|
Titelpagina en voorreden
Zitting 1-25
Zitting 26-50
Zitting 51-75
Zitting 76-100
Zitting 101-125
Zitting 126-150
Zitting 101-125
Zitting 126-150
zitting 151-154
zitting 36
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Vijfde Artikel
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
Na-handelingen Nationale Synode
zitting 155 t/m 180
inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
|
VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN VAN CHRISTUS;
In dewelke de oorsprong en voortgang der Nederlandsche verschillen, om welke weg te nemen deze Synode voornamelijk bijeen geroepen is geweest, kortelijk en getrouwelijk worden verhaald.
In den naastvoorledenen zomer is uitgegeven het gevoelen der Eerwaardige Synode, onlangs te Dordrecht gehouden, aangaande sommige hoofdstukken der leer, over welke in de Nederlandsche Kerken, tot groote verstoring van dezelve, duslang verschil is geweest, vervat in zekere Canones, Regelen of Artikelen. En dewijl dezelve zeer vermaarde Synode van de Doorluchtige en Hoogmogende Heeren StatenGeneraal, als hooge Overheid der Vereenigde Provinciën, bijeen geroepen was, voornamelijk om de verschillen, die in den Godsdienst gerezen waren, weg te nemen, hadden velen wel gemeend, dat het genoeg wezen zoude, het oordeel der Synode van dezelve verschillen, in het licht te geven. Maar dewijl men daarna verstaan heeft, dat daar velen nog weigerachtig zijn, uit de Synodale Handelingen zelven te vernemen, wat nog meer, behalve dit, aldaar geschied is, en in wat voege en hoe met de Herderen, inzonderheid die men Remonstranten noemt, in de Synode is gehandeld; en gemerkt zonder twijfel de Remonstranten, om hunne hardnekkigheid te bedekken, van deze zaken niet ter beste trouwe iets zullen uitgeven, zoo heeft het den Doorluchtigen en Hoogmogenden Heeren StatenGeneraal beliefd, dat ook de Acta en Handelingen derzelve Synode, tot nuttigheid en voordeel der Kerken, uit de publieke Schriften getrouwelijk uitgeschreven, zouden gedrukt worden. In deze komen alzoo hier en daar zeer vele dingen voor, die tot de geschiedenis der dingen, welke in de Nederlandsche Kerken gebeurd zijn, behooren, en die van de lezers, die deze zaken onbekend zijn, niet al te wel verstaan of onderscheiden kunnen worden, uit oorzaak waarvan ook de Nationale Synode (gelijk in verscheidene zittingen te zien is) den Gedeputeerden, voornamelijk der ZuidHollandsche Kerken, ettelijke malen belast heeft, een kort verhaal van hetgeen met de Remonstranten verhandeld is, te beschrijven; zoo is goed gevonden uit datzelve eenige dingen, die publiek geschied zijn, in stede van voorrede vooraan te stellen, opdat de Kerken, voornamelijk de uitheemsche, eenmaal ter goeder trouw zouden mogen verstaan, welke de oorsprong en voortgang dezer verschillen geweest zij; en uit wat gelegenheid en oorzaken de Doorlucht. en Hoogmog. Heeren StatenGeneraal deze zeer voortreffelijke Synode met zoo overgroote kosten bijeen hebben geroepen, voornamelijk, aangezien vele dingen door de Remonstranten in hunne overgeleverde en hierin gevoegde schriften verhaald worden, die met de waarheid der geschiedenissen niet zeer wel overeenstemmen.
Wat groote eendracht in de voorgaande eeuw, in de Gemeenten der Vereenigde Nederlandsche Kerken in alle hoofdstukken der zuivere leer, en verder wat eene goede orde en geschiktheid in de regeering derzelve, altijd gehouden is geweest, is de Christenheid beter bekend dan dat het noodig zij zulks wijdloopig te verhalen.
VI VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
Deze lieflijke, Gode en allen vromen zeer aangename vrede en eenstemmigheid, hebben sommigen, die, het Pausdom verlatende, maar den zuurdeesem des Pausdoms niet ten volle uitgezuiverd hebbende, tot onze Kerken waren overgekomen, en tot dienst derzelve in die eerste schaarschheid van Predikanten toegelaten werden, gezocht te verstoren: Caspar Coolhaas te Leiden; Hermannus Herbertz te Dordrecht en te Gouda; en Cornelis Wiggers te Hoorn; met eene zeer ongebreidelde stoutheid, doch niet met zeer grooten voortgang. Want hoewel dezelve in de voornoemde plaatsen sommigen, die den Gereformeerden Godsdienst niet al te gunstig waren, gekregen hadden, op dewelken zij steunden, nochtans desniettegenstaande is deze hunne booze stoutheid, zoo door autoriteit der Hooge Overheid, als door de zorgvuldige voorzichtigheid der Predikanten en billijke censuren der Kerken, bij tijds bedwongen geweest; Coolhaas in de Nationale Synode van Middelburg; Herbertz in de Synoden van ZuidHolland, en Wiggers in de Synoden van NoordHolland. Daarna heeft Jacobus Arminius, Predikant in de beroemde Kerk van Amsterdam, datzelve met een dapper opzet gepoogd te doen, een man wel van een kloek verstand, maar die nergens behagen in had, dan in hetgeen door eenen schijn van nieuwheid zichzelven recommandeerde; alzoo dat hij van het meestedeel der leerstukken, in de Gereformeerde Kerken aangenomen, een walg scheen te hebben, nergens anders om, dan omdat ze van de Kerken aangenomen waren. Deze heeft tot deze zaak ten eerste eenen weg gebaand, openlijk en in 't bizonder, verkleinende en zwart makende den naam, faam en autoriteit der voortreffelijkste Leeraren der Gereformeerde Kerk, Calvijn, Zanchius, Beza, Martyr en anderen, om alzoo door den ondergang van hunnen naam zichzelven eenen trap tot aanzienlijkheid te maken. Daarna heeft hij begonnen openlijk verscheidene vreemde meeningen, met de dwalingen der oude Pelagianen groote gemeenschap hebbende, voornamelijk in de verklaring van den Brief tot de Romeinen, voor te stellen en te strooien. Maar door de zorgvuldigheid en autoriteit des eerwaardigen Kerkeraads derzelver Kerk, is zijn voornemen ten deele gestut geweest, zoodat hij in de Kerk zulke beroerten, als hij wel scheen voor te nemen, niet heeft kunnen veroorzaken. Nochtans hield hij niet op zijne meeningen, zoo bij de zijnen als ook bij verscheidene Predikanten van andere Kerken, Johannes Uitenbogaard, Adrianus van den Borre en anderen, welker vriendschap en gunst eertijds de gemeene studiën hem hadden gemaakt, op alle manieren, die hem mogelijk waren, voort te planten; en ook den zeer beroemden Professor der h. Theologie in de Hoogeschool te Leiden, Franciscus Junius, ter conferentie (nopens dezelve) op te roepen.
En als nu, in het tweede jaar dezer eeuw, D. Junius, tot hoogste droefheid der Nederlandsche Kerken, der Academie van Leiden door den dood ontnomen was, 28 Aug. 1602, zoo heeft Uitenbogaard, die al van dien tijd aan het gevoelen van Arminius toe stond, hem den E. Curatoren der Academie van Leiden met groote vlijt en ernst gerecommandeerd, ten einde hij in de plaats van D. Junius in het ambt der h. Theologie zoude mogen beroepen worden. De Gedeputeerden der Kerken dit verstaan hebbende, en vreezende, dat de beroeping van een persoon, die zoozeer onder vermoeden stond van vreemde leeringen, naderhand oorzaak van verwarringen en scheuringen in de Kerken zoude geven; hebben de E. Curatoren gebeden, dat zij niet onbedachtelijk de Kerken in dit gevaar wilden stellen, maar veel liever zien een ander bekwaam persoon aan te nemen, die van dit vermoeden vrij was. Hebben ook Uitenbogaard vermaand, dat hij van deze aanbeveling wilde afstaan. Dewelke, deze vermaningen verachtende, niet heeft afgelaten de bevordering van deze beroeping zoo verre te drijven, dat hij ze ten laatste heeft verkregen. De beroeping in 't werk gesteld zijnde, heeft de Kerkeraad van Amsterdam niet willen bewilligen in zijn ontslag; voornamelijk om deze oorzaak, omdat de verstandigsten onder hen achtten, dat een verstand, hetwelk zoo dartel en zoo nieuwsgierig was, met meerder gevaar in de Academie zoude verkeeren, alwaar de jeugd, ten dienste der Kerken toegeeigend, onderwezen wordt, en alwaar meerdere vrijheid van leeren pleegt gebruikt te worden dan in eenige andere particuliere Kerken, alwaar hetzelve door naarstig opzicht en autoriteit des Kerkeraads bedwongen en in den toom zoude kunnen gehouden worden. Zijn ontslag is evenwel, door het herhaalde en menigvuldige bidden der E. Curatoren, van Uitenbogaard en ook van Arminius zelven, eindelijk verworven geweest, maar met deze voorwaarde nochtans, dat hij eerst met D. Franciscus Gomarus over de voornaamste hoofdstukken der leer in conferentie zoude treden, en alle vermoeden
VII VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
van vreemde meeningen door eene ronde verklaring van zijn gevoelen van zich zoude weren, nadat hij ook plechtiglijk beloofd had, dat hij zijne meening, zoo hij misschien eenige bizondere had, nimmermeer zoude verbreiden. Deze Conferentie is aangesteld geweest in de tegenwoordigheid der E. Curatoren, en der Gedeputeerden der Synode, 6 en 7 Mei 1603, in dewelke; nadat hij betuigd had, dat hij de voornaamste leerstukken der Pelagianen; van de natuurlijke genade, van de krachten van den vrijen wil, van de erfzonde, van de volmaaktheid des menschen in dit leven, van de praedestinatie en andere; uitdrukkelijk verwierp, en dat hij ook al hetgeen Augustinus en andere Vaders tegen de Pelagianen geschreven hadden, toestond, ja, dat hij oordeelde, dat de Pelagiaansche dwalingen wel en te recht van de Vaders wederlegd en verworpen waren geweest, en dat hij meteen beloofde, dat hij niets zoude leeren strijdig tegen de aangenomene leer der Kerken; hij tot het ambt der Theologie is toegelaten geweest. In den aanvang hiervan heeft hij op alle manieren gezocht allerlei vermoeden van vreemde meeningen van zich te weren, in zulker voege, dat hij ook de leer der Gereformeerde Kerken van de voldoening van Christus, van het rechtvaardigmakende geloof, van de rechtvaardigmaking door het geloof, van de volharding der ware geloovigen, van de zekerheid der zaligheid, van de onvolmaaktheid des menschen in dit leven, en andere hoofdstukken der leer, die hij daarna heeft tegengesproken, en die hedendaags van zijne discipelen bestreden worden, tegen zijn gevoelen (gelijk Johannes Arnoldi Corvinus in een zeker Duitsch schrift rondelijk bekent) in de publieke disputatiën, als presideerende, verdedigde. Maar als hij nu een jaar of twee in het ambt verkeerd had, zoo heeft men vernomen, dat hij vele leerstukken, in de Gereformeerde Kerken aangenomen, openlijk en in het bizonder begon te lasteren, in twijfel te trekken, en bij zijne discipelen argwaan te maken, omdat hij de voornaamste bewijsredenen, waarmede dezelve uit Gods Woord bevestigd worden, krachteloos zocht te maken met dezelfde uitzonderingen en uitvluchten, die de Jezuiten, Socinianen, en andere vijanden der Gereformeerde Kerk plegen te gebruiken, en in tegendeel de bewijsredenen der tegenoverstaande zaken te verheffen; omdat hij eenige zijner traktaten, met de hand geschreven, waarin hij zijn gevoelen vervat had, aan zijne discipelen heimelijk gaf, om uit te schrijven; omdat hij de schriften van Castalio, Cornhert, Suarez en diergelijke schrijvers zijnen discipelen voornamelijk recommandeerde, verachtelijk sprak van de schriften van Calvijn, Beza, Martyr, Zanchius, Ursinus en andere voortreffelijke Leeraren der Gereformeerde Kerken; ja ook openlijk betuigde, dat hij tegen de aangenomene leer vele bedenkingen of inzichten had, die hij te zijner tijd zoude openbaren. Sommige Predikanten, die met hem familiaar omgingen, roemden, dat zij eene geheele nieuwe Theologie hadden. Zijne discipelen, uit de Academie thuis gekomen, of naar andere Academiën vertrokken zijnde, stelden zich zeer dartel tegen de Gereformeerde Kerken met disputeeren, tegenspreken, en de leer :te hekelen. De Hollandsche Kerken, deze en andere dingen meer merkende, en met recht bekommerd zijnde, dat de oprechtheid der Gereformeerde Leer aldus verzwakt werd, en dat zoo de jeugd, die in dit plantsoenhof tot hope der Kerken opgevoed werd, met vreemde meeningen ingenomen werd, deze zaak ten laatste tot groote schade, verstoring en verderf der Kerken zoude moeten uitbarsten, hebben noodig geacht door hare Gedeputeerden (dien de gemeene zorg der Kerken pleegt bevolen te worden) nader naar de gansche zaak te vernemen, opdat in de naaste Synode bij tijds toegezien mocht worden, dat de Kerk geen schade mocht komen te lijden. Hierom gingen de Gedeputeerden der Kerken, zoo van Zuid als NoordHolland, tot Arminius, en gaven hem te kennen de geruchten, die hier en daar van hem en van zijne leer leer gestrooid werden, en hoezeer al de Kerken bekommerd waren, en baden hem vriendelijk, indien hij iets op de aangenomene leer te zeggen had, dat hij datzelve den broederen oprechtelijk wilde te kennen geven; opdat of hem door eene minnelijke Conferentie voldaan, of de gansche zaak tot eene wettelijke Synode mocht gebracht worden. Dezen heeft hij tot antwoord gegeven, dat hij nooit rechtvaardige oorzaak tot zoodanige geruchten had gegeven, ook niet raadzaam vond, met hen als met Gedeputeerden (als die hiervan rapport aan de Synode zouden doen) eenige conferentie aan te gaan. Maar voor zoo verre zij deze kwaliteit wilden afleggen, zoo zoude hij niet weigeren met hen als met private Predikanten van de leer te confereeren, doch met deze voorwaarde, indien zij misschien niet wel overeenstemden, dat zij gansch geen rapport
VIII VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
hiervan aan de Synode zouden doen. Dewijl de Gedeputeerden dit oordeelden onbillijk te zijn, en den Kerken door zoodanige Conferentie de bekommernis niet zoude kunnen benomen worden, zijn ze onverrichter zake van hem gescheiden. Niettemin nochtans verstonden zij uit de andere Professoren der Theologie, dat onder de studenten der Theologie verscheidene disputen en vragen van de praedestinatie, vrijen wil, volharding der heiligen, en andere hoofdstukken der leer met goeden ernst werden gehouden, hoedanige vóór de komst van Arminius onder hen niet geweest waren.
Hij is ook, 26 Juli 1604, vermaand geweest van de Kerk van Leiden, van dewelke hij een lidmaat was, door de E. Heeren Phaedo van Brouckeroven, Burgemeester der stad Leiden, en Paulus Merula, Proffessor der Geschiedenissen, Ouderlingen derzelver Kerk, dat hij over hetgeen hij tegen de aangenomene leer zoude mogen hebben met zijne collegas of MedeProfessoren, voor den Kerkeraad der Kerk van Leiden in eene minnelijke conferentie zoude willen komen, waaruit zoude mogen blijken, of hij, en in welke leerpunten hij met zijne medebroeders en de andere Predikanten zoude overeenstemmen of niet. Waarop hij tot antwoord gaf, dat hij zonder toestemming der E. Curatoren van de Academie zulks niet doen konde, en ook niet zag, wat nuttigheid de Kerk uit eene zoodanige conferentie zoude verkrijgen.
De tijd was toenmaals voorhanden, dat men de jaarlijksche Synode der Kerken van Zuid en NoordHolland placht te houden, en alzoo naar gewoonte de Bezwaren der Kerken van elke Classe overgezonden werden;zoo is onder anderen dit ook van de Classe van Dordrecht overgezonden geweest: ,,Dewijl de mare gaat, dat in de Academie in Kerk van Leiden eenige verschillen gerezen zijn, aangaande de leer der Gereformeerde Kerken, zoo heeft de Classis noodig geacht, dat de Synode beraadslage over de middelen, waarmede op het bekwaamst en spoedigst deze verschillen bijgelegd mogen worden, opdat alle scheuringen en ergernissen, die daaruit zouden kunnen ontstaan, bijtijds geweerd en de eenigheid der Gereformeerde Kerken tegen de lasteringen der vijanden bewaard worde." Dat heeft Arminius zeer kwalijk genomen, en heeft zijn best gedaan, dat dit Bezwaar zoude wederroepen worden; toen hij dit niet kon verwerven, heeft hij van zijne Medeprofessoren, door hulp der E. Curatoren van de Academie, eene getuigenis verkregen, 10 Aug., door hetwelk verklaard werd, dat er wel meer gedisputeerd werd onder de studenten dan hun lief was, maar dat onder de Professoren der Theologie zelven, zooveel hun bekend was, geen verschil was in de fondamenten zelven. Een weinig tijds daarna, 30 Aug., is in de stad van Rotterdam vergaderd geweest de Synode der ZuidHollandsche Kerken, dewelke; verstaan hebbende uit de Gecommitteerden der Classis van Dordrecht, vele en gewichtige redenen, waarom zij dit Bezwaar hadden overgezonden, en meteen uit de Gedeputeerden der Synode, hoe de zaken te Leiden gesteld waren, en wat met Arminius en de andere Professoren der Theologie behandeld was geweest; na rijpe beraadslaging heeft goedgevonden, dat men bijtijds dat voortkruipende kwaad moest bejegenen, en geen uitstel maken op de onzekere hope van eene Nationale Synode. En heeft derhalve den Gedeputeerden der Synode belast, met alle vlijtigheid te vernemen, over wat artikelen in de Academie van Leiden de studenten der Theologie voornamelijk disputeerden en twisten, en dat zij de E. Curatoren zouden verzoeken, dat den Professoren der Theologie belast mocht worden, hun gevoelen rond en oprecht nopens dezelve te verklaren; opdat aldus blijken mocht hun verschil of overeenstemming, en de Kerken, voor zooverre misschien het verschil of gansch geen,' of niet zwaar was, van hare bekommernis mochten verlost worden, of, indien het bevonden werd zwaarder te wezen, bijtijds daarin geneesmiddelen zouden mogen toedienen. De Synode heeft ook, 8 Nov., alle Predikanten bevolen, dat zij, om te betuigen hunne eenstemmigheid in de leer van de Belijdenis dezer Kerken en van den Catechismus (hetwelk in vele Classen verzuimd en van anderen geweigerd was) zouden onderteekenen.
