|
DE VIJFENVEERTIGSTE ZITTING.
In het jaar onzes Heeren Jezus Christus Zestienhonderd en negentien.
Den 2en Januari, Woensdagvoormiddag.
Is voorgelezen een missive des E. Magistraats van Bommel, verzoekende dat Henricus Leo, predikant der Kerk van Bommel, die tot deze Synode geciteerd was, weder tot zijne Kerk mocht keeren, opdat hij, tegen het aanstaande feest der geboorte van Jezus Christus, zijnen dienst aldaar, in het leeren en in 't Nachtmaal te bedienen, mocht doen. De Synode hierop gehoord hebbende het advies der Edele Gecommitteerden en meteen uit de Gedeputeerden van Gelderland den stand van dezelve Kerk, en hoorende, dat de tegenwoordigheid van Leo daar niet noodig was, en dat die Kerk door de nabijgelegene predikanten konde verzorgd worden; heeft goedgevonden, dat Leo met de andere Remonstranten daar blijven, en niet weggezonden zal worden, immers niet voor en aleer de Gezanten der EE. Heeren Gecommitteerden aan de Hoogmog. Heeren Staten-Generaal zouden wedergekeerd zijn, en dat men dit aan den E. Magistraat van Bommel zoude schrijven. Welk schrijven ook de E.E. Heeren Gecommitteerden zeiden met het hunne te zullen vergezelschappen. Zijn wederom de [179] Gedeputeerden van iedere Provincie vermaand, dat zij bijtijds zien zouden de bezwaren, aangaande de leer, vaardig te maken en onder anderen naarstiglijk op de leer, in de disputatien van M. Episcopius, onlangs in 't licht uitgegeven, begrepen, te letten. Zijn ook voorgelezen eenige bezwaren, aangaande de Reformatie van de Academiën. Dewijl hiervan naderhand gesproken zoude worden, en het een zaak was van groot gewicht, is elk een vermaand geweest, daarop bijtijds en ernstig te letten, opdat de E. M. Heeren Staten der Provinciën, door de goede adviezen der Synode geholpen, en in het toekomende alle Nederlandsche Academiën alzoo mochten geordineerd en geregeerd worden, dat daaruit geen nieuwe zwarigheid mocht rijzen, gelijk totnogtoe uit sommige, tot zeer groote schade der Kerk, was gerezen; maar dat beide de Republiek en de Kerk behoorlijke en gewenschte vruchten uit die plantsoenhoven trekken mochten.

|