|
Titelpagina en voorreden
Zitting 1-25
Zitting 26-50
Zitting 51-75
Zitting 76-100
Zitting 101-125
Zitting 126-150
Zitting 101-125
Zitting 126-150
zitting 151-154
zitting 36
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Vijfde Artikel
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
Na-handelingen Nationale Synode
zitting 155 t/m 180
inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
|
[145]
DE VEERTIGSTE ZITTING.
Den 29en December, Vrijdagvoormiddag.
De praeses heeft vertoond, dat de Remonstranten terzelver ure een wijdloopig schrift hadden doen brengen, en werd gevraagd of men het zoude voorlezen. Het heeft den E. Gecommitteerden beliefd, dat het nog niet zoude voorgelezen worden, maar dat de gedaagden eerst verschijnen zouden. Toen deze verschenen waren, hebben zij bevolen, dat hun dit besluit voorgelezen zoude worden. De Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, na zoo veelvoudige tusschenstelling, zoo van hunne autoriteit als van die der Eerw. Synode, en na zoo vele besluiten, in deze plaats afgekondigd, dewelke zij zeer kwalijk namen (gelijk reden is), en die bij de gedaagden veracht geweest zijn, en nog veracht worden: hebben goedgevonden, wederom hun ernstelijk te gebieden, en gebieden als nu, dat niemand voortaan met gelijke vermetelheid zich tegen dezelve durve stellen, maar het gebod der Synode, te voren voorgelezen, hetwelk zij willen dat zijn volle kracht, gelijk billijk is, zal behouden, vaardiglijk en zonder weigering gehoorzaam zij; en dat niemand dezelve, of door stilzwijgen, of door zijn vertrek, ondersta te verzwakken;op straf van als wederhoorige, en anderszins door uitspraak van scheidsrechters, ook met politieke straf gestraft te worden. Men heeft ze gevraagd, of zij eenmaal het besluit der Gecommitteerden zouden willen gehoorzaam zijn. Zij hebben geantantwoord, dat zij hunne meening in het schrift, den praeses ter hand gesteld, verklaard hadden, en baden derhalve dat datzelve zoude mogen gelezen worden. De Gecommitteerden hebben wederom geboden, dat zij nu niet langer uitvluchten zouden zoeken, maar tot de zaak komen en eenvoudiglijk antwoorden zouden, en dat met deze woorden. De E. Gecommitteerden der Doorl. Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, naar de opperste autoriteit, die zij hier hebben, verbieden wederom en interdiceeren, dat in deze plaats niets wordt voorgelezen, dat eenigszins in strijd is niet het laatste besluit der Synode, dat gisteren gemaakt is, gelijk zij naar dezelve autoriteit gebieden, bevelen enbelasten aan de gedaagde Remonstranten, dat zij, met stilzwijgen of met hun voorgewend vertrekken, deze Eerw. en treffelijke vergadering, voortaan geen hindernis doen, maar zich terstond tot de tegenwoordige zaak begeven, en op de vraagstukken oprechtelijk en eenvoudiglijk antwoorden. M. Episcopius antwoordde, dat gelijk zij gisteren verklaard hadden, alzoo ook heden verklaarden, dat zij in conscientie niet konden gehoorzamen, tenzij hun volle macht gelaten worde hunne zaak alzoo voor te stellen, te verklaren en te verdedigen, gelijk zij noodig zouden oordeelen. Hun is aangezegd, dat hun een billijke, behoorlijke en Christelijke vrijheid ten volle toegelaten werd; maar dat men hun een absolute, die door geen regelen der Synode omschreven was, niet konde toelaten, dat zulks onbillijk was. Dat tevergeefs tot een dekmantel deze gehoorzaamheid der conscientie werd voorgewend, voornamelijk