus, in de Kerk van Zwolle. Hieronymus Vogellius, herder der Kerk van Hasselt, tijdelijk dienende als afgevaardigde van de orthodoxe Kerk van Kampen. Johannes Langius, predikant te Vollenhoven. Wilhelmus van Broickhuisen ten Doerne, als afgevaardigde Oudste. Johannes van Lauwick, als afgevaardigde Oudste.

    Uit de Stad Groningen en de Ommelanden.
    Cornelius Hillenius, Dienstknecht van Jezus Christus in de Kerk van Groningen. Georgius Placius, herder der Kerk van Appingadam. Wolfgangus Agricola, herder der Kerk van Bedum. Wigboldus, Homerus, herder der Kerk van Midwolde. Egbertus Halbes, Oudste der Kerk van Groningen.
    Johannes Rufelaert, Oudste der Kerk van Stedum.

    Uit Drente.
    Themo van Asschenberg, herder der Kerk van Meppel. Patrocilus Romelingius, herder der Kerk van Rhuinen.

    Uit de Waalsche Kerk.
    Daniel Colonius, herder der Kerk van Leiden, en Regent van het Fransch-Hollandsch Collegie aan de Leidsche Academie. Joannes Crucius, herder te Haarlem. Joannes Doucher, herder te Vlissingen.
    Jeremias de Pours, herder der FranschHollandsche Kerk te Middelburg. Evardus Beckius, Oudste der FranschHollandsche Kerk te Middelburg. Petrus Pontanus, Oudste der Kerk te Amsterdam.

    [269]

    HET DERDE EN VIERDE HOOFDSTUK DER LEER,

    VAN DES

    MENSCHEN VERDORVENHEID EN DE BEKEERING TOT GOD, EN DE MANIER DERZEVE.

    Art. I.
    De mensch is van den beginne naar het beeld Gods geschapen, versierd in zijn verstand met ware en zalige kennis van zijn Schepper, en van andere geestelijke dingen; met gerechtigheid in zijn wil en hart; in al zijne genegenheden niet zuiverheid, en is overzulks geheel heilig geweest. Maar door het ingeven des duivels en zijnen vrijen wil van God afwijkende, heeft hij zichzelven van deze uitnemende gaven beroofd, en heeft daarentegen in de plaats van die over zich gehaald blindheid, schrikkelijke duisternis, ijdelheid en verkeerdheid des oordeels in zijn verstand, boosheid, wederspannigheid, en hardigheid in zijn wil en hart, mitsgaders ook onzuiverheid in alle zijne genegenheden.

    II.
    Zoodanig als nu de mensch geweest is na den val, zoodanige kinderen heeft hij ook voortgebracht, namelijk, hij, verdorven zijnde, verdorvene; alzoo dat de verdorvenheid, naar Gods rechtvaardig oordeel, van Adam op alle zijne nakomelingen (uitgenomen alleen Christus) gekomen is, niet door navolging, gelijk eertijds de Pelagianen gedreven hebben, maar door voortplanting der verdorvene natuur.

    III.
    Overzulks worden alle menschen in zonden ontvangen, en kinderen des toorns geboren, onbekwaam tot eenig zaligmakend goed, geneigd tot kwaad, dood in zonden, en slaven der zonden. En willen, noch kunnen tot God wederkeeren, noch hunne verdorvene natuur verbeteren, noch zich zelven tot de verbetering derzelve schikken, zonder de genade des wederbarenden H. Geestes.

    IV.
    Wel is waar, dat na den val in den mensch eenig licht der natuur nog overgebleven is,waardoor hij behoudt eenige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tusschen hetgeen eerlijk en oneerlijk is; en ook betoont eenige betrachting tot de deugd en uiterlijke tucht. Maar zoo verre is het van daar, dat de mensch door dit licht der natuur zoude kunnen komen tot de zaligmakende kennis Gods, en zich tot Hem bekeeren, dat hij ook in natuurlijke en burgerlijke zaken dit licht niet recht gebruikt; ja veel meer hetzelve, hoedanig het ook is, geheel op verscheidene wijze bezoedelt, en in ongerechtigheid ten onderhoudt. En dewijl hij dit doet, zoo wordt hem alle onschuld door God benomen.

    V.
    Gelijk het met het licht der natuur toegaat, zoo gaat het ook in dezen toe met de Wet der Tien geboden, van God door Mozes den Joden bizonderlijk gegeven. Want nademaal dezelve de grootheid der zonde wel ontdekt, en den mensch meer en meer van zijne schuld overtuigt, doch het geneesmiddel daartegen niet aanwijst, noch eenige krachten toebrengt, om uit deze ellendigheid te kunnen geraken, en dat ze alzoo, door het vleesch krank geworden zijnde, den overtreder onder den vloek blijven laat, zoo kan de mensch daardoor de zaligmakende genade niet verkrijgen.

    VI.
    Hetgeen dan noch het licht der natuur noch de Wet doen kan, dat doet God door de kracht des Heiligen Geestes, en door het Woord of de bediening der verzoening, welke is het Evangelie van den Messias, waardoor het God behaagd heeft de geloovige menschen, zoo in 't Oude, als Nieuwe Testament, zalig te maken.

    VII,
    Deze verborgenheid zijns wils heeft God in 't Oude Testament aan weinigen ontdekt, doch in 't nieuwe.

    [270]

    Testament (het onderscheid der volkeren nu weggenomen zijnde) heeft Hij dezelve aan meer menschen geopenbaard. Van welke verscheiden uitdeeling de oorzaak niet moet gesteld worden in de waardigheid van het eene volk meer dan het andere, of in 't beter gebruik van het licht der natuur, maar in het gansch vrije welbehagen en de onverdiende liefde Gods; waarom ook diegenen, wien buiten ja tegen verdiensten zoo groot een genade geschiedt, dezelve met een nederig en dankbaar hart moeten erkennen, maar in de anderen, wien deze genade niet geschiedt, moeten zij, met den Apostel, de strengheid en rechtvaardigheid van Gods oordeelen aanbidden, en die geenszins nieuwsgieriglijk onderzoeken.

    VIII.
    Doch zoo velen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstiglijk geroepen. Want God betoont ernstiglijk en waarachtiglijk in zijn Woord, wat Hem aangenaam zij, namelijk, dat de geroepenen tot Hem komen. Hij belooft ook met ernst allen, die tot Hem komen, en gelooven, de rust der zielen en het eeuwige leven.

    IX.
    Dat er velen door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, niet komen en niet bekeerd worden, daarvan is de schuld niet in het Evangelie, noch in Christus, door het Evangelie aangeboden zijnde, noch in God, die door het Evangelie roept, en zelfs ook dien Hij roept, verscheidene gaven mededeelt, maar in degenen, die geroepen worden, van welke sommigen, zorgeloos zijnde, het Woord des levens niet aannemen; anderen nemen het wel aan, maar niet in het binnenste huns harten, en daarom is het, dat zij, na eene verdwijnende blijdschap van het tijdelijk geloof, wederom terugwijken; anderen verstrikken het zaad des woords door de doornen der zorgvuldigheden en wellusten der wereld, en brengen geen vruchten voort, 'twelk onze Zaligmaker leert in de gelijkenis van het zaad.

    X.
    Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, komen, en bekeerd worden, dat moet men den mensch niet toeschrijven, alsof hij zich zelven door zijnen vrijen wil zoude uitscheiden van anderen, die met even groote of genoegzame genade tot het geloof en bekeering voorzien zijn ('t welk de hoovaardige ketterij van Pelagius stelt), maar men moet het God toeschrijven, die, gelijk Hij de zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, alzoo ook dezelve in der tijd krachtiglijk roept, met het geloof en de bekeering begiftigt, en, uit de macht der duisternis verlost zijnde, tot het rijk zijns Zoons overbrengt, opdat zij zouden verkondigen de deugden Desgenen, die hen de duisternis tot zijn wonderlijk licht heeft geroepen; en opdat zij niet in zichzelven, maar in den Heere zouden roemen, gelijk de Apostolische schriften doorgaans getuigen.

