Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Zitting 42


    DE TWEEENVEERTIGSTE ZITTING.

    Den 29en December, Zaterdag-voormiddag.

    Is der Synode voorgelezen, en van dezelve geapprobeerd, de wijdloopigere en vollere verklaring des vorigen besluits der Synode, in dezer voege gesteld.

    De Remonstranten, gevraagd zijnde hun gevoelen, zoowel in betrekking tot de artikelen als aangaande de overgeleverde schriften voor te stellen, en vooreerst de zaak der Goddelijke verkiezing, door ronde en klare antwoorden op de vraagstukken, die de Synode hun zoude voorstellen, klaarder en voller te verklaren; hebben geweigerd op die wijze hun gevoelen nader te verklaren, en begeerd, dat hun vrijgelaten zoude worden een manier van verklaring, die zij noodig en voor hunne zaak profijtelijk zouden oordeelen, maar niet zoo de Synode goed vinden zoude.
    Hebben verder verklaard, dat hun onbillijk dacht te zijn, dat de Synode een wijze van te handelen hun zoude voorschrijven; wilden, dat hun toegelaten zoude worden, niet alleenlijk in de eerste plaats, maar ook omtrent alle punten en artikelen en elk argument van het gevoelen der Contra-Remonstranten en dergenen, die zij voor rechtgevoelenden houden, aangaande de verwerping te handelen, overmits in deze stof de schoen allermeest wrong; dat het hun dacht onbetamelijk te zijn, dat diegenen, die zoolang in den dienst zijn geweest, wederom aan het examen zouden onderworpen zijn, inzonderheid zoo zij in een algemeene zaak iedereen hoofd voor hoofd gevraagd worden, dewijl zij allen niet even prompt en wel bedacht zijn; dat hun aldus de mate van spreken
    [153]
    en zwijgen wordt gesteld en de vrijheid benomen, die in een wettelijke Synode vereischt wordt.

    Dat de gelegenheid van de zaak niet toeliet, dat den verweerders de maat gesteld worde van diegenen, die het tegenovergestelde gevoelen zijn toegedaan.
    Hebben derhalve verklaard, dat zij in goeder conscientie deze wijze van procedeeren niet kunnen volgen, of langer in de Synode blijven, zoo men hun die wil opleggen; dat zij liever uit den publieken dienst willen scheiden, en alles lijden, dan zich aan deze wijze van handelen onderwerpen.
    De Synode heeft hun verklaard, dat het den gedaagden niet toekomt, den richters voor te schrijven; hoe men handelen zal; maar na te volgen die wijze, die de richters voorgeschreven hebben.
    Dat in deze manier van handeling niets onbillijks was, niets vreemds en ongehoords, voor het ambt eens richters, met hetwelk zij hunne conscientiën konden bezwaren; dat een behoorlijke en Christelijke vrijheid, om hun gevoelen te verklaren, en daarna datzelve te verdedigen, hun werd toegelaten; maar, opdat diezelve niet ontaarde in een moedwillige ongebondenheid van alles zonder oorzaak, vrucht en stichting voor te stellen, te disputeeren, uitvluchten te maken, en te veranderen, dat het de Synode toekomt voorzichtiglijk daarop acht te nemen en toe te zien.
    Dat het verzoek der Remonstranten streed met het recht en de praktijk van alle wettelijke Synoden, in welker macht het altijd gestaan heeft, den gedaagden de wijze en orde van handelen voor te schrijven, en niet van dezelve aan te nemen.
    Dat een zoodanige vrijheid, die met geene wetten, noch der EE. Heeren Gecommitteerden, noch der Synode was omschreven, hoedanige zij hier eischen, zij niet behoorden te begeeren, noch de Synode geven kan, dewijl deze Synode zelve aan hare wetten is verbonden; dat hun de Synode duidelijk aanzegt en belooft, dat niet alleenlijk van de Goddelijke Verkiezing, maar ook wanneer dit artikel verklaard en geeindigd zal zijn, terstond daarna van de Verwerping zal gehandeld worden, zoo veel de Synode oordeelen zal, dat tot Gods eer, tot onderrichting der Synode, stichting en rust der Kerk, en aller conscientiën, kan en behoort genoeg te zijn.
    Dat de natuur der zaak en der leer, het exempel der Apostelen, en de praktijk aller leeraren vereischt, dat eer van de Goddelijke Verkiezing dan van de Verwerping gehandeld worde, gelijk zij ook in de Haagsche Artikelen hebben gedaan.
    En dewijl zij hun gevoelen in veel niet klaar en ten volle genoeg hebben voorgesteld, dat er geen bekwamer weg is om nader kennis te nemen van hun gevoelen, dan door hunne antwoorden op de voorgezette vraagstukken.
    Dat dit een ordinaire wijze is in alle gerichten, om alzoo tot onderzoek van een zaak te komen.
    Dat hun meermalen van de Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal is aangezegd, dat zij geen lichaam maakten, maar dat iedereen voor zich zelven, man voor man, ontboden is geweest. Dat hun wel geoorloofd is in deze zaak met elkander samenkomsten te houden, maar dat ook elkeen van zijn gevoelen en zijne leer rekenschap moet geven, waar de Synode zulks noodig zal achten.
    Zoo er misschien eenigen onder hen zoo vaardig en prompt niet zijn in 't antwoorden, dat de Synode zoodanige matigheid zal gebruiken, dat voornamelijk gevraagd zullen worden diegenen, die onder hen in deze zaak de ervarensten zijn.
    Of de rest met deze consenteeren, zullen zij met korte woorden kunnen te kennen geven.
    En indien zij meenen te kunnen bewijzen, dat in deze Nederlandsche Kerken eenige predikanten of doctoren eenige leeringen zouden drijven, die met de eere Gods strijdig en voor de ware Godzaligheid schadelijk zijn, of die niet overeenstemmen met de aangenomene en in de formulieren van eenigheid dezer Kerken verklaarde leer, gelijk zij nu dikwijls verweten hebben; dat het niet alleenlijk in hunne vrijheid zal wezen, maar daarenboven door de Synode hun ook geboden zal worden, diezelven ook, nadat zij hun gevoelen verklaard en verdedigd zullen hebben, met behoorlijke bescheidenheid te voorschijn te brengen en te bestrijden, opdat de Nederlandsche Kerken van zoodanige zware beschuldigingen en blamen verlost worden.
    En dat de beschuldigden, indien zij van dwaling overtuigd worden, op den rechten weg gebracht, of, hunne onnoozelheid blijkende, de onbillijkheid der beschuldigers aan de geheele Kerk en de gansche wereld bekendgemaakt moge worden, en dat ter eere Gods en tot rust der Christelijke Republiek.
    Eindelijk, dat de Synode niet alleenlijk toelaat, maar ook wenscht dat degenen, die gevraagd zullen worden gansch vrijelijk op de vraagstukken willen antwoorden.
    Dat zij te vergeefs hier de conscientie voorwenden, dewijl hun noch van de E. Gecommitteerden der
    [154]
    Hoogmog. Heeren Staten, noch van de Synode duslang iets belast of voorgelegd is, dat met Gods Woord is strijdende, en alzoo hier van een zaak wordt gehandeld, die de conscientiën niet raakt, maar alleenlijk aangaat de methode en manier van handelen, ja dat zij gehouden zijn, zoo zij behoorlijk acht op hunne conscientie willen nemen, de redelijke bevelen der hooge Overheid gehoorzaam te zijn, en het oordeel en orde dezer Synode op te volgen.
    De Remonstranten ontboden zijnde, heeft men deze verklaring hun voorgelezen, en gevraagd, of zij het besluit der Synode, gelijk het nu verklaard was, wilden gehoorzamen. Zij hebben begeerd copie er van, en meteen tijd om zich te beraden.
    De Heeren Gecommitteerden zeiden, dat zij besloten hadden, voorzoover de gedaagden in weigering voortgingen, eenigen uit de hunnen op denzelfden dag te zenden naar den Haag, om den Hoogmog. Heeren Staten-Generaal rapport te doen, en om hun Hoogmog. advies daarop te verstaan.
    Nochtans, opdat zij niet klagen zouden, dat men de zaak verhaaste, is hun belast de copie van deze verklaring te nemen en in de naaste kamer te vertrekken, en aldaar met elkander te zamen te beraadslagen, opdat zij terstond hunne meening rondelijk zouden verklaren.
    Beraadslaagd hebbende te zamen en wedergekeerd zijnde, hebben zij geantwoord: Hoe nader zij de zaak in bedenken namen, hoe noodiger het hun dacht, dat hun langer tijd om te beraden mocht gegeven worden; want dat er vele dingen in deze verklaring waren, die totnogtoe zoo klaar niet waren voorgesteld geweest.
    Dat zij gaarne schriftelijk wilden antwoorden, opdat zij, zooveel doenlijk ware, aan de bevelen der EE. Gecommitteerden en aan hunne conscientiën mochten voldoen, en derhalve wederom meer tijds verzochten om zich te beraden.
    Zeiden verder, dat zij nooit gedacht hadden eenige quaestie te voorschijn te brengen van de orde en methode, hoe de verschillen te verhandelen zouden zijn; alleen dit zeiden onbillijk te zijn, dat zij naar het believen van de tegenpartij gehouden zouden zijn te antwoorden; dat zij die vrijheid begeerden, die de citatiebrieven beloofden, dat is, dat zij hun gevoelen aangaande de verschillen zooveel zij noodig oordeelen, voorstellen en verklaren zouden.
    Hun is geantwoord geweest, dat de Synode niet was tegenpartij, dat ook die woorden der citatiebrieven niet met de voorstelling en verklaring, maar alleenlijk met de verdediging moesten in verband gebracht worden. Deze dingen waren hun dikwijls openlijk verklaard, en bewezen, dat het hun niet betaamde deze dingen zoo dikwijls te vernieuwen; dat de meening der Synode hun door deze duidelijker uitlegging nu klaar genoeg was bekendgemaakt, en dat daaruit licht verstaan konde worden, dat hun behoorlijke en ruime vrijheid genoeg gegeven werd; dat zij over zulks in een zoo klare zaak staansvoets wel konden en behoorden te antwoorden.
    Men heeft hun wederom gevraagd, of zij, nalatende alle uitvluchten, wilden afstaan van dit hun verzoek, en het besluit der Synode volgen.
    Zij hebben wederom geantwoord, dat zij tijd verzochten van beraden.
    Opdat zij nu van deze hardnekkigheid in alle manieren mochten gebracht worden, is raadzaam gevonden, dat men de adviezen der uitheemschen Theologen van deze hunne uitvlucht, in hunne tegenwoordigheid, schriftelijk zoude voorlezen, of zij misschien door de redenen derzelve tot gehoorzaamheid mochten gebracht worden.
    Derhalve zijn voorgelezen geweest de adviezen van alle de uitheemschen met vele en gewichtige redenen bekleed. Dewelke eenstemmiglijk verklaarden, tegen alle reden en methode te zijn hetgeen de Remonstranten begeerden, dat zij eer van de Verwerping, dan van de Verkiezing mochten handelen.
    Dat het besluit der Synode op zeer billijke redenen was berustende, de bevelen der EE. Gecommitteerden gansch redelijk en nergens met den Woorde Gods strijdig.
    Dat derhalve geen private oordeelen daartegen mochten gesteld worden, dat ook hunne conscientiën geenszins daarmede bezwaard werden; en dat de Remonstranten derhalve die konden gehoorzamen en schuldig waren dit te doen; dat hun behoorlijke vrijheid was gegeven, en zoo groote, als in een wettelijke Synode (die ook hare wetten heeft, aan welke zij gebonden is) begeerd of gegeven konde worden.
    [155]
    Advies der Theologen van Groot-Brittanje.

