Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Zitting 41


    DE EENENVEERTIGSTE ZITTING.

    Denzelfden dag namiddag.

    Dewijl de Remonstranten hardnekkiglijk hun gevoelen van de Vijf Artikelen, op het vragen der Synode, weigerden nader te verklaren, is beraadslaagd, wat in dit stuk verder gedaan zoude worden; en is goedgevonden, dat eerst het schrift der Remonstranten in den voormiddag overgeleverd, voorgelezen zoude worden, hetwelk zoodanig was:

    Edele Heeren Gecommitteerden der Hoogmog. Generale Staten, Eerw. praeses,
    Achtbare Hooggeleerde Mannen, Vaders en Broeders.

    Zoo groot vermaak en blijdschap als wij daaruit hebben geschept, dat wij tot deze Nationale Synode verstonden ontboden te zijn, en dat tot dien einde, dat wij ons gevoelen van de Vijf in verschil staande Artikelen vrij zouden voorstellen, verklaren en verdedigen, zooveel wij vermochten en noodig achtten; voorwaar zoo groote droefheid en smart hebben wij daaruit geschept, dat, als men gekomen is tot verhandeling van onze zaak, deze Eerw. Synode goedgevonden heeft, ons zoodanige palen in de verdediging derzelve voor te schrijven, dat ons hierdoor te laten bepalen, noch de billijkheid van de zaak, noch het stuk der waarheid, waarvan nu gehandeld wordt, noch onze conscientie, op zeer goede redenen berustende (waarop nochtans, als op de Noordster aller handelingen, de getrouwe dienstknechten van Jezus Christus altijd behooren te zien) niet toelaten.
    Want hoewel wij diegenen niet zijn, die de Synode eenige wetten kunnen of behooren voor te schrijven, maar zeer wel weten, dat wij gedaagden zijn, en de personen dragen van gedaagden, en niet van rechters in deze Synode; nochtans zijn wij ook door Gods genade diegenen niet, die met voorbesloten opzet, of door onbedachte roekeloosheid, of die door een zorgelooze onachtzaamheid, of om andere oorzaken, in deze tegenwoordige zaak, zoodanige wijze van handelen zouden willen ingaan, die daar ten eenenmale is strijdende met het wit onzes dienstes, namelijk de stichting onzer Kerken in waarheid en godzaligheid; daarbij men voegen mag het einde van de oproeping tot deze Synode.
    De Schriftuur verkondigt den vloek over zulk een, die het werk des Heeren tragelijk doet, en zulk een wordt geoordeeld onwaardig des Koninkrijks Gods, die de hand eenmaal aan den ploeg geslagen hebbende, terug ziet, dat is, van zijn heilig en in de vreeze des Heeren aangenomen werk en voornemen laat afleiden door bloote inzichten van gunst of perijkel, verdriet of moeite.
    Wij weten zeer wel, dat een zaak, die anderszins zeer goed, rechtvaardig en vast gaat, met zeer groote vooroordeelen bezwaard, waarschijnlijk gelasterd, en hoewel ze klaar is, nochtans verward kan worden, bij zooverre dat alle macht om naar believen daarover te disponeeren en uitspraak te doen, gesteld zij in handen van de tegenpartij.
    Aan de andere zijde, dat er geen zaak is, vervreemd van waarheid, onnoozelheid en billijkheid, of haar kan wel eenige verf of versiersel aangestreken worden van degenen, die de tegenpartij niet willen toelaten, die te bestrijden en te voorschijn te trekken.
    Wij, Eerw. Mannen, Vaders en Broeders, hebben dit maar alleenlijk begeerd, dat ons toegelaten zoude worden, en begeeren het alsnog, dat wij niet alleenlijk zouden mogen in deze Synode voorstellen, verklaren, en verdedigen, wat wij van 't gansche stuk der praedestinatie, beide van de verkiezing en verwerping (van de orde alleen hier te twisten, zijn wij niet van meening) gevoelen, gelooven, en leeren; maar ook dat ons toegelaten worde met gelijk recht en gelijke vrijheid, het tegengevoelen te bestrijden, naardat wij noodig zullen achten. Want indien het oogmerk is dezer Synode, die met 'zoo groote kosten is bijeengeroepen, dat de verbitterde gemoederen van weerszijden verzoet, dat de Kerken en de Republiek tot vrede gebracht worden, zoo zal het in alle manieren noodig zijn, naar de
    [149]
    oorzaken te vernemen, die de gemoederen, te voren gerust zijnde, verbitterd hebben, en nog dagelijks meer en meer verbitteren.
