Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Zitting 46


    DE ZESENVEERTIGSTE ZITTING.

    Den 3en Januari, Donderdag-voormiddag.

    Dewijl de Gezanten der EE. Heeren Gecommitteerden, en de Gedeputeerden der Synode, nu wedergekeerd waren van de Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, is goedgevonden de Remonstranten te ontbieden om hen te verstaan te geven de meening derzelve Hoogmog. Heeren.
    Zijn verschenen alle de gedaagden, uitgenomen Isaacus Frederici, en Henricus Leo.
    Is hun voorgelezen het besluit der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal in hunne zaak, en dat eerst in Nederduitsch, en daarna, in de Latijnsche taal, om der uitheemsche Theologen wille.

    De Generale Staten der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, heden in hunne Hoogmog. Vergadering gehoord hebbende hetgeen de Edele Hooggeleerde, en erentfeste Henricus van Essen, Raad in 't Hertogdom van Gelderland en Zutfen, Hugo Musius van Holij, Ridder, Schout van Dordrecht en Baljuw des lands van Strien, en Johannes van Hemert, Burgemeester van Deventer, en benevens hen de Eerw. Hermannus Faukelius, Assessor, Sebastianus Dammannus, Scriba, predikanten der Kerken van Middelburg en Zutfen, gelijkelijk gezonden van de Heeren Politieken, die hunne Hoogmog. gecommitteerd hadden tot de Nationale Synode, die nu te Dordrecht gehouden wordt, wijdloopig voor ons hebben verklaard, aangaande voornamelijk eenige zwarigheden of gravamina, gerezen uit sommige woordvoeringen en handelingen der Remonstranten, tot dezelve Synode door publieke autoriteit geciteerd, om dienaangaande derzelve Hoogmog. Heeren wille ten volle te verstaan; desgelijks gehoord hebbende voorlezen alle de origineele acten en besluiten, zoo uit naam der Politieken als der kerkelijken aldaar afgekondigd, en alle antwoorden der geciteerde Remonstranten, eensdeels bij geschrift overgeleverd, eensdeels mondelijk in dezelve Synode gedaan (voornamelijk van Vrijdag dezer maand, den drieentwintigsten voor den middag, tot den Zaterdag toe, den negenentwintigsten van dezelve maand December 's avonds na tien uren ingesloten); maar voornamelijk gehoord hebbende zoowel het politieke als kerkelijke besluit, den zevenentwintigsten derzelve maand voor den middag, en ook den achtentwintigsten derzelve maand, voor den middag uitgesproken; desgelijks de antwoorden, op den negenentwintigsten dag bij de nu voornoemde geciteerde Remonstranten, na den middag schriftelijk overgeleverd; alsook hetgeen zij in tegenwoordigheid daarbij hebben gevoegd; en alzoo uit de acten voornoemd, en alle andere besluiten is blijkende, dat de Eerw. en Hooggeleerde uitheemsche Theologen, eensdeels schriftelijk, eensdeels bij monde eenstemmig hebben betuigd, dat dezelve geciteerde Remonstranten de voornoemde besluiten, zoo menigmaal zij daarop hebben geantwoord, geenszins noch schriftelijk noch bij monde totnogtoe hebben voldaan; zoo is het derhalve, dat de Hoogmog. Heeren, naarstiglijk op alles gelet, en ernstiglijk met advies en in de tegenwoorheid van den Doorlucht, Prins en Heere, den Prins van Oranje etc. desgelijks van den Hooggeborenen Heere, den Graaf Willem Lodewijk van Nassau, Stadhouder, etc. alles overwogen hebbende; dewijl vooral hunne Hoogmog. daarnaar trachten, dat in de Nationale
    [180]
    Synode, die nu gehouden wordt, alles daarhenen moge gericht worden, dat men tot een gewenscht einde, om welke oorzaak deze bijeenkomst aangesteld is, zoude mogen komen (welke is de voortplanting der glorie Gods en de behoudenis der ware Christelijke Religie, die totnogtoe in deze Provinciën de overhand heeft gehad, en opdat voortaan zooveel mogelijk de welstand der Republiek en meteen de vrede en rust der Kerk en de eenigheid der goede ingezetenen bezorgd worde) hebben verklaard en verklaren bij dezen, dat de voorzeide, beslotene en afgekondigde acten en decreten, zoo bij de Politieken als Kerkelijken, met hun goede meening en voornemen en met de plakkaten, mandaten en commissiën, die zij over deze Nationale Synode gemaakt en gegeven hebben, ten eenenmale accordeeren.
    En derhalve approbeeren hunne Hoogmog. bij dezen diezelve acten en decreten, en verklaren, dat de geciteerde Remonstranten schuldig waren aan diezelve acten en decreten zich te onderwerpen en te gehoorzamen, gelijk diezelve Hoogmog. Heeren hen belasten en gebieden in 't toekomende te doen, en dergelijke decreten te gehoorzamen.
    Waartoe zij achten, dat zij met allen ernst zullen moeten worden vermaand. Want anderszins, indien zij ze niet gehoorzamen, zal aan hen niet alleenlijk de kerkelijke censuur, maar ook de politieke te werk geleid worden, gelijk men gewoon is te procedeeren tegen diegenen, die de hoogste publieke autoriteit hebben veracht en met voeten vertreden.
    Alzoo nochtans, dat zij begeeren, dat de voorzegde Heeren Politieken tot dezelve Synode Gecommitteerd, de voornaamste handelingen van die, naar inhoud der artikelen, aangaande de beschrijving der Synode, uit kracht van de commissiën en instructiën, hun over langen tijd gegeven, en naar hetgeen dezelve Hoogmog. Heeren nu geordineerd hebben, met alle vlijt en naarstigheid, uitvoeren en leiden zullen.
