|
DE ACHTENVIJFTIGSTE ZITTING.
Denzelfden dag namiddag.
Dewijl de Remonstranten voor den middag een zeer wijdloopig schrift tot verklaring des eersten Artikels hadden overgeleverd, is gevraagd, hoe men datzelve [205] op het gevoeglijkste aan allen zoude kunnen mededeelen, opdat de geheele Synode te nauwer daarop mocht letten. En is goedgevonden, dat het van de schrijvers uitgeschreven zoude worden, opdat door het uitschrijven er van, de handelingen der Synode niet onderbroken werden. En dat deze uitschrijving 's anderdaags voor den middag zoude beginnen. En alzoo de Remonstranten ten eenenmaal geweigerd hadden hun gevoelen op de vraagstukken, die bij de Synode zouden voorgesteld worden, te verklaren, en derhalve uit de Synode henengezonden waren, is beraadslaagd, op wat wijze en orde men voortaan in 't onderzoek van hunne zaak uit hunne schriften zoude voortgaan, opdat de zaak ten volle en naar behooren genoeg gedaan en op het kortste ten einde gebracht mocht worden. De Assessoren en Scriba's en ettelijke van de uitheemsche Theologen hebben hun advies verklaard. Maar dewijl de tijd verloopen was, zoo is deze beraadslaging uitgesteld tot 's anderen daags.

|