    Nu de oorzaken zijn zeer vele leerpunten en beweringen, niet zoo zeer omtrent de leer van de verkiezing, als voornamelijk omtrent de leer van de verwerping. Dewelke, hoewel onderstut met de autoriteit van groote leeraars der Gemeente, niet zonder dagelijksche ergernis van velen, onteering des Goddelijken naams en schandvlek van de Reformatie, in de Kerken dezer Provinciën ingevoerd worden.
    Wanneer uwe Eerw. onze conscientiën, en zoo vele bloeiende Kerken van Nederland, over dewelke wij gesteld zijn, hierin voldoet, zoo zal een effen weg tot eenigheid en verzoening der gegemoederen gebaand worden.
    En wij bidden u, broeders! wat is er billijker, dan dat gij ons, welker eere, reputatie, diensten, opdat wij niets zwaarders zeggen, het nu geldt, eenmaal in uwen schoot, die deszelven dienstes metgezellen en broeders van een lichaam zijn, uitschudden, hetgeen ons benauwt en bekommert, en waarin wij door den geest der zachtmoedigheid van uwe Eerw. ootmoediglijk en ernstiglijk verzoeken onderricht te worden, bereid zijnde, voor een iegelijk, die ons beter leert te wijken. In onze artikelen verwerpen wij vele dingen als valsch en gruwelijk, en niet tevergeefs, maar om zeer gewichtige oorzaken, om dies wille dat wij ten onzen nadeele hooren, vernemen en bemerken, dat dagelijks ons verweten wordt (zoo onwetend of verkeerd zijn sommige menschen) dat deze dingen geleerd en onder het volk gestrooid worden.
    Daarom, dat wij deze dingen van ons weren, en bewijzen te strijden met Gods Woord, en der godzaligheid nadeelig te zijn, wat wet of reden zoude zulks verbieden? Ja liever wat wet en reden zoude het niet gebieden?
    Voorwaar, ware het zaak, dat alle wedersprekers, die met ons over het stuk van de Religie twisten, ons binnen deze wetten wilden bedwingen van te spreken of te verzwijgen hetgeen zij hebben wilden, dat wij spreken of zwijgen zouden, wij zouden ten hoogste, en dat met recht, ons beklagen van ongelijk. Daarbij komt nog, dat de treffelijkste leeraars der Gereformeerde Religie, gelijk ze zich nooit wetten hebben laten voorschrijven, op wat wijze zij hunne gevoelen van de praedestinatie zouden verdedigen, alzoo hebben ze den wedersprekers nooit kunnen noch willen wetten voorschrijven, hoe die dezelve zouden bestrijden en
    wederleggen. Ik bidde u, overweegt toch, Mannen Vaders en Broeders, de redenen, die wij uwe Eerw. hebben overgeleverd, waarmede wij bewezen hebben gansch billijk en noodig te zijn, dat ons toegelaten worde ons gevoelen, van beide de besluiten der praedestinatie, zoo bevestigend, als ontkennend, voor te stellen en te verdedigen, tegen de strijdige en verschillende opiniën der Contra-Remonstranten.
    Indien gij dezelve oordeelt bondig te wezen, zoo stemt ons ons billijk verzoek toe; indien niet, stelt uwe redenen daartegen, waarmede gij meent dat ze kunnen wederlegd worden. Bedenkt, dat ook wij eenmaal voor God en den oppersten Herder der Kerken, Jezus Christus, rekenschap zullen moeten geven van onze bediening, en dat ons zoowel als uwe Eerw. boven alles deze zorg opgelegd is, dat wij, zooveel als in ons is, de eer onzes Gods en Zaligmakers Jezus Christus, dien wij toegeeigend zijn, verdedigen en voorstaan; maar hoe zal dat in ons gedaan worden, indien in 't midden van zoo vele dwalingen, die nu regeeren (zoo 't maar dwalingen behooren genoemd te worden) die de Katholieke of algemeene Kerk, of over langen tijd heeft verdoemd, of ze nooit voor de hare erkend heeft, wanneer zulks het allergelegenst en bekwaamst is, namelijk in dezezelfde Synode, ons niet geoorloofd is die te wederleggen, en dat wij als zorgelooze en ledige akkerlieden zouden slapen, als de booze geest diezelve onkruiden zaait in den akker des Heeren. Indien het ooit ter eeniger tijd noodig is geweest, voorwaar nu is het van noode, dat ter eere Gods en der Gereformeerde Kerken, dezelve van zoodanige leeringen gezuiverd worden, om welker wille zij totnogtoe bij de gansche Christenheid in een kwaad gerucht zijn gekomen; hoedanige deze zijn.