De Gedeputeerden der Synode, na naarstig onderzoek van de zaak, hebben negen quaestiën, waar overzij verstaan hadden, dat op dien tijd voornamelijk veel disputen vielen, den E. Curatoren overgeleverd, en hun E. gebeden, dat door hunne autoriteit den Professoren der Theologie belast mocht worden, hun gevoelen van dezelve ten volle te verklaren; dewelke geantwoord hebben, dat er nu eenige hope was van in kort eene NationaleSynode te zullen verwerven; en dat zij het der halve
IX VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
raadzamer hielden, die quaestiën tot dezelve te bewaren, dan door verdere onderzoeking oorzaak tot oneenigheid te geven. De Predikanten ook, die de meening van Arminius hadden aangenomen, weigerden hier en daar in de Classen, aan het bevel der Synode van de onderteekening van de Belijdenis en van den Catechismus gehoorzaam te zijn. Dit heeft de bekommernis der Kerken vermeerderd, wanneer ze gezien hebben, dat deze Predikanten, op de gunst van sommigen zich verlatende, de autoriteit der Synode ten eenenmaal versmaadden, en stouter in hun voornemen voortgingen. Derhalve, aangezien het kwaad op deze wijze niet konde geheeld worden, zoo hebben zij den H. M. Heeren StatenGeneraal wijdloopig vertoond, in hoe groot gevaar de Kerken staken, en verzocht, om dit onheil te weren, dat de Nationale Synode, die nu vele jaren na elkander uitgesteld was geweest, door autoriteit derzelver Heeren, met de eerste gelegenheid beschreven mocht worden. Dewelke verklaard hebben, 26 Nov., dat de Staten van alle de Provinciën tot de samenroeping eener Nationale Synode toestemming hadden gegeven; maar dat er eenige onder dezelven waren, die in de brieven van toestemming deze voorwaarde, of clausule bijgevoegd hadden, dat namelijk in dezelve revisie van de Belijdenis en den Catechismus dezer Kerken gedaan zoude worden; en dat derhalve de beschrijving van de Nationale Synode, niet zonder vooroordeel der Staten van die Provincie konde gedaan worden, ten ware deze clausule daarbij gevoegd werd; dewijl het genoeg bekend was, wie den E. M. Heeren Staten van Holland voor ettelijke jaren geraden had, dat deze clausule daarbij gevoegd zoude worden, en wie datzelve ook alsnog waren drijvende; en het te vreezen stond, indien ze in de brieven van samenroeping der Synode gesteld werd, dat diegenen, die verandering in de leer zochten, dezelve tot hun voornemen zouden misbruiken, en meteen, dat ze den Kerken (voornamelijk in deze gelegenheid der zaken) geen kleinen aanstoot zoude geven, even alsof de H. M. Heeren Staten of onze Kerken aan de waarheid der leer, in deze Belijdenis en Catechismus vervat, zelven twijfelden, zoo hebben de Gedeputeerden der Kerken verzocht, 30 Nov., dat de samenroeping der Synode in algemeene termen, zoo men zegt, naar ouder gewoonte mocht beroepen en beschreven worden; te meer, dewijl deze clausule zoo noodig niet scheen te zijn, zijnde in alle Nationale Synoden geoorloofd, indien iemand iets meende te hebben tegen eenig artikel dezer schriften, datzelve vrij en naar behooren voor te stellen; daarop verklaarden de H. M. Heeren StatenGeneraal, dat deze clausule zoo niet moest verstaan worden, alsof zij daarmede iets in de leer dezer Kerken veranderd wilden hebben, alzoo revisie niet altijd verandering, maar ook bevestiging der leer kan medebrengen; doch evenwel dat ze zonder voorafgaand oordeel van deze Provincie, die ze expresselijk daarbij had gesteld, niet konde uitgelaten worden. Derhalve hebben zij, 15 Maart 1606, den Gedeputeerden der Kerken brieven van toestemming gegeven, waar deze clausule ook ingesteld was, dewelke zij aan de Kerken der respectieve Provinciën gezonden hebben, meteen haar te verstaan gevende, wat naarstigheid zij aangewend hadden, dat deze clausule uitgelaten zoude worden. De Nederlandsche Kerken, deze brieven ontvangen hebbende, zijn wel verblijd geweest, dat na zooveel jaren wachtens, eindelijk toestemming verworven was om eene Nationale Synode saam te roepen, maar waren niettemin niet weinig door deze clausule geërgerd. Niet dat zij niet begeerden, dat de Belijdenis en de Catechismus in de Nationale Synode op gewone en behoorlijke wijze zouden gerevideerd worden, maar dat zij vreesden, dat deze lieden, die naar verandering in de leer trachten, daardoor te stouter zouden worden, evenals of met deze clausule hun toegelaten werd, door publieke autoriteit der H. M. Heeren Staten, naar hun believen alles te beroeren en te vernieuwen; en alsof deze twisten en verschillen voortgekomen waren, niet uit nieuwsgierigheid, maar uit begeerte om den wil der H. M. Heeren Staten te voldoen. De H. M. Heeren StatenGeneraal gaven ook in dezelve brieven te kennen, dat zij goedvonden, sommige geleerde en vreedzame Theologanten uit elke Provincie bijeen te roepen, om met dezelven te beraadslagen, aangaande den tijd, plaats en manier, van de Nationale Synode te houden. De zaken aldus staande, werd de jaarlijksche Synode der Kerken van Holland gehouden te Gorinchem, in Aug. 1606, in dewelke; nadat de Gedeputeerden der Kerken verhaald hadden, wat zij in de zaak der Nationale Synode gedaan, en wat de H. M. Heeren Staten besloten hadden; is goedgevonden hun te belasten, naarstiglijk aan te houden, dat de oproeping haar voortgang hebben mocht.
X VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
En hoewel de Synode oordeelde, dat de Belijdenis en de Catechismus, naar wijze en manier voor dezen gebruikelijk, in de Nationale Synode behoorde overzien te worden, zoo wilden zij nochtans, dat diegenen, die van de E. Heeren Staten van Holland uit ZuidHolland bijeen geroepen zouden worden tot die vergadering, in dewelke men van den tijd, plaats en manier van het houden der Nationale Synode zoude handelen, vermaand zouden worden, van de H. M. Heeren Staten Generaal te verzoeken, uit naam dezer Kerken, dat de voorzeide clausule, in de brieven van samenroeping, om redenen te voren verhaald, uitgelaten, en in plaats van dezelve eenige zachtere woorden, die minder aanstoot zouden veroorzaken, gebruikt mochten worden. In dezelve Synode is ook opgelegd geweest aan alle Predikanten der ZuidHollandsche Kerken, en aan alle Professoren der h. Theologie in de Academie van Leiden, dat zij hunne bedenkingen en inzichten, die zij hadden op de leer, in de Belijdenis en den Catechismus begrepen (want Arminius en de Predikanten, hem toegedaan, plachten menigmaal te roemen, dat zij zeer vele hadden);de Predikanten in hunne Classen; en de Professoren, den Gedeputeerden der Kerken terstond zouden ter hand stellen, om dezelve wettelijk tot de Nationale Synode, voor zooverre hun in de Classen niet voldaan konde worden, te brengen. Toen dit den Predikanten, welke Arminius toegedaan waren, afgevorderd was, hebben zij geweigerd dezelve in de Classen voor te stellen, omdat ze nog niet gereed waren, zoo zij zeiden; maar dat zij het ter rechter plaats en tijd doen zouden. Arminius, ook van de Gedeputeerden der Kerken hiervan vermaand zijnde, heeft tot antwoord gegeven, dat dit op dien tijd niet stichtelijk konde geschieden; maar dat hij ze in de Nationale Synode ten volle zoude openbaren.
Niet zeer lang daarna, 23 Mei 1606, hebben de Hoog Mog. Heeren Staten Generaal uit elke Provincie eenige Theologen bijeen geroepen, te weten, Johannes Leo, Johannes Fontanus, uit Gelderland; Franciscus Gomarus, Jacobus Arminius, Johannes Uitenbogaard en Johannes Becius, uit ZuidHolland; Werner Helmichius en Gerardus Hermannus, uit NoordHolland; Hermannus Faukelius en Henricus Brandius uit Zeeland; Everardus Botius en Henrius Johannes, uit de Provincie van Utrecht; Sybrandus Lubbertus en Johannes Bogerman uit Friesland, Thomas Goswynius uit Overijsel; Johannes Acronius en Johannes Nicafius, uit de stad Groningen en de Ommelanden, om hun advies te verstaan over den tijd, plaats en manier van het houden der Nationale Synode; en hebben hun voorgesteld, de punten en stukken, van welke in deze bijeenkomst zoude worden gehandeld; en is met gelijkvormige stemmen verklaard geweest, zooveel den tijd aangaat, noodig te zijn, dat de Synode terstond in het begin van den toekomenden zomer, des jaars 1608, beschreven zoude worden; aangaande de plaats, dat de bekwaamste, om Synode te houden, wezen zoude de stad Utrecht; aangaande de wijze, 1, dat de Bezwaren, die in de Synode verhandeld zouden worden, door elke Provinciale Synode tot de Nationale gebracht zouden worden; 2, dat uit elke particuliere Synode, door stemmen derzelver, vier Predikanten met twee Ouderlingen zouden gedeputeerd worden, in plaats van welke Ouderlingen zouden ook mogen gedeputeerd worden mannen van zonderlinge geleerdheid, in Theologische zaken ervaren, en van Godzalige getuigenis, alware het dat zij geen Kerkelijk ambt bedienden;3, dat dezen Gedeputeerden macht zoude gegeven worden, in alle zaken, die in de Synode verhandeld zouden worden, niet alleenlijk te beraadslagen, maar ook besluit te maken en beschrijving te geven;4, dat de regel, naar denwelken in alle verschillen, die de leer en de zeden betreffen, geoordeeld zoude worden het eenige Woord Gods of de h. Schriftuur zoude zijn; 5, dat niet alleenlijk de Kerken, die in de Vereenigde Nederlanden zijn, te weten, van de Duitsche en de Fransche spraak, maar ook die Kerken der Nederlandsche natie, die buiten Nederland verstrooid, hetzij onder het kruis of elders verzameld zijn, tot de Nationale Synode zoude beschreven worden;6, dat men de Hoog. Mog. Heeren Staten Generaal verzoeken zoude, hunne Gedeputeerden, belijdenis doende van den Gereformeerden Godsdienst, daartoe te willen zenden (die in hunnen naam aldaar over de orde zouden presideeren); 7, dat ook daartoe geroepen zouden worden de Professoren der h. Theologie.
In alle welke punten zij wel allen overeen gestemd hebben; maar niet in eenige andere; want Arminius, Uitenbogaard en de twee Utrechtsche, die zij aan hunne zijde hadden getrokken, hebben deze drie punten tegen de anderen gedreven: 1, dat voor een besluit en oordeel der Synode te houden zoude zijn niet hetgeen bij de meeste stemmen dergenen, die tot de Synode gedeputeerd waren, besloten zouden worden; maar hetgeen door de stemmen van alle afgevaardigde Predikanten zoude
XI VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
besloten worden;en dat door den naam van Synode niet alleenlijk de Gedeputeerden te verstaan waren, maar ook alle de deputeerenden zelven; 2, dat den Gedeputeerden altijd vrij zoude staan, zoo menigmaal als het hun zoude believen, en zij zich ergens in bezwaard zouden vinden, tot de hunnen, om raad te vragen, vrij af te nemen; 3, dat de revisie van de Belijdenis en van den Nederlandschen Catechismus gansch noodig ware, en dat zij derhalve geene oorzaken zagen, waarom de clausule, van revisie dezer schriften, niet in de brieven van samenroeping zoude gesteld worden. De andere Predikanten en Professoren oordeelden, 1, dat voor een besloten gevoelen der Synode te houden zoude wezen, hetwelk óf door de overeenkomende stemmen óf door de stemmen van het meeste getal der Gedeputeerden tot de Synode besloten zoude zijn. En dat onder den naam van Synode te verstaan waren alleen diegenen, die, tot dezelve wettelijk gedeputeerd, met macht om te oordeelen, bijeen verzameld waren; 2, dat het wel geoorloofd zoude zijn, vrijaf tot de zijnen te nemen, om raad te vragen, alzoo nochtans, dat onder dezen schijn, de handelingen der Synode niet verstoord werden, doch dat, wanneer, hoe en om wat oorzaken men vrijaf nemen zoude, zulks niet zoude geschieden naar goeddunken van elken Gedeputeerde in het bizonder; maar naar het oordeel der gansche Synode; 3, dat de Belijdenis en Nederlandsche Catechismus wel zoude mogen overzien worden, voor zooverre de Synode om billijke oorzaken het noodig oordeelde; dat ook een iegelijk vrij zoude wezen hetgeen zij tegen dezelve schriften zoude meenen te hebben, der Synode voor te stellen, om datzelve te overwegen en daarvan te oordeelen. Maar; dewijl die clausule van de revisie, indien ze in de brieven van samenroeping gesteld zoude worden, dezen een aanstoot, anderen een te groote vrijheid, om allerlei nieuwigheden voort te brengen, zoude geven; oordeelden zij, dat men van de H. M. Heeren Staten Generaal behoorde te verzoeken, dat deze clausule, tot gerustigheid der Kerken in de brieven van samenroeping uitgelaten, en in plaats van dezelve, deze of dergelijke woorden gesteld zouden worden; namelijk, dat de Synode bijeen geroepen wordt tot bevestiging, overeenstemming en voorplanting der zuivere en oprechte leer tot bewaring van vrede, en goede orde der Kerk, en eindelijk tot verzorging van de ware Godzaligheid onder de ingezetenen dezer landen. Velen onder hen hebben ook getoond, dat zulks hun van hunne Kerken, en ook van de E. M. Staten hunner Provinciën belast was. Deze verscheidenheid van oordeelen en adviezen, heeft aan de Nationale Synode een nieuw beletsel veroorzaakt. Want diegenen, die tot nog toe tegen de samenroeping derzelve waren geweest, hebben, deze gelegenheid begeerig aangrijpende, op alle manieren daartoe gearbeid, dat de samenroeping der Synode, hoewel toegezegd, belet mocht worden. In deze bijeenkomst is Arminius van de andere Professoren en Predikanten op het ernstigste gebeden geweest, dat hij hun, zijnen mededienaren, vrijelijk en broederlijk wilde openbaren, hetgeen hij tegen de leer, in de Belijdenis en den Catechismus uitgedrukt, had; met beloftenis, dat zij naarstigheid zouden doen, dat hem ten volle genoeg mocht gedaan worden; of dat hij met zijne Collega's onder eerlijke voorwaarden verzoend, en voortaan vreedzaam leven zoude mogen; ook dat zij niets van hetgeen hij openbaren zoude, buiten de plaats der bijeenkomst, de verzoening gedaan zijnde, zouden zeggen. Hij daarentegen zeide, dat het voor hem niet geraden was; dat hij ook daartoe niet gehouden was, aangezien de bijeenkomst tot dien einde niet was, ingesteld.
In den volgenden zomer, als men de jaarlijksche Synode der ZuidHollandsche Kerken te Delft hield, werd Uitenbogaard vermaand de redenen in de Synode voor te stellen, waarom hij in het geven der adviezen, van de wijze, hoe men de Nationale Synode zoude houden, geheel anders als de andere Predikanten, met Arminius gevoeld en geraden had, opdat de Synode dezelve overwegen en daarvan oordeelen mocht. Hij heeft geantwoord, dat hij alleenlijk den E. Staten en niet der Synode gehouden was, hiervan rekenschap te geven.
Verzocht zijnde, te willen voorstellen hetgeen hij tegen de leer, in de Belijdenis en den Catechismus dezer Kerken begrepen, zoude mogen hebben, antwoordde hij, dat zulks hem in die vergadering niet raadzaam scheen, en dat hij ook niet bereid was. Ook is in deze Synode gevraagd geweest, of, volgens het besluit der voorgaande Synode, eenige bedenkingen of aanmerkingen op de Belijdenis en den Catechismus, den Classen waren ter hand gesteld geweest; dan de Gedeputeerden van elke Classe hebben geantwoord; dat meest alle de Predikanten in de Classen betuigd hadden, dat zij geene bedenk-
XII VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
ingen tegen de aangenomene leer hadden; doch dat degenen, die eenige betuigen te hebben, die niet hadden willen bekendmaken; of omdat zij zeiden, dat zij nog niet gereed waren, of dat het hun niet raadzaam dacht. Derhalve heeft de Synode wederom goedgevonden, hen opnieuw te belasten, dat zij zonder eenige uitvluchten, weigering en uitstel, alle de bedenkingen, die zij tegen de aangenomene leer hadden, elkeen in zijne Classe terstond zouden openbaren.
Is ook der Synode vertoond geweest, dat alleszins de oneenigheden in de Kerken meer en meer toenamen, dat vele jonge lieden uit de Academie van Leiden en het onderricht van Arminius voortkomende, beroepen tot den dienst der Kerken, in het examineeren wel, met dubbelzinnige manieren van spreken, hun gevoelen verbergden; maar, tot den dienst toegelaten zijnde, terstond nieuwe disputen verwekten, nieuwe meeningen voorstonden, en den roem droegen, dat zij verscheidene bedenkingen tegen de aangenomene leer hadden. Dat in de Classen en kerkeraden tusschen de Predikanten bittere oneenigheden en twisten (aangaande vele punten der leer) opstonden. Dat ook onder het volk zelf, tot groote ergernis en beroerte der Kerken, verscheiden verwarringen, aangaande de leer, gehoord, ja beginselen van scheuringen bespeurd werden; dat de Predikanten, welke Arminius toegedaan waren, verscheidene bijeenkomsten (alwaar zij over de voortplanting hunner leer beraadslaagden) dikwijls en heimelijk aanstelden; en dat het volk overal meer en meer verdeeld werd. Derhalve, de Synode oordeelende, dat het geneesmiddel van dit kwaad niet langer mocht uitgesteld worden; zijnde de hope van eene Nationale Synode te verwerven zeer onzeker, overmits deze verscheidenheid van adviezen en oordeelen; zoo heeft de Synode besloten, op raad der E. Gecommitteerden, van de Ed. M. Heeren Staten van Holland en WestFriesland te verzoeken, dat uit de twee Zuid en NoordHollandsche Synoden, eene Provinciale Synode (gelijk in diergelijke zwarigheden eertijds wel gebeurd was), tot stilling en wegneming van deze zwarigheden, met de eerste gelegenheid beschreven mocht worden. De Gedeputeerden van beide de Synoden, deze dagelijksche toenemende zwarigheden wijdloopig den E. M. Heeren Staten vertoond hebbende, en, tot wegneming van dezelve verzocht hebbende, dat de samenroeping dezer Provinciale Synode terstond gedaan mocht worden; hoewel de E. Heeren Gecommitteerden, 14 Sept., groote hope gegeven hadden, zoo hebben zij het nochtans nog niet kunnen verkrijgen, omdat men begonnen had over wapenstilstand met den vijand te handelen, en de E. M. Heeren Staten, door deze zeer gewichtige zaken der Republiek bezig zijnde, op deze kerkelijke zaken niet hadden kunnen acht nemen. Arminius daarentusschen, ziende dat de Kerken aanhielden, dat deze zaak door wettige kerkelijke oordeelen mocht bijgelegd worden, heeft, opdat hij deze vierschaar ontwijken mocht, 30 April 1608, door requesten aan de E. M. Heeren Staten verkregen, dat zijne zaak bij de E. Raadsheeren in den Hoogen Raad door politieke mannen mocht verhandeld worden; en Gomarus is 14 Mei belast voor hen in de tegenwoordigheid van de Predikanten, die onlangs in de voorbereidende samenkomst uit Zuid en NoordHolland geweest waren, met Arminius in conferentie te treden. De Gedeputeerden der Kerken, dit verstaan hebbende, hebben wederom den Ed. M. Heeren Staten van Holland en WestFriesland verzocht, dat, in stede van deze conferentie voor den Hoogen Raad, de Provinciale Synode uitgeschreven mocht worden, opdat in dezelve van deze kerkelijke zaak door kerkelijke personen, in dit stuk ervaren, en van de Kerken wettelijk met macht om te oordeelen gedeputeerd, kennis genomen en geoordeeld mocht worden. De E. M. Heeren Staten hebben alleenlijk geantwoord, dat den Hoogen Raad, was bevolen kennis van zaken te nemen, en dat het oordeel over dezelve daarna aan de Provinciale of Nationale Synode zoude bevolen worden. In deze conferentie is langen tijd gedebatteerd geweest over de orde van handelen. Arminius beweerde, dat Gomarus de persoon van aanklager moest aannemen, en dat hij maar gehouden was zichzelven te verdedigen.
Gomarus daarentegen meende, dat deze wijze van doen niet minder onbillijk als ongehoord was, voornamelijk in eene kerkelijke zaak voor politieke Rechters; dat hij wel bereid was, voor eene wettige Synode te bewijzen, dat Arminius leerstukken voorgesteld had, die tegen Gods Woord en tegen de Belijdenis en den Catechismus der Nederlandsche Kerken strijdende waren, maar dat zulks zonder vooroordeel der zaak in die plaats niet konde gedaan worden. Hij meende, dat deze conferentie,
XIII VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
om te voldoen aan het voornemen der Ed. Mog. Heeren Staten, beter aldus gehouden konde worden, dat namelijk zonder onderlinge beschuldigingen, elk van beiden zijn gevoelen van ieder hoofdstuk der leer klaar en duidelijk uitdrukken en voorstellen zoude; alzoo daaruit allerbekwaamst zoude kunnen verstaan worden, in welke punten zij samenstemden, ot verschilden. Wat hem aanging, dat hij niet weigerde van alle hoofdstukken der leer zijn gevoelen, zoo veel als van iemand zoude mogen begeerd worden, ten volle en ronduit te verklaren; maar zeide, dat ook Arminius, indien hij zich als een getrouw Leeraar wilde aanstellen, op dezelfde wijze zijn gevoelen schuldig was te verklaren, en niet langer zoodanige uitvluchten te gebruiken. Desniettegenstaande bleef Arminius bij zijn voornemen; zoodat hij eindelijk uitriep, dat hij verwonderd was, aangezien verscheidene geruchten van zijne valsche leeringen door alle Kerken nu waren gevlogen, en men zeide, dat de brand, van hem ontstoken, nu boven de daken der Kerken uitvloog, niemand nochtans gevonden werd, die eenige beschuldiging tegen hem durfde aanstellen. Om deze zijne stoutheid tegen te gaan, heeft Gomarus aangenomen te bewijzen, dat hij een van de voornaamste artikelen onzes geloofs, te weten, van de rechtvaardigmaking des menschen voor God, zóó geleerd had, dat zijne leer strijdende was met Gods Woord en met de Belijdenis der Nederlandsche Kerken. Tot bewijs hiervan heeft hij zijne eigene woorden voortgebracht uit een schrift, met de eigene hand van Arminius geschreven, waarmede hij beweert, dat in des menschen rechtvaardigmaking voor God de gerechtigheid van Christus niet tot gerechtigheid toegerekend wordt, maar dat het geloof zelf, de daad des geloofs, door eene genadige aanname, van God gehouden en geschat wordt voor onze gerechtigheid, waarmede wij voor God worden gerechtvaardigd. Als Arminius zichzelven hier verstrikt zag, als die datzelve vanwege de klaarheid van het bewijs niet konde ontkennen, zoo heeft hij beginnen toe te stemmen in de andere manier van handelen, dat namelijk, elkeen zijn gevoelen aangaande de voornaamste hoofdstukken, in dewelke men meende het verschil gelegen te zijn, in zekere Artikelen begrepen, bij geschrift zoude stellen en onderteekenen, op welke elkeen daarna zijne bedenkingen van weerszijde zoude aanteekenen. Deze Conferentie geëindigd zijnde, hebben de Raadsheeren van den Hoogen Raad aan de E. M. Heeren Staten hiervan rapport gedaan, en gezegd, dat zij oordeelen, zooveel zij hadden kunnen vernemen uit de conferentie, dat de verschillen, tusschen deze twee Proffessoren gerezen, van geen groot gewicht waren, en dat ze voornamelijk bestonden over sommige geslepene twistingen van de praedestinatie, die f nagelaten, óf door onderlinge verdraagzaamheid zouden kunnen overzien worden. Maar Gomarus voegde daarbij, dat het verschil, in de meeningen bespeurd, zoo gewichtig was, dat hij met het gevoelen van Arminius voor het oordeel Gods niet zoude durven verschijnen, en dat, tenzij men bijtijds daarin genezing zoude zoeken aan te brengen, te vreezen stond, dat in korten tijd de eene Provincie tegen de andere, de eene Kerk tegen de andere, de eene Stad tegen de andere, en de burgers tegen elkanderen zouden opstaan. De E. M. Heeren Staten begeerden, dat de schriften, in deze Conferentie van weerszijden geteekend, in den Hoogen Raad, tot op de Nationale Synode toe, bewaard zouden worden, en dat ze middelertijd niemand zouden medegedeeld worden. Doch deze Conferentie heeft evenwel den Kerken de bekommernissen niet benomen, maar veel meer vermeerderd, te meer dewijl hetgeen aldaar geschied was, den Kerken niet bekend werd gemaakt. Want men oordeelde niet te vergeefs, dat zulks gedaan werd ten gunste van Arminius, opdat zijne meening niet geopenbaard zouden worden. De Kerken hielden daarentusschen niet op, door hunne Gedeputeerden, de E. M. H. Staten ernstiglijk te bidden, dat deze kerkelijke zaak, die niet dan met groot gevaar der Kerken konde uitgesteld zijn, terstond in de vergadering van een wettelijke Provinciale of Nationale Synode onderzocht en afgedaan mocht worden. Arminius heeft, dit vernemende, door Uitenbogaard, wiens autoriteit toenmaals bij vele Regenten des Vaderlands groot was, teweeg gebracht, dat de E. M. Heeren Staten, ook zelfs de jaarlijksche Synoden, beide van Zuid en NoordHolland (de tijd van welke nu aanstaande was) hebben geboden uit te stellen. Dewijl dit nu zonder de allergrootste schade der Kerken niet konde geschieden, zoo hebben de Kerken den E. M. Heeren Staten hare zwarigheden op nieuw vertoond, hebbende verzocht of beide de jaarlijksche Synoden, zoowel in Zuid als in NoordHolland, naar gewoonte mochten gehouden worden, of dat uit beide samen gevoegd, eene Provinciale Synode (gelijk te voren ook verzocht was geweest) terstond uitgeschreven mocht worden.
