Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Zitting 44


    DE VIERENVEERTIGSTE ZITTING.

    Den 31en December, Maandag-voormiddag.

    De Eerwaardige Hooggeleerde D. Johannes Polyander, Doctor en Professor der heilige Theologie in de Academie van Leiden, heeft een geleerde, welbearbeide en deftige Latijnsche Predicatie gedaan, uit het 52e hoofdstuk van Jesaia vs. 7. Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten, enz. Die hierna volgt.

    Doorluchtige, Edele, Hoogwijze Heeren Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, Eerwaarde Praeses onzer Synode, Eerwaardigste Bisschop, en gij allen, Wijdberoemde, Hooggeleerde en zeer aandachtige Doctoren, Predikanten en Ouderlingen.

    Dewijl het den Eerwaardigen Praeses beliefd heeft onlangs mij te belasten, dat ik, de voetstappen ingaande der Achtbare Mannen, Doctor Hallus en Doctor Scultetus, een predikatie in deze plaats zoude doen, en mijne meditatiën op eenigen tekst der heilige Schriftuur zoude voortbrengen; zoo zal ik in den ingang anders geen excuus gebruiken, dan dat ik geacht hebbe mijn schuldigen plicht te zijn, aan de autoriteit van den praeses te gehoorzamen, en mij verzekere, dat gij naar uwe bizondere gunst en vriendelijkheid tegen mij, waarmede de goede Almachtige God uwe E. onder zoo vele uitnemende gaven versierd heeft, dit mijn voornemen en publieke getuigenis mijner gehoorzaamheid zult goedkeuren.
    Dit vertrouwende zal ik, eer ik mijne predikatie begin, de hulp des Heeren, die hemel en aarde gemaakt heeft met dit mijn gebed, aanzoeken, u ernstiglijk biddende, dat gij mij, met den monde voorgaande, niet uitgestrekte harten wilt navolgen.
    Almachtige en barmhartigste God, Vader onzes Heeren en Zaligmakers, Jezus Christus, die de fontein zijt aller wijsheid en geleerdheid! dewijl wij hier in uwen en uws beminden Zoons naam vergaderd zijn, opdat wij van uwe heilige, hooge en verborgene heimelijkheden uws Rijks, ons in uw Woord geopenbaard, godzaliglijk, vrediglijk, en heiliglijk handelen.
    Wij bidden U, dat in deze heilige en uwe Majesteit behaaglijke en ons heilzame oefening, Gij niet alleen onze tongen, maar ook onze ooren en alle onze gedachten
    [172]
    wilt besturen, naar den eenigen regel, uw Goddelijke wet, de oogen onzes verstands, met beklaaglijke blindheid ten hoogste bevangen, door de stralen uws Geestes verlichten, ons verstand meer en meer in alle waarheid leiden, en onze harten met oprechte godzaligheid en broederlijke liefde ontsteken; tot uws Naams eere, stichting uwer Kerk, en onzer zielen zaligheid, Amen.
    Wilt met mij Gods Woord met behoorlijke eerbiediging en nederigheden des harten aanhooren, eertijds door den Profeet Jesaja verkondigd en beschreven in het 52e hoofdstuk vs. 7 zijner Profetie: Hoe lieflijk zijn op deze bergen de voeten desgenen, die blijde tijding brengt, vrede verkondigt, het goede blijdelijk boodschapt, verkondigende zaligheid, zeggende tot Zion: uw God heerscht!
    Hetgeen in 't gemeen van vermaarde wetenschappen en treffelijke ambten naar 't gemeene spreekwoord der Grieken gezegd wordt, ta kala duscola, dat is, zaken die schoon zijn, die zijn ook zwaar; dat ditzelve bizonderlijk op den Kerkendienst gepast mag worden, betuigt overvloediglijk zoowel de H. Schriftuur als de ervaring zelve.
    Indien gij de heilige Schriftuur beziet, de Apostel Paulus leert 1 Tim. 3. Dat die een Bisschopsambt begeert, die begeert een uitnemend werk: een werk om de zwarigheid der bediening; uitnemend, om zijne waardigheid.
    Zien wij op de ervaring, deze bewijst met verscheidene exempelen aller tijden, dat de bediening des Goddelijken Woords, waarmede met eens menschen tong de gansche menigte des volks zoetkens gekoesterd en bewaard wordt in den gemeenen band der heilige Religie, en in onderlinge liefde der waarheid en des vredes, niet minder hard en arbeidzaam is, dan prijselijk en eerlijk.
    Daarop ziende, roept de Profeet Jesaja met recht uit: Hoe lieflijk enz. Met welken uitroep die uitnemende Profeet te kennen geeft, dat geen menschen treffelijker gezantschap onder Gods volk zijn bedienende, geene meer dank met hunnen heiligen arbeid, bij Godes volk verdienen, dan predikanten des Goddelijken Woords, die in den naam van God, den Allerhoogsten Koning, den onrustigen den vrede, den ellendigen het goede, den verlorenen de zaligheid, den gevangenen de vrijheid verkondigen.