    Dat God het meeste deel der menschen ten eeuwigen verderve verordineerd heeft, zonder voorzien van zonde; dat Hij den mensch geschapen heeft, opdat hij vallen zoude; dat zeer vele gevallenen alleenlijk uiterlijk geroepen worden, die Hij niet wil dat innerlijk bekeerd en zalig worden; dat Hij de zonden zelven heeft voorgeordineerd, besloten heeft, dat ze geschieden zullen, ook zorg draagt dat alles, zoo goed als kwaad, noodzakelijk geschiedt; ook dat eenige kinderen der geloovigen in hunne kindschheid stervende, ter eeuwiger verdoemenis veroordeeld worden.
    [150]
    Dat de Doop niet in alle kinderen, behoorlijk gedoopt naar de waarheid der zaak, de vergeving der zonden en den Geest der wedergeboorte verzegelt. Dat de geloovigen, in gruwelijke zonden gevallen, de genade der rechtvaardigmaking niet verliezèn, en nog meer leeringen, die in onze artikelen worden verworpen. Hierover te zwijgen zoude voorwaar niet wezen godzaligheid, maar de hoogste goddeloosheid; niet voorzichtigheid, maar een ongoddelijke vreeze en slaperigheid; niet Christelijke vriendelijkheid en matigheid, maar een hoogste wreedheid tegen de eer van God en Christus. Ons ambt is niet te verzwijgen, wat tot bevordering van de vlijt der godzaligheid is doende; en de Apostel heeft geacht zijn schuldige plicht te wezen, zich niet te onttrekken, dat hij den ganschen raad Gods niet zoude verkondigen. Die de waarheid, zegt Augustinus, verheelt, en die den leugen openbaart, zijn beiden schuldig; gene, omdat hij niet wil profijtig zijn, deze, omdat hij schadelijk wil wezen. Waartoe dan deze besnedene en angstige wijze van handelen? Waarom zullen wij wijdloopig mogen disputeeren van de verkiezing, en nauwelijks van de verwerping, of niet anders dan naar het voorschrift en de beperking van anderen? Waarom zoude deze ons minder afschrikken van de zonden door vrees van de straf, dan gene ons vermaant aangaande onzen plicht, en de krachtige bewijzen van troost is verleenende ?
    En wij hebben in deze Synode niet te doen met diegenen, die melk van noode hebben, dien het niet oorbaarlijk is met zware quaestiën geoefend te worden, maar met zeer geleerde mannen, en die de zinnen geoefend hebben in de Schrift, die (zoo wij immers achten) deze disputen dikwijls hebben onderzocht, ja die hen tot in merg en been zijn gezeten, bij welke wij geenszins twijfelen, of van deze stof zal nuttiglijk een disputatie aangesteld mogen worden. Daarom, dat wij hier lijden zouden, dat ons zwijgen of grenzen in het verdedigen van onze zaak voorgeschreven zoude worden van diegenen, die het tegenovergestelde gevoelen staande houden, laat onze zaak niet toe, dewelke in onze conscientie des te aangenamer is, en voorts bij ieder Christenmensch, en ook bij de nakomelingen aangenaam wezen zal, dat wij der voornoemde leeringen ons niet bewust zijn, maar die van ganschen harte en gemoede verfoeien.
    De disputen, die van de verkiezing te voorschijn gebracht worden, hebben, ons erachtens, weinig gevaarlijks, maar wat aangaat het hoofdstuk van de verwerping, daar moeten vele dingen besnoeid worden, die de gezonde leer gelijk een kanker verteren, en velen zondaren de vrees van wanhoop aanjagen. En dewijl in de Haagsche Conferentie van de verkiezing breed en wijd gedisputeerd is, en uwen Eerw. bekend kan wezen wat ons gevoelen zij aangaande dit stuk, uit de voorzeide Conferentie, uit den brief aan de uitheemsche Theologen gezonden, en uit onze verklaring, tegen de ContraRemonstranten gesteld, waarin wij ons gevoelen van de blaam van nieuwigheden bevrijden, zoo meenen wij niet zoo noodig te zijn, van dezelve alleen een angstige disputatie opnieuw aan te stellen.
    Maar, dewijl van de absolute en onvoorwaardelijke verwerping, waaruit al de zwarigheid in de Kerken gesproten is, nog niet gehandeld is, zoo zal het gansch noodig wezen tot bevrediging der Kerken, dat op dit leerpunt, en het aankleven er van, nader achtgenomen, en ons de zwarigheden benomen worden, zoo het gevoeglijker wijze geschieden kan, die ons totnogtoe hebben onrustig gemaakt, en geen kleine oorzaak zijn geweest, dat wij van de Contra-Remonstranten in gevoelen verschild hebben. Gij zijt, Mannen Vaders en Broeders, tot deze Synode gekomen, opdat gij een recht oordeel zoudt oordeelen, en, na een ernstig en scherp onderzoek der waarheid, uitspraak doen van de waarheid of valschheid van ons gevoelen.