XIV VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
Op dit verzoek verklaarden de E. M. Heeren Staten, 28 Juni 1608, dat zij voor hadden in de naastvolgende October, tot dien einde eene Provinciale Synode bijeen te roepen. Als de Kerken hiervan de weet hadden gekregen, zoo zijn wederom alle de Predikanten, die Arminius toegedaan waren, vermaand geweest, den 4 en 12 Sept., dat zij hunne bedenkingen, elkeen in hunne Classen, zouden openbaren, opdat dezelve wettelijk tot de aanstaande Synode gebracht mochten worden. Doch gelijk als ook te voren, alzoo hebben zij ook nu, elk bizonder, met gewone uitvluchten, datzelve geweigerd. En als nu de maand October aanstaande was, en de Kerken op de samenroeping der beloofde Provinciale Synode aanhielden, zoo is zij wederom twee maanden uitgesteld geweest, en ondertusschen werd den Kerken toegelaten de jaarlijksche particuliere Synoden, zoo in Zuid als in NoordHolland, te houden, met deze voorwaarde nochtans, dat de zaak van Arminius in dezelve niet verhandeld zoude worden, dewelke zij wilden, dat tot de Provinciale Synode bewaard zoude worden.
In de Synode der ZuidHollandsche Kerken, die te Dordrecht gehouden werd, aangegeven zijnde, dat alle de Predikanten, die Arminius toegedaan waren, hunne bedenkingen, die zij zeiden te hebben tegen de aangenomene leer, tot nog toe hunnen mededienaars niet hadden willen openbaren, maar de vermaningen der Kerken en besluiten der Synoden met verscheidene uitvluchten bespotten, is wederom besloten geweest, dat men hen op nieuw ernstiglijk bevelen zoude, binnen eene maand na de waarschuwing, hunne bedenkingen, onder straf van kerkelijke censuren tegen de hardnekkigen, bekend te maken; dat men hetzelfde ook van de Professoren der h. Theologie in de Academie te Leiden, en van Petrus Bertius, Regent van het Theologische Collegie, zoude vorderen. Deze Prekanten, ziende, dat zij of hun gevoelen moesten openbaren, of de kerkelijke censuur verwachten, hebben, om beide te ontgaan, door hulp van Uitenbogaard, van de E. M. Heeren Staten voorschriften verkregen, waarmede dezen Predikanten belast werd hunne bedenkingen, die zij hadden, binnen eene maand tijds gezegeld aan de E. M. Heeren Staten over te zenden, om bij hen bewaard en aan de Provinciale Synode overgeleverd te worden. De Professoren, verzocht zijnde van de Gedeputeerden der Synode, indien zij eenige zoodanige bedenkingen hadden, dat ze dezelve hun zouden willen openbaren, hebben geantwoord; Gomarus, dat hij in de Belijdenis of den Catechismus dezer Kerken niets had waargenomen, dat hij meende met Gods Woord niet wel overeen te stemmen, en overzulks verandering of verbetering van noode te hebben; Arminius, dat hij op dit verzoek te zijner tijd schriftelijk zoude antwoorden. En als hij zag, dat hij aldus tot verklaring van zijn gevoelen geperst werd, zoo heeft hij den E. M. Heeren Staten in hunne volle vergadering met eene wijdloopige rede vertoond, wat hij van de Goddelijke praedestinatie, van de genade Gods en den vrijen wil des menschen, van de volharding der heiligen, van de zekerheid der zaligheid, van de volmaaktheid des menschen in dit leven, van de Godheid des Zoons Gods, van de rechtvaardigmaking des menschen voor God, en andere hoofdstukken der leer was gevoelende. En heeft meteen gezocht hen wijs te maken, dat in deze Gereformeerde Kerken eene leer gedreven werd van de Goddelijke praedestinatie, die met Gods natuur, wijsheid, gerechtigheid en goedheid, met de natuur des menschen, met zijnen vrijen wil, met het werk der schepping, met de natuur des eeuwigen levens en des doods, en eindelijk met de natuur der zonde was strijdende, en die de genade Gods weg nam, die der eere Gods vijandig, en voor de zaligheid der menschen hinderlijk was; die God een auteur van de zonde maakte, de droefheid om de zonde belette, alle Godzalige zorgvuldigheid wegnam, de vlijt om goed te doen verminderde, de vurigheid van bidden uitbluschte, de vreeze en het beven, waarin wij onze zaligheid werken moeten, benam, wanhoop baarde, het Evangelie verkeerde, den dienst des Woords tegen was, eindelijk niet alleenlijk het fondament der Christelijke, maar ook van allen Godsdienst was omwerpende. Als Gomarus dit vernomen had, heeft hij, 12 Dec., geacht zijn schuldige plicht te zijn, dezelve E. M. Heeren Staten beter te onderrichten, opdat niet misschien hunne gemoederen, met verkeerde vooroordeelen tegen de gezonde leer, aldus voorhenen ingenomen mocht worden. Derhalve, toestemming verzocht hebbende om te spreken, heeft wijdloopig verklaard, welke het eigene gevoelen van Arminius was, van de genade Gods en van den vrijen wil des menschen, van de rechtvaardigma-
XV VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
king des menschen voor God, van de volmaaktheid des menschen in dit leven, van de praedestinatie, van de erfzonde en van de volharding der heiligen; en hoe rechtvaardige oorzaken hij gegeven had van argwaan, dat hij ook van de h. Schriftuur, van de H. Drievuldigheid, van de voorzienigheid Gods, van de voldoening van Jezus Christus, van de Kerk, van het geloof, van de goede werken en andere hoofdstukken der leer, niet recht gevoelde; daarenboven met wat praktijken hij zijne meening strooide, namelijk door in het openbaar; hoewel van de Kerken gevraagd en ten hoogste gebeden; zijn gevoelen tot nog toe te verbergen, maar in het heimelijke en in 't bizonder den Predikanten, die hij hoopte aan zijne zijde te trekken, en zijnen discipelen naarstiglijk dezelve in te scherpen, de voornaamste bewijsredenen van de onzen, waarmede de gezonde leer placht bevestigd te worden, krachteloos te maken, de bewijsredenen der Jezuiten en der andere vijanden, waarmede zij de leer der Gereformeerde Kerk bestrijden, te versterken, verscheidene twijfelingen over de waarheid der aangenomene leer zijnen discipelen in te geven, en dezelve leer met de strijdenden eerst gelijk in een balans te hangen, en daarna ten eenen maal te verwerpen. Dat hij tot nog toe gansch geene verklaring van oprechtheid en gelijkheid in de leer (hoewel menigmaal minnelijk en broederlijk van de Kerken gebeden zijnde) had willen doen, dat hij zijn uiterste best gedaan had, dat zijne dwalingen, die voor den Hoogen Raad ontdekt waren, den Kerken niet zouden bekend worden, dat hij de oordeelen en besluiten der Synoden, Classen en Kerkeraden veracht hebbende, ter eerste instantie tot de vierschaar der hooge Overheid was geloopen, en aldaar zijne klachten en beschuldigingen tegen de leer der Kerken voorgesteld had, en met hoofsche praktijken naarstiglijk gearbeid had, om zichzelven gunst, en den Kerken haat en afgunst te verwekken. Daarom bad hij de E. M. Heeren Staten, aangezien de Studenten der h. Theologie in de Academie van Leiden, en veel Predikanten hier en daar dagelijks meer en meer van de gezonde leer afvielen, de oneenigheden en twisten toenamen, de Kerken verstoord en de burgers verdeeld werden, dat de beloofde Nationale Synode terstond mocht gehouden worden, in dewelke, de oorzaken des onheils wettelijk onderderzocht zijnde, ten laatste een bekwaam geneesmiddel gebruikt en in het werk mocht gesteld worden. De Gedeputeerden der Kerken verzochten telkens hetzelfde, maar door toedoen van Uitenbogaard en anderen, is de samenroeping altijd uitgesteld geweest.
Zij hebben ook Arminius ettelijke malen vermaand, dat hij, volgens zijne beloften, zijne bedenkingen, bij geschrift gesteld, overzenden wilde, dewelke eindelijk geantwoord heeft, 4 April 1609, dat hij niet ontkende zulks beloofd te hebben, maar dewijl hij verstaan had, dat de E. M. Heeren Staten den Predikanten geboden hadden, hunne bedenkingen gezegeld aan hunne E. M. te zenden, dat; hij van advies veranderd was, en wachten zoude, totdat hem hetzelve geboden zoude worden. Petrus Bertius, Regent van het Theologische Collegie; door dezelve Gedeputeerden vermaand, indien hij iets had tegen de aangenomene leer der Kerken, hetzelve vrijelijk te willen verklaren; heeft zijn gevoelen van vele hoofdstukken der leer zonder eenige uitvlucht ronduit verklaard, en, 13 Febr., te kennen gegeven, dat hij in de Artikelen van de rechtvaardigmaking des menschen voor God, van de praedestinatie, van de genade Gods en den vrijen wil, van de eindelijke volharding der geloovigen, anders gevoelde dan de leer der Nederlandsche Kerken mede bracht. Dit heeft de Kerk meer en meer bekommerd gemaakt, dewijl zij verstonden, dat niet alleenlijk Arminius in de Academie, maar dat ook Bertius in het Theologische Collegie, een plantsoenhof der Hollandsche Kerken, de jeugd, hem toebetrouwd en ten dienste der Kerken toegeëigend, eene vreemde leer voorstelden, en de jonkheid, van de oprechte leer afgevoerd, nieuwe meening inplantten. Dit zagen de Kerken, en waren bedroefd, en hoewel zij ten hoogste wenschten en noodig achten, hierin wettelijk te voorzien, en dit kwaad te heelen, konden hetzelve nochtans niet te weeg brengen, doordien Uitenbogaard en anderen, welker autoriteit toenmaals bij vele Regenten des Vaderlands groot was, door diezelve alle Synodale bijeenkomsten, en kerkelijke oordeelen, op het vlijtigst waren belettende. Hierdoor hebben de Predikanten, die Arminius toegedaan waren, stouter geworden zijnde, hunne vreemde meeningen ook openlijk den volke begonnen voor te dragen, de aangenomene leer met valsche aanklachten te schenden, en tegen dezelve gruwelijk en verfoeielijk uit te varen.
Onder deze is de voornaamste geweest een Adolphus Venator, Predikant der Kerk te Alkmaar in
XVI VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
Noord-Holland, dewelke (behalve dat hij niet zeer vroom van leven was) openlijk en zonder veinzen de Pelagiaansche en de Sociniaansche dwalingen, met ongelooflijke onbeschaamdheid, in 't openbaar en in 't heimelijke heeft gestrooid, waarom hij door een wettig oordeel der NoordHollandsche Kerken van zijnen dienst is opgeschorst geweest. Maar hij, het oordeel der Kerken verachtende, ging in zijnen dienst evenwel voort, tegen wil en dank der Kerken. De rechtgevoelende Predikanten in de Classe van Alkmaar hebben geoordeeld, dat deze booze mensch, alsook andere weinige Predikanten, die hij aan zijne zijde getrokken had, en die hunne eenstemmigheid in de leer der Gereformeerde Kerken, door onderteekening van de Belijdenis hardnekkiglijk geweigerd hadden te betuigen, in hunne bijeenkomst niet behoorden toegelaten te worden. Hierover hebben zij bij de E. M. Heeren Staten geklaagd, en, door hulp van Uitenbogaard bevel gekregen, waardoor hun geboden werd, dat zij dezelven in hunne vergadering zouden toelaten. Alzoo de gezonde Predikanten dit in conscientie niet lijden konden, hebben zij de E. M. Heeren Staten onderdaniglijk gebeden, dat zij met zoodanige bevelen, die zij in conscientie niet konden gehoorzamen, niet zouden bezwaard worden. De Gedeputeerden der Kerken, ziende, dat deze oneenigheden en ergernissen meer en meer dagelijks toenamen, hebben wederom de E.' M. Heeren Staten uit naam der Kerken ernstiglijk gebeden, dat de toegezegde Provinciale Synode, tot wegneming van deze onheilen, terstond mocht beschreven worden. Als Uitenbogaard en de andere Predikanten, die Arminius toegedaan waren, zagen, dat de E. M. Heeren Staten daartoe geneigd waren, zoo hebben zij, om de kerkelijke oordeelen te ontgaan, teweeggebracht door eenigen, die hunne zaak schenen te begunstigen. dat, in plaats van eene Provinciale Synode, eene Conferentie zoude gehouden worden tusschen Gomarus en Arminius, in de vergadering der E. M. Heeren Staten, aangaande de Artikelen, die tusschen hen beiden in verschil stonden; in welke Conferentie zij beiden elk vier Predikanten zouden nemen, welker raad zij zouden mogen gebruiken. Arminius had genomen Uitenbogaard, Predikant in den Haag, Adrianus Borrus te Leiden, Nicolaus Grevinchovius te Rotterdam en den voornoemden Adolphus Venator te Alkmaar; Gomarus daarentegen Ruardus Acronius, Predikant te Schiedam, Jacobus Rolandus te Amsterdam, Johannes Bogardus te Haarlem, en Festus Hommius te Leiden. Als deze bijeen waren gekomen, hebben Gomarus en de Predikanten, hem bijgevoegd, deze twee zaken verzocht; 1, dat deze Conferentie bij geschrift, van weerszijden over te geven, gedaan mocht worden, opdat men door dit middel allerlei kwade geruchten mocht voorkomen; 2, dat deze geschriften daarna aan de Nationale Synode overgegeven zouden worden, opdat het oordeel van eene kerkelijke zaak ten eenenmaal den Kerken zoude mogen behouden blijven. De E. M. Heeren Staten begeerden, dat de Conferentie mondeling geschieden zoude, alzoo nochtans, dat, tot behulp van het geheugen, men geschriften zoude mogen gebruiken, en beloofden door eene publieke acte, dat deze zaak, nadat zij daarvan uit deze Conferentie kennis genomen zouden hebben, tot het oordeel der Provinciale Synode bewaard, en tot dien einde al hetgeen met den mond verhandeld zoude worden, naderhand bij geschrift gesteld, en dezelve schriften terstond aan de Synode overgeleverd zouden worden. Dezelve Predikanten oordeelden ook onbetamelijk te zijn, dat Adolphus Venator, die van wege zijn onzuivere leven en leer, door wettige kerkelijke censuren van den dienst was opgeschort, tot eene zoodanige Conferentie, met groot vooroordeel der kerkelijke censuren, toegelaten zoude worden, en verzochten derhalve, dat in zijne plaats een ander aangenomen mocht worden, hetwelk zij niet konden verwerven, doordien Arminius heftiglijk daar tegen was. In den aanvang heeft men hier ook gedebatteerd over de orde der artikelen, van welke men handelen zoude. Arminius scheen eenig voordeel zijner zaak daarin te stellen dat men eerst van de praedestinatie zoude beginnen. Maar, dewijl het artikel van de rechtvaardigmaking noodzakelijker scheen te wezen, zoo meende Gomarus, dat men hiermede moest beginnen, hetwelk ook den E. M. Heeren Staten behaagd heeft. Aangaande dit artikel, is even dezelfde twist gehouden geweest, die te voren voor den Hoogen Raad gevallen was, te weten, of het geloof, ten aanzien dat het eene daad is, door de genadige aanname Gods, de gerechtigheid zelve zij, waarmede wij voor God gerechtvaardigd worden. Ten tweede is gehandeld geweest van de leer der Goddelijke praedestinatie, die Arminius met dezelfde consequentiën, die hij onlangs in de vergadering der E. M. Heeren Staten voorgesteld had, gehaat zocht te maken.
XVII VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
Maar Gomarus hield aan op den voornaamsten staat des verschils, of namelijk het geloof de oorzaak is of eene voorgaande voorwaarde van de verkiezing, dan of het eene vrucht en uitwerking derzelve is. Het derde geschil was van de genade Gods, en van den vrijen wil des menschen. Arminius betuigde, dat hij alle de werkingen der Goddelijke genade, die men zoude kunnen stellen, in de bekeering des menschen erkende, mits er geene genade worde gesteld, die onwederstandelijk is. Gomarus wees aan, wat dubbelzinnigheid en bedrog onder dit woord onwederstandelijk verborgen lag, namelijk dat daaronder schuilde de eertijds verdoemde meening der Semi Pelagianen en der Synergisten of Medewerkers, en oordeelde in de wedergeboorte des menschen zoodanige genade van noode te zijn, die zoo krachtiglijk is werkende, dat, de tegenstand des vleesches overwonnen zijnde, door dezelve zekerlijk en onbedriegelijk bekeerd worden alle degenen, die deze genade deelachtig worden. Eindelijk is gehandeld geweest van de volharding der ware geloovigen. Arminius verklaarde, dat hij de leer van de zekere volharding der ware geloovigen nooit had bestreden, ook thans die niet bestrijden wilde, dewijl er zoodanige getuigenis der Schriftuur, tot voordeel van dezelve waren, op dewelke hij nochtans niet konde antwoorden. Derhalve, dat hij maar voorstellen zoude die plaatsen, die in dit artikel hem een twijfeling en achterdenken veroorzaakten. Als Gomarus op deze plaatsen had geantwoord, heeft hij daartegen deze leer uit Gods Woord met vele klare getuigenissen bevestigd. Dit aldus gepasseerd zijnde, heeft men de Conferenten gevraagd, of er meer artikelen overbleven, in dewelke zij van elkander verschilden. Gomarus zeide, dat er meer waren, te weten, de artikelen van de erfzonde, van de voorzienigheid Gods, van het gezag der h. Schriftuur, van de zekerheid der zaligheid, van de volmaaktheid des menschen in dit leven, en eenige andere. Of men ook van deze in die plaats zoude handelen, wilde hij in de discretie der E. M. Heeren Staten stellen, inzonderheid dewijl van dezelve wederom in de Synode moest gehandeld worden. Maar alzoo de ziekelijke toestand van Arminius de Conferentie niet langer scheen te kunnen lijden, zoo heeft het den E. M. Heeren Staten goed gedacht, deze samenspreking af te snijden, nadat zij op het verzoek van Gomarus en der andere Predikanten, hem bijgevoegd, beloofd hadden, 22 Aug., dat deze gansche zaak in de Provinciale Synode, terstond te beschrijven, volkomener onderzocht en beslist zoude worden, en den Conferenten belast hadden, dat een iegelijk zijn gevoelen met de bewijsredenen en wederlegging van het tegendeel, bij geschrift vervat, binnen den tijd van veertien dagen hun zouden overleveren, opdat zij die schriften bewaren mochten tot op de Provinciale Synode. Gomarus heeft binnen den gezetten tijd zijne schriften overgezonden, die daarna in het Nederduitsch uitgegeven werden. Alzoo de zwarigheden der Kerken door deze Conferentie meer vermeerderd dan weggenomen waren, hebben de Gedeputeerden der Kerken wederom de E. M. Heeren Staten onderdaniglijk gebeden, 16 Sept., dat de Provinciale Synode, zoo menigmaal te voren en ook in deze Conferentie toegezegd, terstond saamgeroepen mocht worden. Hun is tot antwoord gegeven, hoewel eenigen daartegen waren, dat deze samenroeping alsdan zoude geschieden, wanneer de Predikanten der Classis van Alkmaar den bevelen der E. M. Staten, om Adolphus Venator en de Predikanten, hem toegedaan, in hunne bijeenkomsten toe te laten,zouden gehoorzaamd hebben. Opdat nu die zaak de Provinciale Synode niet zoude verachteren, hebben de Ge- deputeerden der Kerken, reizende naar Alkmaar, met de Predikanten van dezelve Classe gehandeld aangaande deze toelating, en hebben hen bewogen, dat zij de Predikanten, Adolphus toegedaan, onder eerlijke voorwaarde bereid waren toe te laten; maar dat zij Venator zelven niet konden toelaten. Daarvoor hebben zij de Gedeputeerden zoo vele en gewichtige oorzaken te kennen gegeven, dat zij zelven oordeelden, dat men ze in dezen deele niet verder behoorde te persen. Dit den E.M. Staten te kennen gegeven zijnde, heeft men nog evenwel de samenroeping der Synode niet kunnen verwerven. Want de Predikanten, Arminius toegedaan, hebben te weeg gebracht, dat der Classis van Alkmaar wederom belast werd, 15 Oct., dat zij de Predikanten voorzegd, ook zonder eenige voorwaarde eenvoudiglijk zouden toelaten. Alzo zij dit niet doen konden, zoo is deze samenroeping opnieuw ver-achterd. Daarentusschen verontschuldigde Arminius zich bij de E.M. Staten door brieven, dat hij het schrift, hem belast, van wege de zwakheid des lichaams, niet konde gereed maken; welke zwakheid allengskens zoo verzwaarde, dat hij weinig tijds daarna overleed. En dit zijn de twisten en disputen,
XVIII VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
waarmede de Academie en Kerken van Holland geoefend geweest zijn, terwijl Arminius in het leven was.