    XI.
    Voorts, wanneer God dit zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert, en de ware bekeering in dezelve werkt, zoo is het, dat Hij niet alleen het Evangelie hun uiterlijk doet prediken, en hun verstand krachtiglijk door den Heiligen Geest verlicht, opdat ze recht zouden verstaan en onderscheiden die dingen, die des Geestes Gods zijn; maar Hij dringt ook in tot de binnenste deelen des menschen met de krachtige werking van denzelven wederbarenden Geest; Hij opent het hart, dat gesloten is; Hij vermurwt wat hard is; Hij besnijdt wat onbesneden is. In den wil stort Hij nieuwe hoedanigheden, en maakt dat dezelve wil, die dood was, levend wordt, die boos was, goed wordt, die niet wilde, nu dadelijk wil, die wederspannig was, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt denzelven wil alzoo, dat hij, als een goede boom, vruchten van goede werken kan voortbrengen.

    XII.
    En dit is die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de dooden, en levendmaking, waarvan zoo heerlijk in de Schriftuur gesproken wordt, dewelke God zonder ons in ons werkt; en deze wordt in ons niet teweeggebracht door middel van de uiterlijke predikatie alleen, noch door aanrading, of zulk eene manier van werking, dat, wanneer nu God zijn werk volbracht heeft,

    [271]

    zeer krachtige, en te gelijk zeer zoete, wonderlijke, verborgene, en onuitsprekelijke werking, welke, naar het getuigenis der Schriftuur (die van den Auteur van deze werking is ingegeven), in hare kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of de opwekking der dooden; alzoo, dat alle diegenen, in welker harten God op deze wonderbaarlijke wijze werkt, zekerlijk, onfeilbaarlijk en krachtiglijk wedergeboren worden, en dadelijk gelooven. En alsdan wordt de wil, zijnde nu vernieuwd, niet alleen van God gedreven en bewogen, maar, zijnde bewogen van God, werkt hij ook zelf'. Daarom wordt ook terecht gezegd, dat de mensch, door de genade, die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert.

    XIII.
    De wijze van deze werking kunnen de geloovigen in dit leven niet volkomenlijk begrijpen; ondertusschen stellen zij zich daarin gerust, dat zij weten en gevoelen, dat zij door deze genade Gods met hun harte gelooven, en hunnen Zaligmaker liefhebben.

    XIV.
    Zoo is dan het geloof een gave Gods, niet omdat het den vrijen wil des menschen van God wordt aangeboden, maar omdat het den mensch dadelijk wordt medegedeeld, ingegeven, en ingestort; niet ook daarom, dat God de macht alleen om te gelooven zoude geven, en daarna de toestemming of het dadelijk gelooven van den vrijen wil des menschen verwachten; maar omdat Hij, die daar werkt het willen en het volbrengen, ja alles werkt in allen, in de menschen teweegbrengt beide den wil om te gelooven, en het geloof zelf.

    XV.
    Deze genade is God niemand schuldig. Want wat zoude Hij schuldig zijn dengenen, die Hem eerst niets geven kan, opdat het hem vergolden worde? Ja, wat zoude God hem schuldig zijn, die van zichzelven niets anders heeft dan zonde en leugen? Diegene dan, die deze genade ontvangt, die is God alleen daarvoor eeuwige dankbaarheid schuldig, en dankt Hem ook daarvoor. Diegene, die deze genade niet ontvangt, die acht ook deze geestelijke dingen gansch niet, en behaagt zichzelven in het zijne, of, zorgeloos zijnde, roemt ijdellijk dat hij heeft hetgeen hij niet heeft. Voorts, van diegenen, die hun geloof uiterlijk belijden en hun leven beteren, moet men, naar het exempel der Apostelen, het beste oordeelen en spreken; want het binnenste des harten is onbekend. En wat aangaat anderen, die nog niet geroepen zijn, voor zulken moet men God bidden, die de dingen, die niet zijn., roept alsof zij waren, en moeten ons geenszins tegen dezelve verhoovaardigen, alsof wij ons zelven onderscheiden hadden,

    XVI.
    Doch gelijk de mensch door den val niet heeft opgehouden een mensch te zijn, begaafd niet verstand en wil; en gelijk de zonde, die het gansche wenschelijk geslacht heeft doordrongen, de natuur des menschen niet heeft weggenomen, maar verworven en geestelijker wijze gedood; alzoo werkt ook deze Goddelijke genade der wedergeboorte in den mensch niet als in stokken en blokken, noch vernietigt den wil en zijne eigenschappen, noch dwingt hem met geweld tegen zijnen dank, maar maakt hem geestelijk levend, heelt hem, verbetert hem en buigt hem tegelijk lieflijk en krachtelijk; alzoo, dat, waar de wederspannigheid en tegenstand des vleesches te voren ten eenenmaal de overhand had, daar begint nu een gewillige en oprechte gehoorzaamheid des geestes de overhand te krijgen; waarin de waarachtige en geestelijke wederoprichting en vrijheid van onzen wil gelegen is. En, tenware dat die wonderbaarlijke Werkmeester alles goeds in dezer voege niet ons handelde, de mensch zoude gansch geen hope hebben van uit den val te kunnen opstaan door zijnen vrijen wil, waardoor hij zichzelven, toen hij nog stond, in het verderf gestort.

    XVII.
    Gelijk ook die almachtige werking Gods, waardoor Hij dit ons natuurlijk leven voortbrengt en onderhoudt, niet uitsluit, maar vereischt het gebruik der middelen, door dewelke God naar zijne oneindige wijsheid en goedheid deze zijne kracht heeft willen uitstrekken; alzoo is het ook dat de voorgemelde bovennatuurlijke werking Gods, waardoor Hij ons wederbaart, geenszins uitsluit, noch omstoot het gebruik des Evangelies, hetwelk de wijze God tot een zaad der wedergeboorte en spijs der zielen verordineerd heeft.

    [272]

    Daarom dan, gelijk de Apostelen en de leeraars, die hen zijn gevolgd, van deze genade Gods het volk Godzaliglijk hebben onderricht, Hem ter eere, en tot nederdrukking van allen hoogmoed des menschen; en ondertusschen nochtans niet hebben nagelaten, dezelve door heilige vermaningen des Evangelies te houden onder de oefening des Woords, der Sacramenten, en der kerkelijke tucht; alzoo moet het ook nu verre van daar zijn, dat diegenen, die anderen in de gemeente leeren, of die geleerd worden, zich zouden vermeten God te verzoeken door het scheiden dier dingen, die God naar zijn welbehagen heeft gewild, dat samengevoegd zouden blijven. Want door de vermaningen wordt de genade medegedeeld, en hoe vaardiger wij ons ambt doen, hoe heerlijker ook de weldaad Gods, die in ons werkt, zich vertoont, en zijn werk gaat dan allerbest voort. Welken God alleen toekomt, zoo vanwege de middelen, als vanwege de zaligmakende vrucht en de kracht derzelve, alle heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.

    Verwerping der dwalingen.

    De rechtzinnige leer verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwalingen dergenen,

    I.
    Die leeren, „dat men eigenlijk niet zeggen kan, dat de erfzonde in zich zelve genoegzaam zij om het gansche menschelijk geslacht te verdoemen, of om tijdelijke en eeuwige straffen te verdienen." Want dezen wederspreken den Apostel, die daar zegt: De zonde is door eenen mensch in de wereld gekomen, en door de zonde de dood, en alzoo is de dood tot alle menschen gekomen door eenen mensch, in welken alle menschen gezondigd hebben, Rom. 5 :12. En: Rom. 5:16, De schuld is uit een misdaad ingekomen tot verdoemenis; En: Rom. 6:23, De bezoldiging der zonde is de dood.

    II.
    Die leeren, ,,dat de geestelijke gaven, of de goede hoedanigheden en deugden, als daar zijn goedheid, heiligheid, rechtvaardigheid, in den wil des menschen, als hij eerst geschapen werd, niet konden zijn; en dat ze diensvolgens in den val van denzelven niet hebben kunnen gescheiden worden." Want zulks strijdt tegen de beschrijving des evenbeelds Gods, welke de Apostel stelt, Efez. 4:24; alwaar hij getuigt, dat hetzelve bestaat in gerechtigheid en heiligheid, welke beide ontwijfellijk in den wil hare plaats hebben.