    Want gij weet, dat de onwetendheid des rechters gemeenlijk is de onderdrukking des onnoozelen. Maar hoe zult gij met volle verzekering des harten uitspraak doen van ons gevoelen, zoo gij het noch ten volle hebt begrepen, gelijk wij het voorgenomen hebben voor te stellen en te verdedigen, noch ons het ander, hetwelk met het onze is strijdende, vrijelijken laat bestrijden?
    Ook hebben uwe Eerw. niet te vreezen, dat uw gevoelen in den haat gebracht of dat den Kerken daarmede ergernis gegeven zal worden.
    Indien uit de noodige waarheid, die ter godzaligheid dienstig is, ergernis genomen wordt, is het beter toe te laten dat er ergernis ontsta, dan dat de waarheid verlaten worde.
    En indien gij gelooft, dat de waarheid aan uwe zijde is, waartoe zijn dan hier bepalingen, beperkingen, en voorzichtigheidsmaatregelen van noode ?
    [151]
    De aard der waarheid; voornamelijk der Goddelijke, is zoodanige, dat zij zich zelve nimmermeer schaamt, maar gaarne zich zelve naakt aan iedereen vertoont.
    Wij vermogen niets tegen de waarheid, maar voor de waarheid, opdat wij met den Apostel spreken; en, gelijk er niets zekerder is te verdedigen dan de zuiverheid, alzoo niets lichter om zeggen dan de waarheid, zegt Hieronimus.
    De liefhebber der waarheid heeft geen vijand, geen berisper te vreezen. Want hij zal of terecht, of ten onrechte berispen. Indien terecht, men moet hem hooren. Indien ten onrechte, men moet hem dulden.
    En aan ons wordt daarmede niet voldaan, dat men zegt, de Synode zal toelaten, dat wij ons gevoelen van de verwerping verhandelen, naardat zij noodig oordeelen zal te dienen ter eere Gods, stichting der Kerken, en gerustheid der conscientiën.
    Want met deze zelfde beperking wordt ons afgesneden de vrijheid, en de volle verdediging van ons gevoelen, en de bestrijding van het tegenovergestelde, behalve dat geen kleine gelegenheid ons gegeven wordt te vermoeden, dat de Synode, nadat ze ons zal hebben hooren disputeeren van de verkiezing, geenszins zal toelaten, dat het gevoelen van de verwerping der Contra-Remonstranten, en dergenen, die zij voor rechtgevoelenden houden, naardat wij noodig zullen oordeelen, ter proeve gesteld worde.
    Want alreeds van te voren, in de Haagsche Conferentie, hebben de Contra-Remonstranten geoordeeld, dat dit tot vooroordeel is strekkende dergenen, die in dit stuk anders zouden mogen gevoelen en tot meerder ongerustheid en verstoring der Kerken.
    Derhalve is de som van ons antwoord gisteren gegeven: dat men ons, gedaagden Remonstranten, niet behoort voor te schrijven, hoe wij ons gevoelen van dit gansche stuk der praedestinatie, moeten uitspreken, en het tegendeel bestrijden.
    Maar dat in deze Synode, die genoemd wordt een vrije Synode, in welke dienvolgens het onderzoek der waarheid, vrij en onbekommerd behoorde te zijn, ons een vrije voorstelling, verklaring, en verdediging van ons gevoelen, met de bestrijding van het tegendeel behoort toegelaten te worden.
    En in dit antwoord volharden wij alsnog allen en een ieder; achtende dit geen hardnekkigheid en moedwilligheid te zijn, maar een volharding in een goed voornemen, en in de voornaamste vastigheid onzer zaak. En om geen andere oorzaak verschijnen wij op deze voormiddag-zitting in de Synode ter gewoonlijker ure, dan opdat misschien geen nieuwe disputen over deze zelfde zaak, met gramschap der E. E. Gecommitteerden, en ongunst der Synode en verdriet der toehoorders, zouden te voorschijn gebracht worden, voor ons, die alsnog in deze onze meening volharden, en ernstiglijk verzoeken, dat uwe Eerw. ons niet verder willen in dit stuk dwingen, persen en bezwaren.
