|
Titelpagina en voorreden
Zitting 1-25
Zitting 26-50
Zitting 51-75
Zitting 76-100
Zitting 101-125
Zitting 126-150
Zitting 101-125
Zitting 126-150
zitting 151-154
zitting 36
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Vijfde Artikel
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
Na-handelingen Nationale Synode
zitting 155 t/m 180
inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
|
DE VIERENVIJFTIGSTE ZITTING.
Den 11en Januari, Vrijdag-voormiddag.
Zijn de Remonstranten, die ontboden waren, verschenen. En dewijl Isaacus Frederici niet tegenwoordig was geweest, toen den anderen, weinige dagen geleden, de resolutie der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal werd voorgelezen, opdat hem ook de wil hunner Hoogmog. bekend mocht zijn, is dezelve wederom in de tegenwoordigheid van de anderen voorgelezen. Is verder den Remonstranten aangezegd, dat zij wel wisten, hoe dat niet alleenlijk uit last dezer Gereformeerde Kerk, maar ook der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, deze Synode opgelegd was, de Vijf Artikelen der Remonstranten eerst en vooral te onderzoeken. En opdat iedereen zulks met een oprechte conscientie mocht doen, dat zij allen en ieder den eed hadden gedaan, anders in deze zaak niet te zullen zoeken, dan de voortplanting van Gods eer, de bevestiging der waarheid, en stichting der Kerken, en in het oordeelen het Woord des eenigen Gods, en niet menschelijke schriften, voor het richtsnoer daarvan te houden; dat in 't onderzoeken van deze zaak noodig zoude wezen voor het gevoelen der Remonstranten wel te weten en te onderzoeken dat zij hierin, hoofd voor hoofd aan de Synode een oprechte verklaring doende, zouden kunnen dienst doen; dat zij wel eenige verklaring van hun gevoelen over de Vijf Artikelen hadden overgeleverd, maar dat de Synode geoordeeld had noodig te zijn, dat zij hunne meening wijdloopiger verklaarden. Dat tot dien einde ettelijke malen van hen begeerd was geweest, dat zij dezelve op eenige vraagstukken breeder zouden verklaren. Maar dat zij duslang geweigerd hadden daarop te antwoorden, tenware men hen voorhenen vrijheid verleende hun gevoelen te verklaren en het tegenoverstaande te wederleggen, zooveel zij noodig achtten. Dat daaruit strijd gerezen was tusschen de Synode en hen, en tot walgens toe hen ingestampt was geweest, dat hun een billijke en volle vrijheid toegestaan was, niet alleenlijk om hun gevoelen te verklaren en te verdedigen, maar ook het tegenoverstaande met redenen te bestrijden, mits dat het bij de Synode zoude blijven toe te zien, dat zij dezelve vrijheid niet misbruiken. Dat over dit stuk verscheidene zaken hierop, aan weerszijden, waren geschreven en gezegd geweest, en dat eindelijk de autoriteit der Hoogmog. Heeren Staten daartusschen was gekomen. Welker besluit zij geweigerd hebben te gehoorzamen, en totnogtoe op de vraagstukken der Synode niet hadden willen antwoorden. Dat zij wederom geroepen waren om dezelfde oorzaak, dat de Synode wederom beproeven zoude of zij eens ten laatste zouden willen antwoorden. Dat zij derhalve vermaand en ernstiglijk gebeden worden, oprechtelijk en rondelijk op de vragen, door de Synode voor te stellen, te antwoorden. En ten eerste, Of zij nog de verklaring en verdediging van hun gevoelen, die in de Haagsche Conferentie begrepen is, toestonden. Dat de oorzaak dezer vraag niet duister was, dewijl zij voordezen bekend hadden, dat zij sedert dien tijd veel geleerd hadden, en niet begeerden, dat uit die vorige schriften van hun gevoelen geoordeeld zoude worden, dewijl de eene dag den anderen leerde. M. Episcopius, gevraagd zijnde, heeft wijdloopig uit een schrift geantwoord, dat hij gehoopt had, dat men zijn conscientie voldaan zoude hebben, 'twelk men niet