Na zijn dood, 19 Oct.; hoewel alle vromen hoopten, dat een groot deel der zwarigheden te gelijk met hem weggenomen en begraven zoude zijn, als die het hoofd en de auteur was geweest van alle deze verwarringen, nochtans, alzoo hier en daar vele Predikanten in de Hollandsche Kerken zijn gevoelen bijgevallen waren, en niet ophielden hetzelve voort te planten; zoo hebben de Gedeputeerden der Kerken noodig geacht desniettemin de samenroeping van de Provinciale Synode te drijven; denwelken wederom tot antwoord werd gegeven, dat alsdan de E. M. Staten eenige kerkelijke vergadering zouden zien bijeen te roepen, wanneer de Classis van Alkmaar hunne bevelen gehoorzaamd zoude hebben.
Daarentusschen hebben de Predikanten, Arminius toegedaan; ziende de zaak daartoe gebracht, dat, de samenroeping der Synode belet zijnde, zij alsdan weinig het oordeel en de censuren der Kerken schenen te vreezen, gelijk als den ruimen toom van stoutheid en onbeschaamdheid zichzelven toegevende; begonnen tegen de reine leer der Gereformeerde Kerken van de verkiezingen, volharding der heiligen, zekerheid der zaligheid, en andere artikelen, met gansch bittere, smadelijke scheldwoorden, tot groote ergernis der vromen, vreugde der vijanden en tot storing der Kerken, openlijk en heimelijk uit te varen en te bulderen. En het is hun niet genoeg geweest met heimelijke lasteringen en openbare oproerige predikatiën de harten, zoowel des gemeenen volks, als der Regenten te ontstellen, maar ook met openlijke schriften, die ze in grooten getale en met even groote ergernis onder het volk strooiden, de leer der Gereformeerde Kerken alzoo te verscheuren, dat nauwelijks de gezworene vijanden derzelve het met meerder bitterheid en vuilheid zouden hebben kunnen doen.
En, opdat zij de gunst der Magistraten des te beter gewinnen, en hunne gemoederen tegen de andere Predikanten meer en meer zouden mogen verbitteren, hebben zij door Uitenbogaard, eerstelijk, door eene rede, gedaan in de vergadering der E. M. Heeren Staten, daarna door een schrift openbaarlijk uitgegeven, gezocht den Magistraten wijs te maken, dat de andere Predikanten de autoriteit der Magistraten verkleinden, en verzwakten, en naar een zijdelingsche of evenhooge macht stonden, en daarnaar voor zichzelven streefden. Derhalve hebben de Gedeputeerden der Kerken goed gevonden, de E. M. Heeren Staten wederom aan te spreken, 25 Mei, en te bidden, dat zij deze onheilen, die ten hoogste schenen geklommen te zijn, door een wettelijk geneesmiddel, oproepende eene Provinciale Synode, nu ten laatste eens wilden zien te helpen. En als de E. M. Heeren Staten, overmits den grooten nood, schenen daarin lichtelijk te zullen bewilligen, zoo hebben de Predikanten, die de meeningen van Arminius toegedaan waren, hun eenen nieuwen raad ingegeven, opdat daardoor deze samenroeping of ten eenenmaal belet, of alzoo naar hunne meening aangesteld mocht worden, dat hunne zaak in het zeker bleve, en geen last zoude lijden; namelijk, dat de personen; uit welke deze Synode bijeen geroepen zoude worden, niet van de Kerken (als billijk was, en tot nog toe gebruikelijk was geweest) gedeputeerd zouden worden, maar dat de Staten zelven eenigen zouden ontbieden. Want zij zouden daarna lichtelijk verwerven, dat die alleenlijk verkoren zouden worden, die of hunne zaak toegedaan, of van dezelve niet zeer vreemd zouden wezen. Hoewel zij deze nieuwigheid sommigen Regenten des Vaderlands wijs gemaakt hadden, zoo hebben zij nochtans de verstandigste daartoe niet kunnen bewegen, die deze samenroeping oordeelen te moeten geschieden op gewone wijze. Niettemin brachten zij dat teweeg, terwijl onder de E. M. Heeren Staten gedebatteerd werd, dat de samenroeping (hetwelk deze Predikanten voornamelijk zochten) niet alleenlijk van de Provinciale Synode, maar ook van de jaarlijksche Synode, die te voren gewoonlijk alle jaren plechtig plachten gehouden te worden, door dit middel opgehouden, en ten eenenmaal belet werden.
Want zoo menigmaal degenen, die wenschten, dat deze onheilen door dit wettelijk geneesmiddel uit de Kerken weggenomen werden, van de oproeping eener Synode spraken, zoo dikwijls vernieuwden ook diegenen, die Arminius toegedaan waren, deze debatten over de wijze van samenroepen. Daarom hebben ook de Predikanten, die zijne meening toestonden, ziende, dat zij de zaak dus verre gebracht hadden, dat alle vrees van kerkelijk oordeel en censuur scheen weggenomen te wezen, stouter geworden zijnde, zonder weten en beraadslaging met hunne Kerken, en zonder autoriteit der h.
XIX VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
Overheid, in grooten getale heimelijk bijeenkomst gehouden. En aldaar hebben zij onderling, met onderteekening van hunne namen, eene contoederatie of samenrotting makende, een lichaam, afgezonderd van het overblijvende lichaam hunner mededienaren, geformeerd, en eene openlijke scheuring in de Gereformeerde Kerken aangericht.
Op dezen tijd hebben zij den E. M. H. Staten een request, of zoo men ze noemt, Remonstrantie (waarvan zij daarna Remonstranten genoemd zijn geweest) overgeleverd (Deze is in Juni uitgegeven in de Haagsche Conferentie). Hierin stelden zij de leer der Gereformeerde Kerken van de Goddelijke praedestinatie, van de genade Gods, en de volharing der heiligen, ter kwader trouw, niet zonder openlijke en bittere lasteringen, voor; opdat zij dezelve aldus bij de E. M. Heeren Staten gehaat zouden maken; en zij voegden meteen daarbij eene verklaring van hun gevoelen over dezelve Artikelen, hetwelk zij onder dubbelzinnige bewimpelingen van woorden zochten te verbergen, opdat het den eenvoudigen niet zoude schijnen verre van de waarheid te verschillen; verzochten daarenboven, dat de E. M. Staten hen wilden nemen onder hunne bescherming tegen alle kerkelijke censuren. Dit heeft alle de Nederlandsche Kerken zeer verslagen, ziende, dat deze verschillen nu tot een openbare scheuring uitgebarsten waren, en zij hebben alle naarstigheid gedaan, om een exemplaar van deze Remonstrantie te mogen bekomen, ten einde men op alle hunne lasteringen zoude mogen antwoorden. Maar zijlieden hebben door gunst dergenen, die deze zaken pleegt in bewaring te houden, lichtelijk teweeg gebracht, dat er geen exemplaar van die Remonstrantie in handen van andere Predikanten langen tijd heeft kunnen komen.
Bij deze jammer en ellende der Kerken is nog een andere gekomen, die hare bekommernis en zwarigheden bovenmate heeft vermeerderd. Want alzoo men een persoon zocht, die in de plaats van Jacobus Arminius tot de Theologische bediening zoude geroepen worden, zoo hebben de Gedeputeerden der Kerken de E. Curatoren der Academie van Leiden, ernstiglijk uit publieken naam der Kerken gebeden en gesmeekt, dat zij toch in zijne plaats zulk een persoon zouden wilden stellen, die vrij was van alle vermoeden van verkeerde leer, opdat door dit middel de verschillen in de Academie van Leiden allengskens ophouden, en den Kerken hare vrede mocht weergegeven worden, en recommandeerden haar tot dien einde ettelijke treffelijke Theologanten, zoo uitlandsche als ook Nederlandsche; maar te vergeefs. Want de Remonstranten, die de harten van sommigen schenen van te voren ingenomen te hebben, brachten te weeg door hunne recommandatiën, dat Conradus Vorstius, Professor te Steinfort (een persoon van over vele jaren bij de Gereformeerde Kerken met recht verdacht van Socinianisterij) in de plaats van Arminius tot de Theologische bediening beroepen, en Uitenbogaard tot dien einde naar Steinfort gezonden werd. De Gedeputeerden der Kerken, dit verstaande, hebben geoordeeld hun schuldige plicht te zijn, de E. M. Heeren Staten te vermanen, dat een zoodanig persoon, die als een nagel in de wonde zoude wezen, inzonderheid daar de zaken der Kerken aldus verward stonden, niet onbedachtelijk tot deze bediening zoude toegelaten worden. En om datzelve met des te meerder vrucht te doen, baden zij door brieven de E. Theologische Faculteit van Heidelberg, aan wie deze Vorstius zeer nauwkeurig bekend was, oprechtelijk te willen verklaren, of zij oordeelden, dat deze Vorstius, in deze gelegenheid der zaken, met vrucht, vrede en stichting der Kerken, gesteld mocht worden over de jonkheid in de Academie van Leiden, om dezelve te onderwijzen. Dewelke ook, 26 Aug., geantwoord heeft, dat pas een zeker boek door hem was uitgegeven, handelende van God en van de Goddelijke eigenschappen, in hetwelk hij de leer der oude en nieuwe Theologanten omver werpt, en leert, dat God naar zijn wezen had quantiteit, grootte en eindigheid, en dat Hij samengesteld was uit wezen en toevallige zaken; dat Hij naar den wil veranderlijk was; dat Hij aan eene lijdelijke macht onderworpen was, en diergelijke wanschapene meeningen meer; dat hij voor tien jaren gezonden was geweest te Heidelberg, om zichzelven voor de Theologische Faculteit, waar ook tegenwoordig was Doctor Pezelius, te zuiveren van Socinianisterij, waarvan hem de Kerken toen ter tijd al beschuldigden.
Dat hij zich ten laatste gezuiverd had, een handschrift latende; maar dat hij die zuivering niet had bekrachtigd, maar in tegendeel dikwijls en op vele wijzen zichzelven verdacht had gemaakt; dat hij een nest vol wanschapene meeningen in zijn hoofd had, waarmede hij de school en de jeugd van
XX VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
Steinfort tot nog toe besmet had. En indien een persoon, die zoo verdacht was in de leer, zoude beroepen worden aan de vermaarde Academie van Leiden, dat zulks anders niet zoude zijn, dan met olie den brand te willen blusschen. Als niet alleenlijk de Gedeputeerden der Kerken, maar ook de achtbare Magistraten der voornaamste steden van Holland, te weten van Dordrecht en van Amsterdam, den E. Curatoren, en ook den E. M. Heeren Staten zelven te kennen gaven, en baden, dat zij, door de beroeping van zulk een persoon, de zwarigheden der Kerken niet wilden verzwaren, en dezelve in gevaar stellen van nieuwe en meerdere beroerten, zoo hebben de Remonstranten, 18 Oct., met man en macht bij dezelven aangehouden, dat zij van deze voorgenomene beroeping niet zouden willen afzien. Ondertusschen kwam Vorstius in Holland, dewelke, nadat hij in de vergadering der E. M. Heeren Staten (uit de Predikanten niemand anders tegenwoordig zijnde als Uitenbogaard) gehoord was geweest, weder naar Steinfort is gekeerd.
Omtrent dezen tijd, als eenige studenten der h. Theologie, in verscheidene Classen, tot den dienst des Woords beroepen zijnde, geëxamineerd zouden worden, 22 Aug., 22 Sept., hebben de Remonstranten teweeggebracht, dat door de E. Gecommitteerde Raden der E. M. Heeren Staten den Classen belast werd, dat zij van niemand, in het Artikel van de praedestinatie met het aankleven er van, eene verdere verklaring zoude afvorderen, dan die in de Vijf Artikelen der Remonstranten, die ook meteen overgezonden werden, was uitgedrukt, en dat daarenboven ook verboden werd, dat niemand van den dienst der Kerk zoude afgeweerd worden, die zich verklaarde in de voornoemde Artikelen met de Remonstranten hetzelfde te gevoelen. Alzoo de Predikanten, om vele oorzaken, zwarigheid maakten daarin te bewilligen, hebben de Gedeputeerden der Kerken, verzocht zijnde van dezelven in de naaste vergadering der E. M. Heeren Staten van Holland en WestFriesland hunne bezwaarnissen hierover voorgesteld, en meteen verklaard, dat zij bereid waren in eene wettige Synode te bewijzen, dat deze Artikelen der Remonstranten strijdig waren tegen Gods Woord, en ook tegen de Belijdenis en den Catechismus der Nedérlandsche Kerken, en hebben de E. M. Heeren Staten gebeden, dat zij deze onzuivere Artikelen, die nooit in eenige wettige vergadering dezer Kerken behoorlijk waren onderzocht geweest, den Kerken niet aldus wilden laten opdringen, maar liever eene Provinciale Synode, die zoo menigmaal verzocht, en zoo lang begeerd was geweest, wilden samenroepen, in welke de Artikelen, naar den regel van Gods Woord, eerst wettelijk onderzocht mochten worden. Zij hebben ook vertoond, met welk eene groote ergenis en schade der Kerken het gemengd zoude wezen, indien de voorgenomene beroeping van Vorstius haar voortgang zoude hebben, en hebben derhalve gebeden, dat dezelve door autoriteit der E. M. Heeren Staten belet mocht worden. Hierop beraadslaging gehouden zijnde, is besloten geweest, dat in de naastaanstaande vergadering der E. M. Heeren Staten in den Haag, voor de vergadering der Heeren Staten zelven, over de Vijf Artikelen der Remonstranten eene Conferentie aangesteld zoude worden, tusschen zes Predikanten, die van beide zijden verkoren zouden worden. De Remonstranten hadden voor zich verkozen Johannes Uitenbogaard, Predikant in den Haag, Adrianus Borrius, en Johannes Arnoldi Corvinus te Leiden; Nicolaus Grevinchovius te Rotterdam; Eduard Poppius te Gouda, en Simon Episcopius te Bleiswijk. De Predikanten aan de andere zijde hadden door de Gedeputeerden van elke Classe verkoren Petrus Plancius, Predikant te Amsterdam, Johannes Becius te Dordrecht, Liber/us Fraxinus in den Briel. Ruardus Acronius te Schiedam, Johannes Bogardus, te Haarlem, en Festus Hommius te Leiden.
Bijeen gekomen zijnde, 11 Maart 1611, zoo weigerden de Remonstranten met die andere zes Predikanten, als met Gedeputeerden der Classen van Holland en WestFriesland, hoedanigen zij zichzelven uit hunne geloofsbrieven betoonden te wezen, in Conferentie te treden, opdat zij niet zouden schijnen partijen der Kerken te zijn; ja, protesteerden, dat zij onverrichter zaken liever zouden vertrekken, indien zij deze qualiteit niet wilden afleggen.
Als hierover lang en veel gedebatteerd was, hebben de andere Predikanten liever voor deze ongelegenheid willen wijken, dan langer daarover met hen te twisten. En diegenen, die van de Classen waren gedeputeerd, eer zij tot de Conferentie toetraden, verzochten van de E. M. Heeren Staten, dat de belofte, die voor twee jaren in de Conferentie, tusschen Arminius en Gomarus gehouden, den Kerken gedaan was geweest (18 Aug., te weten, dat het oordeel dezer zaak, zoo de Conferentie geeindigd was,
XXI VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
aan de Provinciale of Nationale Synode zoude overgelaten worden, en bij haar voorbehouden blijven) hier ook vernieuwd mocht worden. Men heeft goed gevonden deze orde in de handelingen te volgen, dat de partijen aan weerszijden de bewijsredenen van hun gevoelen bij geschrift zouden stellen, en daarna mondeling Conferentie over dezelve houden. Eer men gekomen is tot het onderzoek der Artikelen, hebben de Predikanten, die, gelijk te voren is gezegd, van de Classen gedeputeerd waren, een antwoord overgegeven tegen de Remonstratie der Remonstranten, van dewelke zij ten laatste een exemplaar, een weinig tijds voor de Conferentie, gekregen hadden, waarin zij vertoonden, dat de Remonstranten ter kwader trouw het gevoelen der Gereformeerde Kerken voorgesteld hadden, en door lasteringen haar vele dingen hadden opgedicht; en dat ze ook hun eigen gevoelen niet ronduit hadden geopenbaard, noch alle de Artikelen, waarover verschil was, voorgesteld. En dewijl er meer verschillende hoofdpunten waren, als die in de Vijf Artikelen verklaard stonden, verzochten zij ootmoediglijk, dat, door autoriteit der E. M. Heeren Staten, den Remonstranten belast zou worden, dat zij ronduit en klaarlijk zich zouden openbaren ook aangaande alle de overige. Derhalve, als men het eerste Artikel der Remonstranten zoude onderzoeken, waarin gesteld wordt, dat God van eeuwigheid besloten heeft den volhardenden geloovige zalig te maken (hetwelk geen Christen ontkent), en dit Artikel alzoo van hen gesteld was, alsof het de leer van de eeuwige verkiezing Gods inhield, zijn de Remonstranten gebeden, dat zij, tot verklaring van hun gevoelen, in dit Artikel uitgedrukt, deze twee dingen nader zouden willen verklaren; ten eerste, f zij hielden, dat dit Artikel het geheele besluit der Praedestinatie begreep; ten andere, of ze meenden, dat het geloof en de volharding in het geloof oorzaken of voorwaarden zijn, die de verkiezing ter zaligheid voorgaan, dan of het vruchten zijn, die uit de verkiezing voortkomen, en dezelve navolgen. Nadat zij een tijd lang uitvluchten gezocht hadden, hebben zij ten laatste geantwoord. Op het eerste, dat zij geene andere praedestinatie ter zaligheid erkenden, dan die in het eerste Artikel uitgedrukt stond. Op het tweede, dat het geloof, in de aanmerking en het inzicht Gods, de verkiezing ter zaligheid voorgaat; en dezelve niet als eene vrucht is navolgende. Daarna stelden zij wederom zeven andere vragen voor, zoo van de verkiezing als van de verwerping, waarop zij begeerden, dat de Predikanten, van de Classen gedeputeerd, zouden antwoorden. Dewijl dezen niet behoorden tot den staat des verschils van het eerste Artikel, en vele ook onnoodig en zeer verward waren, en tot dien einde van hen voorgesteld, om aldus de andere, van den voornaamsten staat des geschils en van de rechte wijze van hun doen, in omwegen af te leiden; zoo hebben de Predikanten door request den E. M. H. Staten deze onbillijke manier van handelen vertoond, maar niet afgebeden, dat zij hun gevoelen van de verwerping niet zouden openbaren (gelijk de Remonstranten menigmaal valschelijk hen dikwijls verwijten), alzoo zij duidelijk hun gevoelen, zoo veel als zij hielden genoeg te zijn tot vrede en stichting der Kerken, niet alleenlijk mondeling, maar ook schriftelijk hebben verklaard, namelijk, dat, wanneer zij stelden een eeuwig besluit van verkiezing van particuliere personen, dat zij meteen ook stellen een eeuwig besluit van verwerping en verlating van sommige particuliere personen, aangezien het niet kan' zijn, dat er verkiezing zij, of er moet meteen ook eenige verwerping of verlating wezen; dat alle zware quaestiën, aangaande dit Artikel, roekelooslijk te willen onderzoeken, anders niet zoude zijn als met onnutte disputen en twisten, welke nergens toe dienen, de Kerk te vervullen, en den vrede derzelve te verstoren; dat deze hunne verklaring, in het requaest uitgedrukt, allen matigen en vredelievende verstanden genoeg behoorde te wezen, namelijk, dat zij gelooven en leeren, dat God niemand verdoemt, ja, niemand ook besloten heeft te verdoemen, dan rechtvaardiglijk om zijne eigene zonden. Derhalve heeft het den E. M. H. Staten beliefd, dat zij, die doornachtige quaestiën ter zijde stellende, tot de behandeling der Artikelen zouden komen. De Predikanten, van de Kerken gedeputeerd, stelden bij geschrifte hunne redenen voor, waarom zij elk Artikel in het bizonder verwierpen. De Remonstranten stelden ook daartegen en gaven over bij geschrift hunne bewijsredenen, waarmede zij elk Artikel meenden te bevestigen. Over deze redenen en argumenten, is in de vergadering der E. M. H. Staten mondeling gedebatteerd geweest. Festus Hommius voerde het woord aan de eene zijde, uit naam der Predikanten, door de Kerken gedeputeerd; en aan de andere zijde, uit naam der Remonstranten, eerst Adrianus
XXII VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
Borrius, en daarna, hem bij beurte volgende: Nicolaus Grevinchovius, Johannes Arnoldi, en Simon Episcopius.