    III.
    Die leeren, ,,dat in den geestelijken dood de geestelijke gaven van des menschen wil niet zijn gescheiden, nademaal de wil in zich zelven nooit zij verdorven geweest, maar alleenlijk door de duisternis des verstands en de ongeregeldheid der hartochten verhinderd, welke verhinderingen weggenomen zijnde, dat alsdan de wil zijne vrije aangeborene kracht zoude in 't werk kunnen stellen, dat is, allerlei goed, 'twelk hem voorkomt, uit zichzelven zoude kunnen willen en verkiezen, of niet willen en niet verkiezen." Dit is een nieuwigheid en dwaling, en strekt daartoe, dat ze de krachten van den vrijen wil verheffe, tegen de spreuk des Profeten, Jer. 17: 9, Een trotsch en bedriegelijk ding is het hart. En des Apostels, Ef. 2:3, Onder welke (kinderen der ongehoorzaamheid) wij ook allen voortijds gewandeld hebben in de begeerten onzes vleesches, doende den wil des vleesches en der gedachten.

    IV.
    Die leeren, „dat de onherboren mensch niet eigenlijk, noch geheellijk dood is in de zonde, of onbloot van alle krachten tot het geestelijk goed; maar dat hij nog kan hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en het leven, en offeren een offerande eens verslagenen en gebrokenen geestes, die Gode aangenaam zij." Want deze dingen strijden tegen de klare getuigenissen der Schriftuur: Ef. 2: 1, 5. Gij waart dood door de zonden en misdaden. En: Gen. 6:5 en 8:21, Het dichten en pochen des menschelijken harten is alleenlijk boos ten allen tijd. Daarenboven hongeren en dorsten naar de verlossing uit de ellendigheid, en naar het leven, en Gode eene offerande eens gebrokenen geestes opofferen, komt eigenlijk toe den wedergeborenen, en dengenen, die zalig genoemd worden, Ps.. 51:19. Matth. 5:6.

    V.
    Die leeren, ,,dat de verdorvene en natuurlijke mensch de gemeene genade (waardoor zij verstaan het licht der natuur) of de gaven, hem na den val nog overgelaten, zoowel gebruiken kan, dat hij, door dat goede gebruik, een meerdere, namelijk, de Evangelische of zaligmakende genade, en de zaligheid

    [273]

    zelve allengskens en bij trappen zoude kunnen bekomen. En dat in dezer voege God zich van zijn zijde betoont gereed te zijn om Christus aan alle menschen te openbaren, naardien Hij de middelen, die tot de kennisse Christi, tot het geloof en tot de bekeering noodig zijn, genoegzamelijk en krachtiglijk, allen toedient." Want, benevens de ervarenheid van alle tijden, betuigt ook de Schriftuur, dat zulks onwaarachtig zij. Ps. 147:19, 20, Hij doet Jakob kond zijn woord, Israel zijne wijzen en rechten; zoo heeft Hij geen volk gedaan, en zij hebben die rechten niet geweten. En: Hand. 14:16, God heeft in de voorledene tijden alle de Heidenen laten wandelen in hunne wegen. En: Hand. 16:6, 7, Hij (te weten Paulus met de zijnen) zijn door den H. Geest verhinderd geworden het woord in Azië te spreken, en als zij in Mysië gekomen waren, verzochten zij door Bithynië te reizen, en de Geest liet hun dat niet toe.

    VI.
    Die leeren, „dat in de ware bekeering des menschen geene nieuwe hoedanigheden, krachten, of gaven in den wil van God kunnen ingestort worden; en dat overzulks het geloof, waardoor wij eerst bekeerd worden, en waarvan wij geloovigen genoemd worden, niet is een hoedanigheid of gave, van God ingestort, maar alleen eene daad des menschen, en dat het niet anders kan gezegd worden een gave te zijn, dan ten aanzien van de macht om tot hetzelve te komen." Want daarmede wederspreken zij de H. Schriftuur, die getuigt, dat God nieuwe hoedanigheden des geloofs, der gehoorzaamheid, en van "t gevoelen zijner liefde, in onze harten uitstort. Jer. 31:33, Ik zal mijne wet in hun verstand geven, en Ik zal ze inschrijven in hun hart. En: Jes. 44:3, Ik wil water gieten op den dorstige, en stroomen ophetdorre; Ik wil mijnen Geest op uw zaad gieten. En: (Rom. 5:5, De liefde Gods is in onze harten uitgestort door den H. Geest, die ons gegeven is. Zulks strijdt ook tegen het gedurig gebruik der Kerke Gods, welke bij den Profeet aldus bidt: Bekeer Gij mij, Heere! zoo word ik bekeerd, Jer. 31: 18.

    VII.
    Die leeren, ,dat de genade, waardoor wij tot God bekeerd worden, niets anders is dan een zachte aanrading, of, (gelijk anderen dit verklaren) dat dit de alleredelste manier van werking is in de bekeering des menschen, en die best overeenkomt met de natuur des menschen, welke door aanrading geschiedt; en dat er niets is, waarom deze aanradende genade alleen niet zoude genoegzaam zijn, om den natuurlijken mensch geestelijk te maken; ja dat God niet anders de toestemming van den wil voortbrengt, dan door deze wijze van aanrading, en dat de kracht der Goddelijke werking, waardoor zij de werking des Satans te boven gaat, hierin bestaat, dat God eeuwige, maar de Satan tijdelijke goederen belooft." Want dit is gansch Pelagiaansch en strijdig tegen de gansche H. Schriftuur, dewelke, behalve deze, nog een andere en veelkrachtiger en Goddelijker manier van werking des H. Geestes in de bekeering des menschen erkent; gelijk hij Ezechiël: Ik wil u een nieuw hart en eenen nieuwen geest in u geven, en wil het steenen hart uit uw vleesch weg nemen, en u een vleesches hart geven, Ezech. 36:26.

    VIII.
    Die leeren, ,,dat God zulke krachten zijner almogendheid in de wedergeboorte des menschen niet gebruikt, waardoor Hij deszelven wil krachtiglijk en onfeilbaarlijk zoude buigen tot geloof en bekeering; maar dat alle de werkingen der genade, welke God gebruikt om den mensch te bekeeren, volbracht zijnde, de mensch nochtans Gode en den H. Geest, wanneer Hij de wedergeboorte deszelven voorheeft, en hem wederbaren wil, alzoo kan wederstaan en metterdaad ook dikwijls wederstaat, dat hij zijn eigen wedergeboorte ganschelijk belet; en dat het overzulks in zijn eigen macht blijft., wedergeboren te worden of niet." Want dit is anders niet, dan al de kracht van de genade Gods in onze bekeering wegnemen, en de werking des almachtigen Gods den wil des menschen onderwerpen, en dat tegen de Apostelen, die leeren, Ef. 1:19, Dat wij gelooven naar de werking der kracht zijner sterkheid; En, 2 Thess. 1:11, Dat God het welbehagen der goedheid en het werk des geloofs in ons vervult met macht. En, 2 Petr. 1:3, Dat zijne Goddelijke macht ons alle ding gegeven heeft, dat tot het leven en de Godzaligheid noodig is.

    IX.
    Die leeren, ''dat de genade en de vrije wil zijn gedeeltelijke oorzaken, die beide te zamen werken het

    [274]

    begin van de bekeering, en dat de genade in de orde van werking niet gaat voor de werking van den wil, dat is, dat God niet eerder den wil des menschen krachtelijk helpt tot de bekeering, dan wanneer de wil des menschen zichzelven beweegt en daartoe bepaalt. Want de oude Kerk heeft deze leer al overlang in de Pelagianen veroordeeld, uit den Apostel, Rom. 9:16, Zoo gaat het dan niet naar iemands willen of loopen, maar naar Gods ontfermen. Ingelijks: 1 Cor. 4:7, Wie scheidt u uit? En wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? En: Fil. 2:13, Het is God, die in u werkt het willen en het volbrengen, naar zijn welbehagen.