eens gepoogd had te doen, dat hij der Synode geen wetten wilde voorschrijven, maar ook niet allerlei wetten van haar wilde ontvangen; dat hij die vrijheid begeerde, die de rechten en de oproepingsbrieven expresselijk toelieten. Dat hij geen uitvluchten zocht, [193] en niet vreesde, dat men uit hunne confessiën leerpunten zoude trekken, die de eere Gods en de zaligheid der menschen nadeelig waren, hoedanige zij meenden in 't gevoelen der Contra-Remonstranten te kunnen aanwijzen. Dat het zoo verre van daar was, dat zij uitvluchten zouden zoeken, dat zij bereid waren hun gevoelen, zooveel zij noodig oordeelen, voor te stellen, te verklaren, en te verdedigen; dat zij toelieten, wanneer zij alzoo hun gevoelen voorgesteld zouden hebben, zoo de Synode iets vragen wilde, zulks te doen. Dat zij op de voorgestelde vragen, al waren het ook duizend, zouden antwoorden, 'tzij mondelijk, 'tzij door diegenen, die zij de bekwaamsten daartoe zouden oordeelen. Is volgens het advies der EE. Heeren Gecommitteerden bevolen, dat zij dit schrift, door hen allen onderteekend, zouden overleveren, 'twelk ook is geschied; en was dusdanig. Eerw. praeses! uw E. is zonder twijfel zeer wel indachtig, wat bij ons allen en iedereen in de laatste Zitting eendrachtiglijk met één hart en gemoed op de voorgestelde vragen geantwoord zij. Wij hadden wel gehoopt, dat deze Synode gelet zoude hebben op onze conscientiën en op de fundamenten, waarop dezelve zijn berustende, als die voornamelijk daarover zorg dragen moet, dat zij de conscientiën hunner broederen en mededienaars, of beter onderrichte, en met betere redenen onderwijze, zoo zij ergens in dwalen, of indien zij zwak zijn met den geest der zachtmoedigheid opheffen en onderstutten. En dat zij niets doen, dan 'tgeen in alle actiën met een zoodanig Christelijk gemoed en vriendelijke genegenheid overeenstemt. Hierop ons verlatende, hadden wij verwacht, dat men ons redenen en bewijzen voorgesteld zoude hebben, die door hunne kracht en bondigheid ons bewogen zouden hebben van ons voornemen te wijken. En voorwaar, dat vereischte zoowel de Christelijke liefde, die de conscientiën van haar naasten, op de beste wijze, die zij kan, vanzelf en gewilliglijk zoekt te hulp te komen, als ook de natuurlijke billijkheid, die ons gebiedt een ander te doen, 'tgeen wij wilden en begeerden dat ons zoude geschieden. Maar och, helaas! wij zien niet eens, dat men eenig zoodanig pogen zoude willen doen, maar bevinden dat wij op dezelfde wijze, met hetzelfde gebod en bevel bezwaard worden, alsof wij onze conscientiën maar voorgewend hadden tot dezen einde, dat, dewijl wij met geen bondige reden voorzien zijn, wij onder voorwendsel van dezelve, alles zouden zeggen en doen, wat ons lust, de wetten en resolutiën der hooge Overheid verachten, en, 'tgeen de meeste fout is, een verdere onderzoeking van de gansche zaak vermijden. Van welke wij zekerlijk weten, dat wij vreemd zijn. Wij schrijven der Synode geen wetten voor, maar wij nemen ook allerlei wetten niet aan. Want wij begeeren dat zoodanige vrijheid ons in een vrije Synode gegeven worde, die alle wetten, Goddelijke en menschelijke, allen gedaagden geven, om hunne zaak te bepleiten, en die wij meenen ons volkomenlijk in de oproepingsbrieven gegeven te zijn. Wij hebben de gedachten niet, eenige uitvluchten te zoeken. Want daar is geen oorzaak, waarom wij dezelve zoeken zouden. Ons gevoelen heeft niets in waarover wij ons behoeven te schamen, en dat wij verheeld, geblanket of bepleisterd begeeren te hebben. Alle dingen zijn daarin rond en licht: geen stribbelige gangen, omwegen, geen dubbelzinnigheden, of wij begeeren van harte, dat ze rond en naakt verklaard, uitgelegd en ontdekt worden. Wij vreezen niet, dat iemand daaruit zoodanige leerstukken