Terwijl de Predikanten in deze Conferentie doende waren, was uit Westfalen in Holland wedergekeerd Conradus Vorstius, denwelke de Ed. Mog. Heeren Staten goedvonden, dat hij gehoord zoude worden in de tegenwoordigheid van alle de Conferenten. Verschenen zijnde op 27 April, heeft hij een lange rede gedaan, waarmede hij zichzelven gezocht heeft te zuiveren van de opgegevene dwalingen. Daarna zijn van de E. Mog. Heeren Staten de Conferenten gevraagd geworden, of zij eenige bedenkingen hadden, waarom zij oordeelden, dat de beroeping van Vorstius tot de Theologische Bediening in de Academie van Leiden behoorde achter te blijven. De Remonstranten hebben duidelijk verklaard, dat zij niets hadden tegen Vorstius, ook in zijne schriften niets gevonden, dat tegen de waarheid of Godzaligheid was strijdende. De andere Predikanten hebben bij geschrifte hunne redenen overgegeven, waarom zij oordeelden, dat deze beroeping van Vorstius den Hollandschen Kerken zeer schadelijk en schandelijk zoude wezen; en wezen aan, zoowel uit het boek van Socinus over de autoriteit der h. Schriftuur, hetwelk Vorstius uitgegeven had, als ook uit het boek van God, en van de Goddelijke Eigenschappen, hetwelk Vorstius onlangs geschreven en uitgegeven had, zijne voornaamste dwalingen, over dewelke tusschen hen en Festus Hommius in de vergadering der E. M. H. Staten, in tegenwoordigheid der Samensprekers, eenige dagen Conferentie gehouden is geweest. Deze, 6 Mei, geeindigd zijnde, zijn op nieuw de Predikanten aan weerszijden door de E. M. H. Staten belast oprechtelijk te willen verklaren, of Vorstius met zijne antwoorden hen voldaan had. De Remonstranten antwoordden, dat zij ten volle vergenoegd waren, en derhalve oordeelden, dat het voor de Kerken en de Academie gansch nuttig zoude zijn, zoo deze zijne beroeping voortging. De andere Predikanten hebben bij geschrifte verklaard, dat het zoo verre van daar was, dat de antwoorden van Vorstius hen van hun eerste gevoelen zouden afgebracht hebben, dat zij integendeel door dezelve meer en meer daarin versterkt werden, dat zijne beroeping met groote schade, zoo der Kerken, als der Academie, en met merkelijk gevaar van meerdere verstoring zoude gedijen, indien ze voortging, en baden overzulks onderdaniglijk de E. M. H. Staten, dat de Kerken door deze beroeping in dat gevaar niet gesteld zou worden. Als Vorstius nu vertrokken was, is men wedergekeerd tot de Conferentie over de Vijf Artikelen. Dewelke eenige dagen voortgezet en ten einde gebracht zijnde, hebben de E. M. H. Staten den Conferenten aan weerszijden belast, dat zij hetgeen mondeling verhandeld was geweest, en hetgeen zij oordeelden tot volkomen antwoord nog noodig te wezen, aan weerszijden bij geschrift gesteld, door Uitenbogaard en Festus Hommius den E. M. Heeren Staten zouden overhandigen. En daarentusschen belast, dat de Predikanten over elkander van de behaalde overwinning niet zouden roemen, maar dat ze van de verschillende Artikelen met stichting bescheidenlijk zouden leeren, en in vrede en liefde met elkander leven; en hebben ook geordineerd, dat deze Artikelen in denzelfden stand zouden blijven, als zij voor de Conferentie waren. In de zaak van Vorstius is toenmaals niets besloten geweest, maar als niet lang daarna de achtbare Magistraat der Stad Dordrecht door hare Gedeputeerden, de E. Hugo Muys van Holy, Schout, Jakob de Witt, Adriaan Repelaar, en Johannes Berk, Pensionaris, de E. M. Heeren Staten verzochten, dewijl de geruchten en dwalingen en ketterij van Vorstius sterker en sterker werden, dat zijne beroeping óf nagelaten, óf ten minste uitgesteld mocht worden, zoo hebben de Ed. Mog. Heeren Staten de E. Curatoren der Academie belast, dat zij in zijne beroeping niet verder zouden treden.
En als het gerucht dezer beroeping ook tot den Grootmachtigsten Koning van Groot Britanje, Jakobus I, beschermer des geloofs, gekomen was, 21 Sept., die naar zijne groote en inzonderheid in een Koning verwonderlijke ervaring in Theologische zaken, en naar zijnen zonderlingen ijver voor den Gereformeerden Godsdienst, het boek van Vorstius, „van God", zelf doorlezen en met zijne hand de voornaamste dwalingen aangeteekend had, zoo heeft hij de H. M. H. StatenGeneraal, zoowel door brieven, overzendende een catalogus zijner dwalingen, als ook door zijnen Gezant, den Doorlucht. Heer Rodolf Winwood, goed gedacht te vermanen, dat zij een persoon, met zoo vele zware dwalingen en lasteringen bevlekt, niet wilden toelaten tot het publieke ambt, om de jeugd te leeren in de Academie, maar hem liever uit hunne palen doen vertrekken, opdat de jeugd met zijne booze en
XXIII VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
vervloekte dwalingen door hem niet besmet, en alzoo de staat des lands ook niet verzwakt werde; aangezien aan de oprechtheid der Gereformeerde leer, waarin de Nederlandsche Kerken tot nog toe met de Engelschen eene lieflijke eenheid hadden onderhouden, en aan de bewaring daarvan, ook de welvaart der Republiek was afhangende; en toen er uitstel genomen werd, overmits de Remonstranten daartegen arbeidden, en inzonderheid Vorstius, met verscheidene uitleggingen, verantwoordingen, voorloopers, bescheidene en volkomene antwoorden zijn dwalingen excuseerde, zoo heeft nochtans zijne Koninklijke Majesteit niet afgelaten, door herhaalde vermaningen, ja ook met een ernstige protestatie aan te houden, dat men hem zoude laten vertrekken.
Terwijl deze dingen aldus toegingen, hebben eenige studenten der h. Theologie, die, uit Vorstius' huis en school gekomen, in de Academie van Franeker hun best deden, om deze met Sociniaansche dwalingen te besmetten, een zeker boeksken (van Faustus Socinus, ,over het ambt van een Christenmensch", in hetwelk geraden wordt, dat allen, die hunner zielen zaligheid zoeken, de leeringen en vergaderingen der Gereformeerde Kerken verlaten, en het gevoelen der Photinianen en Ebionieten moeten aannemen) in druk uitgegeven, met eene voorrede, waarin zij dit boeksken vlijtiglijk den Kerken aanbevelen. De E. M. Heeren Staten van Frisland, hiervan verwittigd zijnde, mitsgaders eenige familiare brieven dezer studenten gekregen hebbende, in dewelke zij verklaarden, met wat praktijken de gemeene zaak der Socinianisterij (die zij niet duisterlijk te kennen gaven, ook bij Vorstius, Uitenbogaard en anderen in Holland gedreven te worden) heimelijk voort te planten ware; nadat zij vele exemplaren van die boekskens hadden doen verbranden, en deze studenten uit hunne landpalen doen vertrekken, hebben zij eerst wel door missieven der Magistraten der voornaamste steden van Holland, maar daarna door den E. Heer Kemp van Donia, de E. M. H. Staten zelven vermaand en gebeden; alzoo de oprechte eenstemmigheid in de Gereformeerde leer de voornaamste band en het fondament der eenigheid en de unie was tusschen de Vereenigde Provinciën;dat zij niet wilden gedoogen, dat door de beroeping van een persoon, die van openbare ketterij alzoo verdacht was, deze eenstemmigheid zoude verzwakt worden, en dat hunne E. M. door zoodanige bedrieglijkheden, waarmede men weet, dat deze lieden dit zochten te weeg te brengen, zich zouden willen laten verleiden. Bovendien hebben de Predikanten van Leeuwaarden, de voornoemde brieven der studenten met noodige aanteekeningen uitgevende, alle Kerken ernstiglijk vermaand, zich van zulke bedrieglijke onderwinding der ketteren, en voornamelijk van Vorstius te wachten. De E. M. H. Staten des Vorstendoms van Gelderland en van het Graafschap van Zutfen, hebben ook dezelve E. M. H. Staten van Holland hieromtrent gewaarschuwd, dewelke voor antwoord gaven, dat hun niets zoo zeer ter harte zoude gaan en zorg zou geven, als met de andere Vereenigde Provinciën, in de gemeene zaak van den Godsdienst, deze eenstemmigheid onafgebroken te bewaren;en verzochten, 15 Nov., dat de naburige bondgenooten zich van dit hun standvastig voornemen verzekerd wilden houden; verklarende, dat zij daarentusschen op deze vermaning acht zouden nemen, en Vorstius belasten, dat hij uit de stad Leiden vertrekken en te Gouda zijne woonplaats nemen zoude, en zichzelven van de dwalingen, hem ten laste gelegd, door publieke schriften zuiveren.
De E. M. H. Staten van Holland en WestFriesland hebben daarna geordineerd, dat de Haagsche Conferentiën van weerszijden bij geschrift den staat des verschils, aangaande de Vijf Artikelen der Remonstranten, zouden overgeven, en meteen hunne adviezen daarbij voegen, op wat wijze zij meenden, dat deze verschillen tot vrede der Kerken en nuttigheid der Republiek ten bekwaamste zouden kunnen geëffend worden. De Remonstranten, zich plaatsende op het standpunt in de Haagsche Conferentie, oordeelden, dat men geen zekerder middel van eenigheid zoude kunnen aanwenden, dan de onderlinge verdraagzaamheid, door welke namelijk beide partijen toegelaten werden hun gevoelen van deze Artikelen vrijelijk te leeren en voort te planten.
De andere Predikanten verklaarden, dat zij geen bekwamer weg konden aanwijzen, dan dat door autoriteit der E. M. H. StatenGeneraal eene Nationale Synode ten eerste uitgeschreven werd, en in dezelve, deze en alle andere verschillen verklaard en onderzocht zijnde, geoordeeld zoude mogen worden, welk gevoelen met Gods Woord en met het gemeen gevoelen der Gereformeerde Kerken overeen zoude komen, en diensvolgens openlijk behoort geleerd te worden; opdat de waarheid door
XXIV VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
het drijven van verschillende meeningen niet gekwetst, of de vrede der Kerken verstoord zou worden. Op deze adviezen waren de stemmen der E. M. H. Staten verschillend, daar sommigen het advies der Remonstranten, anderen het advies der andere Predikanten goed vonden. Dit was eene oorzaak, dat in de zaak niets werd besloten, om een einde van deze verschillen te maken.
Als voorts de E. M. H. Staten verstaan hadden, dat, behalve deze Vijf Artikelen, nog vele andere twisten, die van geen klein gewicht waren, beroering veroorzaakten, zoo ordineerden zij, om de zuiverheid der leer te behouden, en bij tijds de nieuwigheden te voorkomen, dat de leer des h. Evangelies op het zuiverst, zoo in de kerken als in de publieke scholen dezer landen, zoude voorgesteld worden, en derhalve, dat in de kerken en publieke scholen van Holland en WestFriesland van de volmaakte behoudenis onzes Zaligmakers, Jezus Christus, voor onze zonden, van de rechtvaardigmaking des menschen voor God; van het zaligmakende geloof, van de erfzonde, van de zekerheid der zaligheid en van de volmaaktheid des menschen in dit leven, niets anders zoude geleerd worden, dan gelijk doorgaans in de Gereformeerde Kerken geleerd wordt, en in deze Provinciën tot nog toe geleerd was geweest.
Ondertusschen namen de oneenigheden, beroerten en verwarringen in de Kerken zeer jammerlijk overal meer en meer toe. Want de Remonstranten deden hun uiterste best, dat de Predikanten, die voornamelijk hun voornemen tegen stonden, den Magistraat tegen hen door valsche beschuldigingen ophitsende, niet alleenlijk uit hunne diensten, maar ook uit de steden zelven werden verdreven, en overal in de Kerken, die niet van Predikanten voorzien waren, zoodanige personen, ook tegen dank en wil der Kerken, werden ingedrongen, die met hunne meeningen besmet waren, alleszins, waar zij konden, alle anderen uitsluitende, hoewel deze met geleerdheid, Godzaligheid en de noodige gaven zeer wel begiftigd waren, en van de Kerken wettiglijk begeerd en beroepen. Dit was oorzaak, dat de rechtgevoelende Kerken zoodanigen, die óf hunne onschuldige mededienaars, tegen alle recht en billijkheid, alzoo onderdrukt en verdreven hadden, óf die tegen dank haar waren opgedrongen, en die de leer der Gereformeerde Kerken dagelijks met bittere en venijnige predikatiën zeer gruwelijk schonden, niet voor hare wettelijke Herders konden houden, hunne predikatiën hooren, en het Nachtmaal des Heeren met hen gebruiken, maar liever in de naastgelegene plaats de predikatiën der gezonde Herders gingen hooren, hoewel ze daarover vele smaadheden, beleedigingen en bespotting moesten lijden; en dit zijn de beginselen en gelegenheden van afzondering geweest. De eerste onder alle Kerken, dewelke genoodzaakt is geweest, eene zoodanige afzondering te maken, was de Kerk van Alkmaar; want Adolphus Venator, Predikant aldaar; geschorst zijnde van zijnen dienst bij de NoordHollandsche Kerken, om zijn onrein leven en gansch onzuivere leer, alzoo hij, zich verlatende op den Magistraat aldaar, met verachting der kerkelijke censuren, evenwel in het leerambt voortvoer, en, de Magistraat veranderd zijnde, gelijk dat jaarlijks pleegt te geschieden, zoodanige wettelijk verkoren werden, die zijn stuk niet zeer gunstig schenen te wezen, en op welker bescherming hij zichzelven niet langer mocht verlaten; heeft, het gemeene volk tegen de wettelijke Overheid ophitsende, te weeg gebracht, dat zij, de wapenen oproeriglijk aangenomen hebbende, niet tevreden wilden zijn, voor en aleer de wettelijke Magistraat afgezet, en anderen in hunne plaats gesteld werden, die van den Gereformeerde Godsdienst vervreemd en de zaak van Venator toegedaan waren. Deze, zoodra zij in de regeering der Stad waren bevestigd, hebben, door aandrijven van Venator, ten eerste de Ouderlingen en Diakenen hunnen dienst doen afleggen, daarna de twee Predikanten, omdat zij zich gesteld hadden tegen de dwalingen van Venator, van hunne diensten afgezet, en schandelijk uit de stad gedreven; de een was Pieter Cornelissen, die in de vijftig jaren met zeer groote stichting voorganger was geweest, en de andere Cornelius Hillenius, een oprecht en vroom man, beiden ernstige voorstanders der zuivere leer.
Deze. afzondering is de Kerk van Rotterdam genoodzaakt geweest na te volgen. Want Nicolaus Grevinchovius, ziende, dat zijn mededienaar, Cornelius Geselius, van wege zijne zonderlinge Godzaligheid, oprechtheid en bescheidenheid, de Kerk van Rotterdam zeer aangenaam was, en hem in zijn voornemen, om de leer der Remonstranten in te voeren, zeer tegenstond, heeft te weeg gebracht, door den Magistraat van die plaats, ten eerste, dat hij van zijnen dienst afgezet, daarna, dat hij door de
XXV VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
stadsdienaars uit de stad is geleid geweest. Ook de Predikanten der Classis van Rotterdam, die de zuiverheid der leer toegedaan waren, weigerden met dezen Grevinchovius en met de anderen, die hij tot het gevoelen der Remonstranten gebracht had, Classikale bijeenkomsten te houden, nadat hij, door autoriteit des Magistraats van Rotterdam, Simon Episcopius, denwelken de Kerk van Amsterdam, alwaar hij geleefd had, getuigenis van zijn leven en leer geweigerd had, de Kerk van Bleiswijk tegen de voornaamste stemmen der Predikanten opgedrongen had.
Vele Kerken ook in de dorpen, denwelken men of tegen haren dank Remonstranten had opgedrongen, of Predikanten, die den Remonstranten waren toegevallen, overmits zij die schrikkelijke lasteringen tegen de gezonde leer, die dagelijks in hunne predikatiën gehoord werden, niet zonder de hoogste ergenis, droefheid en ongerustheid haars gemoeds konden aanhooren, verlatende hare tempelen, gingen tot de predikatiën der nabij gelegene gezonde Predikanten, of, waar ze die niet konden krijgen, werden van andere predikanten in hare dorpen, of van gezonde proponenten in afgezonderde vergaderingen geleerd. Toen de Remonstranten dit, door strenge plakkaten der Magistraten, te vergeefs poogden te beletten, hebben zij geene geringe vervolging tegen die Kerken verwekt.
Daarentusschen beriepen de E. Curatoren der Academie van Leiden, op raad der Remonstranten, M. Simon Episcopius tot de Theologische Bediening, tegen dank en wil van den E. Joannes Polyander, die in de plaats van Fr. Gomarus tot die bediening beroepen was. Dit heeft niet weinig de droefheid en angst der Kerken vermeerderd, dewijl daar uit te zien was, dat zij voorhadden in die Academie de twisten te voeden, en de leer der Remonstranten te bevestigen.
Toen deze onheilen nu niet langer binnen de palen der Hollandsche Kerken besloten konden blijven, is deze besmetting ook ten laatste tot de naastgelegene Provinciën voortgekropen, voornamelijk tot de Kerken van Gelderland, het Sticht van Utrecht en Overijsel. In de Provincie Utrecht scheen, door nalatigheid der Predikanten, de kerkelijke orde vervallen te zijn, en onder schijn van deze weder op te richten, heeft Uitenbogaard, 24 Aug., eenige Remonstrantsche Predikanten, en onder dezelve Jacobus Taurinus, een oproerig en wreed mensch, in de Kerk ingevoerd, dewelken daarna zeer naarstig en vlijtig zijn geweest, dat niet alleenlijk in de stad, maar in de gansche Provincie, overal waar zij konden, de gezonde Predikanten verdreven, en, in hunne plaats Remonstranten gesteld zijnde, de leer der Remonstranten alleen openlijk plaats had gegrepen. En, opdat zij hunne zaak in die Provincie zouden bevestigen, hebben zij een nieuw formulier van kerkeordening beraamd, hetwelk eerst van de Synode, in dewelke Uitenbogaard, Predikant van den Haag, presideerde, daarna ook van de E. M. Heeren Staten derzelve Provincie geapprobeerd werd. In de artikelen 4, en 5, cap. 2, wordt de verdraagzaamheid van het gevoelen der Remonstranten, die zij in Holland zoo zeer dreven, publiek bevestigd; alwaar ook de leer der Gereformeerde Kerken van ter zijden en hatelijk geblameerd werd. Voorts vindt men zeer vele nieuwigheden aangaande de kerkelijke regeering in deze kerkeorde, zoodat daaruit te zien was, dat deze lieden anders niets voor hadden, dan alles, niet alleenlijk in de leer, maar ook in de orde en regeering der Kerk, te veranderen en te vernieuwen.
De Remonstranten hadden nu ook in Gelderland de Predikanten van Nijmegen, Bommel en Tiel aan hunne zijde gekregen, dewelke daarna ook anders geene in den dienst der naburige Kerken stelden, dan lieden van hun gevoelen. En, opdat zij dit te zekerder mochten doen, zoo zijn Uitenbogaard, Borrius en Taurinus gereisd in Gelderland, als de E. M. Heeren Staten aldaar vergaderd waren, en hebben met de andere Remonstranten dit te weeg gebracht, dat ook in die Provincie de ordinaire jaarlijksche Synodale bijeenkomsten belet zijn geworden. In Overijsel hebben desgelijks sommige Predikanten, voornamelijk in de Kerk van Kampen en Deventer, dewelke, door hulp en praktijken van sommigen, den Remonstranten waren bijgevallen, daarna aldaar de vreedzame Kerken met nieuwe krakeelen beroerd.