    De gelegenheid van dezen uitroep zal iedereen met mij lichtelijk uit de voorgaande verzen bemerken; in dewelke Jesaja de belofte Godes van de verlossing door den toekomstigen Messias, en de zending zijner voorloopers, de oude Kerk onder het beeld van de verlossing uit de Babylonische dienstbaarheid heeft willen afbeelden, opdat hij in dezen zeer blijden uitroep zoude uitbreken, waarmede zij eensdeels den gezanten, die Zion vrede zullen verkondigen, door eenen profetischen geest toeroept, eensdeels Zion gelukwenscht, vanwege de gewenschte komst derzelve.
    In welke gelukwensching hij deze predikers is prijzende, vanwege drie dingen: vanwege, namelijk, hunne waardigheid, vlijtigheid en lieflijkheid der leer.
    Hunne waardigheid wijst hij aan door een figuurlijke manier van spreken, genomen van de schoonheid en oprechtheid der lieflijke voeten, waarmede hij beide hunne aanzienlijke zending en eerlijken omgang voor de menschen beteekent, opdat hij aanwijze, dat zij van de valsche Profeten, niet zoozeer door het aanschijn en de belijdenis des monds, als door de wettelijke roeping en de schoonheid van manieren kunnen onderkend worden.
    Hunne naarstigheid beschrijft hij, niet alleenlijk uit de oude manieren der Profeten, die eertijds, van God tot de Joden gezonden, op de bergen van Palestina plachten te klimmen, en van daar den volken te prediken, opdat zij van allen te klaarder en luider gehoord zouden worden; maar ook door een gelijkenis of van de herders, gelijk sommigen meenen, of, gelijk anderen liever meenen, genomen van de wachters, op de bergen; van welke gene naarstig waren in de schapen te weiden en te leiden, waar zij op de bergen liepen, deze, uit eenige verhevene plaats de wacht houdende, hunne naburen te voren waarschuwden van de komst of der vijanden, of der roovers.
    Wij zijn van gevoelen, dat beide de gelijkenissen op de predikers des Evangelies kunnen toegepast worden, overmits dat hun overal in de heilige Schriftuur den titel van herders en wachters wordt gegeven. Om weinige uit vele te kiezen.
    Wie weet niet, dat de bedienaars des Goddelijken Woords, bij Ezechiel hoofdstuk 34, herders genoemd worden, denwelken God de zorg zijner schapen bevolen heeft, dat zij de verbijsterd loopenden wederzoeken, de verbrokenen verbinden, de kranken versterken, enz.
    Wie weet niet, dat dezelve (Ezech. 3.) ook wachters genoemd worden van God, gelijk als op eenen berg of toren gesteld, opdat zij als uit een verhevene plaats, de oogen slaande op het volk, dat hun toebetrouwd is, alle hunne handelingen
    [173]
    waarnemen, en van de aanstaande perijkelen, zoo zij hunnen schuldigen plicht niet doen, bijtijds waarschuwen?
    Want dat verklaart God door zijn aanspraak aan Ezechiël, hoofd stuk 3. en 33. Gij menschenkind, ik heb u gesteld tot een wachter over het huis Israëls, dat gij uit mijnen mond het woord hoort, en hen van mijnentwege waarschuwt. Wanneer Ik tot den goddelooze zeg: voorzeker gij zult sterven, en gij hem niet waarschuwt noch aanspreekt, dat gij den goddelooze vermaant, hem weer roepende van zijnen goddeloozen weg, opdat gij hem behoudt; zoo zal deze Goddelooze in zijne ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal ik van uwe handen eischen. Maar gij, wanneer gij den goddelooze vermaand zult hebben, en hij van zijne boosheid zich niet bekeert, en van zijnen boozen weg, zoo zal deze in zijne boosheid sterven, en gij zult uwe ziel verlossen.
    De apostel Paulus scherpt dit den Ouderlingen der Kerk van Efeze wel in, hen deftiglijk vermanende Hand. 20. Dat zij acht nemen op zich zelven, en op de gansche kudde, over welke de Heilige Geest hen gesteld had tot Bisschoppen, om de Kerke Gods te weiden, en de wolven te weren.
    Opdat wij tot onzen Jesaja wederkeeren, hij zegt, dat de voeten der herderen op de bergen, en dienvolgens gelijk als in 't midden tusschen God en de menschen gesteld zijn; vanwaar hun gansche omgang door allen, aan gene zijde, namelijk van den hoogsten God, aan deze zijde, van de volkeren, die tot Zion komen geloopen, lichtelijk kan gezien worden.
    En dit zij genoeg gezegd van de waardigheid en naarstigheid der Evangelische gezanten.