    Aangaande de billijkheid des besluits der Synode hetwelk de Broeders Remonstranten tegenspreken.

    Aangezien deze Eerw. Synode begeerd heeft, dat de uitheemschen hunne meening zouden verklaren van de billijkheid des besluits, en van de daad der broeders Remonstranten, die totnogtoe geweigerd hebben aan dat besluit te gehoorzamen, zoo hebben wij geacht onze schuldige plicht te zijn, kortelijk te verklaren wat wij van deze gansche zaak gevoelen.
    Dat de Remonstranten met vele bewijsredenen beweren goed en profijtelijk te zijn, dat zij hun gevoelen somwijlen ontkennend uitdrukken; dat zij er ook niet van aflaten, profijtelijk te zijn, dat niet alleenlijk van de Verkiezing, maar ook van de Verwerping gehandeld worde, dit alles staan wij hun gaarne toe. Maar dat zij wijders begeeren, dat men hun toestemmen zal van hunne ontkennende artikelen, en van den strijd der verwerping in de eerste plaats te handelen, en dat precieselijk op die wijze, die zij in hunne overgeleverde artikelen gebruikt hebben, dat dunkt ons, dat geenszins behoort toegelaten te worden.
    Want I. De natuur van de zaak zelve leert, dat men behoort bij het bevestigende te beginnen, overmits dat al het ontkennende in eenige voorgaande bevestiging gefondeerd is; zoo zal dan de leer van de verwerping niet kunnen klaarlijk verstaan worden, tenzij dat vooreerst de gelegenheid van de verkiezing klaarlijk uitgelegd zij.
    II. Het exempel van alle Theologen is er tegen, onder welke niemand van die doornachtige ontkenningen zijn verhandeling heeft begonnen, maar een iegelijk heeft, van de leer der verkiezing beginnende, altijd in de laatste plaats, en soberlijk van de verwerping gedisputeerd.
    III. Indien dit de lichtste en vaardigste weg ware van procedeeren, die de Remonstranten ons hebben voorgelegd, nochtans mogen noch zij, noch wij, dien weg ingaan.
    Niet zij; omdat zij belast zijn in de eerste plaats hun gevoelen, dat zij toestaan en leeren, der Synode over te leveren en met redenen te bevestigen; niet het tegenoverstaande gevoelen, hetwelk zij verwerpen over te halen en door te strijken. Niet ons; omdat de orde door de hooge Overheid gesteld, te veranderen, wij achten te wezen onvoorzichtig en in strijd met onzen schuldigen plicht.
    De reden van conscientie, om welke de Remonstranten zeggen, dat zij niet mogen afwijken van de orde in de artikelen gehouden, dunkt ons zwak te zijn.
    I. Omdat de methode of orde van procedeeren in dusdanige zaken, een vrije omstandigheid is, en niet iemands conscientie raakt.
    Het is dan een grove en periculeuze misslag, zedelijke boosheid te stellen in die dingen, die Gods wet niet verbiedt, maar in onze vrijheid laat.
    II. Omdat het gebod der Overheid, voornamelijk der hooge, tot gehoorzaamheid verbindt, wanneer het tegen Gods gebod niet strijdt.
    Nu kan men geen Goddelijk bevel voortbrengen, hetwelk verbiedt van de verkiezing te beginnen, of hetwelk ons dwingt van de verwerping, naar de orde, bij de Remonstranten voorgeschreven, te handelen.
    III. Omdat in middelmatige dingen de hooge Overheid, in de plaats van God aanwijst, wat dienstig en betamelijk is. Indien zij dan besluit dienstig te zijn, dat op dezen tijd en in deze orde van de eene zaak, en op een anderen tijd van een andere gehandeld worde, is zich in zoodanige zaken privaten oordeelen tegen den Magistraat te gaan stellen: alle zijne autoriteit verzwakken, en onder voorwendsel van conscientie, anders niet dan verwarring in te voeren.
    Nu dat de Synode in tegendeel vereischt, dat bij haar sta orde en wijze voor te schrijven in de Synodale handelingen, en niet bij de Remonstranten, is gansch billijk en overeenkomstig de praktijk van alle Synoden.
    Want, 1. Indien de gedaagden der Synode in deze dingen wetten zouden voorschrijven, zouden zij heerschappij over dezelve voeren, hetwelk den minderen over de meerderen niet toekomt.
    2. De leden der Synode zelven mogen zich deze macht niet aanmeten, dat zij naar de orde, die zij willen, en zooveel als zij noodig zullen oordeelen van iedere voorgestelde zaak spreken; hoeveel te minder moeten de gedaagde Remonstranten zich zelven dat aanmeten.
    [156]
    3. De Synode is bij wet verbonden deze verschillen te onderzoeken, zooveel zij oordeelen zal ter eere Gods, stichting der Kerk en rust der conscientiën te dienen; maar de Remonstranten zijn op die wijze niet verbonden.
    Derhalve is veel meer te vreezen, dat zij zullen uitspringen tot onnoodige quaestiën, dan dat de Synode met opzet de noodige zal nalaten.
    Hoewel, opdat men hun geen oorzaak van verdenking late, wij oordeelen, dat het niet buiten rede zoude zijn, den Remonstranten expresselijk te beloven, dat niet alleenlijk de leer van verwerping verhandeld zal worden, maar dat ook elk hunner artikelen, die zij bewijzen kunnen, dat in deze Nederlandsche Kerken, bij de Contra-Remonstranten, zoo men ze noemt, geleerd worden door deze verdedigd zullen worden.

    Het advies der Paltzische Theologen.

    Dewijl er gewichtige oorzaken moeten zijn, waarom een onderdaan, belast zijnde van de Hooge Overheid rekenschap te geven van zijn geloof, tegen de les van Petrus, zulks niet doen wil; en de broeders Remonstranten belast zijnde, door bevel hunner Hoogmog. Overheden, in deze wettelijke Synode de vragende Kerk rekenschap te geven, zulks weigeren te doen, en anders niet voorwenden, dan dat de vrijheid van hunne conscientiën niet genoeg is bewaard, zoo wordt met recht gevraagd, of de Synode dan de Remonstranten binnen nauwere palen dan betamelijk is, hunne vrijheid in 't spreken bepaald zoude hebben, en of zij hun meerdere vrijheid heeft mogen of moeten geven.
    Wij, de zaak alleszins naarstiglijk overwogen hebbende, oordeelen, dat de vrijheid der conscientiën der Remonstranten in hun gevoelen voor te stellen, te verklaren, en te verdedigen, meer dan genoeg bewaard is, wanneer hun zoo menigmaal is gezegd en beloofd, en tot heeschheid toe ingestampt, dat met hen niet alleenlijk van de verkiezing, maar ook van de verwerping gehandeld zoude worden, en hun toegelaten (hebbende hun gevoelen verklaard), het tegenovergestelde zediglijk te verwerpen, en hunne zwarigheden, aangaande de verwerping, te voorschijn te brengen; en dat de Synode arbeiden zal hun die te benemen.
    Maar dat het billijk zij, van de verkiezing eerst te handelen, en laatst van de verwerping, zullen zij zelven niet ontkennen, indien zij overleggen, dat de Schriftuur, de natuur en de Theologische Scholen deze wijze voor de allergevoeglijkste houden, gemerkt de Schriftuur menigmaal van de verkiezing, zonder eenig gewag van de verwerping, is sprekende, en de orde der natuur vereischt, dat de leer van de verkiezing zal gaan voor de leer van de verwerping; en er geen Theoloog is, die, in de verhandeling dezer Artikelen, zulk eene methode gebruikt heeft, als de Remonstranten begeeren. Dat het ook noodig zij alzoo te procedeeren, is daaruit blijkende, dat deze orde door de hooge Overheid aan de Synode is voorgeschreven, en de Remonstranten verzocht hebben in hunne leer geduld te zijn, met de Gereformeerde Kerken; welke dulding hun geenszins mag toegelaten worde, tenzij eerst blijke, of die leer te dulden is; nu, dat kan niet geweten worden, tenzij dat ze aan het oordeel der Synode worde onderworpen.
    En het is wonder, dat de Remonstranten zoo zeer bekommerd zijn voor de verworpenen, daar de Schriftuur minder van deze, en wijdloopiger van de verkorenen pleegt te spreken.
    Het is ook onbillijk dat zij, wegens de oordeelen Gods tegen de verworpenen, de conscientiën der uitverkorenen ontroeren, en alzoo de zaak der verworpenen drijven, alsof zij gehuurd waren om de zaak van menschen, rechtvaardiglijk van God verworpen, te verdedigen.
    Het is bovendien ook goddeloos, in een zoo diepe verborgenheid op verwarde wijze curieuze quaestiën te voorschijn te brengen of toe te laten, daar de Apostel zoodanige curieusheid bedwingt, zeggende: O mensch, wie zijt gij, die God tegenspreekt?
    Eindelijk, de wijze van procedeeren zoude vergezelschapt zijn, met perijkel van de broeders Remonstranten, gemerkt zij noch de Nederlandsche broeders, noch de uitheemsche Theologen zullen kunnen bewijzen, dat zij schuldig zijn aan die lastering, waarmede zij de gezonde leer duslang zonder zwarigheid hebben belast.
    Zij wenden algemeen voor, dat deze wijze van vragen en antwoorden hun mishaagt; maar zij moeten gedenken, dat het den ouden Christenen heerlijk geweest is rekenschap van hun geloof, ook voor de ongeloovigen, te mogen geven, in wat plaats het ook geschieden mocht.
    Zij wenden bizonderlijk voor. I. Dat zoodanige wijze is paedagogisch, of die men in scholen placht te gebruiken; dat zij eenmaal geexamineerd zijnde, niet meer begeeren geexamineerd te wezen.
    [157]
    Wij daarentegen erkennen deze wijze van te belijden te wezen Christelijk, als die in de Kerk van den Paltz met groote vrucht, over langen tijd gebruikt is geweest, en nog heden ten dage gebruikt wordt.
    Want niemand, die vreemd is, wordt daar tot den Godsdienst toegelaten, tenzij hij voorhenen op de vraagstukken van zijn geloof geantwoord hebbe, al is hij tienmaal elders geexamineerd geweest.
    Derhalve hebben zoodanig examen niet geweigerd de E. E. Theologen der Academiën van Wittenberg en Leipzig, toen zij, anno 1592, de Keurvorst van Saksen, Christianus I, gestorven zijnde, te Heidelberg gekomen waren: Pierius, Gundermanus, Calaminus, Majus, Auleander, Salmuthus, en anderen.
    Zij wenden voor II. Dat hun mishaagt de wijze van man voor man, iedereen te vragen, zich excuseerende, sommigen dat zij de Latijnsche spraak, sommigen dat zij het disputeeren zoo gereed niet hebben. Maar men heeft wel gezien, dat diegene, dié wilde schijnen die spraak zoo wel niet te kennen, dezelve zeer promptelijk heeft gesproken.
    Hun is ook zeer wel geantwoord geweest van den praeses, dat hier geen quaestie was van listige disputatiën, alleenlijk maar van oprechte beantwoordingen, op de vragen uit hunne eigene schriften genomen.
    Hoewel, opdat dit excuus hun benomen worde, men een lichteren weg zoude kunnen vinden, indien alleen twee of drie van hunne voornaamste voorvechters, met voorbijgang der anderen, gevraagd, en, zoo eenige zwarigheid voorgewend wordt, tijd van beraden gegeven zoude worden.
    Zij wenden voor III. Dat zij hun gevoelen niet kunnen verklaren, en aanwijzen, tenzij dat ze ook het tegenovergestelde bevechten.
    Maar indien hun gevoelen waarachtig is, dat het geloof en voorziene volharding de oorzaak zijn van de verkiezing, zij zouden datzelve wel uit de eigene beginselen, dat is, uit de H. Schriftuur kunnen bewijzen, al ware het dat er geheel geen gewag gemaakt werd van het tegenovergestelde gevoelen; ook kunnen wij ons niet genoeg verwonderen, dat een uit de Remonstranten zegt, dat de sterkte zijner zaak in deze wijze van procedeeren gelegen is, dat eer van de verwerping als van de verkiezing gesproken worde.
    Dewijl dan al hetgeen zij voorwerpen, geen reden heeft van billijke oorzaak, maar van versierde voorwendselen, achten wij, dat de Synode noch mag noch moet, den broederen Remonstranten meerdere vrijheid toelaten, tenzij dat ze het besluit der hooge Overheid overtreden, hare autoriteit ten beste geven, en ook het gezonde gevoelen van de praedestinatie openlijk willen voorstellen, om schandelijk doorgestreken te worden; maar wij oordeelen dat de Synode den broederen Remonstranten deze weldaad nog schuldig is, hen ernstig te vermanen eenmaal bij zich zelven te bedenken, wat zij doen, en overleggen wat zware rekenschap zij Gode zullen moeten geven, dat zij, hier geroepen zijnde om de wonden der Kerk te genezen, door hun onvoorzichtig vertrek, diezelve niet ontzien grooter te maken; dat zij, tegen alle exempelen aller Conciliën, der Synode wetten voorschrijven, en van haar geene ontvangen willen; dat zij (hetwelk ongehoord is) zeggen, dat hunne conscientie gekwetst wordt, zoo men (hetwelk de Schrift en de natuur willen) van de verkiezing eer als van de verwerping handelt, en daarentusschen hunne conscientie geenszins meenen gekwetst te worden, dat zij de hooge Overheid in zaken, die tegen den wille Gods niet zijn, ongehoorzaam zijn.
    Zij behooren te gedenken, wat alle vrome, wijze en oprechte mannen van hen zullen oordeelen, wanneer die hooren zullen, dat de Remonstranten, gedaagd zijnde om belijdenis te doen, niet van eens anders, maar van hun eigen geloof, liever bezig hebben willen zijn in een ander gevoelen te verachten, dan hun eigen te verdedigen.
    Zij behooren eindenlijk te bedenken, hoedanig het oordeel der Kerken, die zij dienen, wezen zal, wanneer zij hooren zullen, dat hare predikanten, meer voor de ongeloovige bokken, als voor de geloovige schapen bekommerd zijn, en liever aftreden van de zorg der uitverkorene schapen, dan dat zij den Magistraat en de Synode in een gansch billijke zaak gehoorzaam zouden zijn.