Als de Nederlandsche Kerken zagen, dat dit onheil zich aldus ook in de andere Provinciën voortplantte en verspreidde, en ten hoogste noodig achtten, dat men hetzelve behoorde tegen te gaan, zonder het geneesmiddel langer uit te stellen, hebben zij, met gemeene beraadslaging, uit elke Provincie twee gedeputeerden aan de H.M. H. Staten Generaal gezonden, uit Gelderland namelijk, Johannes Fontanus
XXVI VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
en Guilielmus Baudartius; uit Holland, Libertus Fraximus en Festus Hommius; uit Zeeland, Hermannus Faukelius en Guilielmus Telingius (de Utrechtsche Kerken weigerden de haren te zenden); uit Friesland, Gellius Acronius en Godefridus Sopingius; uit Overijsel, Johannes Gosmannus en Johannes Langius; eindelijk uit de stad Groningen en de Ommelanden, Cornelius Hillenius en Wolfgang Agricola. Dewelke te zamen met de gedeputeerden der Kerk van Amsterdam, die Synodaal was, Petrus Plancius en Joannes Hallius, dewelke; wijdloopig de zwarigheden en gevaren der Kerken uit naam zoo der Kerken zelven, als ook der E. M. H. Staten hunner Provinciën (welker brieven zij ook vertoonden), te kennen gegeven hebbende; ootmoediglijk de E. H. M. H. Staten verzochten, dat dezelven geliefden medelijden te hebben met den gansch bedroefden stand der Kerken, toch eenmaal ten laatste ernstiglijk te letten op het geneesmiddel dezer onheilen, en tot dien einde eene Nationale Synode (die al voor vele jaren beloofd was) metteneerste te beschrijven. Hoewel velen onder de Generale Staten oordeelden, dat deze samenroeping der Synode niet langer behoorde uitgesteld te worden, en zij daarop aanhielden, nochtans, dewijl de gecommitteerden van de Utrechtsche Provincie afwezig waren, en die van Holland en WestFriesland zeiden, dat zij tot deze zaak van hunne Principalen geen duidelijken last genoeg hadden, zoo is de zaak uitgesteld, totdat de Gecommitteerden van al de Provinciën met gemeene stemmen daarin zouden hebben bewilligd, hetwelk, door toedoen der Remonstrantschgezinden van Holland en Utrecht voorts belet is geweest.
Daarentusschen hebben de Remonstranten niet opgehouden naarstiglijk hun stuk te drijven, de gunst van de grooten te gewinnen, de harten van de Magistraten in te nemen, alle Synodale bijeenkomsten bij de Politieken verdacht te maken en te beletten, de vacante Kerken in te nemen, hun gevoelen door publieke predikatiën en schriften voort te planten, de gezonde leer met schrikkelijke lasteringen te schenden, het volk aan hunne zijde te trekken, en meer en meer van de leer der Gereformeerde Kerken te vervreemden. Tot dit einde strooiden zij, elk om best, boekskens onder het volk, in moederspraak beschreven, onder titelen van brandklokken, nader bericht, wegwijzer en andere, waarmede zij niet alleenlijk hunne leer voorstonden en Vorstius verschoonden, maar ook de aangenomene leer der Nederlandsche Kerken, met de alleronbeschaamdste lasteringen en ongerijmdste consequentiën uit dezelve kwalijk en trouwlooslijk getrokken, met bittere en onbeschaamde welsprekendheid zeer gruwzaam doorstreken. Hieruit zijn onder het volk bittere twisten en knibbelingen in alle plaatsen ontstaan, waardoor de nauwste vrienden en bekenden, tot groote kwetsing der liefde, tot verstoring der Kerk en de gemeene rust, en tot groote droefheid en ergenis der vromen, tegen elkander verbitterd en jammerlijk van elkander vervreemd en afgerukt werden. En, dewijl zij in vele plaatsen den Magistraat aan hunne zijde hadden, en door Johannes Uitenbogaard alles bij den Advocaat van Holland vermochten, zoo waren zij trotsch en schamper tegen hunne Kerken en Mededienaars. Daarentusschen beklaagden en beweenden alle vrome liefhebbers des Vaderlands en der Kerk erbarmelijk deze jammerlijke ellende der Kerken; en, dewijl zij genoegzaam zagen, waartoe deze beroerten eindelijk zouden komen, zoo men niet bijtijds daarin voorzag, dewijl het tot dusver door publieke autoriteit niet had kunnen gedaan worden, zoo hebben zij begonnen ernstiglijk te overwegen, of dit onheil niet op de eene of andere wijze, ware het niet ten eenen maal weggenomen, dan ten minste gestut zoude mogen worden.
Voornamelijk de Doorluchtige Graaf van Nassau, Willem Lodewijk, Gouverneur van Friesland, heeft, naar zijne uitnemende liefde tot de Kerken en de Republiek, in het bizonder Uitenbogaard aan de eene zijde en Festus Hommius aan de andere zijde vermaand, alzoo de staat zelf van de Republiek door deze kerkelijke twisten zwaarlijk beroerd werd, dat zij vriendelijk en broederlijk te zamen wilden bedenken, of er geen eerlijke middelen waren te vinden, om dezen droevigen twist te stillen, en tot eenheid te geraken. Festus verklaarde, indien de Remonstranten in geen andere artikelen dan in die vijf; van de praedestinatie en die aanklevende hoofdstukken; verschilden van de andere Predikanten, dat hij meende, dat er een weg zoude te vinden zijn, waardoor eenige vrede tusschen de partijen bevestigd zoude kunnen worden, totdat in de Nationale Synode het gansche geschil bijgelegd zoude mogen worden.
Maar; dewijl er gewichtige oorzaken waren, waarom de Kerken geloofden, dat vele Remonstranten in
XXVII VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
meest alle artikelen van meerder gewicht verschillende waren van de aangenomene leer der Nederlandsche Kerken, en men niet behoorde te dulden of te lijden, dat onder voorwendsel van deze vijf artikelen gansch grove dwalingen in dezelve ingevoerd zouden worden; dat er geene hoop scheen te wezen van met de Remonstranten vrede aan te gaan, ten ware zij oprechtelijk wilden verklaren, dat zij, uitgenomen deze vijf artikelen, in alle de andere hoofdstukken der leer met de Gereformeerde Nederlandsche Kerken eenerlei gevoelden. Uitenbogaard, hierop gevraagd, heeft geantwoord, dat hij, zooveel hem aanging, anders niets had als die vijf artikelen, waarin hij verschil had, en dat hij altijd bereid zoude zijn oprechtelijk zijn gevoelen over de andere punten te verklaren; ook niet twijfelde, of vele Remonstranten zouden hetzelfde ook doen; en dat hij niets zoo zeer wenschte, dan dat om die oorzaak tusschen eenige Predikanten, die gematigd van gemoed zijn, een samenspreking gehouden werd. En alzoo hij dezelfde verklaring te Leiden in het bizonder tegen Festus vernieuwd had, zijn zij des eens geworden, dat zij beiden elk bij de hunnen te weeg zouden brengen, dat drie Predikanten van weerszijden afgevaardigd mochten worden, die minnelijk bij elkander zouden komen, om met ernst samen te bedenken een bekwamen weg des vredes, die daarna den Kerken medegedeeld en van haar voor goed erkend mocht worden. De E. M. H. Staten van Holland, verstaande, dat in 't bizonder hiervan beraadslaagd werd, hebben dit hun voornemen geprezen, en uit publieken naam belast, dat met den eerste deze conferentie aangesteld zoude worden.
Hierover zijn zij kort daarna, 27 Febr., bijeen gekomen in de stad Delft; van de zijde der Remonstranten, Johannes Uitenbogaard, Adrianus Borrius, en Nicolaus Grevinchovius; van de zijde der andere Predikanten, Johannes Becius, Johannes Bogardus, en Festus Hommius. Nadat de E. M. Heeren Staten hen vermaand hadden door hunne Gedeputeerden, dat zij; aan zijde gesteld hebbende allen heimelijken haat en verkeerde hartstochten; al de krachten huns verstands wilden inspannen, opdat onder hen eenige bekwame weg van vrede gevonden mocht worden; en meteen verklaard hadden, hoe aangenaam dit Gode, den Kerken en allen vromen, ook voornamelijk den E. M. Heeren Staten zoude wezen; en nadat ook alle de bizondere Predikanten betuigd hadden, dat zij daar gekomen waren met een vredezoekend gemoed, en alles, wat in hun vermogen was, bij brengen wilden, om vrede te maken; zoo is tusschen hen eene minnelijke conferentie gehouden. In deze verklaarden de Remonstranten, dat zij anders geen weg tot vrede konden aanwijzen, dan de onderlinge verdraagzaamheid (zoo zij ze noemden), te weten, dat aan elke partij zijn gevoelen van die vijf artikelen vrijelijk toegelaten werd openlijk in de Kerken te leeren; en zij verzochten van de andere Predikanten, dat zij verklaren wilden, of zij hun gevoelen, in de Vijf Artikelen uitgedrukt, op die wijze lijdelijk en verdraaglijk achtten te zijn. Indien zij het voor onlijdelijk hielden, dat het niet van noode was, wijders van den weg tot vrede iets te beraadslagen. Want naar hun oordeel bleef alsdan geen middel van vrede over. De andere Predikanten oordeelden, dat hun dacht dit de zekerste en bekwaamste weg tot den vrede te zijn, aangezien zij aan weerszijden Predikanten der Gereformeerde Nederlandsche Kerken waren, en daarvoor gehouden wilden zijn, dat elke partij hare zaak aan het wettelijk oordeel der Nederlansche Kerken zoude onderwerpen, en tot dien einde ernstiglijk en oprechtelijk zouden arbeiden, dat de Nationale Synode der Gereformeerde Kerken in Nederland, met den eerste, ook, zoo het mogelijk ware, den naastaanstaanden zomer, door autoriteit der H. M. Heeren Staten Generaal, beschreven zoude worden; in dewelke, de gansche zaak wettelijk onderzocht en overwogen zijnde, óf bepaald zoude worden, welker gevoelen van beiden, als met Gods Woord overeenkomende, voortaan in de Kerken behoorde geleerd te worden, óf zoodanige weg van verdraagzaamheid, met gemeene adviezen aller Kerken, ingegaan mocht worden, gelijk naar Gods Woord ingegaan behoort te worden. Dat zij bereid waren, zich aan het oordeel dezer Synode te onderwerpen; dat, indien de Remonstranten hetzelfde wilden doen, alzoo de vrede gemaakt zoude wezen. Maar dat verdraagzaamheid, die met voorwaarden bepaald zoude zijn, hoedanige zij tot nog toe hadden gebruikt, en hoedanige zij schenen nog te begeeren, niet tot vrede en stichting der Kerken konde dienen.
Doch indien zij nochtans dezelve wilden laten bepalen met eerlijke voorwaarden, dat zij op dezelve voorwaarden bereid waren met hen te confereeren, zoo zij eerst door eene ronde en oprechte verklaring der Kerken wilden verzekeren, dat zij, behalve die vijf artikelen, in geen ander hoofdstuk
XXVIIIVOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
der leer, anders dan deze Gereformeerde Kerken zouden gevoelen. Dewijl nu voor twee jaren, 3 Dec. 1611, de E. M. Heeren Staten, zes hoofdstukken der leer met namen hadden uitgedrukt, van welke zij verboden anders te leeren, dan tot nog toe in de Nederlandsche Kerken geleerd was geweest; namelijk van de volkomene voldoening onzes Heeren Jezus Christus voor onze zonden; van de rechtvaardigmaking des menschen voor God; van het zaligmakendende geloof; van de erfzonde; van de zekerheid der zaligheid, en van de volmaaktheid des menschen in dit leven;zoo verzochten zij vooral, dat zij verklaren wilden, dat zij het gevoelen van deze artikelen, in de Belijdenis en den Catechismus dezer Kerken uitgedrukt, dewelke zij in zekere artikelen uit dezelve schriften vervat hadden, toestonden; en het tegenovergestelde gevoelen in zekere tegenartikelen uit de schriften van Arminius, Bertius, Vorstius, Venator, en anderen voorgesteld, verwierpen. Hiertegen hebben de Remonstranten gezegd, dat zij niet konden zien, hoe deze verschillen door eene Nationale Synode konden beslecht worden, en dat zij derhalve in deze gelegenheid der zaken de uitschrijving derzelve niet konden toestaan, noch verzoeken. Dat deze zaak met Synodale besluiten niet konde geholpen worden, en dat zij niet meenden, dat de Provincie van Holland, in het stuk van den Godsdienst, zich immermeer onderwerpen zoude aan de besluiten van andere Provinciën. Wat aanging de verklaring, die geeischt werd, dat zij met de andere Remonstranten daarover zouden te raden gaan. En als zij hun gevoelen aan weerszijden in het kort bij geschrift vervat hadden, zijn zij alzoo onverrichter zaken gescheiden. De E. M. Heeren Staten hebben daarna Uitenbogaard en Festus tot zich ontboden, om uit hen te weten, wat hope van vrede en vereeniging er was. Festus heeft oprechtelijk verhaald, wat er gepasseerd was, en verklaard, dat er hope was, mits de Remonstranten hun gevoelen van de overgeleverde artikelen rondelijk wilden verklaren. Uitenbogaard had, door een hoofsche listigheid, zorg gedragen, dat hij alleen in de afwezigheid van Festus gehoord zoude worden, opdat hij des te vrijer, hetgeen hij meende tot zijn voornemen te dienen, voorstellen mocht. En, nadat hij wijdloopig de handelingen van de andere Predikanten had gelaakt, als die met den eisch van verklaring (die hij nochtans voor de Conferentie beloofd had) eene nieuwe en gansch onverdragelijke inquisitie zochten in te voeren, heeft hij daarmede teweeg gebracht, dat hun verboden is geweest, de voorzegde verklaring wijders van de Remonstranten af te vorderen. Daarenboven, dat meteen hun belast zoude worden, dat zij hun advies van den besten weg des vredes, en van de voorwaarden, waarmede zij meenden, dat de Tolerantie of verdraagzaamheid moest bepaald worden, wijdloopiger bij geschrift zouden verklaren. Dit van hen gedaan zijnde, en meteen aangewezen, dat de voorgestelde artikelen, op welke de verklaring begeerd was geweest, met even zoo vele woorden in de Belijdenis en den Catechismus der Nederlandsche Kerken stond; en dat de tegenartikelen bij velen, met welke de Remonstranten groote gemeenschap hadden in deze landen, in publieke schriften te vinden waren; nadat dit hun schrift openlijk voorgelezen was geweest, zoo hebben zij door den Advocaat te weeg gebracht, dat scherpelijk verboden werd, dat het geen mensch, gedrukt of met de hand geschreven, zoude medegedeeld worden. En dewijl zij zagen, dat de gedeputeerden der Kerken of Synoden, denwelken de gemeene zorg voor de Kerken bevolen wordt, door hun pogen (gelijk hun ambt zulks medebracht) zeer in den weg waren, zoo hebben zij ook te weeg gebracht, gelijk te voren alle jaarlijksche Synoden belet waren geweest, dat ook hun verboden is geworden, dat voortaan iemand den naam van gedeputeerde der Kerken of der Synode zoude gebruiken, of zulk een ambt bedienen; opdat aldus alle zorg over de welvaart en den vrede der Kerken weggenomen zijnde, zij des te vrijer over dezelve zouden woeden. Door deze wijze van doen hebben de Remonstranten zich bij de Kerken meer en meer verdacht gemaakt, dewijl alle verstandigen oordeelden, dat, indien zij in deze artikelen van de Kerken niet verschilden, zij geen reden zouden hebben, om deze verklaring te ontwijken, aangezien het inzonderheid tot bevordering van den vrede der Kerken en tot voordeel van hun naam en faam zoude gedijd hebben.
Om nu deze verdraagzaamheid, die zij altijd zoo zeer dreven, als door middel van welke zij allengskens hoopten hunne leer in de Kerken te zullen kunnen invoeren, te lichter door publieke autoriteit te verwerven, hebben zij deze behendigheid gebruikt.
XXIX VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
Een zeker geschrift, waarin de ware staat des verschils niet oprechtelijk gesteld is, is in Engeland door den Avocaat Hugo Grotius aan den Ambassadeur van de H. M. Heeren StatenGeneraal gezonden, met het ontwerp van een brief, hem biddende, dat hij van den Koning van GrootBrittanje, Jacobus I, verzoeken wilde, alzoo deze zaak op geene andere wijze dan door verdraagzaamheid konde bijgelegd worden, dat het zijne Koninklijke Majesteit believen wilde, naar het ontwerp van den bijgevoegden brief te schrijven aan de H. M. Heeren StatenGeneraal, hetwelk heimelijk op bedekte wijze is verkregen, en zulk een brief is aan de H. M. Heeren StatenGeneraal overgezonden, 6 Mei, ouden stijl. Hierover bedreven de Remonstranten wondergroote vreugde, en, hopende, dat zij nu tot hun voornemen zouden kunnen geraken, arbeidden zij door den Advocaat, dat zeker formulier van verdraagzaamheid (namelijk hetzelfde, dat in het 4e en 5e Art. cap. 11 der Kerkeordening van Utrecht staat) door publieke autoriteit der Heeren Staten bevestigd, en den Kerken opgelegd zoude worden. Hoewel de gemoederen van velen in de vergadering der Heeren Staten daartoe geneigd waren, zoo zijn nochtans de verstandigsten dapper daar tegen geweest, achtende onbillijk te zijn, den Kerken eene verdraagzaamheid op te dringen, in artikelen des geloofs, die nooit in eene wettelijke kerkelijke vergadering behoorlijk onderzocht waren geweest, en die eene openbare verandering in de leer met zich brachten; en dat ook de vrede der Kerken daarmede niet konde verkregen worden, dewijl te vreezen stond, indien daar toegelaten zoude worden, dat men meeningen, zoo verre van elkander verschillende, uit een en den zelfden predikstoel voor eenerlei vergadering zoude mogen voordragen, dat de vrede der Kerken meer en meer verstoord zoude worden, gelijk de ervaring tot nog toe geleerd had. Evenwel gingen de Remonstranten voort met deze hunne verdraagzaamheid alleszins te drijven, en dezelve publiekelijk en heimelijk door schriften en predikatiën aan te bevelen, met deze reden voornamelijk, dat zij zeiden, dat de artikelen, die in verschil stonden, van zoo klein gewicht waren, dat zij het fondament der zaligheid niet raakten, en dat men bij zoodanige artikelen behoorde verdraagzaamheid te gebruiken. En zij hebben alzoo ten laatste te weeg gebracht, 25 Juli 1614, dat de resolutie van deze verdraagzaamheid, tegen dank en tegenstreven van sommigen uit de voornaamste en machtigste Steden van Holland en WestFriesland, gedrukt is geworden, bekleed met sommige spreuken der Schriftuur en der oudvaderen, onder welke zij ook ingebracht hadden Faustus Regins, die het hoofd was geweest der SemiPelagianen.
Als Jacobus Trigland, Predikant te Amsterdam, door een publiek schrift hierop geantwoord had, zoo heeft ook Uitenbogaerd wijdloopig de verdediging van deze resolutie bij de hand genomen, waarin hij zoo de leer der Gereformeerde Kerken, als ook de voornaamste lichten derzelve, Calvijn, Beza, Zanchius, en anderen, schandelijk lastert en schendt. Tegen dit geschrift heeft Trigland, tot verdediging van de eer, zoowel der leer als der leeraren der Gereformeerde Kerken, een nauwkeurige beantwoording gesteld. En als zij zagen, dat dit schrift, hetwelk zij den naam gaven van resolutie der standen, zulk een autoriteit niet had, dat zij daardoor zouden kunnen verkrijgen hetgeen zij gemeend hadden, zoo hebben zij het op eene andere wijze willen beproeven, en hebben tot dien einde, met een zeker ander formulier van verdraagzaamheid, gesteld in bedriegelijke manieren van spreken, door sommigen, die heimelijk hunne partij en meeningen toegedaan waren, maar voor geen Remonstranten gehouden werden, overal in Holland de Predikanten, zoo heimelijk als in hunne bijeenkomsten, tot onderteekening van hetzelve genoodigd, Sept. en Octob. 1605.
Doch, als het ook aldus naar hunnen zin niet gelukte, hebben zij geoordeeld, dat men diegenen, die men niet konde bepraten, door autoriteit van de Regenten moest dwingen, en dat men ten laatste eens moest doorbreken, en deze zaak ten einde brengen.