    Onder stond.
    Dat wij alzoo gevoelen en oordeelen, getuigen wij met onderteekening onzer handen,
    en was onderteekend.

    Johannes Bogerman, herder der Kerk van Leeuwarden en praeses der Synode. Jacobus Rolandus, herder der Kerk van Amsterdam en bijzitter van den praeses. Herman Faukelius, herder der Kerk van Middelburg en bijzitter van den praeses. Sebastianus Damman, herder der Kerk van Zutfen en scriba der Synode. Festus Hommius, herder der Kerk van Leiden, scriba der Synode.

    Uit Groot-Brittanje.
    Georgius, Bisschop van Landa. Johannes Davenantius, Doctor en publiek Professor der gewijde Theologie aan de Academie van Cambridge, en praeses van het Koninklijk Collegie aldaar. Samuel Wardus, Ouderling; Doctor der H.Theologie, Aartsdiaken van Faunton, en praeses in het Sidneyaansch Collegie aan de Academie van Cambridge.Thomas Goadus, Ouderling; Doctor der H. Theologie, voorzanger van de Paulinische Kathedraal te Londen, Gualterus Balcanquallus, uit Schotsch-Brittanje, Ouderling, Baccalaureus der H. Theologie.

    Uit den keurvorstelijken Paltz.
    Abrahamus Scultetus, Doctor der H. Theologie en Professor aan de Academie te Heidelberg. Paulus Tossanus, Doctor der H. Theologie en raad in den Kerkeraad van den Neder-Paltz. Henricus Alting, Doctor der H. Theologie en Professor aan de Academie te Heidelberg.

    Uit Hessen.
    Georgius Cruciger, Doctor der H. Theologie, Professor, en thans Rector aan de Academie te Marburg.
    Paulus Steinius, Hofprediker en Professor der H. Theologie aan het vorstelijk Mauritsche Collegie voor de Broeders te Kassel. Daniel Angelocrator, herder der Kerk te Marburg, en Superintendent der naastgelegene Kerken aan de Laan en Eder. Rodolphus Goclenius, de Oude, eerste Professor in de zuivere Philosophie aan de Academie te Marburg, en thans Deken.

    Uit Zwitserland.
    Johannus Jakobus Breytingerus, herder der Kerk van Zurich. Marcus Rutimeyerus, Doctor der H. Theologie en Dienaar der Kerk te Bern. Sebastianus Beckius. Doctor der H. Theologie en Professor in het Nieuwe Testament aan de Academie te Bazel, en aldaar Deken der Theologische Faculteit.
    Wolgangus Mayerus, Doctor der H. Theologie, herder der Kerk te Bazel. Johannes Conradus Kochius, Dienaar der Kerk te Schaffhausen.

    Van de Wetteravische Correspondentie.
    Johannes Henricus Alstedius, gewoon Professor aan de Illustre Nassausche School, welke te Herborn is.Georgius Fabricins, herder der Windechsche Kerk aan het hof van Hannover, en Inspecteur der omgeving.

    Uit de Stad en Kerk van Genève.
    Johannus Deodatus, herder in de Kerk te Genève en Professor in de H. Theologie aan de school aldaar.
    Theodorus Tronchinus, Bedienaar des Goddelijken Woords in de Kerk te Genève, en aldaar Professor in de H. Theologie.

    Uit de Stad en Kerk van Bremen.
    Matthias Martinius, Rector der Illustre School te Bremen en aan haar Professor der gewijde Letteren.

    [275]

    Henricus Isselburg, Doctor der H. Theologie, Dienaar van Jezus Christus in de Kerk der gezegende Maagd te Bremen, en aan de School Professor in het Nieuwe Testament. Ludovicus Crocius, Doctor der H. Theologie, herder der Kerk van den H. Maarten te Bremen, en Professor in het Oude Testament en in de Practische wijsbegeerte aan de Illustre School.

    Uit de Stad en Kerk van Embden.
    Daniel Bernardus Eilshemius, oudste herder,in de Kerk van Embden. Ritzius Lucas Grimershemius, herder der Kerk van Embden.

    De Nederlandsche Professoren.
    Joannes Polyander, Doctor der H. Theologie en Professor aan de Academie te Leiden. Sibrandus Lubbertus, Doctor der H. Theologie en Professor aan de Friesche Academie. Franciscus Gomarus, Doctor en Professor der H. Theologie aan de Academie van Groningen en Ommelanden. Antonius Thysius, Professor der H. Theologie aan de Illustre School van de Geldersche Veluw, welke is te Harderwijk. Antonius Waleus, herder der Kerk van Middelburg, en door de Illustre Theologische School dezer stad naar de Synode geroepen.

    Uit Gelderland en het Graafschap van Zutfen.
    Guilielmus Stephani, Doctor der H. Theologie, herder der Kerk van Arnhem. Ellardus van Mehen, herder der Kerk van Harderwijk. Johannes Bouillet, herder te Warnsveld. Jacobus Verheyden, Oudste der Kerk van Nymegen, en Rector der School.

    Uit Zuid-Holland.
    Balthasar Lydius, M. F. herder van de Kerk Gods in de stad Dordrecht. Henricus Arnoldi, predikant te Delft. Gisbertus Voetius, herder der Kerk van Heusden. Arnoldus Muys van Holy, Baljuw van ZuidHolland, Oudste der kerk van Dordrecht. Joannes de Laet, Oudste der Kerk van Leiden.

    Uit Noord-Holland.
    Jacobus Triglandus, herder der Kerk van Amsterdam. Abraham van Dooreslaer, herder der Kerk van Enkhuizen, Samuel Bartholdus, herder der Kerk van Monnikendam. Theodorus Heyngius, Oudste der Kerk van Amsterdam. Dominicus van Heemskerck, Oudste der Kerk van Amsterdam.

    Uit Zeeland.
    Godefridus Udemannus, herder der Kerk van Zierikzee. Cornelius Regius, herder der Kerk van Goes.
    Lambertus de Rycke, herder der Kerk van Bergen op Zoom. Iosias Vosbergius, Oudste der Kerk van Middelburg. Adrianus Hofferus, Senator der stad Zierikzee, en Oudste der Kerk aldaar.

    Uit de Provincie van Utrecht.
    Johannes Dibbezius, herder te Dordrecht, Afgevaardigde der Utrechtsche Orthodoxe Synode.
    Arnoldus Ortcampius, herder der Kerk van Amersfoort.

    Uit Friesland.
    Florentius Johannis, Dienaar van Jezus Christus den Gekruiste, in de Kerk van Sneek. Philippus Danielis Eilshemius, herder der Kerk van Harlingen. Kempo Harinxma van Donia, Oudste der Kerk van Leeuwarden. Tacitus van Aysma, Oudste der Kerk te Buirgirt, Hichtum, en Hartwardt.

    Uit Overijsel.
    Casparus Sihelius, herder der Kerk van Deventer. Hermannus Wiserding, Bedienaar van het Evangelie van Christus, in de Kerk van Zwolle. Hieronymus Vogellius, herder der Kerk van Hasselt, tijdelijk dienende als afgevaardigde van de Kerk van Kampen. Johannes Langius, predikant te Vollenhoven.
    Wilhelmus van Broickhuisen ten Doerne, als afgevaardigde Oudste. Johannes van Lauwick, als afgevaardigde Oudste.
    Uit de Stad Groningen en de Ommelanden.
    Cornelius Hillenius, Dienstknecht van Jezus Christus in de Kerk van Groningen. Georgius Placius, herder der Kerk van Appingadam.

    [276]

    Wolfgangus Agricola, herder der Kerk van Bedum. Wigboldus, Homerus, herder der Kerk van Midwolde. Egbertus Halbes, Oudste der Kerk van Groningen, Johannes Rufelaert, Oudste der Kerk van Stedum.

    Uit Drente.
    Themo van Asschenberg, herder der Kerk van Meppel. Patroclus Romelingius, herder der Kerk van Rhuinen.