    Indien het misschien gebeurt, dat de geciteerde Remonstranten in dezelfde ongehoorzaamheid voortgaan en volharden, zoo willen zij, dat uit hunne publieke schriften, en ook uit de verklaringen derzelve, eensdeels schriftelijk, eensdeels bij monde, zoowel in deze Nationale, als in andere Provinciale Synoden, bij hen te voren uitgedrukt, hunne opiniën van de Religie onderzocht, geexamineerd, en met Gods Woord zal vergeleken worden.
    Belasten niettemin den geciteerden Remonstranten, dat zij binnen de Stad van Dordrecht blijven, en daaruit niet vertrekken, zonder van de Politieken een schrift, tot dien einde particulierlijk dienende, verkregen te hebben, opdat zij ondertusschen zoo menigmaal zij geroepen worden, oprechtelijk, rondelijk, en zonder uitvlucht of tegenstribbeling antwoorden, en hunne meening platuit, hetzij met woorden of schriftelijk, naardat hun door de Politieken zal bevolen zijn, en de Politieken het goedvinden, op de vraagstukken der Synode, verklaren.
    En hebben bevolen, dat dit hun decreet, wil, en verklaring van hunne meening, in de Synodale vergadering zelve, in de tegenwoordigheid en in het aanhooren der voorzeide geciteerde Remonstranten, openlijk voorgelezen en geciteerd zal worden.
    Gedaan in de vergadering der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, onder hun zegel en onderteekening, alsook onderschrijving van hun Griffier. In 's Gravenhage den eersten Januari. In het jaar zestienhonderd en negentien.

    Onderteekend,
    MAGNUS VIDIT.

    Lager stond:
    Uit last der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal,
    C. AERSSENS.

    Dit decreet openlijk voorgelezen zijnde, heeft men ernstiglijk de Remonstranten vermaand, alzoo hun nu de wil en meening der hooge Overheid bekend was, wier autoriteit zij niet mochten noch behoorden te declineeren, dat zij toch eenmaal de billijke bevelen, niet alleenlijk der Synode, en der EE. Heeren Gecommitteerden, maar ook de plakkaten der hooge Overheid zelve, zouden gehoorzaam zijn; en zijn wederom gevraagd, hoofd voor hoofd, of zij het doen zouden.
    En tot dien einde is hun deze vraag voorgesteld geweest: Of zij de Vijf Haagsche Artikelen voor de hunne erkenden; met name het eerste, dat voorgelezen werd.
    De EE. Heeren Gecommitteerden belasten hen elkeen te antwoorden, met formeele en gedicteerde woorden, die metter penne zouden aangeteekend worden.
    Episcopius heeft geantwoord: Alles in de vreeze des
    [181]
    Heeren overwogen, en met bijgevoegde ernstige gebeden tot God geexamineerd hebbende, kan ik van mijn gemoed niet verwerven, dat ik een andere manier van handelen zoude volgen, dan die in ons laatste antwoord is overgeleverd.
    Johannes Arnoldi Corvinus: het antwoord des Achtb. D. Episcopius wil ik ook dat mijne zij.
    Carolus Niellius: ik heb niets daarbij te doen; ik ben van dezelfde meening.
    Philippus Pynackerus: ik antwoord, gelijk boven de voorgaande broeders Remonstranten gedaan hebben.
    Assuerus Matthisius: ik kan van mijne conscientie niet verwerven, anders te antwoorden, dan nu gedaan is, en hoop niet dat de Hoogmog. Heeren Staten het voor ongehoorzaamheid zullen achten.
    Thomas Goswinius: hetgeen mijn Collega Matthisius geantwoord heeft, dat antwoord ik ook.
    Theophilus Rijckewaert: ik blijf bij die antwoorden, die wij deze Eerw. Synode Zaterdag hebben overgegeven.
    Henricus Hollingerus: ik zeg, dat ik niet kan wijken van de antwoorden, die wij Zaterdag hebben overgegeven; en dat ik niet dien regel en weg kan ingaan, dien ik zekerlijk voorzie te strekken tot onderdrukking en ondergang van de goede zaak, en van die waarheid, die wij belijden, zonder mijne conscientie zwaarlijk te kwetsen, God te vertoornen, en der gemeente en ontallijke Godzaligen dienstknechten van Jezus Christus een onherstelbare ergernis te geven, en dienvolgens Gods zware gramschap op mij te laden.
    Ik zal het exempel van Christus navolgen; ik zal stilzwijgen, en de geheele uitkomst bevelen Hem, die komen zal om te oordeelen de levenden en dooden.
    Gevraagd van de EE. Heeren Gecommitteerden, of hij niet uit hevigheid des gemoeds dit zeide, antwoordde hij, dat hij dit met lang voorbedacht en bezadigd gemoed voortbracht.
    Dominicus Sapma: ik heb niet te voegen tot het antwoord des Eerw. D. Episcopius.
    Bernerus Wezekius: anders kan ik ook niet antwoorden, dan wij te voren in ons overgeleverd schrift Zaterdag gedaan hebben.
    Samuel Naeranus: ik kan in conscientie (zoo mij dunkt) op sterke redenen berustende, die wij heden in ons schrift den EE. Heeren Gecommitteerden der Hoogmog. Staten-Generaal hebben overgeleverd en uitgedrukt, niet afwijken van de meening, den naast voorleden dag overgegeven.