Tot dit einde hebben zij ook verkregen, dat uit naam der E. M. H. Staten, deze resolutie van de onderlinge verdraagzaamheid, in het voorleden jaar uitgegeven, aan elke Classis gezonden, en met een den predikanten belast is geworden, dat zij dezelve zouder tegenspreken zouden onderteekenen;en, opdat zij te lichter tot de diensten der Kerken mochten bevorderen diegenen, die hunne partij toegedaan waren, en al de anderen uitsluiten, zoo brachten zij verder nog te weeg, dat nog eene andere resolutie daarbij gevoegd werd, waarmede toegelaten was, dat men, in de beroeping der Predikanten en Ouderlingen, de orde zou mogen gebruiken, die in het jaar 1591 beraamd, maar niet geapprobeerd
XXX VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
was; volgens welker regel deze verkiezing geschieden zoude: vier, die uit den Magistraat, en vier anderen, die uit den Kerkeraad gedeputeerd zouden worden. Deze resolutiën aan de Classen gezonden zijnde, hebben vele derzelve hunne gedeputeerden gezonden aan de E. M. Heeren Staten, om de bezwaarnissen of gravimina, die zij daarin hadden, bij geschrift gesteld, openlijk te verklaren, en de invoering derzelve af te bidden. Als zij tot dien einde in den Haag gekomen, en nu uit de Gecommitteerden van sommige der voornaamste steden verstaan hadden, dat die resolutiën, hoewel ze nu overgezonden waren geweest, nochtans Staatsgewijze, door volle en plechtige approbatie van al de Staten nog niet waren bevestigd, en derhalve de kracht van eene wet nog niet konden hebben, vonden zij, geraden van hun voorgenomen verzoek op te houden, totdat zij verder geperst zouden worden. Deze laatste resolutie heeft wederom in vele plaatsen gelegenheid gegeven van nieuwe twisten en beroerten, voornamelijk in de Kerken van Haarlem. Want als eenigen van den Magistraat naar dezen nieuwen vorm de Dienaren wilden beroepen hebben, en de Kerk dien niet goedkeurde, zoo is het geschied, dat zij aan de Gemeente aldaar geweigerd hebben, met de Predikanten, op de voorzeide wijze beroepen, kerkelijke gemeenschap te houden, en dezelve voor wettelijke Predikanten te erkennen. Door dezelve besluiten is het ook geschied, dat sommige Classen in Holland, die met de Remonstranten, om des vredeswil, eenheid in de regeering der Kerken ,,tot nog toe onderhouden hadden, nu verdeeld werden; omdat vele Predikanten dezen niet konden toestaan, en de Remonstranten nochtans begeerden, dat de Kerken naar hun regel en wet geregeerd zouden worden. En, opdat zij datzelve van hunne Mededienaars door autoriteit mochten afdringen, hebben zij in de Classikale bijeenkomsten eenige Politieken, f van den Gereformeerden Godsdienst vervreemd, óf hunne partij toegedaan, ingevoerd, en zochten alzoo eene heerschappij in de Kerken te voeren. Want de rechtgevoelende Predikanten, moede en verdrietig zijnde van deze twisten, die om deze oorzaken dagelijks met de Remonstranten rezen, oordeelden beter te zijn, zonder henlieden, bizonder bijeen te komen, en hunne Kerken in vrede te verzorgen, dan door hunne gedurige twistingen gekweld te worden.
Uitenbogaard ondertusschen bracht te weeg, dat, door autoriteit van eenige Grooten, zijnen Mededienaren belast werd, deze resolutien mede te gehoorzamen. Als zijn Mededienaar Henricus Roseus zeide, dit niet met een goed geweten te kunnen beloven, is deze, door hunne autoriteit en door Uitenbogaards verkeerd aanstuwen, van het Predikambt geschorscht geweest. Daarom hebben de lidmaten der Haagsche Kerk, die de zuiverheid der Gereformeerde leer liefhadden, eerst in het dorp Rijswijk, daarna, Predikanten bij leening uit andere Kerken gekregen hebbende, in den Haag in eene Kerk afzonderlijk de oefening van den Godsdienst voortgezet, bij welke naderhand de voornaamsten uit de Staten, uit de Raadsheeren van beide de Hoven van Justitie en andere Collegiën, en de Doorl. Prins van Oranje zelf en Graaf Willem Lodewijk van Nassau, de vergadering der Remonstranten verlatende, zijn gekomen, om hunne eenstemmigheid in de gezonde leer, en genegenheid tot dezelve te betuigen. Deze afzondering hebben de Remonstranten zeer hatelijk met den titel van scheuring beklad en zochten ze op alle manieren te beletten of te wreken; midderwijl arbeidende, dat deze Resolutiën overal, waar zij wisten, dat de Magistraat hun gunstig was, in het werk gesteld werden. Als uit oorzaak hiervan vele vromen, in hunne goederen, met gevangenissen en ballingschappen gestraft, tot de opperste vierschaar van Justitie zich beriepen, en hulp tegen geweld verzochten, en nu de E. Raadsheeren des Hoogen Raads bedrukten zochten te hulp te komen, hebben zij door den Advocaat verkregen, dat denzelven Hoogen Raad zulks is verboden geworden, en de Hooge Justitie de hand gesloten.
Maar, als vele en voorname Steden van Holland, en onder dezelve voornamelijk de machtigste stad Amsterdam, zich tegen de uitvoering dezer Resolutiën stelden, 18 Maart 1616, zoo is het gebeurd, 24 April, dat Hugo Grotius met nog eenigen gezonden werd naar Amsterdam, om den E. Magistraat van die stad door zijne welsprekendheid het aannemen van dezelve Resolutiën aan te raden.
Als hij met eene wijdloopige rede gezocht had dit te doen, is door den E. Magistraat geantwoord geworden, dat zij geenszins konden goed vinden, dat men, voorbijgaande de wettelijke Synodale bijeenkomsten, in de vergadering der Staten van kerkelijke zaken zoude beraadslagen, besluiten maken en de besluiten te werk stellen; dat hun voornemen was den waren Christelijken Godsdienst,
XXXI VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
welks oefening bij de vijftig jaren in deze landen gebloeid had, voor te staan'; en zij oordeelden at de allerminste verandering van dezelve de Republiek schadelijk zoude zijn, ten ware dezelve eerst bij tijds door eene wettige Synode onderzocht ware geweest; en derhalve niet hadden kunnen toestaan verscheidene propositiën en handelingen, sedert het jaar 616 geschied, noch ook mede deze laatste propositie. En begeerden niet, dat onder den naam van de stad Amsterdam (dewijl zij een niet van de minste leden was van de vergadering der Staten) eenige besluiten gemaakt, veel minder in het werk gesteld, of iets tegen degenen, die belijdenis doen van den Gereformeerden Godsdienst besloten zou worden, tenzij de verschillen en veranderingen in den Godsdienst en kerkelijke zaken, onder de autoriteit der Heeren Staten, in wettelijke Synoden voorhenen onderzocht en verhandeld zouden geweest zijn; ja, ook niet begeerden, dat de Predikanten, die het gevoelen van den Gereformeerden Godsdienst, door de Contraremonstranten verdedigd, toegedaan waren, ondertusschen van hunne diensten f geschorst, óf afgezet zouden worden, omdat zij zouden verklaren, met de Remonstranten met een goed geweten geene kerkelijke eenheid te kunnen onderhouden; noch dat aan de Kerken, die datzelve gevoelen volgen, onder deksel van scheuring, of omdat zij zwarigheid in hun geweten maken, om de predikatien der Remonstranten te hooren, nu de oefening van den Godsdienst belet zoude worden. En dat zij alle deze dingen alzoo goedvinden, totdat, door autoriteit der E. M. Heeren Staten, eene wettelijke Synode uitgeschreven worde, alwaar de verschillen en nieuwigheden behoorlijk onderzocht en verhandeld zouden mogen worden. Alzoo is de arbeid en het pogen der Remonstranten, en dergenen, die hun gunstig waren, te vergeefs geweest, voornamelijk, dewijl dit advies des E. Magistraats van Amsterdam, door de E. E. Magistraten der Steden Dordrecht, Enkhuizen, Edam en Purmerend, openlijk goedgekeurd werd.
Omtrent dezen tijd hebben de Predikanten der Kerk van Kampen in Overijsel, die het gevoelen der Remonstranten hadden aangenomen, hunnen Mededienaar Wilhelmus Stephani, Doctor der heilige Theologie, een zeer geleerd en bij de waarheid vastblijvend persoon, omdat hij hun voornemen tegenstond, door hulp van den Magistraat uit den dienst geworpen, en door gedrukte boekskens, en publieke predikatiën, vol lasteringen, den Gereformeerden Godsdienst gezocht bij het volk gehaat te maken.
Uit oorzaak van deze veranderingen en de daarop gevolgde verstoringen van den staat der Kerken, hebben de Remonstranten, ziende, dat zij meer en meer gehaat werden, den E. M. Heeren Staten eene tweede Remonstrantie gepresenteerd, in Maart 1617. Daarin zoeken zij, met ongeloofelijke onbeschaamdheid, de blaam van nieuwigheden ingevoerd te hebben, van zich te schuiven, en diezelve den Predikanten, die in de aangenomene leer dezer Kerken standvastig waren gebleven, ten laste te leggen. Hiertegen hebben de andere Predikanten eene wijdloopige en bondige beantwoording gesteld, die zij ook denzelven Edel Mogenden Heeren Staten hebben overgeleverd.
Dewijl nu deze langdurige verschillen, niet alleenlijk in de Kerken, maar ook in de Republiek zelve zulk eene groote menigte van onheilen, zwarigheden, beroerten en verwarringen nu ingebracht hadden, dat allen, die de welvaart der Vereenigde Provinciën en der Gereformeerde Kerken in dezelve lief hadden of behartigden, wel verstonden, dat het geneesmiddel dezer ellendigheden zonder merkelijk gevaar, beide van den Staat en van de Kerken, niet langer mocht uitgesteld worden; maar de Edel Mogende Heeren Staten tot dusver in de manier, hoe dezelve te verhelpen waren, niet hadden kunnen overeenstemmen; zoo heeft het zijne Koninklijke Majesteit van GrootBrittanje, Jakobus I, naar zijne zonderlinge en oprechte toegenegenheid tot deze Landen en Kerken, goed gedacht, de Edel Hoog Mogende Heeren StatenGeneraal te vermanen, niet te willen toelaten, dat deze kanker het lichaam der Republiek langer zoude opeten, maar terstond die onzalige twisten, verdeeldheden, scheuringen en partijschappen, die den Staat meteen openbaar gevaar dreigden, tegenstaan.
Hij heeft ook meteen dezelven zeer ernstiglijk gebeden, dat zij de ware en oude Gereformeerde leer; die zij altijd beleden hadden, en die met gemeene toestemming aller Gereformeerde Kerken bevestigd was, en altijd het voornaamste fondament en band was geweest van die zeer nauwe vriendschap en verbintenis, die tusschen zijne Koninkrijken en deze Provinciën zoo langen tijd vast was gebleven; in hare vorige zuiverheid zouden herstellen, en de dwalingen uitroeien, hetwelk hij meende, dat allergevoeglijkst door eene Nationale Synode zoude kunnen geschieden, aangezien dit het gewone,
XXXII VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
wettige en krachtigste geneesmiddel is, dat van ouds bij de'Christenen in zoodanige zwarigheden gebruikt was geweest. Ook zelfs de Doorluchtige Prins van Oranje, Maurits, Stadhouder van het Vereenigde Nederland, hield niet, op gelijk menigmaal te voren, alzoo ook nog dagelijks, zoowel de Hoog Mogende Heeren StatenGeneraal, als ook de Edel Mogende Heeren Staten van Holland en WestFriesland, gansch ernstiglijk en deftiglijk te vermanen, dat, zoo lief als hun was de behoudenis der Republiek en der Kerk, zij ook zoo naarstiglijk wilden arbeiden, dat deze zeer zware onheilen terstond geholpen mochten worden. Tot dit einde beval hij ook bovenal aan de samenroeping eener Nationale Synode, als een gewoon en allerzekerst geneesmiddel en hield daarop aan, 10 Mei. Ook hebben de Edel Mogende Heeren Staten van Zeeland, door de E. E. Heeren Maldere, Brouwer, Pottej en Bonifacius de Jonge, de Edel Mog. Heeren Staten van Holland en WestFriesland in hunne vergadering plechtiglijk vermaand en gebeden, 19 Mei; dewijl de twisten en oneenigheden tot zeer groot gevaar der Republiek dagelijks grooter werden, en vele geneesmiddelen tot nog toe te vergeefs beproefd waren geweest;dat zij toestemming wilden geven tot de samenroeping van eene Nationale Synode, als een gewoon geneesmiddel voor zoodanige onheilen, van den Heiligen Geest voorgesteld, en door de Christenen altijd gebruikt. Hetzelfde hebben ook de Edel Mogende Heeren Staten van Gelderland, Friesland, Groningen en Ommelanden, vriendelijk door hunne Gedeputeerden gebeden. Maar, als de Remonstranten zagen, dat van de naburige Koningen, Prinsen, Republieken en Bondgenooten, ja, ook van de voornaamste en machtigste Steden van Holland en WestFriesland, zoo heftiglijk de beschrijving van eene Nationale Synode aanbevolen werd, en als zij vreesden, dat de Staten van Holland en WestFriesland; van welke velen van zelf daartoe overhingen, en deze zaak vlijtiglijk bevorderden; ten laatste tot deze toestemming zouden mogen bewogen worden, en dat zij alzoo voor de kerkelijke vierschaar eenmaal rekenschap zouden moeten geven van hunne leer en handelingen, hebben zij, om datzelve te ontwijken, eerst een nieuw middel om de verschillen te effenen voorgesteld; namelijk, dat door de Edel Mogende Heeren Staten van Holland en WestFriesland eenige mannen, zoo politieke als kerkelijke, tot een zeker en gelijk getal verkoren zouden worden, die met elkander beraadslagen en eenige middelen van vrede en eenheid ontwerpen zouden, dewelke door dezelve Heeren Staten goedgekeurd, en daarna den Kerken zouden geboden worden te volgen. Maar, als dit niet gelukte (alzoo de verstandigen wel merkten, uit welke en hoedanige personen deze vergadering zoude aangesteld worden, en wat daarvan te verwachten zoude zijn, bovendien, dat zulks in de Kerken ongewoon en niet bekwaam was, om kerkelijke verschillen, die de leer aangaan, weg te nemen), zoo hebben zij geacht, dat zij liever het uiterste moesten wagen, dan tot deze noodwendigheid gedreven worden, en derhalve is men gekomen tot wanhopige raadslagen.
Want sommige Regenten lieten zich voorstaan, dat de samenroeping der Nationale Synode, van welke toenmaals gesproken werd, was tegen de hoogheid en vrijheid der Provinciën; alzoo elke Provincie volstrekte macht had in het stuk van den Godsdienst te bevelen, alzoo het haar zoude goeddunken. Dat het onbetamelijk en onbillijk was, deze zijne vrijheid te onderwerpen aan het oordeel van de andere Provinciën. Dat men dit recht van hoogheid in alle manieren, ja, alware het met wapenen, behoorde voor te staan. Door deze en diergelijke redenen zijn de gemoederen van de onvoorzichtigsten zoo opgehitst geweest, dat de Regenten van sommige Steden, samenrottende, besloten hebben, Waardgelders aan te nemen, die noch den H. M. StatenGeneraal, noch zijne Exc. den Prins van Oranje, KrijgsoversteGeneraal, maar alleenlijk hunlieden door eede verplicht zouden zijn, om deze zaak der Remonstranten, en hunne autoriteit, die zij om dezelve in gevaar hadden gesteld, te beschermen. Dit is geschied te Utrecht, in welke stad de H. M. Heeren StatenGeneraal een garnizoen hadden, sterk genoeg tegen allen oploop en muiterijen, te Haarlem, te Leiden, alsook te Gouda, Schoonhoven, te Hoorn en in meer andere plaatsen; waartoe de Remonstranten de Magistraten der steden aanstuwden, gelijk uit verscheidene brieven van hen, die daarna achterhaald zijn, klaarlijk bewezen kan worden.
En alzoo zouden de oneenigheden der Remonstranten deze zeer bloeiende Provinciën in gevaar gebracht hebben van een inlandschen en burgeroorlog, ten ware de H. M. Heeren StatenGeneraal, door
XXXIII VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
hunne zonderlinge voorzichtigheid, en zijne Excellentie, de Prins van Oranje, door zijne nimmer genoeg geprezene waakzaamheid en kloekmoedigheid, bij tijds deze dolle razernij bedwongen en gedempt hadden. De H. M. H. StatenGeneraal, ziende, dat aldus de Provincien en de Kerken in het hoogste gevaar waren gebracht, hebben goed gevonden, dat de Nationale Synode niet langer uitgesteld, maar ten allereerste bevorderd zoude worden, te meer, dewijl de Doorluchtige Heer Dudlejus Carleton, Ambassadeur der Koninklijke Majesteit van GrootBrittanje, hunne H. M., met eene zeer voortreffelijke en voorzichtige rede, ernstiglijk had opgewekt, 6 Oct.; welke rede de Remonstranten niet hebben ontzien daarna met een gansch onbeschaamd en lasterlijk boeksken, onder den titel van Weegschaal, publiekelijk te bekladden en te hekelen, niemand, van wat stand hij ware, zelfs de H. M. StatenGeneraal, den Prins van Oranje, ja ook de Koninlijke Majest. van GrootBrittanje, met hunne lasterlijke tong verschoonende. Dit boeksken hebben de H. M. Heeren StatenGeneraal bij openbaar plakkaat, als eerroovend en oproerig verwezen; stellende eene vrijgevige vereering voor dengenen, die den auteur wist aan te wijzen. Ditzelfde boeksken heeft naderhand Johannes Casimirus Junius, zoon van den zeer vermaarden Franciscus Junius, geenszins ontaard, wijdloopig wederlegd. De samenroeping dan der Nationale Synode hebben ten langen leste, 11 Dec., de H. M. H. StatenGeneraal sloten, om gehouden te worden, in den naam des Heeren, den eersten van Mei des volgenden jaars; en hebben meteen sommige wetten gesteld, naar dewelke zij de beschrijving gedaan, en de Nationale Synode zelve gehouden wilden hebben. En dewijl de Remonstranten niet veel werk schenen te maken van het oordeel der Nederlandsche Kerken, en den volke altijd hadden wijs gemaakt, dat zij niets anders gevoelden dan de Gereformeerde Kerken, zoo is ook bij hunne H. M. goedgevonden, uit alle Gereformeerde Kerken der naburige Landen, Vorstendommen en Republieken, eenige Theologanten, in Godzaligheid, geleerdheid en wijsheid uitnemend, tot dezen Synode te noodigen, opdat zij met hunne oordeelen en raad de gedeputeerden der Nederlandsche Kerken zouden bijstaan, en alzoo deze verschillen, gelijk als met een gemeen oordeel aller Gereformeerde Kerken, onderzocht en geoordeeld zijnde, des te zekerder, voorspoediger, gewisser en met des te meerder vreugd bijgelegd mochten worden.
Deze Resolutie genomen zijnde, 1618, hebben de Remonstranten wonderbaarlijk getierd, en hebben door verscheidene andere voorslagen en concepten bij diegenen, die hunne zaak toegedaan waren, gezocht dezelve om te stooten en onnut te maken. Zij hebben overzulks in Holland door degenen, die hun gunstig waren, eene Provinciale Synode, van welke zij weinig te voren zoo grooten afkeer hadden, verzocht. En alzoo er gesproken werd, van uitlandsche Theologen op te roepen tot de Nationale Synode, zoo meenden zij, dat ook tot deze Provinciale Synode uitlandsche Theologen, indien men het goed vond, zouden mogen opgeroepen worden. Maar daarop is geantwoord, dat wel eertijds de Hollandsche Kerken eene Provinciale Synode verzocht hadden, als er geene hoop scheen over te blijven van eene Nationale te verwerven, en als de verschillen alleenlijk binnen de palen van de Hollandsche Kerken besloten waren; maar, dewijl nu de samenroeping van eene Nationale Synode besloten, en het kwaad uitgespreid was door alle de Provinciën, alzoo dat het door de Synode van ééne Provincie niet konde weggenomen worden, dat het dan ten eenen maal buiten reden was, op dezen tijd aan eene Provinciale Synode, tot bijlegging dezer verschillen, te denken. Dat, gelijk in elke bizondere Provincie, particuliere Synoden aan de Nationale moeten voor gaan, desgelijks ook thans in Holland, zoowel Zuid als NoordHolland, de particuliere Synoden zouden voorgaan. De Remonstranten hielden nochtans dapper aan door hunne voorstanders, en drongen aan op zoodanige Synode; óf omdat zij gemeend hebben, dat voor de Provinciale Synode hunne zaak minder hinderlijk zoude wezen, alzoo zij in Holland velen onder de Regenten en Predikanten hadden, die hen toegedaan waren, f omdat zij door dusdanige uitvluchten de samenroeping van de Nationale Synode ten eenen maal zouden beletten. Doch, als zij zagen, dat dit hun verzoek te zeer onbillijk was, dan dat zij hetzelve lichtelijk iemand zouden kunnen wijs maken, zoo hebben zij hun toevlucht genomen tot een nieuwen voorslag, en hebben begeerd, dat deze zaak tot eene Oecumenica Synodus, dat is, tot eene algemeene en generale Synode van alle Kerken, gebracht zoude worden.
Hun werd geantwoord, dat het gansch onzeker was, of en wanneer eene Oecumenica Synodus zoude
XXXIVVOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
kunnen bijeen geroepen worden. En dat onze ziekten een dadelijk geneesmiddel van noode hadden; dat deze Nationale, die door de E. M. H. StatenGeneraal beschreven zoude worden, als eene Generale zoude wezen, dewijl meest uit alle Gereformeerde Kerken derzelver gedeputeerden in dezelve tegenwoordig zouden wezen. Indien zij door het oordeel van zulk eene Synode meenden bezwaard te zijn, dat het hun altijd geoorloofd en toegelaten zoude worden, van deze Nationale zich te beroepen op de Oecumenica, mits zij ondertusschen het oordeel der Nationale Synode gehoorzaam wilden zijn. Zij hebben met deze uitvluchten en tegenstribbelen zooveel teweeggebracht, dat de brieven van samenroeping eenigen tijd zijn opgehouden geworden, en dat de tot de bijeenkomst gezette dag uitgesteld en veranderd heeft moeten worden.