    Uit de Waalsche Kerk.
    Daniel Colonius, herder der Kerk van Leiden, en Regent van het Fransch-Hollandsch Collegie aan de Leidsche Academie. Joannes Crucius, herder te Haarlem. Joannes Doucher, herder te Vlissingen.
    Jeremias de Pours, herder der Fransch-Hollandsche Kerk te Middelburg. Evardus Beckius, oudste der Fransch-Hollandsche Kerk te Middelburg. Petrus Pontanus Oudste der Kerk te Amsterdam.

                                            ________________



    HET VIJFDE HOOFDSTUK DER LEER
    van de

    VOLHARDING DER HEILIGEN

    Art I.
    Die God naar zijn voornemen tot de gemeenschap zijns Zoons, onzes Heeren Jezus Christus, roept, en door den H. Geest wederbaart, dezelve verlost Hij wel van de heerschappij en slavernij der zonde; doch Hij verlost ze in dit leven niet ganschelijk van het vleesch en het lichaam der zonde.

    II.
    Hieruit spruiten de dagelijksche zonden der zwakheid, en aan de allerbeste werken der heiligen kleven ook gebreken. Dit geeft hen gestadige oorzaak om zich voor God te verootmoedigen, hunne toevlucht tot den gekruisten Christus te nemen, het vleesch hoe langer hoe meer door den Geest des gebeds, en heilige oefeningen der Godvruchtigheid te dooden, en naar het perk der volmaaktheid te zuchten, totdat zij, van dit lichaam des doods ontbonden zijnde, met het Lam Gods in de hemelen zullen regeeren.

    III.
    Uit oorzaak van deze overblijfselen der inwonende zonde, en ook vanwege de aanvechtingen der wereld en des Satans, zouden de bekeerden in die genade niet kunnen volstandig blijven, zoo zij in hunne eigen krachten verlaten werden. Maar God is getrouw, die dezelve in de genade, hun eenmaal gegeven, barmhartiglijk bevestigt, en ten einde toe krachtiglijk bewaart.

    IV.
    En hoewel die macht Gods, waardoor Hij de ware geloovigen in de genade bevestigt en bewaart, meerder is, dan dat ze van 't vleesch zoude kunnen overwonnen worden, zoo worden nochtans de bekeerden niet altijd alzoo van God geleid, en bewogen, dat ze in sommige bizondere daden, door hun eigen schuld, van de leiding der genade niet zouden kunnen afwijken, en van de begeerlijkheden des vleesches verleid worden, en dezelve volgen. Daarom moeten zij gestadiglijk waken en bidden, dat ze niet in verzoekingen geleid worden. Zoo zij dit niet doen, zoo kunnen zij niet alleen van het vleesch, de wereld, en den Satan, tot zware en ook gruwelijke zonden weggerukt worden, maar worden ook inderdaad, door Gods rechtvaardige toelating, tot dezelve somwijlen weggerukt. Gelijk de droevige vallen van David, Petrus, en andere heiligen, die ons in de Schriftuur beschreven zijn, bewijzen.

    V.
    Met zoodanige grove zonden vertoornen zij God zeer, vervallen in schuld des doods, bedroeven den

    [277]

    H. Geest, verbreken voor een tijd de oefening des geloofs, verwonden zwaarlijk hunne conscientie, en verliezen somwijlen, voor een tijd, het gevoelen der genade, totdat hun, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op den weg wederkeeren, het vaderlijk aanschijn Gods opnieuw verschijnt.

    VI.
    Want God, die rijk is in barmhartigheid, neemt, naar het onveranderlijke voornemen der verkiezing, den H. Geest van de zijnen, ook zelfs in droevige vallen, niet geheel weg, noch laat ze zoo verre vervallen, dat ze van de genade der aanneming, en van den staat der rechtvaardigmaking uitvallen, of dat ze zondigen ter dood, of tegen den H. Geest, en, van Hein geheel verlaten zijnde, zich zelven geheel in 't eeuwig verderf storten.

    VII.
    Want eerstelijk in zulke vallen bewaart Hij nog in hen dit zijn onverderfelijk zaad, waaruit zij wedergeboren zijn, opdat hetzelve niet verga, noch uitgeworpen worde. Ten andere, vernieuwt Hij hen zekerlijk en krachtiglijk door zijn Woord en Geest tot bekeering, opdat zij over de bedreven zonden van harte, en naar God, bedroefd zijn;vergeving in 't bloed des Middelaars, door 't geloof, met een verbroken hart, begeeren, en verkrijgen de genade Gods, die nu met hen verzoend is, wederom gevoelen, zijne ontfermingen en trouw aanbidden, en voortaan hunne zaligheid met vreeze en beven dies te naarstiger werken.

    VIII.
    Alzoo bekomen zij dan dit, niet door hunne verdiensten of krachten, maar uit de genadige barmhartigheid Gods, dat zij noch ganschelijk van het geloof en de genade uitvallen, noch tot den einde toe in den val blijven, of verloren gaan. Dit zou, zooveel hen aangaat, niet alleen lichtelijk kunnen geschieden, maar zou ook ontwijfellijk geschieden. Doch ten aanzien van God kan het ganschelijk niet geschieden; dewijl noch zijn raad veranderd, noch zijn belofte gebroken, noch de roeping, naar zijn voornemen, wederroepen, noch de verdienste, voorbidding, en bewaring van Christus krachteloos gemaakt, noch de verzegeling des H. Geestes verijdeld of vernietigd kan worden.

    IX.
    Van deze bewaring der uitverkorenen tot de zaligheid, en van de volharding der ware geloovigen, in 't geloof, kunnen zelfs de geloovigen verzekerd zijn, en zij zijn ook naar de mate des geloofs, waarmede zij zekerlijk gelooven, dat zij zijn, en altijd blijven zullen, ware en levende leden der Kerk, dat zij hebben vergeving der zonden, en het eeuwige leven.

    X.
    En dienvolgens spruit deze verzekerdheid niet uit eenige bizondere openbaring, zonder of buiten het Woord geschied; maar uit het geloof der beloften Gods, die Hij in zijn Woord zeer overvloedig tot onzen troost in zijn Woord geopenbaard heeft, en uit het getuigenis des H. Geestes, die mede met onzen Geest getuigt, dat wij zijn kinderen en erfgenamen Gods; eindelijk, uit de ernstige en heilige betrachting van eene goede conscientie en van goede werken. En zoo de uitverkorenen Gods dezen vasten troost in deze wereld niet hadden, dat ze de overwinning behouden zullen, mitsgaders dit onbedriegelijke pand der eeuwige heerlijkheid, zoo zouden zij wezen de ellendigste van alle menschen.

    XI.
    Ondertusschen getuigt de H. Schriftuur, dat de geloovigen in dit leven tegen verscheidene twijfelingen des vleesches strijden, en, in zware aanvechting gesteld zijnde, dit volle vertrouwen des geloofs, en zekerheid der volharding niet altijd gevoelen. Maar God, de Vader aller vertroosting, laat hen boven hun vermogen niet verzocht worden, maar geeft met de verzoeking een uitkomst, en wekt in hen de verzekerdheid der volharding door den Heiligen Geest wederom op.

    XII.
    Doch zoo verre is het van daar, dat deze verzekerdheid der volharding de ware geloovige hoovaardig en vleeschelijk-zorgeloos zoude maken, dat ze daarentegen een ware wortel is van nederigheid, kinderlijke vreeze, ware Godzaligheid, lijdzaamheid in allen strijd, vurige gebeden, standvastigheid in het kruis en in de belijdenis der waarheid, mitsgaders van vaste blijdschap in God; en dat de overdenking van die weldaad hun een prikkel tot ernstige en gedurige betrachting van dankbaarheid en

    [278]

    goede werken; gelijk uit de getuigenissen der Schriftuur, en de exempelen der heiligen blijkt.

    XIII.
    Wanneer ook het vertrouwen der volharding wederom levend wordt in degenen, die van den val weder opgericht worden, zoo brengt dat in hen niet voort eenige dartelheid of onachtzaamheid der Godzaligheid, maar een veel grooter zorg om de wegen des Heeren vlijtiglijk waar te nemen, die van te voren bereid zijn, opdat zij, in dezelve wandelende, de verzekerdheid van hunne volharding zouden mogen behouden, en opdat het aanschijn des verzoenden Gods (wiens aanschouwing den Godvruchtigen zoeter is dan leven, en wiens verberging bitterder is dan de dood), om het misbruik van zijne Vaderlijke goedertierenheid, niet wederom van hen afgekeerd worde, en zij alzoo in zwaarder kwellingen des gemoeds vervallen.