    Het advies der Hessische Theologen,

    Van de gisteren gedane verklaring der Remonstranten, dat zij liever uit deze Synode zullen vertrekken, dan dat zij het besluit der EE. Heeren Gecommitteerden, en de meening der Eerw: Synode aangaande de wijze van handelen, in hun gevoelen te verklaren en te bewijzen, nakomen en gehoorzamen zouden.

    Wij zijn van harte bedroefd, dat de Remonstranten alzoo hunne harten hebben verhard,
    [158]
    dat zij gisteren verklaard hebben, liever uit deze voortreffelijke vergadering te willen scheiden, en de verklaring en verdediging voor deze Eerw. Synode te verlaten, dan gehoorzaam te zijn aan de billijke en zooveel malen geciteerde besluiten der Overheid, en de allerbillijkste, en met de natuur der zaak, die te verhandelen staat, best accordeerende wijze van procedeeren, door de H. M. H. Staten-Generaal, en hunne Hoogmog. Gecommitteerden tot deze Synode voorgeschreven, en door deze gansche Synode geapprobeerd, in te gaan.
    Nochtans wij hebben goede hoop van hen, immers van velen onder hen, dat zij, de zaak nader inziende, hunne meening veranderen, en tot verklaring en bewijs over de Vijf Artikelen, naar het believen der EE. Heeren Gecommitteerden, zullen komen.
    Wij oordeelen derhalve met ernst, dat zij in hun gemoed behooren te overleggen, hoe zij gansch geene, ja zelfs niet in 't oordeel dergenen, die hunne zaak toegedaan zijn, waarschijnlijke reden hebben, zich der Synode te onttrekken, en de verhandeling van hunne zaak zoo ontijdelijk af te breken.
    De onbillijkheid van het besluit der Heeren Gecommitteerden, en van het oordeel der Synode, met reden voor te wenden, en indien zij ze voorwenden, te bewijzen, zal hun geenszins mogelijk wezen.
    De broeders Remonstranten hebben gezocht en voorgehad, te bewijzen met vele redenen, die zij bij hunne verklaring op het tweede, derde en vierde artikel aangehangen hadden, dat zij met reden in de verklaring van hun gevoelens, op het eerste artikel, zoowel van de stof der verwerping, als der verkiezing gehandeld hadden, en dat niet alleenlijk bevestigend, maar ook ontkennend, de opiniën van anderen, die zij oordeelen tegen het Woord Gods te zijn, verwerpende.
    Nu beide (hetwelk wij wel wilden, dat de broeders Remonstranten waarnamen) is hun ruimelijk bij deze Eerw. Synode toegelaten geweest, dat zij beide de tegenoverstaande opiniën verwerpen, nadat zij eerst hun eigen gevoelen verklaard en bewezen zullen hebben, en hun gevoelen van de verwerping zoowel als van de verkiezing voorstellen; dat alzoo alle hunne bijgebrachte redenen niets tegen deze Eerw. Synode besluiten.
    Daarenboven, opdat zij gansch geen oorzaak zouden hebben te twijfelen, is hun, ettelijke malen toegezegd, dat ook voorzeker in deze Synode zal gehandeld worden van de verwerping.
    Alleenlijk is er verschil van meening, en schijnt alsnog te wezen in twee dingen.
    Ten eerste. Of het beginsel van de handeling, nopens het eerste artikel, beginnen moet, gelijk sommigen van de Remonstranten gezegd hebben, van de verwerping; en vandaar dan komen tot de verkiezing. Of gelijk anderen wilden, de handeling zoo der verkiezing als der verwerping beide, in de voorstelling en verklaring van hun gevoelen, en ook in de redenen zelven en in alle argumenten, te zamen zouden gevoegd worden, dan of in de eerste plaats van de verkiezing, en daarna van de verwerping, gehandeld zal worden.
    Ten andere. Of den broederen Remonstranten toegelaten is, dat zij de handeling, verklaring en verdediging hunner zaak beginnen met de wederlegging van het tegenstrijdend gevoelen.
    Dan of ze vermanen zal en noodzaken, dat zij de handeling beginnen met de voorstelling, verklaring, en verdediging van hun eigen gevoelen, en, dit gedaan zijnde, voortgaan tot verwerping en wederlegging van het tegenstrijdend gevoelen.
    Het eerste heeft de Synode geoordeeld billijk en voor de natuur der zaak betamelijk, het laatste de Remonstranten.
    De meening der Synode van het eerste, te weten, dat eerst van de verkiezing moet gehandeld worden, en daarna van de verwerping, is op zeer vaste redenen berustende, die wij wilden, dat de broeders Remonstranten wel betrachten.
    1. De H. Schriftuur, in die plaatsen, daar ze expresselijk is handelende van de praedestinatie, handelt, of van de verkiezing alleen, als Efeze 1, of handelt eerst van de verkiezing, en laatst van de verwerping, en dat soberlijk als Rom. 9.
    Derhalve, deze orde, door de Hoogmog. Heeren Staten en hunne E. E. Gecommitteerden voorgeschreven en belast, en van deze Eerw. Synode geapprobeerd, niet te willen volgen, wat is het toch anders, dan de orde der Schriftuur zelve, die de H. Geest in deze zaak van de praedestinatie heeft onderhouden, te verbreken.
    2. Alle Theologen, die ooit van de praedestinatie hebben geschreven, Pauselijke, Luthersche en Rechtgevoelende, hebben deze orde gehouden, dat zij eerst van de verkiezing, daarna van de verwerping handelen.
    En totnogtoe heeft men nooit iemand gevonden, die zoo onzinnig geweest zij, dat hij geoordeeld heeft, dat men eerst handelen
    [159]
    moest van de verwerping, en daarna van de verkiezing.
    3. De natuurlijke orde raadt het.
    Want dewijl de verwerping niet verstaan kan worden geschied te zijn, tenzij dat de verkiezing van sommigen voorgegaan zij, zal men in alle manieren eerst moeten handelen van de verkiezing, en laatst van de verwerping.
    4. Gelijk het den Rechtsgeleerden, die de rechte orde onderhouden, ongerijmd zoude zijn, zoo iemand wilde staande houden, dat men eerst moest handelen over de zaak van onterven, dan van de instelling der erfgenamen, alzoo is het even ongerijmd te beweren, dat men eerst van de verwerping en laatst van verkiezing zoude willen handelen.
    En niet minder ongerijmd is het, dat sommigen van de broeders Remonstranten begeerd hebben te mogen, gelijkelijk in de voorstellingen, verklaringen, redenen en alle hunne bewijzen, handelen van de verkiezing en van de verwerping.
    Want, behalve dat daaruit een groote verwarring rijzen zoude in die dingen, die onderscheidenlijk zouden moeten verhandeld worden, zoo schijnt daarenboven nauwelijks mogelijk te zijn, dat niet een en zelfde klaar, simpel en effen bewijs samen gevat zoude worden, zoo de leer van de verkiezing als van de verwerping, die een zaak is, geheel strijdig tegen de verkiezing, tenzij dat de broeders Remonstranten in eene en zelfde sluitrede willen voortbrengen en samenhoopen vele verscheidene redenen, ja ook zoodanige zaken, die door een naarstige en behoorlijke onderscheiding klaar en duidelijk zouden kunnen geleerd worden, zouden willen door verwarring, met opzet, inwikkelen en verduisteren.
    De meening der Synode van het tweede, dat de Remonstranten eerst hun gevoelen behooren voor te stellen, te verklaren en te verdedigen, en daarna te komen tot verwerping en bestrijding van het tegenoverstaande gevoelen, heeft desgelijks zijne vaste redenen.
    1. Alle mate is eer dan het gemetene.
    Maar nu is de bevestiging de mate van de ontkenning, niet, integendeel, de ontkenning van de bevestiging.
    Eene rechte opinie, bevestigend gesteld zijnde, zoo blijkt terstond, welke opiniën valsch zijn; maar niet integendeel; de eene of de andere valsche opinie verworpen zijnde, blijkt terstond niet wat waarachtig is.
    Want de waarheid is een en eenvoudig, maar de dwaling en valschheid menigerhande.
    2. De bekwame wijze van leeren en onderwijzen leert, dat de waarheid voorgesteld, verklaard en bevestigd worde, eer dat de valschheid verworpen en bestreden zal worden.
    Wel is waar, men pleegt wel somwijlen van de ontkenningen voort te gaan tot de bevestiging, maar dat is meer gebruikelijk bij het houden van redevoeringen, dan in de twistredekundige en besliste wijze van leeren.
    3. Dit bevestigen alle wettelijke verordeningen, niet alleenlijk van andere wetenschappen, maar ook van de Theologie zelve, in welke van de affirmatie en bevestiging van het ware gevoelen voortgegaan wordt tot verwerping en bestrijding der valsche opiniën.
    4. Dezelfde methode wordt ook onderhouden in de aangenomene Symbolen en Confessiën der Kerken, als in welke eerst en voornamelijk gesteld wordt, niet wat men niet moet gelooven, maar wat men gelooven moet van de artikelen des geloofs; somwijlen, wanneer het noodig is, daaronder gesteld zijnde de verwerping van tegenoverstaande opiniën.
    Ook behoeven de broeders Remonstranten niet te denken, dat zij met deze bepalinge van het besluit bezwaard worden.