    Eduardus Poppius: ik antwoord met behoorlijke eerbiedigheid tegen de hooge Overheid, dat ik, menigmaal en ernstiglijk den heiligen naam Gods aangeroepen, en de gansche zaak over en weder in mijn gemoed overwogen hebbende, niet kan wijken van mijn laatste antwoord; wij hebben heden den EE. Heeren Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal de redenen overgegeven, op dewelke alsnog mijne conscientie berustende is; verzekerd zijnde, dat hetgeen ik doe, den almachtigen goeden God en mijnen Heere Jezus Christus gevallig wezen zal.
    De praeses heeft ten anderen male hun deze vraag voorgesteld: Of zij hielden dat het besluit, van den volhardenden geloovige zalig te maken, was het geheele besluit van de praedestinatie ter zaligheid, en dat er geen andere praedestinatie ter zaligheid in het Evangelie was geopenbaard; en dat deze was het fundament van de zaligheid en van de zekerheid van de zaligheid?
    Heeft verder hen vermaand, dat iedereen op dezelve zoude antwoorden.
    Episcopius antwoordde: Ik blijf bij mijn antwoord.
    Johannes Arnoldi: Hetzelfde doe ik mede.
    Dwinglo: Ik blijf bij het gegeven antwoord.
    Niellius: Ik mede.
    Pynackerus: Hetzelfde antwoord ik mede.
    Mathisius: Ik ook.
    Thomas Goswinus: En ik.
    Wezekius: En ik ook blijf bij mijn antwoord.
    Hollingerus: lk heb gezegd.
    Sapma: Ik ook hetzelfde.
    Naeranus: Ik mede.
    Poppius: Dewijl de Synode op mijne conscientie geen acht neemt, zoo verwacht ik van haar geen onderrichting in de waarheid; daarom is het niet geraden te antwoorden.
    Daarna heeft de praeses deze derde vraag voorgesteld, en beval, dat zij daarop zouden antwoorden.
    Of dit namelijk hun gevoelen was, dat in het besluit van de praedestinatie maar begrepen is de verkiezing van de hoedanigheid dergenen, die zalig zouden worden, en niet der menschen ter zaligheid; of dat ze maar was een ordineering der hoedanigheid, waarmede bekleed moet zijn diegene, die zalig zal worden.
    Daarop hebben zij geantwoord; Episcopius: ik zeg hetgeen te voren.
    Poppius: dewijl het niet geoorloofd is de conscientie te voldoen door verdediging van de waarheid, en de wederlegging van de onwaarheid, zoo is het beter te zwijgen dan met antwoorden de waarheid en de goede zaak nadeel te doen.
    Johannes Arnoldi: Ik blijf bij het antwoord, alreede gedicteerd.
    Dwinglo: Ik heb niets bij het vorige antwoord te voegen.
    [182]
    Niellius: Ik ook niet.
    Matthisius: Ik heb niets te voegen tot het antwoord van Poppius.
    Thomas Goswinius: Ik heb niets tot mijn vorig antwoord te voegen.
    Pynackerus: Ik ook niet.
    Rijckewaert: Ik zeg even hetzelfde dat ik te voren gezegd heb.
    Hollingerus: Ik acht, dat door deze manier van handelen, de waarheid en onze conscientie kracht en geweld wordt aangedaan, gelijk blijkt uit het schrift, heden den EE. Heeren Gecommitteerden overgeleverd.
    Sapma: Ik antwoord hetzelfde dat Poppius heeft gezegd.
    Vezekius: Ik blijf bij mijn te voren gegeven antwoord.
    Naeranus: Indien ons geoorloofd is van de verwerping en van het gevoelen der Contra-Remonstranten, aangaande dezelve te handelen, zooveel ons onze conscientie en de stichting onzer Kerken zeggen zal genoeg te wezen, en ons dit voor de hand beloofd wordt, zal ik gaarne op het gevraagde antwoorden, zoo niet, ik heb liever te zwijgen.
    Dewijl zij zich in deze antwoorden dikwijls beroepen hadden op zeker schrift van hen, den EE. Gecommitteerden overgeleverd, waarmede zij betuigden, redenen dezer antwoorden gegeven te hebben, zoo hebben de EE. Gecommitteerden begeerd, dat der gansche Synode datzelve zoude voorgelezen worden, opdat zij van deze redenen wetenschap zouden hebben.
    Hetwelk schrift dit was:

    Aan de E. E. Heeren Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal.

    Hoewel het alzoo is, E. M. Heeren, dat uwer E. E. een groote, ja de hoogste macht over ons, uwe onderdanen, hebben, die wij niet alleen om de gramschap, maar ook om de conscientie gehouden zijn te gehoorzamen.
    Nochtans heeft God de Koning der koningen, en de Heere der heeren, dezelve zoo bepaald, dat zij hunnen onderzaten niet mogen of behooren voor te schrijven, hetwelk of tegen goede rede, of tegen den Goddelijken wil, in de Schriftuur uitgedrukt, is strijdende.
    De rechte rede is een vonk des Goddelijken beelds, en een stilzwijgende wil des eeuwigen Gods.
    De Schriftuur is de andere stemme Gods, en houdt in een vollere beteekening van den Goddelijken wil. Beide zijn ze de regelmaat en het richtsnoer aller conscientiën en handelingen, opdat, bij zooverre misschien de hoogste Overheden door onwetendheid of menschelijke zwakheid (die ook de wijste en voorzichtigste Magistraten kan overkomen) iets daartegen strijdende gebieden, zij de conscientiën hunner onderzaten met hunne bevelen met recht mogen schijnen te bezwaren.
    Onze lof, zegt de Apostel, is het getuigenis onzer conscientie, van welke niemand, veel minder een Christen, en een dienstknecht van Jezus Christus in al zijn leven de breedte van een nagel behoort te wijken.