    XIV.
    Gelijk het God nu beliefd heeft dit zijn werk der genade door de predikatie des Evangelies in ons te beginnen, alzoo bewaart, achtervolgt en volbrengt Hij hetzelve door het hooren, lezen en overleggen er van, mitsgaders vermaningen, dreigementen, beloften en het gebruik der H. Sacramenten.

    XV.
    Deze leer van de volharding der 'ware geloovigen en heiligen, mitsgaders van de verzekerdheid derzelve volharding, welke God tot zijns naams eer en tot troost der godvruchtige zielen in zijn Woord zeer overvloediglijk geopenbaard heeft, en in de harten der geloovigen indrukt, wordt wel van 't vleesch niet begrepen, en wordt van den Satan gehaat, van de wereld bespot, van de onervarenen en hypocrieten misbruikt en van de dwaalgeesten bestreden; maar de bruid Christi heeft ze altijd als een schat van onwaardeerlijken prijs zeer teederlijk bemind en standvastiglijk verdedigd. Dat zij dit ook voortaan doe, zal God bezorgen, tegen wien geen raad geldt, noch eenig geweld iets vermag. Welken eenigen God, Vader, Zoon en H. Geest zij eere en heerlijkheid in eeuwigheid, amen.


    Verwerping van de dwalingen, omtrent de leer van de volharding der heiligen.

    De rechte leer verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwalingen dergenen,

    I.
    Die leeren, ,dat de volharding der ware geloovigen niet is een vrucht der verkiezing, of gave Gods, door den dood Christi verworven; maar een conditie des nieuwen verbonds, die de mensch voor zijne beslissende (gelijk zij spreken) verkiezing en rechtvaardigmaking door zijnen vrijen wil moet volbrengen." Want de H. Schriftuur getuigt, dat ze uit de verkiezing volgt, en door de kracht des doods, der verrijzenis, en voorbidding van Christus den uitverkorenen gegeven wordt. Rom. 11:7, De verkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden. Insgelijks, Rom. 8:32, 33, 34, 35. Die zijnen eigenen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zoude Hij ons niet met Hem alle ding schenken? Wie zal de uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het die rechtvaardig maakt. Wie is hij, die verdoemt? Christus is voor ons gestorven, ja veel meer, die ook opgewekt is, welke ook ter rechterhand Gods is, welke ook voor ons bidt. Wie zal ons van de liefde Christi scheiden?

    II.
    Die leeren, dat God den geloovigen mensch wel voorziet met genoegzame krachten om te volharden, en bereid is dezelve in hem te bewaren, zoo hij zijn ambt doet; doch als nu alle die dingen, die noodig zijn om in het geloof te volharden, en die God gebruiken wil om het geloof te bewaren, al reeds in 't werk gesteld zijn, dat het nog altijd hangt aan het believen van den wil, dat hij volhardt, of niet volhardt." Want dit gevoelen begrijpt in zich een openbare Pelagianisterij, en als het de menschen wil vrij maken, zoo maakt het dezelve roovers van Gods eer, tegen de gedurige overeenstemming der Evangelische leer, die den mensch alle stof van roemen beneemt, en den lof dezer weldaad de genade Gods alleen toeschrijft; en tegen den Apostel, welke getuigt, 1 Cor. 1:8, Dat het God is, die ons tot den einde zal versterken, om onstraffelijk te zijn in den dag onzes Heeren Jezu Christi.

    [279]

    III.
    Die leeren, .dat de ware geloovigen en herborenen niet alleen van 't rechtvaardigmakende geloof, insgelijks van de genade en zaligheid ganschelijk en eindelijk kunnen uitvallen, maar ook dikmaals metterdaad van dezelve uitvallen, en in der eeuwigheid verloren gaan." Want deze meening maakt de genade der rechtvaardigmaking en wedergeboorte, en de gedurige bewaring van Christus krachteloos; tegen de uitgedrukte woorden van den Apostel Paulus, Rom. 5:8, 9, Zoo Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren, zoo zullen wij dan nu, door zijn bloed gerechtvaardigd, veel meer door Hem van den toorn behouden worden. En tegen den Apostel Johannes, 1 Joz. 3:9, Zoo wie uit God geboren is. die doet geen zonde, want zijn zaad blijft in hem, en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. Ook tegen de woorden van Jezus Christus, Joh. 10:28, 29, Ik geef mijnen schapen het eeuwige leven, en zij zullen niet vergaan in der eeuwigheid, en niemand zal ze uit mijne hand rukken. De Vader, die ze mij gegeven heeft, die is meerder dan allen, en niemand kan ze uit mijns Vaders handen rukken.

    IV
    Die leeren, „dat de ware geloovigen en herborenen kunnen zondigen de zonde tot den dood, of tegen den H. Geest". Want, nadat dezelve Apostel Johannes, in 't 5 hfdst. zijns eersten Zendbriefs, vers 16 en 17, van degenen, die tot den dood zondigen, gesproken had, en verboden voor dezelve te bidden, zoo voegt hij terstond in 't 18 vers daarbij:Wij weten, dat zoo wie uit God geboren is, die zondigt niet (verstaat met zulk een zonde), maar die uit Godgeboren is, bewaart zichzelven, en de booze genaakt hem niet.

    V.
    Die leeren, „dat men geen zekerheid van de toekomende volharding in dit leven kan hebben zonder bizondere openbaring." Want door deze leer wordt de vaste troost der ware geloovigen in dit leven weggenomen, en de twijfeling der Pausgezinden in de Kerk weder ingevoerd; daar de H. Schriftuur deze zekerheid doorgaans trekt, niet uit een bizondere en buitengewone openbaring, maar uit de eigen merkteekenen der kinderen Gods, en uit de zeer standvastigebeloften Gods; inzonderheid de Apostel Paulus, Rom. 8:39, Geen schepsel kan ons scheiden van de liefde Gods, welke is in Jezus Christus, onzen Heere. En Johannes, 1 Joh. 3:24, Want wie zijne geboden houdt, die blijft in Hem, en hij in hem; En hieraan bekennen wij, dat Hij in ons blijft, uit den Geest, dien Hij ons gegeven heeft.

    VI.
    Die leeren, ,dat de leer van de verzekering der volharding der zaligheid, uit haar eigen aard en natuur is een oorkussen des vleesches, en voor de Godvruchtigheid, goede zeden, gebeden en andere heilige oefeningen schadelijk; maar daarentegen, dat het prijselijk is daaraan te twijfelen." Want deze betoonen, dat zij de kracht der Goddelijke genade, en de werking des inwonenden H. Geestes niet kennen;en zij wederspreken den Apostel Johannes, die het tegendeel met uitgedrukte woorden leert in zijnen eersten Zendbrief, hfdst. 3, vers 2 en 3, Allerliefsten, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij wezen zullen; maar wij weten, als Hij zal geopenbaard zijn, dat wij Hem zullen gelijk wezen, want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is. Daarenboven worden deze wederlegd door de exempelen der heiligen, zoo des Ouden als des Nieuwen Testaments, dewelke, alhoewel ze van hunne volharding en zaligheid zeker waren, nochtans in de gebeden en andere oefeningen der Godzaligheid gedurig zijn geweest.

    VII.
    Die leeren, .dat het geloof dergenen, die maar voor een tijd gelooven, van 't rechtvaardigmakende en zaligmakende geloof niet verschilt, dan alleen in de gedurigheid." Want Christus zelf, Matth. 13: 20, en Luc. 8:12 en vervolgens, stelt merkelijk daarbenevens nog drieërlei onderscheid tusschen degenen, die maar voor een tijd gelooven, en de ware geloovigen; als Hij zegt, dat genen het zaad ontvangen in een steenachtige aarde, maar dezen in een goede aarde, of goed hart; dat genen zonder wortel zijn, maar dezen een vasten wortel hebben; dat genen vruchteloos zijn, maar deze hunne vruchten, in verscheiden mate, met standvastigheid of volstandigheid voortbrengen.