trekken zal, die tegen de eere Gods, der Godzaligheid schadelijk, en der gansche Christelijke Religie schandelijk zouden zijn, hoedanige het gevoelen der Contra-Remonstranten niet weinig heeft, die men daarom met meerder recht zeggen zoude mogen, uitvluchten te zoeken. Ja, gelijk wij duslang altijd hebben gedaan, alzoo verklaren wij tegenwoordig wederom rondelijk en eenvoudig, dat het zoo verre van daar is, dat wij begeeren ons gevoelen te verbergen, of eenige uitvluchten te zoeken, dat wij in tegendeel verzoeken een volle macht om ons gevoelen te verklaren en te verdedigen, naar ons vermogen, en zooveel wij noodig achten, opdat naderhand niemand zij, die van ons iets meer met recht moge begeeren, dat tot een volkomene kennis der geheele zaak eenigszins schijnt te dienen, en, opdat de gansche vergadering versta dit ons ernstig voornemen te zijn, zoo beloven wij wederom, gelijk wij in ons laatste antwoord, bij geschrift deze Synode overgegeven, beloofd hebben: indien deze Synode daarna iets in de verklaring en verdediging van ons gevoelen, en in de bevechting van het tegenoverge- [194] stelde, tot volkomener verstand believen zal te vragen, dat wij niet alleenlijk op de totnogtoe voorgestelde vragen, maar ook, zoo er nog eenige honderd of duizend andere waren, op alle en een ieder gewilliglijk en vanzelf zullen antwoorden, of bij geschrifte, of, indien 't de zaak lijden kan, mondelijk, door diegenen die wij daartoe de allerbekwaamsten zullen oordeelen; 'twelk wij des te vuriger begeeren, omdat wij niet twijfelen, of, door de uitlegging en verdediging van ons gevoelen en bestrijding van het tegenovergestelde, zullen wij vele andere dingen, die in de vragen begrepen zullen zijn, bij brengen, die grootelijks zullen dienen tot kennis van de gansche zaak, en zonder kennis van welke de gansche zaak niet zal kunnen naar vereisch verhandeld en beoordeeld worden. Is het bijaldien dat wij dit toch niet kunnen verwerven, zoo is er geen reden waarom wij van ons voornemen zouden wijken, of op de voorgestelde vragen antwoorden. Wij ter contrarie meenen gansch billijke oorzaken te hebben, waarom wij behooren bij ons voornemen te blijven. Opdat namelijk wij geenszins schijnen de goede zaak verlaten en de volle verdediging der waarheid en bevechting van de tegenovergestelde valschheid verzuimd, of, naar eisch van ons ambt en onze conscientie, niet aangenomen te hebben.
Onder waren geschreven de namen van alle geciteerden.
Maar is geantwoord, niet noodig te schijnen, dat het wijdloopig wederlegd werd, dewijl de billijkheid der besluiten der H. M. Heeren Staten-Generaal, en van hunne Gecommitteerden, en van de Synode, allen genoegzaam bekend was. Dewelke in deze zaak met zulk eene conscientie, billijkheid, en oprechtheid gehandeld hadden, dat zoo zij ook op dien tijd vernomen hadden, iets onbillijks geboden te hebben, waarmede hunne conscientiën te recht konden bezwaard worden, dat alle de Synodale personen, beter onderricht, hunne fout bekend en gebeden zouden hebben datzelve ten beste te duiden. Dat men in de Synode alle regelen der billijkheid had waargenomen. Dat hun een behoorlijke vrijheid zoo dikwijls toegelaten en vergund was geweest, dat deze belofte in stede van eenen eed had mogen wezen. Dat de Synode niets anders begeerde, dan dat bij haar zoude de macht wezen, diezelven door eerlijke wetten binnen hunne palen te houden, indien zij misschien die te buiten gingen. Episcopius heeft verklaard, dat hij geen andere vrijheid verzocht had dan die billijk is, en allen geciteerden pleegt en behoort toegelaten te worden. Is geantwoord, dat de Synode hun zulk eene vrijheid toegelaten had, ja nog meer toelaten zoude, mits het aan de autoriteit en discretie der Synode gelaten worde toe te