    Opdat wij voortgaan tot de lieflijkheid hunner leer, dezelve kan gekend worden, zoo uit de benaming, als uit de vruchten des Evangelies.
    Want hunne leer wordt hier genoemd een Evangelie, 'twelk bij uitnemendheid te zeggen is een goede, blijde en gelukkige boodschap van God, den Vader, met ons verzoend in Christus, den Immanuel, ons geboren en van den Vader gegeven, opdat Hij ons allen in allen zij: wijsheid den onwetenden; een weg den dwalenden; een waarheid den twijfelenden; gerechtigheid den schuldigen; heiligmaking dengenen, die met zonden bevlekt zijn; verlossing dengenen, die onder het vleesch, de wereld en den vorst dezer wereld gevangen liggen; eeuwig leven den sterfelijken, en het brood des levens den hongerigen.
    De vruchten dezer lieflijke leer worden van onzen Profeet gesteld vier, te weten, vrede, 't goede, zaligheid en het rijk Gods, welke vruchten, als door eenen onverbrekelijken band aan en in elkander gebonden zijnde, alhier zeer wel bijeengevoegd worden.
    Want waar door zonderlinge zegening Gods het zaad des Evangelies gezaaid wordt, daar bloeit de vrede; waar de vrede bloeit, daar is het dat gelijkelijk het goede en de zaligheid der zielen en het rijk Gods groeien en bloeien.
    Daarom voegen de Apostelen in hunne zendbrieven altijd te zamen in hunne groetenissen den vrede Gods, of met de genade Gods, of met zijne barmhartigheid, of met beide.
    Daarom wordt in het lied der Engelen, hetwelk zij in de tegenwoordigheid der Bethlehemietische herders gezongen hebben, ter eere van het Kindeken, ons geboren, en van den Zoon, ons gegeven, de vrede gesteld in 't midden tusschen Gods glorie en goedgunstigheid tegen de menschen. Onder den naam van dezen vrede begrijpt de Profeet allerlei zegeningen, zoo lichamelijke als geestelijke, die allen menschen, het Evangelie aannemende met gehoorzaamheid des geloofs, in de heilige Schriftuur beloofd worden.
    Deze velerhande zegeningen Gods, aangewezen door den naam van vrede, zijn voornamelijk gelegen, zoo in de onderlinge vereeniging Gods, met ons in Christus, en van ons niet onzen naaste om Christus' wil, als in de rust der conscientie, uit die beide vereenigingen in onze harten rijzende, en meer en meer toenemende.
    Met dezen vrede als met een nauwe keten, worden de Koningen, Prinsen en Magistraten met hunne onderzaten; de herders met hunne Kerken; de huisvaders met hunne huisgenooten; God in den hemel met de engelen, op aarde met de menschen, en de menschen met God in Christus door den Heiligen Geest verknocht.
    Waarom de Profeten door eenen profetischen geest in den hemel opgetrokken, de engelen op aarde gezonden, Christus van de aarde in den hemel tot zijnen Vader wederkeerende, dezen vrede zijne Kerk beloofd, verkondigd, gegeven, gelaten, en ten hoogste gerecommandeerd heeft.
    't Goede dat uit dezen vrede voortkomt, beteekent hier hetzelfde, dat bij de Grieksche wijsgeeren genoemd wordt EUDAIMONIA; de Latijnsche noemen het Beatitudo, dat is, gelukzaligheid.
    Want al wat recht is, genoeglijk, schoon, volmaakt en alleszins te begeeren, dat noemt de H. Schriftuur goed.
    Hoewel de Philosophen naar dit goed door verscheidene wegen getracht hebben, hebben zij het nochtans nooit kunnen vinden, overmits zij, ontbloot zijnde van 't licht des Evangelies, en de oogen des geloofs,
    [174]
    nog het opperste goed des eeuwigen erfdeels, door Christus' bloed verworven, noch hunne oorspronkelijke melaatschheid, noch de schuldigheid des eeuwigen doods, twee voorname kwade zaken, in tegenstelling met dit opperste goed in zich zelven hebben kunnen erkennen, noch het rechte remedie van beide kwaden buiten zich in de verzoenofferande van Christus voor onze zonden vinden.
    Derhalve, dewijl Christus het eenige fondament en de vervulling is der ware wijsheid, deugd, vrede en gelukzaligheid, moet het ons niet vreemd dunken, dat de onwijze van wijsheid, de ondeugende van de deugd, de onrustige van den vrede, en de ellendige van de gelukzaligheid zoo onbekwaamlijk hebben gedisputeerd.
    Maar, den zoodanigen vaarwel zeggende, laat ons tot onzen Profeet Jesaja wederkeeren, die het opperste goed in deze drie stelt.