    [280 ]

    VIII.
    Die leeren, ,,dat het niet ongerijmd zij, dat de mensch, zijn eerste wedergeboorte verloren hebbende, wederom van nieuws, ja menigmaal wedergeboren worde." Want deze loochenen door deze leer de onverderfelijkheid des zaads Gods, waardoor wij wedergeboren worden; tegen het getuigenis des Apostels Petrus. 1 Petr. 1:23, Gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad.

    IX.
    Die leeren, ,dat Christus nergens gebeden heeft, dat de geloovigen in 't geloof onfeilhaarlijk zouden volharden." Want zij wederspreken Christus zelf, dewelke zegt, Luk. 12:32, Ik heb voor u gebeden, Petrus, dat uw geloof niet aflate: en de Evangelist Johannes, dewelke getuigt, dat Christus niet alleen voor de Apostelen, maar ook voor alle degenen, die door hun woord gelooven zouden, gebeden heeft, Joh. 17:20. En vers 11 en 15, Heilige Vader, bewaar ze in uwen naam, Insgelijks: Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld neemt, maar dat Gij hen bewaart van den booze.

    BESLUIT.

    En dit is de naakte, eenvoudige, en oprechte verklaring van de rechtzinnige leer der vijf Artikelen, die in Nederland in verschil zijn; en meteen de verwerping der dolingen, waardoor de Nederlandsche Kerken een tijd lang zijn beroerd geweest; welke verklaring en verwerping de Synode oordeelt uit den Woorde Gods te zijn genomen, en met de belijdenis der Gereformeerde Kerken overeen te stemmen. Waaruit klaarlijk blijkt, dat degenen, denwelken zulks minst betaamde, tegen alle waarheid, billijkheid en liefde hebben gehandeld, die den volke hebben willen wijs maken: ,Dat de leer der Gereformeerde Kerken van de praedestinatie en de aanklevende hoofdstukken,door haar eigen aard en strekking, de harten der menschen van alle Godvruchtigheid en Religie afleidt; dat ze een oorkussen is voor het vleesch en den Duivel, en een burcht des Satans, waaruit dezelve allen menschen lagen legt, het meerder deel derzelve verwondt, en velen van hen niet de pijlen of der wanhoop, of der zorgeloosheid doodelijk doorschiet. Dat dezelve leer God maakt een Auteur der zonde, onrechtvaardig, een tiran, en huichelaar, en dat ze niets anders is dan een vernieuwd Stoicismus, Manicheismus, Libertijnschap en Turkendom. Dat dezelve de menschen vleeschelijk zorgeloos maakt, als zichzelven daardoor wijsmakende, dat het den uitverkorenen niet kan hinderen aan hunne zaligheid, hoe zij ook leven; en daarom allerlei gruwelijke schelmstukken onbekommerd mogen bedrijven; dat het dengenen, die verworpen zijn, ter zaligheid niet kan baten, al ware het dat ze ook alle de werken der heiligen waarlijk mochten hebben gedaan. Dat met dezelve geleerd wordt, dat God door het bloote en loutere goeddunken zijns wils, zonder eenig opzicht of ,aanmerking van eenige zonde, het grootste deel der wereld tot de eeuwige verdoemenis voorbeschikt en geschapen heeft; dat de verwerping op gelijke wijze de oorzaak is der ongeloovigheid en godloosheid, gelijk de verkiezing is de fontein en oorzaak des geloofs en der goede werken. Dat vele onnoozele kinderkens der geloovigen van de borsten der moeders worden afgerukt, en tiranniglijk in het helsche vuur geworpen, alzoo dat hun noch het bloed Christi baten kan, noch de doop, noch het gebed der Kerken, bij hunnen doop." En wat diergelijke andere dingen nog veel meer zijn, die de Gereformeerde Kerken niet alleen niet bekennen, maar ook van ganscher harte met verfoeiing verwerpen.
    Daarom zoovelen als er den naam onzes Zaligmakers Jezus Christus Godvruchtiglijk aanroepen, die betuigt deze Synode van Dordrecht door den naam des Heeren, dat zij van het geloof der Gereformeerde Kerken willen oordeelen, niet uit valsche getuigenissen, die hier en daar samengeraapt zijn; niet ook uit private of bizondere spreuken van sommigen, zoo oude als nieuwe leeraren, die dikmaals ook ter kwader trouw aangetrokken, of verdorven, en in een verkeerden zin verdraaid worden; maar uit de publieke belijdenissen der Kerken zelven, en uit deze verklaring der rechtzinnige leere, die met eendrachtige overeenstemming van alle en een ieder lid der geheele Synode bevestigd is.
    Daarna vermaant dezelve Synode ook ernstiglijk de lasteraars, dat zij toezien wat zwaar oordeel Gods zij op zich laden, die tegen zoo vele Kerken en zoo veler Kerken belijdenissen valsch getuigenis spreken, de conscientiën der zwakken beroeren, en bij velen de gemeenschap der ware geloovigen zoeken verdacht te maken.

    [281]

    Ten laatste vermaant deze Synode alle mededienaars in het Evangelie van Christus, dat zij zich in 't verhandelen van deze leer, beide in Scholen en Kerken, godvruchtiglijk en godsdientiglijk dragen;dezelve zoowel met tong als met pen, tot Godes eere, heiligheid des levens en vertroosting der verslagene gemoederen, richten;dat zij met de Schriftuur, naar de gelijkmatigheid des geloofs, niet alleen gevoelen, maar ook spreken; en eindelijk van alle zulke manieren van spreken zich onthouden, die de palen van den oprechten zin der H. Schriftuur, ons voorgesteld, te buiten gaan, en die den dartelen sofisten rechtvaardige oorzaak geven mochten, om de leer der Gereformeerde Kerken te beschimpen of ook te lasteren.
    De Zone Gods, Jezus Christus, die, ter rechterhand zijns Vaders zittende, den menschen gaven geeft, heilige ons in de waarheid; brenge diegenen, die verdwaald zijn, tot de waarheid; stoppe den lasteraars der gezonde leer hunne monden, en begiftige de getrouwe Dienaars zijns Woords met den Geest der wijsheid en des onderscheids, opdat alle hunne redenen mogen gedijen ter eere Gods, en tot stichting der toehoorders, Amen.


    Onder stond.
    Dat wij alzoo gevoelen en oordeelen getuigen wij met onderteekening onzer handen,
    en was onderteekend.

    Johannes Bogerman, herder der Kerk van Leeuwarden en praeses der Synode. Jacobus Rolandus, herder der Kerk van Amsterdam en bijzitter van den praeses. Herman Faukelius, herder der Kerk van Middelburg, bijzitter van den praeses. Sebastianus Damman, herder der Kerk van Zutfen en scriba der Synode. Festus Hommius, herder der Kerk van Leiden, scriba der Synode.

    Uit Groot-Brittanje.
    Georgius, Bisschop van Landa. Johannes Davenantius, Doctor en publiek Professor der gewijde Theologie aan de Academie van Cambridge, en praeses van .het Koninklijk Collegie aldaar. Samuel Wardus, Ouderling; Doctor der H. Theologie, Aartsdiaken van Faunton, en praeses in het Sidneyaansch Collegie aan de Academie van Cambridge. Thomas Goadus, Ouderling; Doctor der H. Theologie, voorzanger van de Paulinische Kathedraal te Londen. Gualterus Balcanquallus, uit Schotsch-Brittanje, Ouderling, Baccalaureus der H. Theologie.

    Uit den keurvorstelijken Paltz.
    Abrahamus Scultetus, Doctor der H. Theologie en Professor aan de Academie te Heidelberg. Paulus Tossanus, Doctor der H. Theologie en raad in den Kerkeraad van den NederPaltz. Henricus Alting, Doctor der H. Theologie en Professor aan de Academie te Heidelberg.

