|
DE ZESENVIJFTIGSTE ZITTING.
Den 12en Januari, Zaterdag-voormiddag.
In deze Zitting zijn gelezen twee missiven des E. Magistraats van Kampen; waarvan de eerste een antwoord was op den brief der Synode, waarmede zij te kennen gaven, dat zij zorg dragen zouden, dat de Gereformeerde Kerk in die stad, die het gevoelen der Contra-Remonstranten toegedaan was, geen ongelijk of smaadheid van de tegenpartij aangedaan zoude worden; ook dat zij de Remonstrantsche predikanten ernstig vermaand hadden, dat zij in hunne predikatiën het volk tegen dezelve Gemeente niet zouden ophitsen. In het andere verzochten zij van de Synode, aangezien twee Dienaars, Voskulius en Schotlerus, tot deze Synode ook waren geciteerd, en de Kerk van Kampen den dienst van alle hare predikanten gelijkelijk niet konde missen, dat zij of de hoofdstukken der beschuldigingen aan Voskulius en Schotlerus wilden zenden, opdat zij daarop schriftelijk mochten antwoorden, en bij hunne Kerk blijven, of, zoo zij immers zouden moeten verschijnen, dat daarentusschen Goswinius en Matthisius, die in de Synode onder de gedaagde Remonstranten waren verschijnende, wederom tot die Kerken keeren mochten. Ook zijn voorgelezen de brieven, [200] zoowel des Kerkeraads van Kampen, toenmaals Remonstrantsch, waarin 'tzelfde verzocht werd, alsook der Contra-Remonstranten; waarmede zij zich excuseerden, dat zij, vanwege afwezigheid van de tegenpartij, op den gezetten dag geene hadden gezonden. Op het verzoek des Magistraats van Kampen en des Kerkeraads der Remonstranten is een tijd lang beraadslaagd. En, alles wel overwogen zijnde, is met meerderheid van stemmen besloten, dat die twee predikanten van Kampen opnieuw zouden geciteerd worden, en dat de tijd van te compareeren, ter discretie en zorg des presidents en der assessoren gelaten zoude worden. Is daarna vermaand, dat des namiddags uit ieder collegie eenigen bijeen zouden komen, om uit te schrijven de Synodale verklaring van Utrecht.

|