    Maar gelijk er niets lichter is dan de conscientie voor te wenden, alzoo is het niet noodiger, dan wanneer zij klaagt bezwaard te zijn, dat met klare en duidelijke getuigenissen bewezen worde, dat haar iets voorgeschreven wordt, hetwelk tegen de natuurlijke billijkheid of Gods uitgedrukte Woord is strijdende.
    Wanneer zulks geschiedt, zoo is de conscientie ontslagen van alle menschelijke geboden, als die Gode alleen verplicht is. Wanneer wederom niet zoo is ze gehoorzaamheid schuldig, tenzij dat ze voor wederhoorig en rebel gehouden wil zijn.
    Laat ons toe, Edele M. Heeren! dat wij in deze tegenwoordige zaak, van welke nu gehandeld wordt, daar de conscientiën van anderen gesteld worden tegen de onze, uwen E. E. te kennen geven, welke de wille Gods zij, die beide wij en uw E. E. behooren te volgen.
    Het is ons ambt, niet alleen het volk, maar ook de Koningen en Prinsen des aardrijks te onderwijzen, dat zij, zoo zij hunnen onderzaten een last opleggen, hetwelk hunne conscientiën bezwaart, geen oorzaak geven tot God te zuchten.
    Wij zijn geroepen door uwe autoriteit, E. E. Heeren! tot deze Nationale Synode, opdat wij van de hooge verborgenheden der Christelijke Religie, waarin van de eeuwige zaligheid en verdoemenis der menschen gesproken wordt, onze meening zeggen, verklaren en verdedigen.
    Maar ons gevoelen is, naar ons oordeel, het gevoelen der waarheid, en van die waarheid, waarmede de glorie des Goddelijken naams en der verdiensten van Jezus Christus ten hoogste verklaard en de Godzaligheid ten hoogste bevorderd mag worden.
    Uw E. E. begeeren, de Eerw. Synode begeert, dat wij in de belijdenis en verdediging dezer waarheid, zoodanige wijze van handelen ingaan, gelijk als ons dat van de Synode, die wij in onze conscientiën oordeelen ten meesten deele onze tegenpartij te zijn, palen gesteld worden, van deze belijdenis en verdediging, en dat nog zoodanige, waardoor de waarheid verlamd, of verzwegen, of in onuitwikkelijke duisternissen en doolhoven ingewikkeld zal worden,
    [183]
    of ten minste eenige merkelijke schande lijden.
    Want zulks zal geschieden, indien ons niet toegelaten wordt ons gevoelen vrijelijk te verklaren, en de tegenstrijdige dwalingen, Gode en de Godzaligheid nadeelig, met gelijke vrijheid te wederleggen, en dezelve dwalingen uit de auteurs te citeeren en voort te brengen, die wij weten de voornaamste voorstanders en verdedigers derzelve te zijn, en die de Contra-Remonstranten in de verdediging van hun gevoelen plegen aan te halen, en over de eenstemmigheid dezer te roemen, en die wij achten zullen dezelve zeer klaarlijk en duidelijk voorgesteld te hebben.
    Maar indien wij, die aangenomen hebben de waarheid te verdedigen, toelaten, dat met vragen uit alle hoofdstukken bijgeengehaald, en met antwoorden, niet te voren bedacht en metterhaast gegeven, de waarheid niet in 't licht gebracht, maar met knibbelingen, en met een onnutten strijd van antwoorden tegen elkander gesteld, verduisterd en tot een spot gesteld wordt; verder indien wij ons bij de tegenpartij een manier van de waarheid te verdedigen, en de onwaarheid te bestrijden, tot merkelijk nadeel der waarheid laten voorschrijven; dat zulks geschieden zoude, zeggen wij conscientie te wezen, overmits datzelve tegen de goede rede en de heilige Schriftuur is strijdende.
    De rechte rede leert, dat de eene partij van de andere tegenpartij geen wetten aanneme, aangaande de stof van den twist, als die over haar niet heeft te gebieden.
    Het recht der natuur is, dat niemand in zijn eigene zaak zij aanklager, getuige, en rechter.
    Nu in deze Synode, indien gij het meeste deel der predikanten beziet, zijn dezelfden onze beschuldigers, dezelfden getuigen, dezelfden richters.
    Maar wilt de stemme Gods door Mozes sprekende gehoor geven: ,,Stelt u rechters en regeerders in ieder uwer poorten, die de Heere, uw God, u geeft onder uwe stammen, die het volk recht richten. En verdraait het recht niet, en neemt den persoon niet aan."
    Maar wat schijn van een recht, billijk en niet verkeerd oordeel zal hebben in deze Synode het oordeel dergenen, van welke sommigen van te voren door schriften, predikatiën, door een afscheiding, die zij van ons gemaakt hebben, ons hebben verdoemd; anderen alzoo openlijk van ons in de vergadering der Synode spreken, dat wij niet waardig zijn, dat de Synode met ons zoude handelen, als die noch God, noch de hooge Overheid, noch de Kerken respecteeren, die de stoutigheid tot een muur, en de onbeschaamdheid tot een schild hebben; in welker woorden en werken, gezien, niet een titel van Godzaligheid is te vernemen; die door geen goede, maar kwade, ja wanhopende conscientie gedreven worden; die in getal en in kwaliteiten (ziet daar de aanneming der personen) klein zijn, en diergelijke zeer vele en onmenschelijke en harde oordeelen van anderen meer, dewelke merkelijk betoonen een gemoed dat niet weinig met partijschap is ingekomen, en derhalve, ons bedunkens, geenszins bekwaam om te oordeelen.
