|
DE DRIEËNVIJFTIGSTE ZITTING.
Denzelfden dag namiddag.
Zijn voorgelezen de adviezen van de andere collegiën, nopens de wijze, hoe men in deze zaak 't best zoude mogen procedeeren, dewelke met elkander vergeleken zijn, en is met meerderheid van stemmen besloten, dat de uitdrukking van 't gevoelen der Remonstranten, op dezelfde wijze, die men in het eerste Artikel gevolgd had, in de andere resteerende vier zoude voltrekken, en in zekere artikelen besluiten, eer men tot het onderzoek en oordeel des eersten Artikels kwame, op hetwelk nochtans iedereen vermaand is naarstiglijk te letten en dit te overwegen. In dezelfde zitting zijn door den praeses eenige dingen gedicteerd, die hij uit de aanmerkingen over de stellingen, weinig te voren door hem gesteld, verzameld had, om iets daarin te veranderen, of daarbij te voegen. En daarenboven eenige voornaamste hoofdstukken, op welke, in het verschil van het eerste Artikel, hij inzonderheid meende, dat gelet moest worden. In dewelke hij vermaande, dat meest moest gelet worden, of [192] het gevoelen der Remonstranten wel genoeg en getrouwelijk was uitgedrukt. Heeft ook de Synode gevraagd, of zij niet geraden vond, dat de gedaagden verschenen, en hun gevoelen van de voorzeide Artikelen zeiden. Voorts is goedgevonden, ’s daags daaraan hen te ontbieden, en dat uit dezelve artikelen de praeses sommige vraagstukken hun voorstellen zoude, en belasten tot nader verklaring van hun gevoelen, rondelijk en oprechtelijk te antwoorden.

|