Daarentusschen heeft de heer Dudlejus Carleton, in de vergadering der E. M. H. StatenGeneraal, openlijk geklaagd, dat de eer van de Koninklijke Majest. van GrootBrittanje, 'zijn Meester, in het eerroovende boeksken, genoemd de Weegschaal, hetwelk de Remonstranten, ook na het plakkaat van hunne H. M., mede in de Fransche spraak hadden doen overzetten en herdrukken, zeer schandelijk en onbeschaamdelijk gehekeld werd; en, na eene korte en bondige wederlegging van vele tegenwerpingen der Remonstranten, heeft zijn E. de H. M. H. Staten te kennen gegeven, wat wijze en manier zijne Koninklijke Majest. van GrootBrittanje placht te gebruiken, in het beslechten van de verschillen, aangaande den Godsdienst of leer. Alzoo deze met de resolutie der E. M. H. StatenGeneraal overeen kwam, zoo heeft ze hunne H. M. meer en meer in dit heilig voornemen versterkt. De E. Magistraat ook der Stad van Amsterdam, voorhenen, met de Predikanten van die Kerk, en met anderen tot dit einde bijeen geroepen, geadviseerd hebbende, heeft vele en zeer gewichtige redenen in de vergadering der E. M. Heeren Staten van Holland en WestFriesland bij geschrift voorgesteld, 23 Maart; waarmede zeer naaktelijk bewezen werd, dat deze verschillen voor dezen tijd op geene andere wijze, dan door eene Nationale Synode bijgelegd en vereffend konden worden; en meteen werd op al de tegenwerpingen der Remonstranten, en op alle hunne voorslagen van eene algemeene Synode, grondiglijk geantwoord. Hetzelfde heeft ook kort daarna de E. Magistraat der Stad Enkhuizen bevestigd, met vele redenen bij geschrift gesteld en overgeleverd in de Apologie der steden Dordrecht, Amsterdam, Enkhuizen, enz. pag. 104, en 113; welke redenen naderhand in druk zijn uitgekomen, 27 Maart, opdat een iegelijk weten mocht, hoe onbillijk de Remonstranten en hunne voorstanders handelden, dat zij met de nieuwe voorslagen de samenroeping der Nationale Synode zoo hardnekkiglijk tegenstonden, en het oordeel van dezelve zochten te ontwijken.
De H.M. H. StatenGeneraal, oordeelende, dat deze zoo noodige zaak, om gansch billijke en gewichtige oorzaak alreede besloten, niet langer om zoodanige voorslagen en uitvluchten behoorde uitgesteld te worden, besloten opnieuw, dat de samenroeping der Nationale Synode, zonder eenig uitstel en vertoeven, terstond gehouden zoude worden, en bevalen, dat de plaats van de bijeenkomst wezen zoude de stad Dordrecht, en de dag, de eerste dag van November naastvolgende. Als tegen deze Resolutie eenigen onder de Staten van Holland en WestFriesland, welke de zaak der Remonstranten toegedaan waren, in de vergadering der H. M. H. StatenGeneraal zich stelden, dewelke klaagden, dat daarmede de hoogheid, het recht, en de vrijheid van hunne Provincie te kort gedaan werd, zoo hebben de H.M.H. StatenGeneraal met eene publieke acte verklaard, dat zij met deze beschrijving der Nationale Synode geenszins de hoogheid, het recht en de vrijheid van eenige Provincie wilden verkorten of verkleinen; maar dat dit hunner H. M. H. oprechte meening was, zonder eenig vooroordeel van eenige Provincie, en ook der Unie of confederatie zelve, door het gewone oordeel der Nationale Synode alleenlijk de gerezene kerkelijke verschillen, aangaande de leer, alzoo dezelve alle de Gereformeerde Nederlandsche Kerken betroffen, wettelijk tot Gods eer, en vrede der Republiek en der Kerken te beslechten.
En hebben daarna aan de Staten van iedere Provincie geschreven en verklaard, hun voornemen te zijn, in den naam des Heeren, uit alle Kerken dezer Provinciën, eene Nationale Synode tegen den eersten November naastkomende te beschrijven, opdat door dit middel de verschillen, in diezelve Kerken gerezen, wettiglijk onderzocht en op eene bekwame wijze (altijd behoudens de waarheid) bijgelegd
XXXV VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
mogen worden; meteen dezelven vermanende, dat zij terstond in hunne Provincie, naar gewoonte, eene Provinciale Synode wilden samenroepen, uit dewelke zes Godzalige, geleerde, of drie andere bekwame mannen, belijdenis doende van den Gereformeerden Godsdienst, afgevaardigd zouden worden, die in de voornoemde Nationale Synode naar de voorwaarden, door hen gesteld, waarvan zij een afschrift overzonden, die verschillen zouden onderzoeken, en, behoudens de waarheid, wegnemen. Zij hebben ook aan de Waalsche of Fransche Kerken hier in Nederland, die onder elkander een particuliere Synode plegen te maken, dewijl zij door al deze Provinciën verspreid waren, brieven van gelijken inhoud geschreven.
Deze ontvangen zijnde, hebben de E. M. H. Staten van iedere Provincie de Provinciale of particuliere Synoden hunner Kerken saamgeroepen, in dewelke de bezwaren, die tot de Nationale Synode gebracht zouden worden, en de personen daar toe te zenden met hunnen last en instructie, met gemeene stemmen der Kerken gesteld en gedeputeerd zouden worden. Deze dingen wijze, zijn in elke Provincie geschied, naar wi in deze Gereformeerde Kerken tot nog toe gebruikelijk, uitgenomen dat in Holland en het Sticht van Utrecht, vanwege de groote menigte der Remonstranten, de gewone wijze in alle dingen niet heeft kunnen onderhouden worden. Want, alzoo in sommige Classen van Holland afzonderingen waren gevallen, alzoo dat de Remonstranten de hunne, en de andere Predikanten ook hunne Classicale bijeenkomsten afzonderlijk hadden, zoo heeft bet den E. M. Heeren Staten van die Provincie goed gedacht, dat de Classen, in dewelke geene afzondering was gevallen, op de wijze, tot nog toe gebruikelijk, door meerderheid van stemmen, vier zouden deputeeren, die met gewone macht tot de particuliere Synode zouden afgezonden worden, en dat in de anderen Classen, om verwarring te vermijden, de Remonstranten twee aan de eene zijde zouden deputeeren, en de andere Predikanten desgelijks twee, die met gelijke macht tot de particuliere Synode zouden gezonden worden. In het Sticht van Utrecht waren de Kerken nog niet verdeeld in zekere Classen. Derhalve heeft het den E. M. Heeren Staten van die Provincie goed gedacht, dat al de Remonstranten afzonderlijk in eene Synode zouden verzamelen, en de overige Predikanten, die het gevoelen der Remonstranten niet volgden, waarvan nog een goed getal overig was gebleven, in eene andere, en dat uit elke Syode en van elke partij, drie tot de Nationale Synode, met macht om te oordeelen, gedeputeerd zouden worden. Doch de Kerk van Utrecht, dewijl ze verdeeld was in partijen, waarvan gene het gevoelen der Remonstranten volgde, deze hetzelve verwierp; en dewijl die, zeer onlangs van de verdrukking der Remonstranten verlost zijnde, nog niet van gewone Predikanten was voorzien, maar toenmaals bediend werd van Johannes Dibetz, Predikant te Dordrecht, zoo is het geschied, dat hij van die andere Synode, uit naam der Utrechtsche Kerken, die het gevoelen der Remonstranten niet volgden, wettelijk is gedeputeerd geworden. Toen de Synode der Kerken van Gelderland en van Zutfen vergaderd was te Arnhem, 25 Juni, zoo hebben de Remonstranten, die uit de Classe van Bommel gedeputeerd waren, bij de anderen niet willen zitten, ten ware dat voorheen hun eenige voorwaarden werden toegezegd, dewelke de Synode oordeelde te strijden met de Resolutie der Heeren Staten. En alzoo voor dezen de Remonstranten der Classis van Nijmegen, Bommel en Tiel, den E. M. H. Staten van Gelderland en het Edele Hof aldaar, tien Artikelen hadden overgeleverd, die zij zeiden, dat de andere Predikanten leerden, is hun belast geworden, die Predikanten openlijk te noemen, die dezelve leerden, opdat zij voor de Synode ontboden mochten worden, en wettelijk vernomen, of het ook zoo was. Want het was kennelijk, dat de Remonstranten door laster deze Artikelen den Gereformeerden Predikanten hadden opgedicht, om hen bij de hooge Overheid gehaat te maken. Maar zij konden niemand anders in de gansche Provincie noemen, als de Predikant van Hattem, die zichzelven in de Classe overvloediglijk gezuiverd had. En als de Synode niettemin hem wilde ontbieden, om in hare tegenwoordigheid gehoord te worden, zoo hebben de Remonstranten daarop niet verder aangehouden. Henricus Arnoldi, Predikant te Delft, die uit naam der ZuidHollandsche Kerken daar tegenwoordig was, verklaarde ook, dat er niemand in ZuidHolland was, die de voorzegde Artikelen leerde of toestond. Derhalve heeft de Synode hen om deze gruwzame lasteringen met ernst bestraft, en meteen verklaard, dat de Geldersche Kerken de leer, in die Artikelen begrepen, alzoo zij dezelve hadden voorgesteld, niet aannam noch toestond; hoewel daar eenige clausulen in waren, dewelke op zichzelven en in eenen bekwamen zin genomen, niet konden verworpen worden.
XXXVIVOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
Aldaar hebben zij ten laatste hun schuld, over den onrechtvaardig opgelegden laster, bekend, en vergiffenis gebeden; daarna is in dezelve Synode de staat des verschils tusschen de Remonstranten en andere Predikanten omschreven, die daarna aan de Nationale Synode is overhandigd geworden. En, dewijl in die Provincie vele Predikanten waren, die, behalve de Vijf Artikelen der Remonstranten, van vele andere dwalingen verdacht waren, anderen onwettiglijk in den dienst ingedrongen, ook anderen van hen schandelijk leven, zoo zijn sommigen van deze ontboden voor de Synode, en om zoodanige oorzaken (doch geenszins om het gevoelen der Vijf Remonstrantsche Artikelen, die tot de Nationale Synode behouden werden) van hunne diensten opgeschorst geweest; en de zaak van de anderen is, uit naam van de Synode, zekeren gedeputeerden bevolen geweest, bij dewelke de E. M. Heeren Staten ook hunne Gecommitteerden hebben gevoegd. Deze, nadat zij in de Classen de zaken derzelve ten volle onderzocht hadden, hebben sommigen van den dienst opgeschorst, anderen ten eenen maal van den dienst afgezet.
Midderwijl hebben de HoogMogende Heeren StatenGeneraal; nadat zij ettelijke malen, voornamelijk die van Utrecht hadden belast, dat zij die nieuwe Soldaten of Waardgelders zouden wegzenden, en dewijl het ook kennelijk was, dat zij tot dien einde aangenomen waren, om de uitvoering van de resolutiën der aanstaande Nationale Synode, indien misschien de Remonstranten diezelve niet zouden kunnen goed vinden, gewapenderhand te verhinderen; goed gewonden al deze Waardgelders, die nu ettelijke duizenden in getal waren, terstond door hunne autoriteit weg te zenden en af te danken. Als zijne Prinselijke Excellentie van Oranje dit, met een ongeloofelijke kloekmoedigheid, voorzichtigheid, behendigheid en vaardigheid, zonder dat er eenige bloedstorting geschiedde, volbracht had, en de voornaamste dergenen, die deze afdanking met geweld gezocht hadden tegen te houden of te beletten, in bewaring gesteld waren, zoo zijn Johannes Uitenbogaard, Jacobus Taurinus en Adolphus Venator, zich bewust zijnde van kwaad, hunne Kerken verlatende, uit het Vereenigde Nederland gevlucht; gelijk ook weinig tijds daarna Nicolaus Grevinchovius, geciteerd zijnde van het Hof van Holland, om zich voor hetzelve te verantwoorden.
En als in ZuidHolland de particuliere Synode te Delft bij elkander verzameld was, in September, zoo hebben vele Remonstranten, verachtende de vorige Resolutie der Edel Mogende Heeren Staten, geweigerd iemand tot de Synode te deputeeren; en verzochten bij request aan de Edel Mog. Heeren Staten van Holland en WestFriesland, 13 Sept., dat, in stede van de Nationale Synode, die nu al uitgeschreven was, eene andere bijeenkomst, naar dezelfde twaalf voorwaarden, die de geciteerden in de Nationale Synode naderhand wederom hebben voorgesteld, saamgeroepen zoude worden. De E. M. Heeren Staten, op dit verzoek gehoord hebbende het advies der Delftsche Synode (hetwelk ook in deze acten gesteld is) hebben belast, dat men de gezette orde en het bevel der Heeren Staten zoude gehoorzamen, en daarenboven, dat zij hun gevoelen, aangaande de artikelen, in het jaar 1613, in de Delftsche Conferentie voorgesteld, bij geschrift vervat, der Delftsche Synode volkomenlijk zouden verklaren, en meteen al hunne bedenkingen daarbij voegen, die zij op de Belijdenis en den Cathechismus dezer Kerken hadden. Zij hebben de verklaring van hun gevoelen op de voornoemde Artikelen overgeleverd, dewelke naderhand, van de gedeputeerden dezer Synode in de Latijnsche spraak overgezet, aan de Nationale Synode medegedeeld is geweest. In stede nu van de bedenkingen, zonden zij eenige dingen, uit de schriften van sommige schrijvers uitgetrokken, als met de Belijdenis en den Cathechismus strijdende. Voor deze Synode zijn geciteerd geweest Johannes Uitenbogaard en Nicolaus Grevinchovius, en als gene, veldvluchtig zijnde, niet durfde, en deze hardnekkiglijk weigerde te verschijnen, zijn zij beiden, nadat de beschuldigingen, tegen hen voortgebracht, gehoord en onderzocht waren, door vonnis der Synode van den Kerkelijken dienst afgezet.
En alzoo, behalve deze twee, ook vele anderen waren, waarvan zeer velen in deze oneenigheden, zonder wettige beroeping, den Kerken tegen haren dank opgedrongen waren geweest; anderen, benevens de Vijf Artikelen, nog daarenboven verscheidene Sociniaansche dwalingen hadden gestrooid; anderen met booze en oproerige handelingen de Kerken zwaarlijk hadden geërgerd; anderen, ten laatste, een kwaad leven voerden; is noodig geoordeeld, dat de Kerken, van deze ergernissen gezuiverd, en de vervallene tucht Cleri (zoo men zegt), dat is der Kerkedienaren, eenmaal
XXXVII VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
weder opgericht, en al die ongeregelde Predikanten ontboden zouden worden, om voor de Synode, zoowel van hunne beroeping, als van hunne leer, ook van hun leven rekenschap geven; hetwelk ook zelfs om deze oorzaak geoordeeld werd, gedaan te moeten worden vóór het houden der Nationale Synode, opdat, indien misschien iemand zich door het vonnis dezer Synode bezwaard vond, hij tot het oordeel der Nationale zoude mogen appeleren. Onder deze zijn er sommigen verschenen, en na behoorlijk onderzoek hunner zaken, zijn eenigen van den dienst geschorst, anderen ten eenen maal afgezet. Maar van diegenen, die van wege de kortheid des tijds niet konden geciteerd noch gehoord worden, of die, geciteerd zijnde, niet verschenen, om van dezelve zaak, als uit naam der Synode kennis te nemen, en te oordeelen, zijn geschorst geweest vijf Predikanten, bij dewelke de Edel Mogende Heeren Staten hunne Gedeputeerden bijgevoegd hebben. Dezen Gedeputeerden is expresselijk belast geweest, dat zij, om het gevoelen der vijf Remonstrantsche Artikelen, over niemand eenige censuur doen zouden, dewijl het oordeel van dezelve gansch en gaar tot de Nationale Synode behouden moest worden. Ook hebben zij aan niemand; hoewel zij hier en daar velen, om de te voren gezegde en om zeer gewichtige oorzaken, zelfs gedurende de Nationale Synode, deels van het leerambt hebben geschorst, deels ten eenen maal afgezet; om het gevoelen der Vijf Artikelen de censuur te werk gesteld, gelijk uit hunne handelingen klaarlijk bewezen kan worden. In NoordHolland is op dezelfde wijze gehandeld geweest in de Synode van Hoorn, in dewelke de Predikanten van Hoorn, Johannes Valesius, Johannes Rodingius, en Isaacus Welsingius, van het leerambt geschorst, tot de Nationale Synode hebben geappelleerd. En als de gedeputeerden dezer Synode, samen met de Gecommitteerden der E. M. Heeren Staten, in de Classe van Alkmaar de zaak van Johannes Geystranus, Predikant te Alkmaar, en van zijnen broeder Petrus Geystranus, Predikant te Egmond, onderzochten, is bevonden, dat zij de lasterlijke en vervloekte dwalingen van Socinus gansch toegedaan waren, gelijk blijkt uit hunne belijdenis, dewelke, dewijl ze in de Nationale Synode openlijk, met een afgrijzen van allen, voorgelezen is geweest, ook in deze Acten ingevoegd staat. Ook in de Synode van Overijsel is aan sommige Remonstranten belast geweest, van hunne leer en handelingen rekenschap te geven. En alzoo onder dezelven ook de vier Predikanten der Kerk van Kampen, Thomas Goswinius, Assueris Matthisius, Johannes Schotlerus, en voornamelijk Emerardus Vosculius, van vele dwalingen en van verscheidene oproerige handelingen beschuldigd werden, is, de zaak onderzocht zijnde, goed gevonden, dezelve ook tot de Nationale Synode aan te houden; gelijk ze daarna tot dezelve gebracht is geweest.
Daarentusschen hadden de H. M. Heeren StatenGeneraal, 25 Juni, brieven gezonden aan zijne Koninklijke Majesteit van GrootBrittanje, Jacobus I; aan de Gedeputeerden der Gereformeerde Kerken van Frankrijk; aan de Doorluchtige Keurvorsten van de Palts Brandenburg; aan den Doorluchtigsten Landgraaf van Hessen; aan de vier Gereformeerde E. Republieken van Zwitserland, Zurich, Bern, Bazel en Schaffhuizen; aan de Doorluchtige Graven van de Wedderavische Correspondentie; aan de Republiek van Genève, van Bremen en van Embden; verzoekende, dat zij sommigen van hunne Theologen, die in geleerdheid, Godzaligheid, en wijsheid uitnemende waren, tot deze Synode wilden zenden, die met hun raad en oordeelen de verschillen, in deze Nederlandsche Kerken gerezen, nevens de andere gedeputeerden der Nederlandsche Kerken, naarstiglijk mochten arbeiden te stillen, en aan dezelven Kerken den vrede weder te brengen. Toen, dit alles wel beschikt en volbracht zijnde, op den gezetten tijd de gedeputeerden der Nederlandsche Kerken, en ook de uitheemsche Theologen, weinigen uitgenomen, te Dordrecht waren aangekomen, zoo is de Nationale Synode, cp den dertienden November, in den naam des Heeren aangevangen. Wat nu verder in deze Synode verhandeld is, zal de verstandige lezer wijdloopig vernemen uit de Acten en Handelingen derzelve, dewelke nu tot voordeel en nuttigheid der Gereformeerde Kerken in het licht komen. Doch is goedgevonden, bij deze Acten ook te voegen, benevens andere schriften, aan deze Synode overhandigd, de beoordeelingen zelven van al de Theologen over de Vijf Artikelen der Remonstranten, gelijk ze in de Synode voorgesteld zijn geweest, opdat de Gereformeerde Kerken klaarder zouden vernemen, op wat Schriftuurplaatsen en redenen de Canones zijn berustende. Er is geen twijfel, of de verstandige lezer zal in deze beoordeelingen bevinden eene gansch wonderbare en volkomene overeenstemming.
XXXVIII VOORREDE AAN DE GEREFORMEERDE KERKEN
__________________________________________________________________________________
Indien het misschien iemand mocht schijnen, dat in eenige mindere dingen eenige verscheidenheid zoude voorvallen, zoo zal dit zelfs een bewijs wezen, dat in deze vergadering de behoorlijke vrijheid van profeteeren en van oordeelen plaats gehad heeft, en niettemin, dat zij allen te zamen met eendrachtige stemmen overeengestemd hebben in de leer, die in de Canones dezer Synode uitgedrukt staat, dewelke bij allen en een iegelijk, niet een eenige uitgenomen zijnde of zwarigheid makende, tot betuiging van eenstemmigheid, zijn onderteekend geworden. Eindelijk worden alle Gereformeerde Kerken gebeden, dat zij deze rechtzinnige leer, zoo plechtig in deze Synode uit Gods Woord verklaard en bevestigd, willen omhelzen, bewaren, voortplanten, en tot op de nakomelingen, ter eere Gods en tot troost en zaligheid der zielen, overleveren. En meteen, dat zij den Godzaligen en nimmermeer genoeg geroemden ijver en naarstigheid der Boog Mog. Heeren StatenGeneraal der Vereenigde Nederlanden, tot behoudenis van de oprechtheid en zuiverheid van den Gereformeerden Godsdienst, in waarde houden, en den arbeid en de zaligheid van zoo vele uitnemende leeraars der Kerken, die in deze Synode zijn geweest, om dezelve leer voor te staan, gunstig zijn, en bovenal den goeden Almachtigen God vuriglijk bidden, dat Hij de Nederlandsche Kerken en ook alle andere, die dezelfde oprechte leer met haar belijden, in eenigheid des geloofs, des vredes en der rust, voortaan goedertierenlijk bewaren, en de Remonstranten zelven, ja, ook alle anderen, die in dwaling steken, betere zinnen en verstand wille verleenen, en, met de genade zijns Geestes, ten laatste tot de kennis der waarheid brengen, ter eere zijns Goddelijken Naams, tot stichting der Kerken, en ter onzer aller zaligheid; door onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus, denwelken met den Vader en den Heiligen Geest, den eenigen waren en onsterfelijken God, zij lof, eere en heerlijkheid, in der eeuwigheid, Amen.

|