    Daarentusschen hebben uwe Eerw. dit ons voornemen niet te duiden als een ongehoorzaamheid, dewijl ook de Contra-Remonstranten, belast zijnde in de Haagsche Conferentie op eenige onzer vraagstukken van de verwerping te antwoorden, zwarigheid hebben gemaakt den Magistraat te gehoorzamen, zooverre dat zij verklaarden liever te willen de aangevangene Conferentie afbreken, dan zich laten dwingen door het gebod van de hoogste Overheid, anders niet voorwendende dan dat zij in hunne conscientiën die wijze van doen voor de stichting der Kerk nadeelig oordeelen te zullen zijn.
    Derhalve, dewijl de zaak zelve spreekt (wij zullen de woorden der Contra-Remonstranten gebruiken), dat wij in deze worstelbaan niet konden treden op zoodanige conditie, uit welke wij voor de hand klaarlijk zien, dat niet dan meerdere verwarring van zaken, verstoring der Kerken, verbittering der gemoederen, onrust der Republiek en verwarring en verduistering der waarheid zal ontstaan; zoo vertrouwen wij ook, dat deze onze aarzeling niet voor een teeken van ongehoorzaamheid, of uitvlucht bij diegenen, die de zaken recht inzien, geduid zal worden.
    Indien nochtans deze Eerw. Synode bij hare meening is blijvende, wij zullen ons troosten met het goede getuigenis onzer conscientie en, onze zielen in lijdzaamheid bezittende, en den uitgang Gode bevelende, verwachten met anderen, wat de Synode van deze gansche zaak zal oordeelen, opdat, indien wij het den Woorde Gods gelijkmatig bevinden, met onze toestemming blijdelijk en met dankzegging loven en prijzen; indien niet, dit geduldiglijk, gelijk den dienstknechten van Christus betaamt, dragen, bereid voortaan ons alzoo te dragen, dat wij altijd, zonder kwetsing van die gehoorzaamheid, die wij weten dat wij onzen Overheden naar Gods Woord schuldig zijn, ons zelven en ons doen Gode,
    [152]
    onzen naasten, en onzen conscientiën aangenaam stellen.

    De namen van ieder der gedaagden stonden daaronder geteekend.

    Dit schrift voorgelezen en naarstiglijk overwogen zijnde, is gevraagd geweest, of om deze redenen, bij de Remonstranten voorgesteld, iets in het besluit der Synode behoorde veranderd te worden; en daarop, gehoord zijnde de adviezen van alle, zoo uitheemsche als inlandsche Theologen, is eenstemmiglijk verklaard geweest, dat den Remonstranten zoo groote vrijheid tot verdediging van hunne zaak gegeven was, als in reden, en naar de waardigheid der Synode den gedaagden zoude kunnen vergund worden; en derhalve geen oorzaak was waarom het besluit der Synode zoude schijnen veranderd te moeten worden, of dat de Remonstranten zouden mogen klagen, of de autoriteit dezer Synode niet erkennen. Dat hun niets was belast, hetwelk eenigszins hunne conscientiën konde bezwaren. En derhalve, dat het deksel der conscientie tevergeefs aan de hardnekkigheid omgehangen werd.
    Dat hun overvloediglijk en in alle manieren voldaan was, dat die absolute, en onbepaalde vrijheid, die zij begeerden, hun van de Synode niet mocht gegeven worden; dat het billijk was, dat zij zich aan zekere wetten behoorden te onderwerpen, en dat zij, wanneer zij hier buiten traden, bedwongen zouden mogen worden.
    Dat met eere der Synode hun geen meerdere vrijheid konde gegeven worden, dan hun gegeven was. Maar, opdat al de wereld mocht verstaan de billijkheid, en opdat de Remonstranten eenmaal tot hunnen schuldigen plicht bewogen, of zoo zij in de weigering volharden wilden, meer en meer van onbillijkheid overtuigd, en hun alle excusen benomen zouden worden, is besloten, dat dit besluit der Synode met een wijdere verklaring zoude uitgestrekt, en de vrijheid, te voren bij de Synode toegelaten, niet alleenlijk van hun eigen gevoelen te mogen verdedigen, maar ook het tegenovergestelde hiervan te bestrijden, met klare woorden uitgedrukt zoude worden; opdat zij gansch geen oorzaak zouden hebben van klagen, dat zij de meening der Synode niet hadden gevat.
    En dat deze wijdloopiger verklaring des besluits, des anderen daags hun wederom voorgelezen, en zij wederom ernstiglijk vermaand zouden worden, de in alle manieren billijke besluiten der Synode te gehoorzamen, en zoodanige uitvluchten te laten varen.