zien, dat zij niet te eeniger tijd de palen van die te buiten gaan. Indien zij meenden dat de Synode of de Heeren Gedeputeerden zouden begeeren, dat die vrijheid verminderd of hun benomen zoude worden, dat zij daarmede der Synode en den Heeren Gedeputeerden groot ongelijk deden. Derhalve heeft de praeses wederom hen vriendelijk en broederlijk vermaand, dat zij oprechtelijk wilden handelen, en op de vraagstukken der Synode eindelijk antwoorden, en niet langer in de uitvluchten voortgaan; en heeft hen plechtig beloofd, en dat in den naam der geheele Synode, dat men hun alle de vrijheid zoude geven, die den geciteerden met rechten toekomt. Episcopius antwoordde: indien ons toegelaten wordt onze meening van ieder artikel te verklaren, en eerst van de verkiezing, daarna van de verwerping, en die op dezelfde wijze te verdedigen, en het tegenoverstaand gevoelen der Contra-Remonstranten en dergenen, die zij voor rechtgevoelenden houden, in ieder artikel rondelijk voorgesteld, te wederleggen, indien alsdan iets in de verklaring of verdediging geacht werd te ontbreken, dat zij op de vragen, die alsdan voorgesteld zouden worden, 'tzij schriftelijk, of mondelijk, door diegenen, die zij daartoe de bekwaamsten zouden achten, zullen antwoorden. De omstandigheden des tijds en dergelijke lieten zij in 't believen der Heeren Gecommitteerden. Indien deze vrijheid hun werd toegelaten, zouden zij op de voorgestelde vragen antwoorden. De praeses zeide, dat zij nochtans in het overgeleverde schrift verklaarden, indien zij op het besluit der Synode ronduit moesten antwoorden, dat zij volhardden bij hun eerste antwoord. Hun was zoo dikwijls ingestampt, dat hierop de gansche zaak was draaiende. Dat zij vrijheid begeerden, niet alleenlijk hun gevoelen te verdedigen, maar ook dat van anderen, zooveel zij noodig achtten, te hekelen. Waarop velen onder hen, gelijkelijk hunne stem verheffende, zeiden, dat zij geenszins datzelve verzochten. Dat zij het woord [195] hekelen (exagiteeren) niet erkenden, en dat zij 't niet hadden gebruikt. En als velen in de Synode getuigden, dat zij dit woord gebruikt hadden, gaven zij tot antwoord, dat dit hunne meening niet was. Dat misschien iemand onder hen dit woord gebruikt had, maar daarom was niet billijk, dat, 'tgeen misschien een uit den hoop had gedaan, zij allen zouden moeten ontgelden. Ook zeide Episcopius, dat hij dit woord niet had gebruikt, daar nochtans velen in de Synode zeiden zulks gehoord te hebben. En nadat zij berispt waren geweest in 't voorbijgaan, dat zij allen buiten orde overhoop riepen en spraken, is hun verklaard, dat de H. M. Heeren Staten-Generaal, en ook de Synode, hun vrijheid hadden toegelaten, niet alleenlijk hun gevoelen te verdedigen, maar ook het tegenovergestelde te bestrijden, mits dat der Synode de besturing dezer vrijheid gelaten worde. En dat niet alleenlijk dit hun toegelaten werd, maar dat de Synode daarenboven hen zoude belasten, zoo zij meenden ('twelk zij nu dikwijls tegengeworpen hadden), dat eenige leerstukken, strijdig met de eere Gods, of de zaligheid der menschen hinderlijk, gruwelijk en lasterlijk, in deze Kerken geleerd werden, dat zij dezelve te voorschijn zullen brengen en bestrijden. Dat de rechte oorzaak van deze uitvlucht niet was de weigering van behoorlijke vrijheid, maar dat ze niet wilden antwoorden, omdat ze deze Synode niet willen erkennen voor wettelijke richteres van hunne zaak. Episcopius antwoordde: wij zijn wel van die meening, maar het is ons niet geoorloofd te spreken gelijk wij gevoelen. De praeses heeft hun meermalen vriendelijk vermaand, dat ze niet langer wilden aarzelen, want hun was nog niets onbehoorlijks voorgelegd geweest. Indien zulks in 't vervolg van de handeling gebeurde, dat ze dan alzoo zouden