    Ten eerste, namelijk, in den vrede, waarvan wij nu gesproken hebben. Ten tweede, in de zaligheid onzer zielen. Ten derde, in de vernieuwing des rijks Gods in ons. Van welke ons kortelijk te handelen staat.
    De zaligheid wordt hier den regeerenden God toegeschreven, als den eenigen auteur, opdat wij daaruit besluiten, dat de zaligheid uit God alleen is, maar het verderf uit de menschen, en dat deze allen te zamen in het verderf blijven steken, totdat zij door de predikatie des Evangelies, die een kracht Gods is tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, uit het rijk der duisternis in het rijk des lichts overgezet, onder het heilzame juk der gehoorzaamheid Gods gebracht worden.
    Deze zaligheid, gevoegd bij den vrede en het goede, wordt aan het rijk Gods verbonden.
    Opdat wij weten, dat deze drie hemelsche gaven, als verscheidene uitwerkselen van eene en zelfde opperste oorzaak, van eenen oppersten Koning en algemeen Hoofd der Kerk, Jezus Christus, in alle en ieder zijner lidmaten zijn vloeiende.
    En in der waarheid, er is geen vaste vrede buiten het rijk Gods, geen bondig en volmaakt goed, eigenlijk zoo genoemd, geene ware zaligheid der zielen te vernemen.
    Hierom besluit de apostel Paulus deze en dergelijke heilzame weldaden binnen de palen des eenigen Goddelijken rijks, Rom. 14.
    Daar leert hij, Dat het rijk Gods is gerechtigheid, vrede en blijdschap door den Heiligen Geest.
    Ook dient niet vergeten, dat het Evangelie des rijks Gods alleenlijk aan Zion, dat is, de vergadering der zoodanigen van den Profeet beloofd wordt, met welke God zijn genadig verbond gemaakt heeft, als Hij zegt, dat Gods gezanten aan Zion verkondigen zullen: uw God heerscht; opdat hij den stand der bondgenooten onderscheide van den stand der vreemden.
    Wel is waar, God de Heere regeert wel machtig door de gemeene regeering zijner voorzienigheid, over alle beiden, te weten, verkorenen en verworpenen; maar onder de kinderen Zions, naar de bizondere beschikking zijner genade, richt Hij op het rijk der zaligheid en der eeuwige gelukzaligheid.
    Daarom is waarlijk gezegd van David Ps. 105. O zaad Abrahams, knechten van Jehova, O gij, zijne verkorenen! O kinderen Jakobs! deze Jehova is onze God, hoewel zijne oordeelen zijn over den ganschen aardbodem.
    En van den Apostel, Rom. 9, dat den Israelieten was de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de stelling der wet, en de beloften.
    Om welke bizondere privilegiën, hoewel God de Koning des Hemels en der aarde onder Israelieten in het Oude Testament waarlijk gezegd wordt bizonderlijk geregeerd te hebben, dat nochtans de vervulling dezer profetie voornamelijk de Christenen des Nieuwen Testaments aangaat.
    Want in het Oude Testament heeft God alleen zijn volk bevelen gegeven door zijne onderzaten en bloote menschen, Mozes namelijk en de Profeten, in natuurlijke zwakheden anderen gelijk.
    Maar in het Nieuwe heeft God zijne Kerk door zijnen eigenen Zoon, in den vleesche geopenbaard zijnde, waarachtig God, Hem naar de Godheid even gelijk, de statuten zijns rijks voorgeschreven en geopenbaard.
    De kortheid des tijds en uwe zonderlinge geleerdheid laten niet toe, dat ik u met een arbeidzamer verklaring dezer stof ophoude; waarbij ik maar een kort aanhangsel van de drie kenteekenen der oprechte herders zal voegen, waarmede zij van huurlingen kunnen onderscheiden worden.
    Het eerste van deze wordt onderkend uit den diversen vorm van de roeping.
    Want de getrouwe herders, niet dan van God gezonden, prediken anderen het Evangelie der zaligheid en des vredes, gelijk de Apostel. Rom. 10, uit deze plaats bewijst.
    Maar de huurlingen, geenszins van God gezonden, loopen van zelf. Gelijk God van hen klaagt bij Jeremia, hoofdstuk 23. Of gelijk Christus beide zeer aanmerkelijk afmaalt. Joh. 10. Gene komen door de rechte deur in de schaapskooi, deze van elders.
    Het tweede teeken wordt getrokken uit den verscheidenen omgang derzelven.
    Want de vrome herders, met lieflijke, rechte, en oprechte voeten wandelende,
    [175]
    verkeeren waardig hun Evangelie, en overeenkomstig hunne beroeping, en gaan derhalve met tweëerlei fakkelen, te weten, de leer en een onstraffelijk leven, den volke Gods voor. De verkeerden daarentegen, met zwarte, verkeerde en leelijke voeten wandelende, onteeren hunne schoone roeping door hunne onzuivere zeden.