    Namelijk dat de Synode hun gevoelen van de verwerping ook wil overwegen en bedenken, zooveel zij in conscientie oordeelen zal te kunnen en behooren genoeg te wezen ter eere Gods, onderrichting, stichting en rust der Kerken en aller conscientiën.
    Want wij achten niet, dat door deze de vrijheid der Remonstranten eenigszins gevooroordeeld wordt in hun gevoelen van de verwerping voor te stellen en te verdedigen, zoowel te zijner tijd als bevestigend; maar deze bepaling, zoo de woorden luiden, achten wij alleenlijk te behooren tot de overweging en betrachting van het gevoelen der Remonstranten, welke betrachting niet is der broeders Remonstranten, maar veel meer dezer Synode.
    Wij twijfelen ook niet, of deze Eerw. Synode zal hun lichtelijk toestaan, dat zij, hun gevoelen op bevestigende wijze verklaard en bevestigd hebbende, te zijner tijd ook voort gaan tot het ontkennende, en met bijgebrachte redenen zulks bevestigen, mits dat zij niet willens al te lang futselen, en de handelingen der Synode verlengen, en dat zij aan de andere zijde in de vrijheid der Synode laten, kennis te nemen en te oordeelen, van
    [160]
    hetgeen zij bijbrengen zullen tot bestrijding van het tegenoverstaand gevoelen, en uitspraak te doen of die ongerijmdheden, die zij misschien het tegenstrijdende gevoelen zullen optijgen, ooit in de Nederlandsche kerken, om welker wille deze Synode aangesteld is, geleerd zij geweest, dan of het veel meer hunne lasteringen zijn; en zij hebben niet te klagen, dat door het voorzeide besluit hun de macht benomen wordt zonder reden, naar hun goeddunken te handelen, en van de ontkenning tot de bevestiging, van de verwerping tot de verkiezing voort te gaan.
    Want deze macht is hun nooit van de Synode toegelaten geweest, en zij kunnen ze zichzelven met recht niet aanmeten.
    Hun is nooit deze macht van de Synode toegelaten. Want dat die woorden in de oproepings-brieven, op welke zij voornamelijk in hunne redenen dringen, en met welke zij meenen dat hun deze macht gegeven is, opdat zij hun gevoelen voorstellen, verklaren, en naardat zij vermogen, en oordeelen zullen noodig te zijn, verdedigen; alleenlijk tot de verdediging, maar niet tot de voorstelling en verklaring in betrekking gebracht moeten worden, zoude het woordeken en hun hebben kunnen leeren.
    Opdat wij zwijgen, dat deze woorden geenszins behooren tot de wijze en orde van handelen.
    Ook komt hun deze vrijheid met recht niet toe. Want:
    1. Het ware onrecht, dat de verweerder gedaagd voor 't gericht, den rechter zoude durven wetten stellen, hoe en in wat orde hij behoort te procedeeren, in hem te onderzoeken en kennis van zijne zaak te nemen, en te oordeelen.
    Nu, de broeders Remonstranten zijn gedaagde verweerders, en de Synode is van de hooge Overheid voorzien met macht, om hunne zaak te oordeelen.
    Laat ze dan afhouden van zoodanige vermetelheid, dat zij dezer Synode een wet zouden stellen, aangaande de wijze van procedeeren.
    Hun wordt van de Synode niet voorgeschreven, hetwelk zij hatelijk stellen in hunne elfde reden, wat zij tot verdediging hunner zaak zeggen moeten.
    Laat ze tot voorstand van hunne zaak zeggen, wat en zooveel zij kunnen; nochtans gedachtig zijnde aan den eerbied, die er wezen moet jegens de hooge Overheid, en deze Eerw. vergadering, en aan de bescheidenheid, die hun betamelijk is.
    Maar laat ze, volgens het besluit der E. E. Heeren Gecommitteerden, en der Synode, hun gevoelen bevestigend zeggen, en aldus, dat zij wat stellen, eer zij gaan verwerpen en de tegenoverstaande opiniën bestrijden, en dat van de verkiezing eerst, van de verwerping laatst.
    2. Laat de Remonstranten een eenig exempel van eenig Concilie aanwijzen, 'tzij algemeen of particulier, waar den geciteerden verweerders, welker zaak onderzocht en geoordeeld moest worden, toegelaten zij geweest deze vrijheid en macht, van zoodanige wijze van handelen in te gaan, als zij geoordeeld hebben voor hunne zaak het bekwaamst te zijn, en die de Synode op te dringen.
    3. De manier van procedeeren voor den politieken rechter, in de wereldsche vierschaar, is den Remonstranten tegen.
    Want de rechter zal niet gedoogen, dat de gedaagde verweerder hem voorschrijve of opdringe de wijze van procedeeren. Ja, hij zal zijn eigene orde en wijze van handelen ingaan, die hij oordeelen zal bekwaamst te wezen, om ten volle van de zaak des gedaagden kennis te nemen.
    Eindelijk, wat aangaat het onderzoek der broeders Remonstranten, door zekere vraagstukken hun voor te stellen, hetwelk sommigen onder hen meenen noch voor hunne jaren, noch voor hunnen dienst te betamen.
    Wij oordeelen, dat zij niet recht dat examen niet kunnen noch mogen weigeren. Want, ons bedunkens, zal hun anders niet gevraagd worden, dan hetgeen zal schijnen te behooren tot verklaring van hun gevoelen, begrepen in de overgeleverde voorstellingen, en tot uitlegging van eenige termen, of manieren van spreken.
    Nu iedereen, van wat jaren of waardigheid hij zij, voornamelijk een Theoloog, is gehouden, naar het bevel des Apostels elkeen rekenschap te geven van het geloof en de hope, die in hem is, voornamelijk, zoo het geschiedt door publieke autoriteit, met welke de broeders Remonstranten wel weten, dat deze Eerw. Synode bekleed is door de hooge Overheid dezer Provinciën.
    Indien het hun bezwaarlijk is en moeielijk, dat iedereen, hoofd voor hoofd, antwoorde op het gevraagde, misschien zullen zij van deze Synode verkrijgen kunnen, dat diegenen, die onder hen de vaardigsten en kloeksten zijn, eerst gevraagd worden, en daarna de anderen, of zij het antwoord en de verklaring derzelven toestaan; alzoo zullen zij geen oorzaak hebben, of hunne bekommerdheid, of hunne vrees, of iets dergelijks voor te wenden.
    Wij achten derhalve, dat men den broeders
    [161]
    Remonstranten, dit alles en dies gelijken, ernstelijk behoort in te scherpen, en door den H. naam van Jezus, de behoudenis der Kerken en hunne eigene conscientie te bidden, te vermanen, en te smeeken, dat zij wel willen overwegen, wat hun in deze zaak te doen staat, en om geen zoo lichte oorzaak, tegen het besluit van de hooge Overheid en meening dezer Synode de handeling hunner zaak af te breken.
    Laat ze bedenken, of zij hunne conscientie meer zullen bezwaren, zoo zij naar de meening dezer Synode, en naar het bevel hunner hooge Overheid, zoo dikwijls vernieuwd, eerst van de verkiezing, en daarna van de verwerping, hun gevoelen verklaren, en dat eerst bevestigend en daarna ontkennend, dan zoo zij voortvaren zich tegen de hooge Overheid te stellen, die de Apostel gebiedt (al ware het dat ze gansch ongeloovig waren) gehoorzaam te zijn om der conscientie wille, laat ze naarstig bij zich zelven overwegen, hoe zij zich voor God en hunne Kerken zullen verantwoorden, dat zij hunne zaak, zoo zij in hunne conscientiën verzekerd zijn, dat ze goed is, verlaten hebben.
    Laat ze gedenken in wat een nadenken (alsof zij de verdediging van hun gevoelen, bevestigenderwijze voorgesteld, zelven mistrouwden) zij zich zelven en hunne zaak bij alle verstandigen zullen brengen.
    Laat ze bemerken in wat een perijkel zij zich zelven, de hunnen en hunne Kerken zullen stellen, en dat zonder alle oorzaak en reden, die den minsten schijn hebben kan.
    Laat ze letten, wat van deze hunne verlating anderen zullen zeggen en oordeelen, wij zeggen niet, die het rechte gevoelen onzer Gereformeerde Kerken toegedaan zijn, maar de Pausgezinden, en die zij meenen hunne zaak te begunstigen, de Lutheranen en de verstandigste Remonstranten.
    Zij mogen zekerlijk houden, dat niemand onder hen wezen zal gezond van oordeel, die ten volle en recht weet, hoe het met de gansche gelegenheid dezer zaak staat, of hij zal zeggen, dat zij onbedachtelijk en onvoorzichtelijk, zonder genoegzame dringende oorzaak, hunne zaak verlaten, de welvaart hunner Kerken verzuimd, en zich zelven en de hunnen in het merkelijkste perijkel geworpen hebben.
    Wij bidden den almachtigen goeden God, die alleen de harten neigen kan, op het vurigste, dat Hem believe, dat Hij den wil der broeders Remonstranten buige tot meerderen eerbied jegens zijn heiligen naam, en tot schuldige gehoorzaamheid der hooge Overheid; dat zij nader overwegen wat hun plicht zij, wat hun en hunnen Kerken dienstig zij, en daarop voortaan uit zijn, dat alle vromen vernemen, dat de eere Gods, de welvaart, vrede en rust der Kerken hun waarlijk ter harte gaat en verzorgd wordt.