    Onrechtvaardige rechters wijken af van de waarheid der rechterlijke uitspraak, wanneer zij acht nemen op de hoedanigheid van den persoon, zegt Isidorus, Lib. 3. de Summo bono.
    Paulus, de Apostel, een levendig en gansch volkomen patroon van een Evangelischen bisschop en leeraar, heeft zulk een afkeer gehad van het oordeel der Hoogepriesters, zijn bekende tegenpartij, dat hij, gevraagd zijnde van Festus, of hij naar Jeruzalem wilde trekken en over de verschillende Godsdienstpunten tusschen hem en de Joden geoordeeld worden, liever heeft willen appelleeren tot den Keizer, dan in de Kerkelijke vergadering der Joden zijn zaak te bepleiten, of zich aan hun oordeel te onderwerpen.
    De Schriftuur vermaant met ernst en met bedreiging der verdoemenis, dat niemand het werk des Heeren tragelijk doe, Jer. 48.
    Zoo uw E. E. nu begeeren, dat de grove en schrikkelijke dwalingen der Contra-Remonstranten niet te voorschijn gebracht worden, naar eisch van de zaak, zoo zullen zij begeeren, dat wij de zaak Gods en der waarheid tragelijk en nalatiglijk doen; derhalve, tenzij wij in den vloek Gods willen vallen, zoo kunnen wij in conscientie niet gehoorzamen.
    De Apostel Paulus Tit.1 vereischt onder andere plichten eens goeden leeraars ook dit, dat hij bekwaam zij de tegensprekers den mond te stoppen: Straf ze dapperlijk, opdat ze gezond zijn in 't geloof; dezelve vermaant zijnen Timotheus, dat hij onderwijze die andersgezind zijn, of God te eeniger tijd gave, dat zij, zich bekeerende, de waarheid bekenden, dewijl de Schrift van God is ingegeven, niet alleen tot leeringen, maar ook tot bestraffing, pros elenchon.
    Zoo is het ons niet geoorloofd in conscientie dit deel onzes ambts na te laten, of toe te laten,
    [184]
    dat de tegenpartij naar haar believen daar over beschikke, met name, alsdan, wanneer ons belast wordt een belijdenis van ons gevoelen plechtiglijk te doen.
    De Schrift wil alleszins, dat wij God grootmaken, alles tot zijne eere doen.
    Derhalve, gemerkt wij achten, dat de eere der barmhartigheid, rechtvaardigheid en heiligheid Gods, in veel gekwetst is, zoo mogen wij voorwaar de handhaving derzelve, van conscientie wege niet verzuimen, of naar 't believen van anderen aannemen, alsdan wanneer 't best gelegen is dezelve te verdedigen.
    De Schriftuur wil dat een herder der Gemeente en bisschop, getuigenis hebbe, dat hij gezond is in de leer, en, de schandelijke schuilhoeken vermijdende, niet wandele met listigheid, het Woord des Heeren vervalschende; maar zich zelven aangenaam stelle door verklaring der waarheid, bij aller menschen conscientiën in 't aanschijn Gods.
    Zoo mogen wij geenszins althans, daar onze naam en faam geblameerd wordt, even daarom, dat de lieden van opinie zijn, dat het gevoelen der Contra-Remonstranten het onze is, nalaten deze blaam en argwaan af te wasschen, tenzij dat wij tegen de uitdrukkelijke vermaning des Heiligen Geestes, bij de huisgenooten onzes geloofs en die buiten zijn, in een kwaad gerucht komen, en voor diegenen, die ongezond zijn in de leer, gehouden willen zijn.
    De Apostel vermaant ernstig, dat wij zullen acht nemen op ons zelven, op de leer en op de kudde des Heeren, waarover wij tot bisschoppen en herders gesteld zijn.
    Hij vermaant Timotheus, en in zijn persoon ons mede, dat wij onze bediening zeker maken; wil ook dat het einde van onzen dienst zij de stichting des lichaams van Christus.
    Maar indien het ooit tijd geweest is, zoo is het nu, dat wij op de leer van het woord des geloofs, op de kudde ons toebetrouwd, en de stichting van die acht nemen, als aan welke de leerstukken der Contra-Remonstranten, die ze voor gezond houden, strijdende met onze Artikelen, een zware ergernis hebben gegeven.
    Welke derhalve de leerstukken zijn, en de voorstanders er van, te verzwijgen, wanneer men gekomen zal zijn tot verhanling van de zaak, dat vermogen wij niet zonder kwetsing der conscientie.
    De leeraar der christelijke voorzichtigheid, Christus, die niet feilen kan, vereischt van een oprechtheid der duiven, en een voorzichtigheid der slangen.
    Maar hiertegen zal wezen, dat wij ons van de tegenpartij laten voorschrijven zoodanige wetten, die onze zaak of de verdediging der waarheid, ten hoogste nadeelig zijn.
    Weest, zegt de Schriftuur, navolgers Gods en van Christus, en tot de Corintheren schrijft de apostel: Weest mijne navolgers, gelijk ik ook van Christus ben.
    Dit te doen betaamt een goede conscientie en een Christelijk gemoed.
    Maar wat is er bij God gemeener, dan door de Profeten uit te varen tegen de dwalingen der valsche profeten?
    Wat is er bij Christus gemeener, dan bij elke gelegenheid de wet des Heeren te redden van de verleidingen der Farizeën?
    Wat is er gemeener bij Paulus, dan tijdig en ontijdig het gevoelen der Joden van de rechtvaardigmaking uit de werken te wederleggen?