klagen. Heeft derhalve aan Episcopius wederom gevraagd, of hij het gevoelen, in de Haagsche Conferentie voorgesteld en verdedigd, voor 't zijne hield? Dewelke antwoordde, dat hij alsdan op die vraag zoude antwoorden, wanneer de verzochte vrijheid hun zoude toegelaten worden. Wijders gevraagd, of hij de leer in 't schrift tegen die van Walcheren voorgesteld, voor de zijne hield, zeide hij: hij kon niet voortgaan, tenware eerst op hunne redenen, die zij schriftelijk hadden overgeleverd, geantwoord werd. Op dezelfde vraag antwoordde Eduardus Poppius, dat hij niets had te voegen bij het gegeven antwoord. Indien de verzochte vrijheid hun gegeven werd, dat hij antwoorden zoude. Hem is gezegd, dat ze zoo menigmaal vergund en beloofd was geweest, namelijk, die behoorlijk en naar de Synodale wetten omschreven zoude zijn. Dat hij zoo niet moest aarzelen onder deksel van een toegestane en beslotene conditie. De E.E. Heeren Gecommitteerden hebben door den E. Heere Rochus van den Honert verklaard, dat deze zaak nu lang en dikwijls was verhandeld geweest. Zij begeeren dat nu een einde gemaakt en deze zaag der verwarring zoo dikwijls niet over en weer gehaald werd. Dat tot behoorlijke onderzoeking van de zaak hun geen vrijheid zoude ontbreken. Dat de Heeren Gedeputeerden beloofden, te arbeiden, dat hun noch plaats noch tijd om hunne zaak ten volle te verhandelen zoude geweigerd worden. Zij geboden derhalve, dat zij niet langer, 'twelk nu zoo dikwijls gezegd was, zouden weigerig zijn, maar eenmaal een einde maken van deze veinzingen. Want de waarheid kon door een gedurig stilzwijgen niet onderzocht, noch verdedigd worden. Episcopius antwoordde, zoo men beloofde 'tgeen zij verzochten, dat ze gehoorzamen zouden, en nu bereid waren de verklaring van hun gevoelens van het eerste artikel over te leveren; dat zij ze op deze conditie gaarne zouden overgeven, zoo 't de E.E. Heeren Gecommitteerden goedvonden. De praeses heeft ze door hunne conscientiën betuigd, dat zij aanwijzen zouden, wat daarin misdaan zoude zijn, dat ze uit last der H. M. Heeren Staten-Generaal op de voorgestelde vraag antwoorden. Indien in deze vraagstukken iets ontbrak tot behoorlijke verklaring, dat zij een volkomener verklaring konden geven. Het moest genoeg zijn, dat hun al de vrijheid gegeven werd, die den geciteerden toekomt. Voor de hand eene andere te willen eischen, zulks was tevergeefsch en anders niet dan een ontijdige uitvlucht in deze plaats. Dat hunne klacht, van dat geen genoegzame vrijheid hun toegelaten was, gansch onbillijk ware; dewijl in zooveel vorige Zittingen het tegenovergestelde hun voorgesteld en beloofd was. Dat het onredelijk en vreemd was te klagen van geen gegevene vrijheid om te spreken, als iemand belast wordt te spreken. Poppius, wederom gevraagd zijnde, dat hij op de voorgestelde vraag zoude antwoorden, zeide: hij zoude antwoorden, wanneer hem die vrijheid, die zij eischten, [196] gegeven werd. Hij wilde niet voorschrijven, want dat kwam den EE. Heeren Gecommitteerden toe, en dat hij derhalve zijn zeisen niet in eens anders oogst wilde slaan; het was niet buiten perijkel op alle voorgestelde zaken staansvoets te antwoorden; misschien zoude hij alsdan antwoorden, wanneer die vrijheid toegelaten zoude zijn. Johannes Arnoldi Corvinus, hetzelfde gevraagd zijnde, antwoordde, dat hij bleef bij het antwoord, nu en te voren gegeven. Dwinglo zeide: zoo men verklaart dit de meening der Synode te zijn, dat hun zoodanige vrijheid gegeven wordt als zij eischen, dat hij bereid was te antwoorden. Zoo niet, hij verklaarde vrij uit: hij konde van het gegeven antwoord niet afwijken. De praeses zeide, dat zij nimmermeer ronduit, ja of neen, maar altijd met het conditioneel woord “indien” antwoorden; zij moesten ja of