    Of de Remonstranten mogen en behooren, zonder kwetsing der conscientie, na te volgen de Decreten van H. M. Heeren Staten Gecommitteerden, en het oordeel der Eerw. Nationale Synode, aangaande het voorstellen, verklaren en verdedigen van hun gevoelen.

    Het advies der Zwitsersche Theologen.

    Wij bidden van harte, dat de E. E. Remonstranten, onze lieve broeders in den Heere, de billijkheid der Decreten, totnogtoe verkondigd, de oprechte meening der Synode, en het zeer godzalig einde der Synodale adviezen, ook de zeer bekwaamste wijze van de zaak te beleiden, volkomenlijk doorzien, behoorlijk erkennen, en gerustelijk dezelve volgen mogen.
    Wat ons aangaat, wij zijn verzekerd deze de meening dezer Synode te zijn, den Remonstranten toe te laten, hun gevoelen van beide de leden der praedestinatie, zoowel van de verwerping als van de verkiezing, ten volle voor te stellen, vrijelijk te verklaren, genoegzaam te verdedigen, zoodat hun alle zwarigheden, tenzij misschien zij zelven in gebreke zijn mogen, benomen worden.
    Mits zij dit ééne toestaan, dat eerst van de verkiezing, en daarna van de verwerping behandeld worde, in zulk eene orde, die de Synode achten zal ter eere Gods en gerustigheid der zwakken noodig te zijn.
    Wij bidden derhalve de EE. Remonstranten, zoo vriendelijk en getrouwelijk als betaamt, dat zij naarstiglijk overwegen, of zij behoudens de godzaligheid en de goede concientie, die orde, die ons de H. Geest in deze onzienlijke verborgenheid van de praedestinatie zelve gerecommandeerd en de heilige naarstigheid der Apostelen pertinentelijk uitgedrukt heeft, en alle anderen, die ooit deze leer hebben verhandeld, religieuselijk nagevolgd hebben, of zij, zeg ik, de eersten en eenigen willen zijn, die deze orde zouden schenden en weigeren.
    Bidden hen verder, alzoo zij mannen zijn, die niet slechtelijk zijn geleerd, dat zij onderzoeken, of het zonder schuld, of ten
    [162]
    minste zonder achterdocht wezen kan, telkens hunne conscientie te stellen tegen zulke besluiten, die den Woorde Gods geenszins tegen zijn, gekomen van de hooge wettelijke geloovige overheid, inzonderheid zoodanige, welker mildheid, welker vrij geleide de Remonstranten zelven zijn genietende; welker macht schier de gansche Gereformeerde wereld, naast God, hunne behoudenis gaarne en gewilliglijk dank weet.
    Voorwaar, op het gebod van een zoodanige Overheid is ieder Christen, vooral die een onderzaat is, of, hetwelk een voorname zaak is, een Kerken-dienaar, naar Goddelijk en menschelijk recht gehouden rekenschap te geven van zijne hope.
    Is het zaak, dat de E. E. Remonstranten hierin bewilligen, wij willen hen verzekeren, dat wij om hunnentwil doen zullen, al wat van broeders, van godzalige personen, en van vrome lieden mag verwacht worden.
    Daarentegen, indien zij onze verwachting bedriegen, voorwaar zoo zullen wij genoodzaakt worden, zelfs ongaarne te twijfelen en te vermoeden, of zij totnogtoe in oprechte conscientie tot den rechterstoel Gods, die een hartekenner is, geappelleerd hebben; of zij van harte een einde gezocht hebben der gruwzame beroerten, en van den beklaaglijken twist; of zij den vrede en de behoudenis der Kerk, die God met zijn bloed verworven heeft, meer geacht hebben, dan hun eigene ijdele eer; of hen het zuchten en de benauwdheden van zoo vele godzalige zielen ter harte heeft gegaan; of zij niet tot een ander einde de conscientie, als opdat zij niet genoodzaakt zouden worden dezelve te ontblooten, hebben voorgewend.

    Het advies der Wedderavische Theologen.

    Eerw. Praeses, wij hebben niet bij geschrift gesteld, hebben het ook niet noodig geacht.
    Het besluit is, billijk, rond en Christelijk.
    Den Remonstranten, en op hunne tegengeworpene redenen, is genoeg en overvloedig geantwoord.
    Zij hebben niets nieuws bijgebracht, en derhalve zijn er geen nieuwe antwoorden van noode.
    En dewijl de uitbreiding van het Synodale besluit gisteren door de E. E. Heeren Gecommitteerden is aangenomen, en door het meeste deel der Synode geapprobeerd, zoo approbeeren wij dezelve ook alsnog, doch met deze conditie.
    1. Dat de Praeses expresselijk voorhenen verklare, dat ze door sommiger tusschenbidden is verkregen. 2. Wat aangaat de uitbreiding des besluits, twee dingen schijnen hun nog gegeven te worden. 1. Dat de paradoxen (zoo men ze noemt) dat is, die punten, die tegen het gemeene oordeel strijden van de verwerping, ook geexamineerd zullen worden. 2. Dat hun ook misschien gegeven zoude worden, dat zij eerst hunne verklaring zouden mogen voortbrengen, en daarna, zoo het noodig is, dat men kome tot de vraagstukken.

    (Was onderteekend.)
    De Wedderavische Theologen.


    Het advies der Theologen van Genève.

    Van de bedenking der Remonstranten, tegen het besluit der Synode.

    Aangaande de orde van handelen in het eerste Artikel, van de Verkiezing.