    Hier hebben de Apostelen zich geen palen van de Joden of Heidenen, of van eenig mensch laten stellen; maar waar en wanneer het gelegen was, en zij het noodig oordeelden, daar zijn zij in de verdediging der waarheid en bevechting der onwaarheid, standvastig geweest tot der dood toe.
    Ook als Paulus aan Petrus, de voeten niet recht dragende, in aller tegenwoordigheid tegenstond, omdat hij te bestraffen was, heeft hij zich van Petrus geen wet van zwijgen of spreken laten voorschrijven.
    De Schriftuur wil dat in de Kerke Gods alles ordelijk en geschiktelijk toega.
    Met welke plaats der Schriftuur, alle rechtgevoelenden de noodzakelijkheid der kerkelijke orde bewijzen.
    Maar het zal voorwaar onbetamelijk zijn, dat de Goddelijke waarheid, die de Zoon Gods met zijn bloed verzegeld heeft, zich de palen laat zetten harer verdediging, en de uitroeiing der dwalingen, van diegenen die deze waarheid gansch openlijk tegenspreken.
    Het zal onbetamelijk zijn, daar wij nog niet bij der hand hebben genomen een zoodanig verantwoording en verklaring onzer artikelen, dat zulk een onderzoeking der waarheid door vragen en antwoorden, uit welke anders niet dan meerder verwarring en confusie der zaken, die te verhandelen zijn, voorzeker zal volgen, aangesteld worde.
    En dat is tegen de orde der Kerk, en ten eenenmale ongeregeld, dat in een Synode, die bijeengeroepen is om de beroerten der Kerk te stillen, ons de vrijheid afgesneden worde, van die zaken te handelen, die de voorname en principale oorzaak zijn der beroerten en oneenigheden.
    Uw E. E. zien wel, dat het geen middelmatige zaak is, van welke verschil is, maar
    [185]
    die door de rechte rede, klare plaatsen der Schriftuur en Godes, Christus en der Apostelen exempelen bepaald en omschreven is, zoodat allen, die den dienst des geloofs in zuivere conscientie willen houden, anders geen koers behooren, noch ook, zoo zij acht nemen willen op hun ambt, te mogen vernemen.
    Indien de conscientiën van uw E. E. en van de Synode anders oordeelen, wij willen haar het tegenovergestelde niet voorschrijven, want wij zijn menschen.
    Maar dewijl onze conscientiën anders oordeelen, welker trouw, oprechtheid en onnoozelheid ons boven alle dingen het liefst zijn, zoo bidden wij ootmoediglijk uw E. E., dat eerst onze redenen en die der Synode overwogen worden, en dat uw E. E. zich als scheidsmannen tusschen onze conscientie en die der Synode willen stellen.
    Voorzooverre de Synode bewijzen kan, dat dit geval geen stuk is, de conscientie betreffende, en dat onze begeerte onbillijk is, zullen wij zeer gaarne wijken.
    Voorzooverre wij bewijzen, dat dit geval is een stuk, de conscientie rakende, en dat wij gansch billijke dingen verzoeken, zoo wilt ons eindelijk onze bede toestaan.
    Zoolang nu dit niet is onderzocht, wij bidden uw E. E. dat zij onze conscientiën voortaan in deze zaak niet langer van de Synode laten kwellen, opdat ze niet schijnen, of ons een noodzakelijkheid, om tegen het aanraden onzer conscientie te handelen, op te leggen, 'twelk ongoddelijk zoude zijn, en de zaak der waarheid ten believe der vijanden toe te laten; of zich zelven een noodwendigheid opleggen, onder schijn en titel van ongehoorzaamheid en hardnekkigheid tegen onze Magistraten, iets hards tegen onnoozele harten, en getrouwe dienstknechten van Jezus Christus, en gehoorzame onderzaten, buiten onze verdienste te bepalen.
    Hetwelk wij nochtans liever hebben geduldig te dragen, dan dat wij schijnen zouden de zaak Gods en van Christus, door onze nalatigheid verzuimd te hebben, en, tegen conscientie handelende, de zoo menigmaal in de Schrift vervloekte fout van schijnheiligheid te begaan, en de gramschap des almachtigen goeden Gods, die onze lichamen en zielen in de hel werpen kan, tegen ons te verwekken.
    Derhalve met volle vrijmoedigheid onzes gemoeds, en onzer conscientie, berusten en blijven wij bij ons laatste antwoord, bereid zijnde in de zaak te treden, voorzooverre het op dezen voet ons toegelaten wordt.
    En gemerkt ('twelk wij verzoeken, dat genoteerd worde) de Synode oordeelt, dat dit geval geen stuk der conscientie is, en wij de gansche zaak zwaarder wegen, zoo zal ze immers voor ons in deze zaak zonder kwetsing van hare conscientie, zooveel mogelijk inschikkelijk zijn.
    Dit hebben wij uw E. E. willen laten weten, opdat wij niet schijnen zouden iets dat tot onderrichting van uw E. E. in deze zeer gewichtige zaak, dewelke niet de geringste omstandigheden, maar Godes eer, de getrouwheid van ons ambt, de stichting der Kerk, en de zaak van de waarheid zelve is betreffende, nagelaten te hebben.

    Onder waren geschreven de namen van alle de geciteerden.

    De E. E. Gecommitteerden hebben aan de Synode verklaard, wat zij op dit schrift hadden geantwoord.
    Te weten, dat ze meenden dat het, in zijn geheel, op drie fundamenten voornamelijk was berustende.
    Het eerste was, dat ze klaagden, dat de verklaring van hun gevoelen te nauw bepaald werd.