neen zeggen. Dwinglo antwoordde, dat zij handelden oprechtelijk en niet begeerden te bedriegen, en derhalve alzoo antwoorden. De EE. Heeren Gecommitteerden zeiden, dat er geen oorzaak was, waarom zij aan de oprechtheid der EE. Heeren Gecommitteerden en de gansche Synode zouden twijfelen. De praeses voegde daarbij, dat de Synode ronduit sprak, maar zij duister spraken. Want de Synode beloofde uitdrukkelijk zulke vrijheid, die alle Goddelijke en menschelijke rechten den gedaagden geven. Derhalve was niet noodig, onder die twijfelachtige spraak, uitvluchten te zoeken, en de Synode te binden aan wetten, die ze noch behoort noch vermag toegelaten. M. Episcopius verzocht, dat men hem aanwijzen zoude, wat men aan zijne antwoorden met reden zeggen konde te ontbreken. Waarop de praeses zeide, dat zulks nu genoeg gezegd was; dat zij de autoriteit der Synode niet erkenden en door de wetten derzelve, waar 't noodig is, niet willen bepaald zijn; dat het een ongehoorde zaak was, dat de gedaagden den richteren willen voorschrijven hoe zij handelen zullen, en daarover met hen twisten. Poppius zeide: Hetzij ons geoorloofd die vrijheid te gebruiken, die wij eischen. Al wat de EE. Heeren Gecommitteerden ons zullen gebieden, dat zullen wij of doen, of geduldiglijk dragen. De praeses antwoordde, dat de besluiten der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal en der Synode hun moesten genoeg zijn; dat die klaar en billijk waren, maar dat de uitvluchten, die zij bijbrachten, twijfelachtig waren en van geen gewicht. Niellius, gevraagd, of hij op de voorgestelde vraag wilde antwoorden, zeide: het was een verwarde vraag. Hij konde staansvoets daarop niet antwoorden: dat hij nu zelf metterdaad bevond, dat zulk een vrijheid, die billijk is, hun niet toegelaten wordt. Want als er onlangs maar vermoeden was, dat de dwalingen van Perkins, Piscator en anderen, die van vele anderen ook in deze landen verdoemd worden, zouden voortgebracht worden, dat men terstond hun deze vrijheid had afgesneden, zoodat het een misdaad was, die maar simpelijk te noemen, die men lichtelijk bewijzen konde te dwalen. Hem is geantwoord, dat dit niet met waarheid, maar door valsche aanklacht van hem gezegd werd, en wederom gevraagd, of hij wilde antwoorden, zeide hij: hij konde niet antwoorden voor en aleer men zijne redenen wederlegd had. Henricus Leo, 'tzelfde gevraagd zijnde, zeide, dat hij gedaagd was om zijn gevoelen voor te stellen en te verdedigen, niet om op eenig schrift te antwoorden; hij wilde zijn, en niet eens anders gevoelen voorstellen. Hij wilde ook niet geoordeeld worden uit eens anders schrift, maar uit zijn eigen gevoelen. Wederom gevraagd, of niet het gevoelen in de Haagsche Conferentie zijne was, zeide hij, dat hij 't nog niet nauw had overwogen; hij verzocht dat hij 't zijne mocht voorstellen, en niet gedwongen worden te zeggen wat hij van eens anders gevoelde. Vezekius, 'tzelfde gevraagd zijnde, heeft geantwoord, dat hij bij ditzelfde antwoord bleef. Hollingerus, dat hij, gelijk onlangs, alzoo nu ook antwoordde, dat men hun een al te benauwde wijze van handelen voorschreef, en dat deze paedagogische afvraging niet noodig was. Isaacus Frederici, dat hij de Haagsche Conferentie niet overwogen had. Hij verzocht overzulks, dat hem vrijheid gelaten werd zijn gevoelen voor te stellen, en begeerde, dat op alle zijne redenen geantwoord zoude worden. Rijckewaert: Indien hij die wijze van handelen volgen mocht, die zij verzochten, zoo had hij niets daarbij te voegen. Naeranus: dat hij met zijnen mededienaar Isaacus Frederici hetzelfde gevoelde. Dat hij bereid was op alle vraagstukken te antwoorden, naar inhoud van de oproepingsbrieven; dat hij in de Haagsche Conferentie niet was geweest, noch toen ter tijd