    In de eerste plaats, wij kunnen niet dan ten hoogste bewogen zijn, en ten kwaadste gevoelen van zooveel gezocht dralen, waarmede door de praktijk en hardnekkigheid van eenige weinigen, de gansche Kerk, die daar zit en verlangt, en zucht naar de stilling van deze twisten, en naar de klare openbaring van de waarheid, zoo veel tijds komt te verliezen; en dat de oprechte en gansch vaderlijke eenvoudigheid, trouw, lijdzaamheid en billijkheid, die de Synode duslang gebruikt heeft, zonder iets van alles te vergeten, meer schijnt de vijandige, bedriegelijke, en gansch argwanige hartstocht der Remonstranten getergd en verwilderd te hebben, als dat zij iets van dezelve zouden afgelegd hebben.
    Gelijk dit ons in onze conscientiën, die wij naar Gods Woord en vreeze hebben geëxamineerd, zeer zeldzaam, en geheel verre dunkt te wezen van broeders, gelijk zij zich zelven noemen, en van de manieren aller Kerken Gods, alzoo betuigen wij ook, dat wij zoo bij onze Gemeente, als overal, getrouwelijk zullen verklaren, wie de ware auteurs zijn, van de of verijdelde of bedrogene hope, die
    [163]
    van een zoo Eerw. bijeenkomst geschept was.
    Indien zij besloten hebben, altijd onbeweeglijk de statuten van de Synode tegen te staan, dat zij eenmaal het momaangezicht afleggen, zich afzonderen, en ons niet langer met den geveinsden naam van broeders bedriegen; laat ze handelen als openbare vijanden; het zal hun tot meerder ongeveinsdheid, en allen Kerken beter tot gerustheid strekken.
    Maar 't is wonder, dat lieden, in getal en andere kwaliteiten gering, zich zelven een meesterlijk oordeel aannemen van de geesten, leer en oordeelen der uitnemendste en voortreffelijkste mannen, en dat zij zoo hardnekkiglijk, of zoo beschroomd alle ander oordeel, hoewel wettelijk aangesteld, tenzij dat het in alle deelen hen begunstigt en met hunne inbeelding overeenkomt, minachten.
    Of dit niet van gelijken aard is met die praktijk der valsche apostelen, die Paulus beschrijft 2 Cor. 10: die zich zelven met zich zelven afmeten, en zich zelven bij zich zelven vergelijken, geven wij allen verstandigen te oordeelen.
    Het is het doen van een zeer boos pleiter, die of maakt dat de tijd, zonder iets uit te richten, doorgebracht wordt, en die de uitspraak van het vonnis verlengt, of alles, dat onder is, boven keert, draait en wendt, om de zaak in eene eeuwige duisterheid in te wikkelen.
    Maar het is het doen van eenen vromen rechter, de orde van procedeeren te leiden, diegenen, die met omwegen liggen spelen, tot hunne eerste beginselen en oorzaken te brengen, en heftiglijk de waarheid na te jagen, opdat het proces rechtvaardig zij.
    Naar dezen vorm schikt zich de Synode, en oogt naar dit einde, niet met eenige valschheid, listigheid en ongelijk, maar met nauwe naarstigheid, de waarheid van het gevoelen door vraagpunten te vernemen en alles ordelijk te doen. Want hier is eigenlijk de zaak der Kerk, niet der Remonstranten; en wat der Kerk nut zij, komt der Synode toe te oordeelen, de autoriteit der E. E. Heeren Gecommitteerden daarbij komende. Zoo menigmaal als de namen en het ingeven der conscientie hier wordt voorgewend, zoo dunkt ons dat ze ontheiligd en vertreden wordt, daar men liever behoorde te gebruiken de woorden, overvloed van eigen zinnelijkheid, believen en goeddunken, en van een nergens naar luisterende vermetelheid.
    Wie zal lijden kunnen, in 't oordeel van een particuliere conscientie in zijn eigene zaak, een bedenking tegen een publieke en wettelijke orde. Alle uitspraak van eenen wettelijken rechter moet men gehoorzamen, wanneer geen zonde geboden wordt, hoezeer het eigen oordeel der conscientie daartegen spreekt, of dat de rechter in 't oordeel een fout begaan, of uit hartstocht zich misgaan heeft; laat elkeen onzer zich wachten van zijne zonde, en laat God met de zonde van een ander geworden.
    Indien in deze daad iemands conscientie gekwetst wordt, voorwaar het is niet der Remonstranten, overmits het besluit der Synode geen zonde begrijpt.
    Indien eenige fout aan dit besluit in het minste kan toegedicht worden, zal maar de conscientie der Synode gekwetst worden, niet dergenen, wien hunne innerlijke gedachten geheel en onbevlekt gelaten worden.
    Maar nu klagen wij, dat onzer aller conscientiën smaadheid wordt aangedaan, evenals of iets tegen de conscientiën gedaan werd; terwijl deze beschuldiging alsdan eerst plaats heeft, wanneer de wet van alle conscientiën en van particuliere gevoelens verkracht wordt, niet wanneer met reden en autoriteit de particuliere gevoelens tegengestaan worden.
    Wij weten, dat oprechte en eenvoudige vragen in alle Synoden en in alle gerichten, gebruikt worden, en toegelaten zijn geweest van de Apostelen, martelaren en confessoren zelfs staande voor de vijandigste richtplaatsen.
    Indien zij hun gevoelen zoo zeer bezwaard vinden voor deze vragen, laat ze oprechtelijk ten volle hun gevoelen voorstellen, zoodat de Synode bekwaamlijk onderricht worde, en dat alle wettelijke argwaan en valsche leer uitgesloten worde; zoo zullen zij de Synode ontlasten van den arbeid der vragen, die voornamelijk tot dit einde ter hand genomen worden, dat uit onwetendheid van de daad, geen ongelijk gedaan worde, aan hen of aan de Kerk, welker zaak hier verhandeld wordt.
    De Synode zelve zal wederom niet weigerig zijn hen te onderwijzen, indien het de zaak vereischt, van het gemeene gevoelen der Kerken, indien ze niet geweten of verdraaid wordt.
    Hetgeen zij uit de oproepingsbrieven trekken, en zoo dikwijls nu verhaald is, zooveel zij noodig zullen achten, verdedigen, ziet niet op de orde van handelen, maar op de over-
    [164]
    vloedigheid en kracht der bevestiging; waarin zij nochtans vriendelijk vermaand hebben, dat de redelijkheid en noodwendigheid van de zaak een maat stelle, opdat men niet huppele, en in 't wilde loope, in het ruime veld zonder eenige palen of schutsel.
    Nu die zachtmoedige vermaning, zoo de nood vereischen zal, oordeelen wij ook billijk te zijn, dat door autoriteit bepaald worde.
    Waar hebben de gedaagden meer recht dan de leden zelven der Synode hier zittende?
    Denwelken de orde van handelen en de mate van spreken naar het oordeel der Synode, naar het gebod der EE. Heeren Gecommitteerden, en naar de discretie en autoriteit van den praeses gematigd wordt.
    Maar de natuur zelve van de zaak roept, dat men beginnen moet van een zekere gezette leer der verkiezing; omdat de waarheid derzelve de mate is der waarheid van de verwerping: de verkiezing is het eigen goed der Gemeente.
    De Schriftuur stelt dezelve zeer dikwijls en wijdloopig voor; zelden de verwerping.
    Aangaande het stuk van de verkiezing zijn alle dingen der Gemeente klaar en openbaar; en het is tegen reden, dat men duisternis en onwetendheid inbrenge in zaken, die klaar zijn, uit vermoeden van verborgene zaken.
    Ja, niemand van de Remonstranten zelven zoude deze verkeerdheid in de Theologische verhandeling toelaten, dat hij de zaak van de verwerping stellen zoude vóór de verkiezing, en nooit heeft eenige loflijke Theoloog dat exempel gebruikt.
    Indien zij misschien in de leer van de verwerping, al te roekelooslijk, op ongodsdienstige wijze en ongoddelijk bij hen behandeld, eenige zwarigheden ontmoeten, of zoeken, zal ook de Kerk niet mogen hun gevoelen van het voorgezien geloof overtuigen van vele ongerijmdheden, en verlost wezen van dezelve, eerdat het gemeene gevoelen omgestooten wordt, nu zij, als nieuwere, den akker van hun gevoelen eerst van deze doornen der ongerijmdheden behoorden te reinigen?
    Het hart der Gemeente is de leer van de gansch absolute genade Gods; dit is geweest de eerste trap der herstelde en ten leven weder opgewekte Kerk uit het Pausdom, die de Pelagianerij en halve Pelagianerij ten eenenmale ingezopen had.
    Derhalve moet deze leer allereerst in het midden van de markt en in het licht gesteld, en uit dat licht alle nevelen van ongerijmdheden verdreven worden.
    En dewijl hier de Remonstranten het gevoelen der Kerk niet absolutelijk ontkennen, maar alleenlijk verzochten door eenige tempering, en naar het oordeel te verbeteren, is het voorwaar gansch billijk dat zij van dezelve beslist en rond verklaring doen, en zich niet versteken in de doornbosschen van gezochte ongerijmdheden.
    Indien zij in de verkiezing met de Kerk eens zijn, zeer licht zal het wezen de knoopen van ongerijmde consequentiën te ontbinden, en zijnde het hoofdstuk der absolute genade Gods uit perijkel verlost, zal de Synode zonder twijfel, zeer goederhande en gansch billijk wezen in de uitlegging van de spreuken, die wat ruw en hard zijn, en zal de liefde toegeven, zooveel het geloof lijden kan.
    Maar de leer, uit de openbaring Gods alleen aangenomen, niet berustende op menschelijk vernuft, met ongerijmdheden, willens bijeengeraapt, te bestrijden, is uit de duisternis zelve de zon licht op woeker geven, is uit de vuurkolom, die de Israëlieten leidde, een nevelige en duistere wolk maken, die de Egyptenaars verderft en verdrijft.
    Laat ons aan de Peripatetische philosophen overlaten, in een zoo groote onwetendheid der natuur en der natuurlijke oorzaken, een besluit te maken, van de wegneming der meeste ongerijmdheden, tot de waarschijnlijkheid, die het geloof, berustende op het eenige Woord Gods, gansch en gaar verwerpt, en voor een gespuis en bastaardgebroedsel des vleesches houdt.
    Eindelijk, laat Gods Woord ons wezen de eenige fakkel en regel der waarheid, in openbare zaken klaar en rond sprekende; laat de eenvoudigheid in onze harten en in onze voorhoofden het eenige teeken der waarheid wezen.
    Laat ons openlijk handelen van openbare, profijtelijke en noodzakelijke zaken, met openbare bewijsredenenen der Schriftuur.
    En zooals dan de verborgene van de openbare zooveel licht kunnen ontleenen, dat zonder vooroordeel deze verborgenheden niet meer het verstand des vleesches kwellen, zoo zullen wij ons verblijden, dat wij zooveel gewonnen hebben; indien anders, wij zullen ook zelven gedreven worden tot die waarachtige gebreidelde woorden en belijdenissen, die ook aan te bidden zijn: Uwe oordeelen, Heere! zijn een groote diepte; o diepe rijkdom! o mensch! wie zijt gij, die God tegenspreekt? u instekende in hetgeen gij niet gezien hebt.
    [165]
    Derhalve dunkt ons, dat het besluit der E.E. Heeren Gecommitteerden gansch billijk en redelijk is, en nergens in behoort verzwakt, maar veel meer door autoriteit der Hoogmog. Heeren Staten gestijfd te worden, bij welke wij noodig achten, dat de gansche zaak geapprobeerd worde.

    Antwoord der Theologen van Bremen, op de vraag:

    Of de broeders Remonstranten mogen en behooren gehoorzaam te zijn aan het besluit der Synode, van de wijze en manier van te verklaren de geschillen, die thans te verhandelen zijn.

    In alle manieren kunnen en behooren zij. Want.
    1. Er is niets in dat besluit, hetwelk strijdt met de natuurlijke billijkheid en het Woord Gods.
    2. Het is gekomen en bevestigd van den Magistraat, die men niet alleenlijk om der vreeze wil, maar ook om de conscientie moet gehoorzaam zijn.
    3. De Kerken zullen bekennen, dat aan haren dienst eerbiediging niet alleenlijk van de toehoorders, maar ook van de mededienaars bewezen moet worden.
    4. Het besluit is alzoo gesteld, dat het niet alleenlijk gerust begeert te stellen de conscientiën van de eene partij, maar ook van allen, tot Gods ongekrookte eere, en onderrichting en stichting der geheele Kerk Gods.
    5. Paulus heeft ook voor eenige ongeloovigen met blijdschap belijdenis gedaan des geloofs, en den vragenden antwoord gegeven.
    6. Wat zij begeerden, aangaande de verhandeling van de verwerping, wordt hen, wat de zaak en substantie betreft, niet geweigerd, maar te zijner plaats ruim genoeg toegelaten.
    7. Indien zij oordeelen, dat zij in de verhandeling der verkiezing een bewijs moeten nemen van de verwerping, dat wordt hen ook niet geweigerd, mits zij buiten het voorstel niet in 't wilde loopen.
    8. Maar dat wij begeeren begonnen te hebben van de verkiezing, daarin zal dezelfde orde gehouden worden, die zij in hunne artikelen hebben.
    Want zij handelen eerst van de verkiezing in zeven artikelen, en daarna in drie van de verwerping.
    9. De verhandeling der verkiezing zal die van de verwerping klaarheid geven.
    10. Indien zij dit besluit niet gehoorzamen, laat ze bedenken hoe kwalijk zij bij hunnen naam en faam doen; als die in verdenking zullen komen, dat zij een gelegenheid zoeken om uit de Synode te geraken, en uitvluchten zijn zoekende.
    11. Wij geven hun te bedenken, wat zoowel de Nederlandsche Kerken als andere van hen en hunne handelingen zullen oordeelen, dat zij om een zaak, die middelmatig is en voor zoodanig in 't oordeel der Synode gehouden wordt, deze wettelijke vergadering in verwarring hebben willen brengen.
    12. Indien zij weggaan uit de Synode, zij zullen geen voordeel daarmede doen.
    Want evenwel zal van hun gevoelen, uit hunne in 't licht gegeven schriften, en uit hunne artikelen en tweeërlei bedenkingen, alreede bij de Synode berustende, kennis genomen en in de vreeze Gods een beslist oordeel worden uitgesproken.
    13. En zij zullen van hunne zaak en van hunne stemming bij dezelve, in de harten en voorstellingen van velen, vreemde oordeelen eensdeels bevestigen, eensdeels verwekken, als dat ze zonder eenige billijke en genoegzame oorzaak de Kerken verstoord hebben.
    14. In geen Synode is ooit van het oordeel der Synode afgeweken geweest om zoo kleine oorzaak.