    Het derde kenteeken wordt vernomen uit de ongelijke wijze van leeren. Want de goede herders prediken het een en zelfde Evangelie, hen nagelaten van de eerste en voornaamste gezanten Gods, de Profeten en Apostelen, uit den mond Gods en den zin der heilige Schrift; maar de kwade stellen de Kerk of een ander Evangelie voor, of verklaren hetzelve naar hun eigen zin en meening.
    Dusverre hebt gij mij, de woorden des Profeten verklarende en een consequentie daaruit trekkende, aangehoord.
    Opdat ik dit nu op onze predikers kortelijk toepasse; gelijk eertijds Quintilianus van de leermeesters zijns tijds vereischte, of dat zij gansch geleerd zouden zijn, of weten zouden, dat zij niet geleerd waren: alzoo wensch ik dat hedendaags de herders onzer Kerken, of gansch en gaar Evangelisten zijn, of erkennen, dat zij geene Evangelisten zijn.
    Het ware te wenschen, dat sommigen, den titel van Kerkelijken voerende, betoonden, dat zij aldus gezind waren.
    Wij zouden voorwaar minder dwalingen, twisten en beroerten, meer waarheid, eenigheid en vrede in onze Kerken hebben.
    Maar nu, door de fout van sommigen, die liever kwalijk disputeeren, dan wel Evangeliseeren, en door het rechtvaardig oordeel Gods tegen onze algemeene ondankbaarheid, en walg des zuiveren Evangelies, ons veertig jaren lang getrouwelijk gepredikt, zijn onze zaken zoo omgekeerd en veranderd, dat onze Kerken, die eertijds geweest zijn huizen van vrede, rust en vrijheid, tot welke de vreemdelingen en uitheemschen, zoo wijd als nabij gelegenen, verdreven zijnde uit hunne plaatsen, als tot een zekere toevlucht tegen de overvallende overlasten der uitheemsche vijanden, hun toevlucht hebben genomen, thans zijn huizen van stormen, openbare tooneelen van inwendige en zeer zware twisten en schouwspelen der ongebondenheid van allerlei leeringen om die te mogen staande houden.
    De herders, die, voor dezen Midianitischen krijg, den vrede, het goede, de zaligheid en het zeer bloeiende rijk Gods met groote vreugd en gunst der vromen hebben verkondigd, die weten thans, helaas! niets dan twisten, scheuringen, verdeeldheden der gemoederen en ergernissen, tot groot schandaal der zwakken en droefheid onzer vrienden, en onzer vijanden vermaak te verhalen.
    Wie is er onder u, Eerwaarde Broeders! die met mij niet zoude verzuchten vanwege deze zeer droevige gedaante onzer Kerken, of liever over de schrikkelijke verandering derzelve, waarover de geheele Gereformeerde Christenheid met ons ontsteld is; waarover hemel en aarde verschrikken; waarover de Engelen, dagelijks uit den hemel tot ons nederdalende, ten hoogste bedroefd zijn; waarover eindelijk de predikstoelen, en de banken der Kerken en Academiën sidderen en zeer verwoest worden.
    Wie is er onder u, die deze Profetie van Jesaja, van de Gezanten des vredes en der zaligheid tot het volk Zions gezonden te worden, welke Paulus van de predikers des Nieuwen Testaments zegt te moeten verstaan worden, Rom. 10; wie zeg ik, is onder u, die, met mij deze Profetie overdenkende, in deze klacht niet uitbarste: Waar is, o Jesaja! uwe belofte van de zeer blijde komst der herderen, die den vrede, het goede, de zaligheid en het rijk Gods verkondigen?
    Waar zijn hunne lieflijke, rechte en schoone voeten, blinkende voor God en zijn volk, door de stralen der waarheid, door klare betooning van wettelijke beroeping, en door de klaarheid van eenen onstraffelijken omgang?
    Is het niet in tegendeel alzoo, dat zeer veler voeten zwart, krom en mismaakt gezien worden, dewelke niet van God gezonden, maar in de schaapskooi van Christus van elders anders als door de ware deur ingekomen, en met booze zeden besmet, veel liever hun goeddunken dan Christus' Evangelie, liever hunne verderfelijke disputen, dan den heilzamen vrede van Christus, liever hunne of anderen menschen besluiten, dan Gods ordonnantiën zijne Kerk voorstellen?
    Zoo menigmaal als ik deze tijden en deze manieren met de zeden der voorgaande jaren bij mij zelven ga vergelijken, zoo kan ik de beklaging derzelve binnen in mijnen boezem niet besluiten, maar moet uitroepen: o verderfelijke tijden, die door een ontijdigen dood ons hebt ontrukt onze, eertijds voortreffelijkste leeraars en herders, die de waarheid en den vrede ten eenenmaal zochten, en ons andere Theologen in hunne plaatsen, andere zeden, andere oogmerken, andere raadslagen hebben voortgebracht!