den dienst betreden. Dat het een kleine zaak was, dat men hen toeliet ten eerste hun gevoelen voor te stellen, en terstond daarna [197] te antwoorden; dat zulks beter was, overmits misschien in de verklaring er van zij veel voldoen zouden, waarover naderhand niet van noode zoude zijn te vragen. Dat sommige dingen van hen niet ten volle konden verklaard worden, zoo zij omschreven werden met de palen van vraagstukken. Hem is geantwoord, dat het op een uit kwam, of zij eerst op de vraagstukken antwoordden, of eerst hun gevoelen schriftelijk verklaarden. En dewijl nu de Synode besloten had en belast, dat zij eerst op het voorgestelde zouden antwoorden, zoo behoorden zij zoo hardnekkig over deze orde niet te twisten, dewijl zij niet alzoo bepaald zouden worden door de begrenzing van vragen, gelijk zij meenden. Want zij zouden vrij zijn, daarna altijd bij deze verklaring te voegen en te verklaren 't geen zij achten zullen daarbij gevoegd te moeten zijn, tot klaarder verklaring van hun gevoelen. Hierop wederom aangezet zijnde om te antwoorden, zeide hij: hij hield zich aan de oproepingsbrieven. De praeses wees hem aan, dat diezelve hen niet toelieten een onbepaalde vrijheid, en ook de Synode niet verboden hen te vragen. Hij zeide, dat die vraagstukken tevergeefsch zouden zijn, wanneer zij voorhenen hun gevoelen ten volle verklaarden. De praeses gaf te kennen, dat alreede besloten was, dat zij eerst op de vraagstukken zouden antwoorden. Indien die niet genoeg zouden zijn tot een volle verklaring van hun geheele gevoelen, dat zij daarna dezelve volkomenlijker mochten verklaren. Neranus voegde daarbij, dat zij eenigen vorm dezer vraagstukken gezien hadden, waaruit zij lichtelijk konden afnemen, dat door denzelven geen volle vrijheid gelaten werd, om te verklaren wat zij gevoelen. Is geantwoord, zoo dit misschien geschiedde, dat hun toegelaten zoude zijn, dat zij ze daarna, gelijk te voren gezegd is, ten volle zouden mogen verklaren. Neranus vraagde, waarom men dan hem moeielijk was, en van de oproepingsbrieven afweek. Hem is geantwoord, dat zij zich zelven en der Synode moeite aandeden. Dat dikwijls verklaard was geweest, dat men niet afweek van de oproepingsbrieven. Dat de Synode toekwam de wijze, van handelen voor te schrijven. Deze was nu bij de Synode gesteld, dat zij op zekere vraagstukken hunne meening zouden verklaren; indien zij naderhand iets tot overvloediger verklaring meenden te ontbreken, dat zij datzelve zoude mogen te kennen geven, en zeggen, dat hunner zaak nog niet was genoeg gedaan. Dat men hen altijd vrijheid zal geven zich zelven nader te verklaren. Zijn derhalve wederom vermaand en dat zeer ernstig, dat zij de Synode deze eere zouden bewijzen, en immers eens ten laatste op hare vragen antwoorden. De Heeren Gecommitteerden hebben ook hunne vermaningen en bevelen daarbij gedaan, en is wijdloopig, als van te voren bewezen, dat het den gedaagden niet toekomt wetten voor te schrijven, of naar hun believen den tijd te verlengen. M. Episcopius antwoordde, dat zij dat niet deden, ook niet zochten den tijd te verlengen, maar in hun schrift baden, dat bij de EE. Heeren Gecommitteerden hun de tijd gesteld zoude worden; dat zij de palen niet zouden te buiten gaan, maar bereid zijn de besluiten te gehoorzamen, mits dat hun behoorlijke vrijheid toegelaten worde. De EE. Heeren Gecommitteerden hebben geantwoord, dat alreede zoo dikwijls een behoorlijke vrijheid hun toegestaan was, en dat hun zoo dikwijls belast was de Synode te gehoorzamen. Derhalve wilden en begeerden hun EE. dat deze hunne billijke uitspraak toch eenmaal geloof en gehoorzaamheid bij hen zoude mogen vinden. De praeses heeft daarbij gevoegd, dewijl de liefde alles hoopt, dat zij dan ook van een zoo Eerw. verzameling