    Dat ze daarop hadden geantwoord, dat hun bij besluit der Synode een ruimer verklaring van hunne meening, nadat ze op de vraagstukken zouden hebben geantwoord, ten volle wordt toegelaten, waarbij ook wordt te kennen gegeven, dat hun niet alleen de bestrijding van het tegenovergestelde gevoelen toegelaten, maar ook zelfs belast zal worden, zoodat ze met geen recht kunnen klagen, dat de vrijheid van hun gevoelen te verklaren en te verdedigen verkort zij.
    Het tweede ging de kwaliteit der Synode aan, welker autoriteit zij zochten te ontwijken, omdat ze was hare tegenpartij; en dat die beschuldiging door de adviezen en bondige redenen der uitheemschen wederlegd was geweest.
    Het derde was, dat ze hunne conscientiën stelden tegen het besluit der Synode en der E. E. Heeren Staten en hunne Gecommitteerden.
    Dat hun geantwoord was, dat bij die besluiten niet werd belast iets dat met recht hunne conscientiën konde bezwaren.
    Dat ze ook zooveel aan hunne conscientiën niet moeten toegeven, dat zij gansch geen acht schijnen te nemen op de conscientiën der E. E. Gecommitteerden en der gansche Synode, die voorwaar veel minder aan de hare gebonden konden zijn; derhalve dat het ook billijk was, dat de Gecommitteerden en de Synode op hunne eigene conscientiën acht namen, en dat zij daarom hen belast hadden
    [186]
    alzoo de wil der Hoogmog. Heeren Staten Generaal uit dit besluit hun genoeg was blijkende, zich denzelven te onderwerpen.
    De praeses heeft den Remonstranten deze vierde vraag voorgesteld: dewijl zij in de overgeleverde Artikelen gezegd hadden, dat God verkoren had met aanzien van voorgaande gehoorzaamheid, wat zij door deze gehoorzaamheid verstonden.
    Zij hebben geantwoord: Episcopius: Ik heb geen oorzaak van mijne meening te wijken.
    Zoo ik God niet vreesde, ik zou niet doen, wat ik doe.
    Johannes Arnoldi: Ik blijf bij het gegeven antwoord.
    Poppius: Nergens heb ik in de Schriftuur gelezen, dat het predikanten, of alleen of verzameld zijnde, toegelaten is alzoo met hunne mededienaars te handelen. Ik heb de conscientie bijgebracht, en niemand is er die mijn conscientie voldoet.
    De praeses heeft hem geantwoord, dat de gansche Christenheid oordeelen zoude, dat den predikanten in Gods Woord macht gegeven is te vragen naar het gevoelen hunner mededienaren; dat in de Kerke Gods opzieners moeten zijn, die van de leer en het leven der leeraren in de Kerk oordeelen.
    En vraagde hem, of hij de discipline, die van Christus en de Apostelen ingesteld is, begeerde uit de Kerk uitgesloten te hebben.
    Poppius antwoordde: men moest niet gebieden eenen, die zijn conscientie aanvoert, tenzij men voorhenen arbeide, dat zijne conscientie genoeg gedaan worde; dat hij oprechtelijk voor God sprak, en de Synode bad, niet zoo aan hem te willen doen. Hij beklaagde den stand der Synode, dat ze alzoo met hem handelde. Men moest niet door autoriteit handelen, maar met redenen de conscientiën voldoen.
    De praeses betoonde, dat dit antwoord naar hoovaardigheid ruikt. Dat zij heel vrijelijk oordeelden van de besluiten der Hoogmog. Heeren Staten en der Synode, maar niet lijden wilden, dat men van hen en hun doen zoude oordeelen; dat hunne conscientiën nu overlang behoorden vergenoegd te zijn. Hun was nu vrijheid ruim genoeg door 't besluit der Synode toegestaan, niet alleenlijk om hun gevoelen te verdedigen, maar ook om het tegenovergestelde te bevechten, mits dat dezelve billijk bepaald bleve.
    De Synode zelve was met hare wetten bepaald. Het was onrécht, dat zij in de wijze van handelen, niet het besluit der hooge Overheid, maar hunne voorgevatte opinie wilden volgen. Men had van hen totnogtoe niets onbillijks afgevorderd; zij zouden beter doen deze klachten uit te stellen, totdat van hen iets onbillijks afgevorderd werd.
    Als zij voorhenen hierop aandrongen, dat zij anders niet deden, dan dat zij de Synode beschuldigden, alsof het zeker ware, dat ze hun iets onbehoorlijks zoude opleggen.
    Poppius antwoordde, dat hij redenen voorgesteld had, waarvan de nakomelingen zouden oordeelen.
    Dwinglo, gevraagd zijnde, gaf voor antwoord: Ik zie geen reden, waarom ik van mijne meening zoude moeten wijken.
    Niellius: Indien het niet geoorloofd is schrijvers bij te brengen, zoo zie ik niet, tot wat einde wij verder behooren te gaan.
    Hem is geantwoord, dat hun bij besluit der Synode toegelaten is het tegenovergestelde gevoelen te bestrijden, maar dat die vrijheid niet wezen moet onbepaald; dat zij naar bun believen de woorden van de leeraars der Gereformeerde Kerken zouden hekelen, en, om zoo te spreken, hunne graven opgraven, en hunne zielen gelijk als gaan wannen. Zoo zij bescheidenlijk wilden handelen, zoude de Synode daar niet tegen wezen, als men tot die zaak gekomen zal zijn.
    Niellius herhaalde: Hij begeerde geen onbepaalde vrijheid; had ook niet voor de graven van de leeraars der Gereformeerde kerk op te graven; maar wilde hun gevoelen van de verwerping (zooveel zij oordeelen zouden noodig te wezen) bestrijden.