    Hoe gelukkig zijn de zielen van Junius, van beide de Trelcatiussen, en van anderen onzer voorzaten, welker namen ik nu stilzwijgende voorbijga, die God uit dit dal der ellenden
    [176]
    in zijne eeuwige rust overgevoerd heeft, opdat zij ons verderf met ons niet zouden aan schouwen! O wij daarentegen ellendigen! die dagelijks moeten aanschouwen, het gewas der zuivere leer door gedurige regenplassen en stormen van twisten, helaas! verdrukt en nedergeslagen! en die vanwege deze oproerige verdeelingen, dagelijks aanhooren moeten de zeer bittere bespotting en het verwijt onzer vijanden; welke mijne klacht ik alzoo niet begeere genomen te zijn, alsof ik, de gebreken van anderen waarnemende, de mijne niet zoude bemerken.
    Zoo weinig zijn mij mijne zwakheden niet bekend, dat ik mij uit het getal zoude durven trekken dergenen, die met hunne zonden de gramschap Gods tegen onze Republiek hebben verwekt en getergd.
    Ik ben ook niet zoo verstokt van hart, dat ik de publieke zeer zware straffen en kastijdingen onzer zonden overal in onze Kerken vernemende, mij zoude kunnen matigen, of bedwingen van mijne klachten, uit het hart voortbrekende, in uwen schoot, lieve Broeders! niet uit te schudden, en u te bidden, dat gij deze jammerlijke ongemakken onzer twisten, met mij bij God, den Vader der barmhartigheden, beweenende, den blakerenden brand onzer twisten, die ook den toorn Gods hebben aangestoken, met de vloeden uwer tranen tot in den hemel rijzende, haastelijk met mij wilt helpen uitblusschen; opdat niet door ons al te lang vertoeven de wijnberg des Heeren, met uwe eigene handen geplant, en met de heilzame wateren, geput uit de bezegelde fontein der H. Schriftuur, zoo menigmaal besproeid, met zoo vele en groote ranken, door den bizonderen zegen Gods vergroot en versierd, zoodat zij ze tot de uiterste einden des aardrijks en der zee uitgebreid heeft, dat, zeg ik, deze wijnstok door dezen gestadigen brand onzer twisten, niet eindelijk in rook en asch verandere; en onze droevige nakomelingen, den deerlijken ondergang dezes wijnstoks aanschouwende, ons, met reden aldus klagende, niet verwijten: O wijnstok, eertijds Gode behaaglijk! O wijnranken, die eertijds zoo overvloediglijk zeer lieflijke druiven hebt gedragen! door wat fout of nalatigheid onzer voorouderen mag het wezen, dat gij ten gronde gegaan zijt?
    Van welk perijkel ik u, Eerwaardige mede-arbeiders! nu indachtig make, niet dat ik aan uwe vlijt en zorgvuldigheid om onze vervallene zaken in haren vorigen stand weder te stellen, of aan den voorspoedigen uitgang onzer Synode zoude twijfelen, geenszins, Eerwaardige Heeren en Broeders in Christus!
    Want zoo menigmaal ik den kandelaar der zuivere waarheid aanzie, in vele gestoelten onzer Kerken, door zonderlinge gunst Gods te onswaart duslang bewaard, en deze Synode, die wij nauwelijks verwacht hadden, door een extraordinaire en wonderbaarlijke weldaad Gods, in deze stad vergaderd; zoo menigmaal ik uwer voorgaande zorge en uws wakens gedachtig ben, waarmede gij de eenigheid des geloofs in God, door de liefde tegen de menschen werkende, in uwe Kerken gezocht hebt te voeden; zoo menigmaal ik de achtbare en eerwaarde, uitheemsche Theologen, die heldere lichten van ons Europa zijn, en voornamelijk die het versiersel, en geen geringe hulp onzer Synode zijn, aanschouwe en respecteere; zoo menigmaal eindelijk ik de Edele politieke mannen, de E. Heeren Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten bemerke, die geen vermaning tot onzer opwekking, geen raad en daad tot onzer hulp sparen; zoo menigmaal is het dat ik mij zeer veel goeds van deze Synode belove, en dezelfde vruchten wensch, hoop en verwacht, die alle Gereformeerde Christenen met ons, over den ganschen aardbodem verstrooid, van haar wenschen, hopen en verwachten.
    Alle welke en iedereen te zamen ik hier als op de wachttoren gesteld bij mij zelven aanmerkende met hunne harten hier tegenwoordig, zoo dunkt mij, dat ik hier zie de Koningen zelven, Prinsen, Magistraten, Predikanten, en anderen, die met ons huisgenooten zijn van hetzelfde geloof, voornamelijk diegenen, welker Gedeputeerden wij hier tegenwoordig hebben, over de samenroeping dezer Synode hunne groote vreugde openlijk uitdrukken, hunne waarschuwingen, oordeelen en adviezen door hunne Gedeputeerden telkens met ons vergaderende, en daarenboven hunne wenschen, zuchten en gebeden tot God uitstortende om den gelukkigen uitgang dezer Synode.