    Uit Hessen.
    Georgius Cruciger, Doctor der H. Theologie, Professor, en thans Rector aan de Academie te Marburg.
    Paulus Steinius, Hofprediker en Professor der H. Theologie aan het vorstelijk Mauritsche Collegie voor de Broeders te Kassel. Daniel Angelocrator, herder der Kerk te Marburg, en Superintendent der naastgelegen Kerken aan de Laan en Eder. Rodolphus Coclenius, de Oude, eerste Professor in de zuivere Philosophie aan de Academie Marburg en thans Deken.

    Uit Zwitserland.
    Johannes Jakobus Breytingerus, herder der Kerk van Zurich. Marcus Rutimeyerus, Doctor der H. Theologie en Dienaar der Kerk te Bern. Sebastianus Beckius, Doctor der H. Theologie en Professor in het Nieuwe Testament aan de Academie te Bazel, en aldaar Deken der Theologische Faculteit. Wolgangus Mayerus, Doctor der H. Theologie, herder der Kerk te Bazel. Johannes Conradus Kochius, Dienaar der Kerk te Schaffhausen.

    Van de Wetteravisehe Correspondentie.
    Johannes Henricus Alstedius, gewoon Professor aan de lllustre Nassausche School, welke te Herborn is. Georgius Fabricius, herder der Windechsche Kerk aan het hof van Hannover en Inspecteur der omgeving.

    [282]

    Uit de Stad en Kerk van Genève.
    Johannes Deodatus, herder in. de Kerk te Genève en Professor in de H. Theologie aan de school aldaar. Theodorus Tronchinus, Bedienaar des Goddelijken Woords in de Kerk te Genève, en aldaar Professor in de H. Theologie.

    Uit de Stad en Kerk van Bremen.
    Matthias Martinius, Rector der Illustre School te Bremen en aan haar Professor der gewijde Letteren.
    Henricus Isselburg, Doctor der H. Theologie, Dienaar van Jezus Christus in de Kerk der gezegende Maagd te Bremen, en aan de School Professor in het Nieuwe Testament. Ludovicus Crocius, Doctor der H. Theologie, herder der Kerk van den H. Maarten te Bremen en Professor in het Oude Testament en in de Practische wijsbegeerte aan de Illustre School.

    Uit de Stad en Kerk van Embden,
    Daniel Bernardus Eilshemius, oudste herder in de Kerk van Embden. Ritzius Lucas Grimershemius, herder der Kerk van Embden.

    De Nederlandsche Professoren.
    Joannes Polyander, Doctor der H. Theologie en Professor aan de Academie te Leiden. Sibrandus Lubbertus, Doctor der H. Theologie en Professor aan de Friesche Academie. Franciscus Gomarus, Doctor en Professor der H. Theologie aan de Academie van Groningen en Ommelanden. Antonius Thysius, Professor der H. Theologie aan de Illustre School van de Geldersche Veluw, welke is te Harderwijk. Antonius Waleus, herder der Kerk van Middelburg, en door de Illustre Theolologische School dezer stad naar de Synode geroepen.

    Uit Gelderland en het Graafschap van Zutfen.
    Guilielmus Stephani, Doctor der H. Theologie, herder der Kerk van Arnhem. Ellardus van Mehen, herder der Kerk van Harderwijk. Johannes Bouillet, herder te Warnsfeld. Jacobus Verheyden, Oudste der Kerk van Nijmegen, en Rector der School.

    Uit Zuid-Holland.
    Balthasar Lydius, M. F. herder van de Kerk Gods in de stad Dordrecht. Henricus Arnoldi, predikant te Delft. Gisbertus Voetius, herder der Kerk van Heusden. Arnoldus Muys van Holy, Baljuw van ZuidHolland, Oudste der Kerk van Dordrecht. Johannes de Laet, Oudste der Kerk van Leiden.

    Uit Noord-Holland.
    Jacobus Triglandus, herder der Kerk van Amsterdam. Abraham van Dooreslaer, herder der Kerk van. Enkhuizen. Samuel Bartholdus, herder der Kerk van Monnikendam. Theodorus Heyngius, Oudste der Kerk van Amsterdam. Dominicus van Heemskerck, Oudste der Kerk van Amsterdam.

    Uit Zeeland.
    Godefridus Udemannus, herder der Kerk van Zierikzee. Cornelius Regius, herder der Kerk van Goes.
    Lambertus de Rycke, herder der Kerk van Bergen op Zoom. losias Vosbergius, Oudste der Kerk van Middelburg. Adrianus Hofferus, Senator der stad Zierikzee, en oudste der Kerk aldaar.

    Uit de Provincie van Utrecht.
    Johannes Dibbezius, herder te Dordrecht, Afgevaardigde der Utrechtsche Orthodoxe Synode.
    ArnoIdus Oortcampius, herder der Kerk van Amersfoort.

    Uit Friesland.
    Florentius Johannes, Dienaar van Jezus Christus, den Gekruiste, in de Kerk van Sneek. Philippus Danielis Eilshemius, herder der Kerk van Harlingen. Kempo Harinxma van Donia, Oudste der Kerk van Leeuwarden.
    Tacitus van Aysma, Oudste der Kerk te Buirgirt, Hichtum, en Hartwart.

    [283]

    Uit Overijsel.
    Casparus Sibelius, herder der Kerk van Deventer. Hermannus Wiserding, Bedienaar van het Evangelie van Christus, in de Kerk van Zwolle. Hieronymus Vogellius, herder der Kerk van Hasselt, tijdelijk dienende als afgevaardigde van de Orthodoxe Kerk van Kampen. Johannes Langius, predikant te Vollenhoven. Wilhelmus van Broickhuisen ten Doerne, als afgevaardigde Oudste. Johannes van Lauwick, als afgevaardigde Oudste.

    Uit de Stad Groningen en de Ommelanden.
    Cornelius Hillenius, Dienstknecht van Jezus Christus in de Kerk van Groningen. Georgius Placius, herder der Kerk van Appingadam. Wolfgangus Agricola, herder der Kerk van Bedurn. Wigboldus Homerus, Herder der Kerk van Midwolde. Egbertus Halbes, Oudste der Kerk van Groningen. Johannes Rufelaert, Oudste der Kerk van Stedum.

    Uit Drente.
    Themo van Asschenberg, herder der Kerk van Meppel. Patrocilus Romelingius, herder der Kerk van Rhuinen.

    Uit de Waalsche Kerk.
    Daniel Colonius, herder der Kerk van Leiden, en Regent van het Fransch-Hollandsch Collegie aan de Leidsche Academie. Joannes Crucius, herder te Haarlem. Joannes Doucher, herder te Vlissingen.
    Jeremias de Pours, herder der Fransch-Hollandsche Kerk te Middelburg. Evardus Beckius, Oudste der Fransch-Hollandsche Kerk te Middelburg. Petrus Pontanus, Oudste der Kerk te Amsterdam.

    Dat dit alles over de vijf nageziene hoofdstukken der leer alzoo besloten is, getuigen wij, van wege de Hoogmog. Heeren StatenGeneraal tot deze Synode gecommitteerd, met onderteekening van onze handen.

    Uit Gelderland.
    Martinus Gregorij D. Raad van het Vorstendom Gelder, en van het Graafschap Zutfen. Henricus van Essen, Raad van het Vorstendom Gelder, en van het Graafschap Zutfen.

    Uit Holland en WestFriesland.
    Walraven van Brederode. Hugo Muys van Holy. Jacobus Boelen. Gerard van Nieuburg.

    Uit Zeeland.
    Simon Schotte, Raad en Secretaris der Stad Middelburg. Jacobus Campe, Raadsheer der Staten van Zeeland.

    Uit de Provincie van Utrecht.
    Fredericus van Zuylen van Nyevelt. Wilhelmus van Hartevelt.

    Uit Friesland.
    Ernest van Aylva, Raad der Staten van Friesland, Grietman van OostDongeradeel 1). Ernest van Harinxma, eerste Raadsheer van het Provinciale Hof van Friesland.

    Uit Overijsel.
    Henricus Hagen.

    Uit de Stad Groningen en de Ommelanden.
    Hieronymus Isbrands, Doctor in de beide Rechten.Edzardus Jacobus Glant van Stedum. En Daniel Heinsius, der Welgeborene en achtbare Heeren Gecommitteerden Secretaris.

    1) Op blzd. 6 staat deze naam foutief.