    De praeses antwoordde hem, dat hun van de verwerping ook te handelen, niet alleenlijk toegelaten, maar ook belast zoude worden. Dat ze alzoo aangaande die vrijheid niet hadden te twijfelen.
    Hij zeide daartegen: hij verstond wel waar dat henen wilde, en konde derhalve niet antwoorden.
    De E. E. Heeren Gecommitteerden, daartusschen sprekende, zeiden, dat zij niet twijfelden, of de Remonstranten hadden nog in versche memorie, hoe zij in 't overgegeven schrift zich hadden beroepen op de E. E. Gecommitteerden, als tusschensprekers en scheidsmannen.
    Dit hebben zij niet kunnen nalaten te doen, en derhalve gaven zij te kennen dat zij verstonden, dat hun overvloediglijk door het besluit der Synode voldaan was, en belasten hen wederom daarmede te vreden te zijn, en niet altijd deze twistzaag over en weder over te halen.
    Voorts zijn de anderen vermaand geweest op de voorgezette vraag te antwoorden.
    Matthisius heeft geantwoord: Ik kan anders niet antwoorden dan ik gedaan heb.
    Pynackerus: Ik blijf bij het antwoord,
    [187]
    Zaterdag gegeven, zoolang onze redenen niet wederlegd worden.
    Rijckewaert: Ik heb niets bij te voegen.
    Hollingerus: Men late ons toe vrijelijk, ten volle en zooveel wij noodig achten tot openbaring en verdediging van de waarheid bij geschrift te handelen, zonder beperkingen en bepalingen, zoo beloven wij u te doen al wat redelijk en billijk is.
    Sapma: Ik heb niets te voegen bij het vorige antwoord.
    Vezekius: Noch ik.
    Neranus: Dewijl de Synode het acht geen zaak te zijn, die de conscientie raakt, zoo mag en behoort deze hare zwakheid geduld te worden van de Synode. Wij zullen de palen van bescheidenheid in de wederlegging niet te buiten gaan, mits het ons maar geoorloofd zij, vrijelijk en zonder bepaling te wederleggen. Zij hebben niets liever, dan hun gevoelen wijdloopig te verklaren, mits hun vrijheid gegeven worde, sommige monsterachtige en voor de zaligheid der menschen schadelijke leeringen te wederleggen, zooveel zij zouden oordeelen noodig te zijn.
    Hem is geantwoord, dat de redenen, in 't schrift uitgedrukt, genoeg wederlegd zijn; dat zij niets dan enkele uitvluchten zochten, opdat zij niet genoodzaakt zouden zijn hun gevoelen te openbaren. Dat hun een billijke vrijheid overvloedig genoeg bij 't besluit der Synode was, en alsnog werd toegelaten, mits dat ze door redelijke wetten der Synode bepaald werd; opdat zij misschien niets deden, 'twelk de Synode in conscientie niet mocht toelaten.
    M. Episcopius voegde daarbij, dat hij niets anders begeerde, dan dat het schrift bezien en hem toegelaten worde het gevoelen der Contra-Remonstranten, en dergenen, die zij voor rechtgevoelenden houden te wederleggen, zooveel zij noodig zouden achten.
    De Gecommitteerden hebben geantwoord, dat zij dat schrift gelezen en overwogen hadden; zoo zij meenden dat zij dat gevoelen, 'twelk duslang voor orthodox was gehouden, konden overtuigen van dwaling en valschheid, dat hun toegelaten zoude worden zulks te doen, mits dat het oordeel van de manier van te handelen niet bij hen alleen, maar ook bij de Gecommitteerden en de Synode bleve.
    En dewijl zij zoo dikwijls tegengeworpen hadden, dat in onze Kerken sommige monsterachtige leerstukken geleerd werden, die met de eere Godes en der menschen zaligheid strijdig waren, zoo heeft de praeses gevraagd: indien zij voor zoodanige punten hielden, die duslang in onze Kerken geleerd waren geweest, met wat conscientie zij de verdraagzaamheid beider partijen voordezen hadden kunnen drijven?
    Want terzelfder tijd, dat zij de verdraagzaamheid doorzetten, hadden zij verklaard, dat de betwiste leerstukken van zeer klein gewicht waren, en het fundament der zaligheid niet betroffen.
    Dat zij nu daarentegen telkenmaal zeggen en herzeggen, dat ze zoo gruwelijk zijn, dat zij hunne conscientiën niet konden voldoen, ten ware dat zij ze bevochten en uitroeiden.
    Hoe deze dingen kunnen vereenigd worden; dat zij schenen te wezen kinderen des tijds, die uit de omstandigheid hiervan de zwaarte of lichtheid der leeringen afmaten.
    Zij antwoorden, dat zij nooit de verdraagzaamheid hadden doorgezet dan die naar wetten bepaald zoude zijn. Dat zij toenmaals de schriften van Piscator en van sommige anderen niet hadden gehad; indien zij ze gehad hadden, zouden zij deze verdraagzaamheid niet doorgezet hebben.
    Hun is wederom belast van de Gecommitteerden, dewijl de meening en wille der Hoogmog. Heeren Staten hun genoeg bekend was, dat ze zich schikken zouden naar gehoorzaamzaamheid, en zonder consent niet uit de stad zouden gaan.
    De Remonstranten verzochten dat hun copie van dit besluit der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal gegeven mocht worden.
    De Gecommitteerden hebben geantwoord, dat er billijke oorzaken waren, waarom zulks niet konde geschieden. Nochtans, indien hun iets daarin dacht duister te zijn, of 'twelk zij niet wel genoeg verstonden, dat het hun twee of driemaal voorgelezen zoude worden, met welke belofte zij tevreden zijn geweest.