dewijl hun niets opgelegd werd, wat tegen Gods W oord was strijdende, en die zaak maar betrof de orde, en dienvolgens in zich zelven middelmatig was. Dat den Gecommitteerden en der gansche Synode geen klein ongelijk aangedaan werd, zoo menigmaal zij tegen hare gansche billijke besluiten hunne conscientiën stelden, alsof iets onbehoorlijks, of iets met den Woorde Gods strijdig daarin begrepen was. Maar opdat men tot de zaak zelve mocht komen, zonder langer te aarzelen, zijn zij gevraagd, of zij de artikelen, door de Remonstranten voorgesteld en verdedigd, voor de hunne erkenden, en belast, iedereen, hoofd voor hoofd, te antwoorden. Episcopius heeft geantwoord, dat hij met 't besluit niet konde tevreden zijn, hetwelk hun gebood op zoodanige vragen te antwoorden; dat het billijk was hun die vrijheid toe te laten, die zij geëischt hadden; zij waren gedaagd om eene gemeene zaak te verdedigen, en verzochten derhalve vrijheid in alle bewijzen en artikelen, dezelve voor te stellen en te verdedigen, niet gelijk de Synode, maar gelijk zij oordeelden noodig te wezen. Zij zijn wederom door den praeses vermaand, dat zij ten minste denken moesten, dat zij geen rechters waren, wien het toekomt den vorm van handeling voor te schrijven, maar gedaagden, die gehouden [146] zijn zich aan de orde der richters te onderwerpen. Dat zij moesten gedachtig wezen aan hunnen toestand: indien zij voor lidmaten der Gereformeerde Kerken wilden gehouden zijn, dat zij zich moesten onderwerpen aan het oordeel dergenen, die dezelve vertegenwoordigen. Dat het zeldzaam en ongehoord was, dat predikanten der Gereformeerde Kerken zich aan het oordeel van de Synode derzelve niet willen onderwerpen. Dat de oorzaak van deze weigering geen andere was, dan dat zij niet gewend waren wetten aan te nemen, maar te geven; zij zouden nu denken wat verandering er gevallen was, en in wat stand zij waren, en derhalve erkennen wie zij waren, en zich als gedaagden aan de orde, bij den rechter voorgeschreven, onderwerpen. M. Episcopius heeft geantwoord, dat al wat zij deden hun van hunne conscientie geboden werd, dat zij niet verstaan konden, dat hun totnogtoe behoorlijke vrijheid gegeven was geweest. En zoo dezelve hun niet werd gegeven, dat zij liever hadden te zwijgen. Henricus Leo, gevraagd, om op de voorgestelde vraag te antwoorden, zeide, dat de praeses daar ten eenenmale op uit was, om hen in den haat te brengen van de hooge Overheid. Dewijl alzoo doende de waarheid onderdrukt werd, dat hij liever uit den publieken dienst wilde scheiden, als deze wet aannemen. Dat hij wel den Magistraat niet wilde tegenstaan, maar nochtans niet met dit besluit tevreden konde zijn. Dat hij eenmaal aan het examen was onderworpen geweest, en begeerde niet wederom geexamineerd te worden. De praeses heeft hem bestraft, dat hij om een zoo geringe zaak, en die maar de orde betrof, uit den dienst wilde scheiden, en hij heeft gevraagd of hij dat met goeder conscientie mocht doen. Hij verzocht daartegen bij geschrift te mogen antwoorden. Bernerus Wesekius, hetzelfde gevraagd zijnde, zeide dat hij bleef bij het overgeleverde schrift, dat hij ook eenmaal geexamineerd was geweest, en niet wederom begeerde van nieuws geexamineerd te worden; dat hij niet konde antwoorden, tenware hun volle vrijheid gelaten werd; dat het een gemeene zaak ware, en dat hij niets zoude doen, dan met de rest. Hollingerus zeide, dat zij met zoodanig