    Op de Tegenwerpingen

    Der broeders Remonstranten antwoorden wij aldus.

    1. Tegenwerp.

    De conscientie laat niet toe, dat wij gehoorzamen.
    Antw. De conscientie wordt eigenlijk niet gekwetst dan door overtreding van eenig Goddelijk gebod; nu hier is zulks niet.
    Ja, de Magistraat schrijft deze orde voor, dien men geen gehoorzaamheid om deze zaak weigeren mag.

    2. Tegenwerp.

    Men let niet op onze conscientie; maar alleenlijk op de uwe.
    [166]
    Antw. En op de onze, en op de uwe.
    Want beiden wij en gij zijn alzoo den Magistraat gehoorzaam in een middelmatige en op zich zelve geoorloofde zaak.

    3. Tegenwerp.

    Ons wordt vrijheid geweigerd om ons gevoelen voor te stellen.
    Antw. Geenszins; maar dezelve wordt geregeerd binnen een wettelijke wijze, gelijk de onze, naar voorschrift der Overheid, geschikt is tot stichting der Gemeente.

    4. Tegenwerp.

    Men handelt niet dan met plakkaten en autoriteit; maar wij hadden liever met redenen.
    Antw. 1. De plakkaten zijn in redenen gefondeerd, en in zoodanige autoriteit, die den regel des ambts en de Goddelijke beroeping des Magistraats vereischt.
    2. Hoe vele redenen, beden, vermaningen, broederlijke en vaderlijke verzekeringen zijn er nu menigmaal bijgevoegd geweest.

    5. Tegenwerp.

    Het schijnt, dat men ons op kinderlijke wijze wil examineeren, hetwelk met ons ambt en onze jaren niet betamelijk is.
    Antw. 1. Ja, wij hebben voorgenomen eerbiediglijk en broederlijk met geleerde mannen conferentie te houden, opdat er voor u gelegenheid zij aan ons de Belijdenis te verklaren, tot gemeenebest der kudde, die ons is bevolen.
    2. Vragende stellen wij u onze zwarigheden voor, en er is beloofd, dat wij op de uwe zullen antwoorden, en u voldoen naar ons vermogen.

    6. Tegenwerp.

    Wij, die niet al te bekwaam zijn om in 't publiek te spreken, behooren niet beschaamd gemaakt te worden.
    Antw. 1. Laat hem in aller naam en in de gemeene zaak spreken, die daartoe het bekwaamste is.
    2. Valt er iets zwaars, men zal u niet weigeren u te mogen bedenken, en u, gelijk ook ons, zal toegelaten worden, bij geschrift te antwoorden.
    3. Daarentusschen zullen de anderen geen zwarigheid maken, waar het noodig wezen zal, te betuigen, of zij daarmede overeenstemmen of niet.

    7. Tegenwerp.

    In de zaak van de verwerping is de vooraamste kracht onzer zaak gelegen.
    Antw. 1. Maar het staat te bezien, of, en hoe verre met dezen bewijsgrond de leeraars der Nederlandsche Kerken met recht zouden bezwaard kunnen worden.
    2. Ook zal van de verwerping mogen gehandeld worden, zoowel in den vorm van de quaestie te zijner plaats, alsook in de bewijsredenen, wanneer het nuttig zal geacht worden.

    8. Tegenwerp

    Om de leer van de verwerping zijn deze verschillen ontstaan, die totnogtoe Nederland beroerd hebben.
    Antw. 1. Maar laat hier overwogen worden in de vreeze des Heeren, wie diegenen zijn, die eerst tegen de Belijdenis, en leer, in deze Kerken aangenomen, begonnen hebben te leeren.
    2. Wij oordeelen een godzalig werk te zijn, dat wij allen voor God onze schuld, doch met een zeer goed opzet vergezelschapt, bekennen en zoeken te beteren.
    3. Maar de Belijdenis en Catechismus hebben geen oorzaak gegeven onze leer hatelijk door te strijken.

    9. Tegenwerp.

    In deze zaak vallen groote en vele zwarigheden voor.
    Antw. Die zullen weggenomen worden, zoo het doenlijk is, onverminderd de beginselen of gronden der Schriftuur.
    Want of sommige dingen zullen geschreven zijn anders als wij wel wilden, 'tzij in de oude, 'tzij in de nieuwe, of in de onze, of in andere schrijvers; welke dingen, zoo wij ze niet kunnen of prijzen of behoorlijk ontschuldigen, wij zullen raden dezelve te schuwen, prijzende ondertusschen de godzaligheid der schrijvers, zoo verre zij zoeken, dat de gansche lof onzer zaligheid Gode gegeven worde.
    Of sommige dingen zullen wel en behoorlijk gezegd zijn, die zonder reden anderen ergeren, en diezelve zullen moeten voorgestaan worden.
    Of sommige dingen zullen wel verstaan zijn, maar niet al te bekwamelijk gezegd, dewelke door een bekwame uitlegging te helpen wij achten aan de waarheid en liefde te betamen.
    En wij verstaan onzer aller plicht te zijn, dat wij niet alleenlijk het waarachtige stellen moeten boven het valsche, maar ook wat klaarder is, boven dat duister is; wat profijtelijk is, boven wat minder profijtelijk, en wat beter is, boven wat dragelijk is, en dat wij dagelijks tot meerdere volmaaktheid in gevoelen, spreken, en doen, toenemen.
    [167]
    10. Tegenwerp.

    Ons wordt een orde voorgeschreven, hetwelk onbehoorlijk is.
    Antw. 1. U lieden en ons heeft dezelfde Magistraat een orde voorgeschreven.
    2. De orde, die gevorderd wordt, is met de natuur der zaak overeenstemmende.
    3. Behoort ten eenenmale tot dat heilig en prijselijk einde, dat de Magistraat en de Synode bij hun bevel voorheeft.

    11. Tegenwerp.

    Wij vreezen, dat de tijd op die wijze met het stuk van de verkiezing zal worden verlengd, en dat de leer van de verwerping, die allermeest van noode heeft verhandeld te worden, onverhandeld zal blijven.
    Antw. 1. Dat kan niet geschieden, dewijl men terstond, op het eerste artikel, van de verwerping zal handelen moeten.
    2. Is klaarlijk belofte gedaan, dat men zoo doen zal.
    3. Wij bekennen zelven, dat om den wille van de gerechtigheid Gods, zoowel van de verwerping, als, om den wille van de barmhartigheid, van de verkiezing, ter eere onzes Gods moet gesproken worden.

    12. Tegenwerp.

    Onze dingen worden verlamd, want wij mogen niet zoowel ontkennend als bevestigend handelen.
    Antw. 1. Beide wordt bij de Synode toegelaten; eerst uwe punten te beweren, daarna de punten van anderen te bestraffen; maar binnen mate, opdat niet zaken, die meer noodig zijn, door minder noodige uitgesloten worden.
    2. Het geloof is meer van bevestigende, dan van ontkennende zaken. Nu hier wordt voornamelijk gehandeld van uw geloof.

    Dit alles behoudens betere adviezen.

    Het oordeel van die van Embden.

    De broeders Remonstranten, zoo men die noemt, achten wij, dat het oordeel der Synode, hetwelk nu door het besluit van de Hoogmog. Heeren Staten en der E. E. Gecommitteerden is bevestigd, met reden behooren na te volgen.