der broederen alles goeds moesten verhopen, voornamelijk, dewijl zij nu zoo dikwijls een billijke en behoorlijke vrijheid had toegelaten. Zij moesten niet meenen, dat er geen behoorlijke vrijheid ware, dan die onder zekere conditiën zoude beloofd worden. Episcopius antwoordde dat dezelve liefde ook vorderde, alles goeds van hen te verwachten, en wijders, mits dat hem de verzochte vrijheid toegelaten, en de vragen ter hand gesteld werden, dat zij antwoorden zouden. Is geantwoord, dat, 'tgeen hij zeide van de vrijheid, lastig en verdrietig was, zoo dikwijls te verhalen, dewijl hun zoo dikwijls en wijdloopig een behoorlijke vrijheid beloofd was geweest. En om hen de vraagstukken ter hand te stellen, dat zulks noch noodig, noch gebruikelijk was in de gerichten. Episcopius antwoordde, wat in deze zaak het gebruik zij wist hij niet, maar dat hem dacht, dat het immers gansch billijk was. Pynackerus gevraagd zijnde om op de voorgestelde vraag te antwoorden, zeide: dewijl maar twist was aangaande de orde, indien hem de vraagstukken ter hand gesteld werden, en hem vrij zoude staan op [198] dien voet, dien zij begeerd hadden te antwoorden, zoo zoude hij niet weigerig zijn. Maar dat hij op staanden voet niet konde antwoorden; dat het billijk was, dat men hem langer tijd gaf. De praeses heeft verklaard, dat de vragen niet duister zouden zijn, maar dat zij lichtelijk staansvoets daarop zouden kunnen antwoorden, zoo zij maar wilden. Zoo zij misschien meenen mochten, dat de vragen niet wel of klaar genoeg voorgesteld werden, mochten zij het te kennen geven en de Synode helpen, opdat men haren zin klaar mocht weten. Episcopius voegde daarbij, dat zij bereid waren alles, wat zij tot hunne en onze zaligheid genoegzaam zouden oordeelen te zijn, voor te stellen en te verklaren. De praeses zeide, dat was het, dat men van hen begeerde, ja dat men hen gebood, en dat zij evenwel nog klaagden en uitvluchten zochten. Sapma, hetzelfde gevraagd, antwoordde, dat zij geen wetten zouden aannemen van diegenen, die zij in hunne conscientie hielden voor tegenpartij. Deze rondheid heeft de praeses geprezen, en zeide dat dit was de ware oorzaak van deze weigering, dat zij de Synode voor wettelijken rechter niet erkenden, en daarom niet wilden antwoorden, opdat zij, antwoordende, dezelve voor hunnen rechter niet erkenden. Goswinus gevraagd zijnde, zeide: mijn antwoord is in ons schrift overgeleverd. Assuerus Matthisius; hij zoude antwoorden, indien de verzochte vrijheid toegestaan werd en de vragen, die men zoude voorstellen, hun gegeven werden. En als zij allen verklaard hadden, dat zij op geen andere wijze wilden gehoorzamen en antwoor den, is hun belast te vertrekken. Toen de Remonstranten vertrokken waren, is beraadslaagd wat men verder in deze zaak zoude doen, om te voldoen aan het bevel der H. M. H. Staten-Generaal, en de verwachting der Kerken. Inzonderheid, dewijl de Remonstranten verklaard hadden, dat zij niet alleenlijk uit hunne schriften wilden geoordeeld worden, maar ook uit het gevoelen, 'twelk zij nu hebben, en datzelve weigerden te verklaren op het vragen der Synode. Is gevraagd of het niet tijd was, dat men, aan een zijde stellende en voorbijgaande de meening van dezen of genen, die zij bizonderlijk hadden, zoodanige voornamelijk zouden onderzoeken, die de Remonstranten in hunne schriften hadden voorgesteld en totnogtoe hadden in 't licht uitgegeven, overmits de Nederlandsche Kerken door deze allermeest waren ontroerd geweest. De E.E. Heeren Gecommitteerden hebben begeerd, en dat deze deliberatie tot op vijf uren na den middag zoude uitgesteld worden, en alle de Synodale personen zijn vermaand, hunne meening, konde het geschieden bij collegiën, en dat of bij geschrift of bij monde, te verklaren.

|