    Door welker heilig exempel ik, aangeprikkeld, u ook volgens mijn ambt noodzakelijk moet vermanen, dat door langer uitstel het onkruid der dwalingen, twisten en oneenigheden door heimelijke en listige praktijken des duivels onder het goede Evangelische zaad in ons Nederland allengskens gestrooid, gij niet langer noch verder laat voortgeplant worden, maar met mij bijtijds en ernstiglijk lettende op een bekwaam remedie tot genezing van de wonden onzer Kerken, daartoe op alle mogelijke wijze arbeidt, dat gij de groote verwachting
    [177]
    aller vrome harten, die met ons dezelfde Religie belijden; de bevelen en begeerten zoo veler heeren en die u gedeputeerd hebben, en eindelijk aller heiligen wenschen, vermaningen, en plechtige beden voldoet; en de gezonde leer onzer Gereformeerde Kerken, door de ongelijkheid der voorleden tijden, in deze kwartieren zeer smadelijk beschuldigd en bijna verwezen, van sommige onrechtvaardige beschuldingen metteneerste redt, en de gerezene verschillen niet naar uwe eigene hersenen, maar naar de meening des H. Geestes, ons in zijn H. Woord geopenbaard, zonder vooroordeel en verkeerde neiging wilt richten en wegnemen.
    Eindelijk kan ik niet, voortreffelijke toehoorders! of ik moet u betuigen door den hoogen naam der Heilige Drievuldigheid, die gij met mij dagelijks aanbidt, door ons gemeen geloof in onzen Zaligmaker Jezus Christus, en door de gemeene verzorging der gemeenten, die ons toebetrouwd zijn, dat gij, navolgende uwe Godzaligheid tegen God en uwe liefde en mededoogen jegens uwe Kerken, die jammerlijk gescheurd zijn, dat gij, zeg ik, verjagende deze drie knapen en afgezondenen des helschen Prinsen, waarmede hij totnogtoe dezelve verstoord, en bijna omgeworpen heeft, te weten, de valsche menschelijke overlevering, oneenigheid, en de vrijheid van alles te leeren en te stellen naar ieders goeddunken, de drie zusters en voedsterlingen der Religie, te weten, de waarheid, vrede, en een vrijheid, bepaald binnen de regelen van Gods Woord, overal in hare oude waardigheid zoekt te herstellen.
    Waarmede, behalve dat gij u tegen God, de Magistraten en uwe Kerken, in welker naam gij hier vergaderd zijt, en tegen alle vrome en onpartijdige overwegers uwer daden kwijten, ook grooten lof en gunst bij alle heiligen, zoo triumfeerende in den hemel, als strijdende hier op aarde, vinden zult.
    Want wanneer gij van deze Synode thuis zult keeren, zal u de gansche menigte dezes Raads en der burgerij van Dordrecht, ook uwe Heeren Collega's, medeburgers en broeders in Christus, om een zoo gewichtige en groote zaak wel uitgevoerd te hebben, gezamenlijk toeroepen, en gelukwenschen; u zullen diegenen, die de Hollandsche Kerken toegedaan zijn, wetende, hoe gij u in deze Synode gekweten hebt, in dezelve weder op te helpen, van alle kanten te gemoet komende, met deze woorden van Jesaja toeroepen: Hoe lieflijk zijn de voeten dergenen, die den vrede, zaligheid en heilzame rust des rijks van Jezus Christus, en de Nederlandsche Kerken, nu weder hersteld, ons Evangeliseeren.
    Gezegend zij daarover onze Koning Jezus Christus, die nu in Nederland triumfeert. Gezegend zijt gij, gezanten van Jezus Christus, gewenschte predikers van dit Evangelie.
    Eindelijk, wanneer gij uit deze Synode, na dit leven, zult komen te verhuizen tot die algemeene vergadering der eerstgeborenen, geschreven in den hemel, zoo zal u onze Heere Jezus Christus, de Prins der herderen, en opperste President dezer vergadering, voor de Engelen, zijne Gedeputeerden, de Profeten en Apostelen, zijne helpers, met een kus en omhelzing blijdelijk ontvangen, en in het eeuwige gezelschap der volkomen heiligen, alwaar geen disputen, geen jaloezie, geen beschuldiging, geen verdoeming is, met zijn eigene hand inleiden, en u allen en iedereen, tot een eeuwig getuigenis uwer getrouwe bediening met deze troostelijkè rede gelukzalig maken: En gij goede en getrouwe dienstknecht, in het weinige zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u stellen. Ga in de vreugde des Heeren.