    Reden. 1. Omdat men de Magistraat gehoorzaam moet wezen in alles, wat niet tegen God is.
    Nu rekenschap zijns geloofs te geven aan iedereen, die zulks vordert, inzonderheid aan de vrome Overheid, wanneer zij zulks gebiedt; insgelijks, de methode van handelen, bij den Magistraat voorgeschreven, te onderhouden, is niet tegen God, maar overeenkomstig de Schriftuur, en van den H. Geest geboden. 1 Petr. 3. en elders. Derhalve, enz.
    2. Omdat het billijk is de Synode, door autoriteit der hooge Overheid bijeen geroepen en voor God gezworen, gehoorzaam te zijn; nu zoodanig is de Synode. Derhalve enz.
    3. Omdat het altijd kwalijk gegaan heeft dengenen, die zoodanige Synoden geweigerd hebben te gehoorzamen, hetwelk de historiën getuigen.
    4. Omdat het den gedaagden en verweerders niet toekomt den rechters voor te schrijven de wijze, hoe men zal handelen in eenig gericht, hetzij Kerkelijk, of politiek. Nu de broeders Remonstranten zijn gedaagden. Derhalve, enz.
    5. Omdat degenen, wien toegelaten wordt, te doen hetgeen zij begeeren, niet behooren zich weigerig te betoonen in datzelve te doen.
    Nu den Remonstranten wordt een, macht toegelaten, hoewel eene bepaalde ook van de verwerping te handelen, maar ter zijner plaats en tijd. Derhalve, enz.
    6. Omdat ons betaamt den H. Geest gehoorzaam te zijn, die in de eerste plaats en wijdloopig is handelende van de verkiezing in de Schriftuur, maar zeer soberlijk van de verwerping. Waarom dan volgen zij zijne voetstappen niet na?
    7. Omdat zij lieden, zoo zij dat niet doen, een kwade conscientie daarvan zullen behalen, als die noch Gode, die een methode van deze leer in zijn Woord aanwijst, noch hunnen Magistraat, noch der wettelijke Synode willen gehoorzamen.
    8. Omdat hier vele dingen valschelijk en door lastering der Contra-Remonstranten tegengeworpen worden, die zij nimmermeer bewijzen zullen alzoo geleerd te worden.
    Nu, dat betaamt geenszins vromen en oprechten lieden.
    9. Omdat zij zich zelven vele en onuitwikkelijke zwarigheden zullen veroorzaken, zoo zij niet gehoorzamen, hetwelk zij, als wijze lieden, wijselijk behoorden te bedenken.
    10. Omdat zij de benauwde Kerken in Nederland en andere rechtgevoelenden, die zeer angstig een uitkomst uit deze zwarigheden begeeren en verwachten, daarmede ophouden.
    11. Omdat zij de uitheemsche Theologen,
    [168]
    die tehuis noodzakelijke zaken hebben, tegen reden uitstellende, langer houden dan het billijk is.
    12.Omdat men behoort gehoorzaam te zijn dengenen, die wel broederlijk, ja vaderlijk raden, hoedanigen die ook zijn mogen.
    Job en Naäman de Syrier hebben niet versmaad, de een den raad zijns knechts, de ander zijner dienstmaagd.
    Zoo dan moeten de broeders Remonstranten de getrouwe vermaningen der Synode ook niet versmaden.
    13. Omdat zij de blijdschap vervullen zullen van allen, niet alleenlijk die in de Synode tegenwoordig, maar ook die in wijdgelegene plaatsen hunne residentie hebben, dat zij de wettelijke Synode zijn gehoorzaam geweest, en liever acht hebben willen nemen op den vrede en het gemeene best, als op hunne bizondere begeerten te volgen.
    14. Omdat Episcopius zelf gezegd heeft, indien hem de zwarigheid in de leer van de verwerping benomen kan worden, dat in de rest geen zwarigheid wezen zal.
    En Niellius, tenware de leer van de verwerping hem ophield, dat hij de andere partij zoude toevallen.
    Derhalve schijnt er niets of weinig over te blijven buiten de leer van de verwerping, waarin men geen eenstemmigheid zoude kunnen treffen.
    Of het nu reden is om den wille van deze eenige leer der verwerping, welke voor het vleesch en het blinde vernuft hatelijk is, en hard om te verstaan, en ook soberlijk in de Schrift verhandeld wordt, zoovele bloeiende Kerken, en zoovele ware geloovigen op te houden, mogen de broeders zelven bedenken.
    15. Behalve dat wij bereid zijn van de verwerping niet anders te spreken, dan de Schriftuur zelve spreekt, en hetgeen voor het vernuft onbegrijpelijk is Gode te bevelen.
    16. Omdat tegen de ongerijmdheden, die zoodanig schijnen te wezen en van de Remonstranten, hoewel op geen fondament berustende, uit deze leer getrokken worden, uit hunne leer andere ongerijmdheden, Gode schandelijk, in grooten getale kunnen gesteld worden.
    Indien wij ons nu bemoeien in zulke zaken altijd opeen te hoopen, wat het vernuft schijnt ongerijmd te zijn, wanneer zullen eenmaal deze twisten een einde nemen?
    17. Omdat hier de reden zich moet gevangen geven, en met Paulus uitroepen: O diepte, enz.
    18. Omdat zij alzoo den vrede hunner conscientiën en de rust der Kerken zullen bevorderen. De uitheemsche Kerken zullen zij ook verblijden, en zij zullen de hope, die vele vromen van hen geschept hebben, terwijl zij hen als broeders lief hebben, voldoen.
    19. Eindelijk overmits, is het dat zij naar ons, die ten beste raden, niet luisteren, zoo zullen zij zich zelven in onuitwikkelijke doolhoven werpen, en ten laatste te laat tot hun en der Kerken schade leeren wijs te worden.
    Door deze en diergelijke redenen bewogen, oordeelen wij dat de broeders Remonstranten nog eenmaal en ten overvloede behooren door God, door onzen Zaligmaker Jezus Christus, voor wiens rechterstoel wij allen zullen moeten verschijnen, door de liefde der Nederlandsche Kerken, die zoo jammerlijk nu verstrooid zijn, door hunne eigene zaligheid aan ziel en lichaam, en zoo er nog eenige breedere betuiging kan bijgedaan worden, gewaarschuwd, vermaand en gebeden worden, dat zij naar goeden raad luisteren, en hunne begeerten bedwingen, het exempel des H. Geestes, ons in zijn Woord voorgaande, navolgen, en de Synode, welke in geenen deele onvolkomen is, over hunne zaak vrijelijk, oprechtelijk, minnelijk, en vrediglijk laten oordeelen.
    Dat men hen ook wederom vermane, dat zij zoo dikwijls zich niet beroepen op hunne conscientiën.
    Want wij hebben ook de onze, en die zeer teer.
    Die wij voorwaar willen ongekwetst bewaren, en om geens menschen wille onrustig maken.
    Indien zij nog zoo niet willen gehoorzamen, protesteeren wij, die hen alles goeds wenschen, dat wij van hunne schade en ongemak, hetwelk voor hen hieruit kan ontstaan, vrij willen zijn, en dat het aan ons niet heeft gelegen, dat zij op den rechten weg niet zijn gebracht geweest.
    Om welke oorzaak wij dag en nacht (dat weet de Kenner der harten) onzen God met onze gebeden bemoeid hebben en nog bemoeien.
    En zullen de broeders Remonstranten niet kwalijk nemen, zoo wij de verdediging der waarheid tegen allerlei vijanden van dezelve naar ons vermogen ernstiglijk aannemen.
    De Heere geve hun betere zinnen, hetwelk wij hun van harte wenschen.

    (Was onderschreven.)

    Aldus gevoelen wij Dienaars der Kerk van Embden, tot deze Synode gedeputeerd.

    [169]
    Deze adviezen gehoord zijnde, heeft men de Remonstranten wederom vermaand, dat zij, alle uitvluchten latende varen, eenmaal het besluit der Synode zouden willen volgen, dat ze wel en gelijk zij behoorden van de Synode zouden hopen; zoo zij meenden dat misschien iets onbillijks hun zoude geboden worden, dan zouden zij eerst tijd hebben om te klagen; duslang had men niets onbillijks van hen begeerd.
    Zij hebben geantwoord, bedroefd te zijn, dat de uitheemsche Theologen hunne meening niet wel hadden gevat, alzoo dezelve nooit was geweest over de orde te twisten, want zij waren nooit bekommerd geweest, of men eerst van de verkiezing, of eerst van de verwerping zoude handelen; mits dat hun behoorlijke vrijheid gegeven werd, alzoo hunne zaak te verhandelen, als zij noodig zouden achten. Dat het onrecht was dat hunne conscientiën aan het oordeel der Synode zouden onderworpen worden; zoodanige vrijheid begeerden zij, die hunne conscientiën voldeed, en die hunne conscientiën oordeelden noodig te zijn.
    De praeses zeide hun, dat dit met groote verwondering van allen gehoord werd, dat hun niet heugde gezegd te hebben, hetgeen zij gezegd hadden, en van zoo vele eerwaardige mannen aangeteekend, en van alle, ook uitheemsche Theologen zoo grondelijk beantwoord was geweest; want onder hen waren er geweest, die expresselijk begeerd hadden, dat eerst van de verwerping, en daarna van de verkiezing gehandeld zoude worden. Dat zij ook in hun overgeleverd schrift hetzelfde te kennen gaven. Want zij zeggen daarin, dat zij over de orde alleen niet twisten. Waaruit genoeg is blijkende, dat zij ook over de orde, hoewel niet over die alleen, hadden getwist.
    Dat aldus alle orde, autoriteit, en vrijheid der Synode aan de conscientiën en goeddunken der gedaagden gehangen werd, tegen alle reden en orde; dat het gansch onrecht was een vrijheid te begeeren, noch door bevelen der EE. Heeren Gecommitteerden, noch door wetten der Synode bepaald. En als deze en diergelijke voorstellen, die hen hadden mogen bewegen tot gehoorzaamheid, hun tevergeefs voorgesteld waren geweest, zoo hebben de EE. Heeren Gecommitteerden geboden, dat zij immers nu eenmaal ronduit wilden antwoorden, of zij het besluit der Synode zouden willen gehoorzamen of niet.
    Derhalve zijn ze iedereen gevraagd en vermaand geweest rondelijk geweest rondelijk te antwoorden.
    M. Episcopius heeft verzocht, alzoo het een zaak was van groot gewicht, schriftelijk te mogen antwoorden, zeggende, dat hij geen onbepaalde vrijheid begeerde, nochtans zoodanige, die niet belette hunne zaak te verhandelen, zooveel zij noodig zouden achten.
    De praeses antwoordde, dat zij nog niet konden klagen, dat hun de behoorlijke vrijheid verkort werd, gemerkt men nog tot de zaak niet was gekomen.
    Episcopius zeide, dat deze vrijheid voorhenen, en eer men tot de zaak kwam, moest gegeven worden; anders zouden zij, de wet eenmaal gesteld zijnde, gebonden wezen, want zij zouden dan niet mogen aarzelen.
    Poppius gaf tot antwoord, dat verscheidene dingen door de uitheemsche Theologen voorgesteld waren, die waard waren naarstiglijk overwogen te zijn, dat daartoe tijd van noode was, dat hij niet op die vraag staansvoets kon antwoorden.
    Johannes Arnoldi, dat hij bij hetgeen Poppius gezegd had niets had bij te voegen.
    Dwinglo, dat de uitheemsche Theologen vele redenen voorgesteld hadden, en dat ook die uitlegging der Synode sommige dingen inhield, die in het besluit niet uitgedrukt waren geweest. Dat deze dingen alle overwogen moesten zijn. Hij verzocht derhalve tijd om te beraden, en konde niet simpelijk beloven, dat hij gehoorzamen zoude. Hij wilde zich niet stellen tegen de hooge Overheid, maar hij wilde liever uit de Synode blijven om te zien wat hem verder te doen stond.
    Ook heeft Rijckewaert tijd van beraden begeerd.
    Desgelijks Isaacus kopie van de uitlegging, en tijd van beraad.
    Leo zeide, dat hij altijd met deze tweesnijdende bewijsredenen geperst werd, of ze gehoorzamen wilden of niet? Weigerden zij, men beschuldigde ze van hardnekkigheid; indien zij gehoorzamen, verraden zij de billijkheid van hunne zaak. In beide hadden de Contra-Remonstranten gewisse victorie. Hij had liever uit den publieken dienst te scheiden, dan hier mede verstrikt te blijven. Verzocht derhalve schiftelijk te mogen antwoorden.
    Hollingerus, dat deze vraag zwaarder was, dan dat hij op staanden voet daarop konde antwoorden. Verzocht tijd van beraad, ten minste van vier uren.
    Goswinius, er was reden dat tijd om te beraden vergund werd.
    Assuerus, dat hij hetzelfde verzocht, en het besluit der EE. Heeren Gecommitteerden niet wilde tegenspreken.
    Sapma verzocht te mogen overwegen de
    [170]
    redenen door de uitheemsche Theologen bijgebracht.
    Pynakerus; dewijl het zeker was, dat de wetten konden feilen; dat hunne concientiën niet simpelijk denzelven konden onderworpen worden; derhalve dat hij ook nog niet konde besluiten, of hij deze besluiten der Synode zoude kunnen gehoorzamen.
    Naeranus verzocht, dat de Heeren Gecommitteerden tijd van beraad wilden toelaten.
    Vezekius, hij had niets daarbij te voegen.
    Deze antwoorden gehoord zijnde, is in het afwezen der Remonstranten daarover beraadslaagd, en, de meening der EE. Heeren Gecommitteerden aangaande dezelve verstaan zijnde, is besloten, om in alle manieren den Remonstranten te voldoen, dat men hen geven zoude copie, zoo van het besluit der Synode, als van die wijdloopige verklaring, en dat men hen geven zoude tot 's avonds te zes ure tijd van beraad, en belasten, dat zij (naarstiglijk doorlezen hebbende dit besluit en de verklaring er van) eenmaal ronduit antwoorden zouden, of zij gehoorzamen wilden of niet, en dat zij deze antwoorden met hunne eigene handen onder het formulier des besluits zouden teekenen.
    Hetwelk hun, wederom ingeroepen zijnde, is aangezegd en belast.