    Wil dit, o Jezus Christus! ons allen en iedereen die hier voor uw aanschijn zitten, verleenen en de verzekering van deze uwe vergelding, met den vinger uws Geestes tot eeuwige vrede onzer zielen in het binnnenste van onze harten en zinnen schrijven; hetwelk ik U, met dit treffelijk gezelschap uwer dienstknechten, bidde met dit mijn gebed, waarmede ik ook uw Vader, met welken Gij één God zijt, in uwen naam, door uwen Geest alzoo aanroepe:
    Almachtige en barmhartigste God, Vader onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus, Vader der lichten, van wien alle goede en alle volmaakte gaven zijn voorkomende, onze Vader in uwen beminden Zoon, ons uit uwe oneindelijke barmhartigheid geboren en geschonken; wij uwe dienaars, onze knieën buigende voor uwe aanbiddelijke Majesteit, bidden u, dat Gij, U erbarmende over uwe kudde, onze gebeden wilt verhooren, uw macht bewijzen, en, om ons toe te brengen, uwe volle zaligheid tot ons wilt komen.
    O God! richt ons weder op, en laat het licht uws aanschijns over ons lichten, zoo zullen wij behouden wezen. Jehova, God der heirkrachten! hoe lang zal uw toorn branden tegen de gebeden uws volks? Gij stelt ons tot een twist onzen naburen, en daarom bespotten ons onze vijanden. Gij hebt uwen wijnstok uit de naburige landen in de onze overgebracht,
    [178]
    denzelven hebt Gij door uwe dienaars bebouwd, en door uwen hemelschen dauw en regen besproeid, opdat hij wortelen zoude, en zijne ranken tot in Indië en tot de uiterste deelen des aardrijks en der zee toe, uitstrekken. In dezelve hebt Gij een toren voor de wachteren uws volks gesticht. Gij hebt ook een wijnpers der tucht in dezelve uitgehouwen. Gij hebt ze met een schutsel uwer bescherming bekleed, en van steenen gezuiverd.
    Maar deze wijnberg heeft, in stede van Iieflijke druiven, wilde beziën van twist en nijdigheid voortgebracht. En wij, de bearbeiders derzelve, hebben tusschen U en ons, door onze ongerechtigheden, een droevige scheiding gemaakt.
    Hieruit is het, dat onze tranen ons zijn in stede van dagelijksche spijze en drank. Heere God! heel ons, en zie ons niet meer aan met toornige, maar met goedertierene oogen, en zoo zullen wij geholpen zijn. Wees bij de kinderen uwer rechterhand, door welker bescherming Gij dezen onzen wijnberg wonderlijk in 't midden van de regenslagen en stormen hebt bewaard, en de breuken uws schutsels in vele plaatsen toegestopt.
    Wees vooral bij de Hoogmog. Heeren Staten dezer Vereenigde Provinciën, onze genadigste Heeren, met den Geest des raads en der sterkte. Wees bij den doorluchtigen en kloekmoedigen held, den Prins van Oranje, Maurits, en ook bij de doorluchtige Edele Heeren Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal; bij den Achtbaren en wijzen Raad dezer gezegende stad Dordrecht. Wees ook bij de uitheemsche Koningen, Prinsen en Magistraten met name bij diegenen, die hunne Voortreffelijke Theologen tot onzen bijstand hebben herwaarts gezonden.
    Wij bevelen U bizonderlijk den Machtigen en souvereinen Koning van Groot Brittanje, Jacobus, Beschermer des waarachtigen geloofs; den Doorluchtigsten en souvereinen Prins en Keurvorst van den Paltz, Frederik den vijfde, wettelijk erfgenaam en waren navolger van den vorigen en voornamelijk van den recht Godzaligen Prins, Frederik den tweede, die nooit zonder oorzaak bij de rechtgevoelenden is geprezen, en zonder einde altijd is te prijzen; den Doorluchtigsten en wijzen Landgraaf van Hessen, een parel der Duitsche Prinsen; de zeer wijze en cordate Regenten van Zwitserland; de Edele kloeke en dappere, Nassausche en Wetteravische Graven; de E. voorstanders der Syndiken en Raden der Republiek van Genève, voorstanders der Orthodoxe Religie; de Achtbare, Hoogwijze en met ons ten nauwste vereenigde Magistraten van Bremen en van Embden.
    Wees ook hier bij ons, in uwen naam vergaderd, met den bijstand uws Heiligen Geestes, en wil ons doen en raadslagen met een heilzame instorting uwer heilzame genade begenadigen, opdat de heilzame waarheid uws hemelschen Rijks, en de heilzame rust in onze Kerken, wederom groeie en bloeie, tot uws naams eere, en opbouwing uwer heiligen. Hoor ons en verhoor ons, om en door onzen Zaligmaker en Immanuel Jezus Christus, die, met U en met den H. Geest, zij eere en heerlijkheid in der eeuwigheid, Amen.