vertrouwen herwaarts waren gekomen, dat zij hunne dingen vrijelijk en op zulke wijze, als zij zouden oordeelen hunne zaak dienstig te zullen wezen, zouden mogen voorstellen. Dat de wet der E. E. Gecommitteerden met de billijkheid niet overeenstemde, en zij derhalve niet konden antwoorden, dat het ook eens iegelijks werk niet was, op alle vragen openlijk te antwoorden. Johan. Corvinus antwoordde, zoo hun de vrijheid niet toegelaten werd, die zij begeerden en billijk achtten, dat zij niet verder konden treden. Poppius, dat hij verzocht dat het schrift, aan den preses overhandigd, gelezen mocht worden. De praeses heeft geantwoord, dat het besluit der E. E. Gecommitteerden zulks verbood, en ter contrarie gebood, dat elk een in 't bizonder zoude antwoorden, dat hij derhalve hen vraagde, of hij op de voorgestelde vraag zoude antwoorden. Maar hij zeide daarop, zoo de vrijheid, die zij verzocht hadden, hun niet gegeven werd, dat hij niet konde gehoorzamen, maar liever alles wilde lijden. Bernardus Dwinglo, dat hij ook met Poppius van diezelfde meening was; dat hij die manier van doen niet konde ingaan, tenware de geëischte vrijheid toegelaten werd. Philippus Pynacker, dat hij hetzelfde antwoordde. Dominicus Sapma, dat hij in conscientie niet konde. Theophilus Rijckewaart, dat zijne zaak, wezende een gemeene zaak, met gelijke macht moest verhandeld worden; dat hij zoo vaardig niet was, dat hij op alle vragen konde antwoorden, dat er ook niets zoowel konde gezegd worden, of het werd dikwijls ten kwade geduid. Dat zij weinig te voren waren beschimpt geweest, en daarom liever hadden te zwijgen. De praeses antwoordde, dat niemand van hen eenigszins bespot was geweest, maar dat die zeldzame rede van Episcopius, waarmede hij te kennen gaf, zulk een vrijheid te begeeren, niet die de Synode, maar die hij oordeelde noodig te wezen, niet zonder ergernis had kunnen aangehoord worden. Carolus Niellius, dat hij ook zoo vaardig niet was, en zoo prompt in de Latijnsche spraak, dat hij staansvoets op alles zoude kunnen antwoorden. Dat het een onverdragelijke wet was, indien het de Synode geoorloofd zoude zijn, iedereen uit te kippen dien zij wil, om dien te vragen, en dat die noodzakelijk op de vragen zouden moeten antwoorden; dat het groot onrecht was, dat iemand gedwongen zoude worden, zijn zaak te leiden naar 't oordeel van zijn tegenpartij; dat er geen zaak zoo billijk en goed was, die alzoo niet zoude kunnen verdraaid worden. [147] En dat hij derhalve met dit besluit niet kon tevreden zijn. Hij bekende wel, dat men de Overheid moest gehoorzaam zijn, maar dat ook diegenen die wet moesten goedkeuren, van dewelke gehoorzaamheid gevorderd wordt. Hem is tot antwoord gegeven, dat hij genoeg bewees, dat het hem noch aan de vaardigheid, noch aan de gereedheid van de Latijnsche spraak ontbrak. Dat men hier niet lang behoefde te disputeeren, of te pleiten;dat er alleenlijk gevraagd wordt, dat iedereen rekenschap zoude geven van die leer, die zij in deze Kerken gepredikt hadden. Dat onlangs bij de adviezen der uitheemschen klaarlijk bewezen en bevestigd was geweest, dat de Synode voor tegenpartij niet mocht gehouden worden, en dat zij dit derhalve zoo dikwijls niet behooren te herzeggen. Hij antwoordde, dat men hun niet had toegelaten die redenen te overwegen, noch ook gearbeid hunne conscientiën, te voldoen. Hem werd gezegd, dat ze duidelijk genoeg waren voorgelezen geweest. Zij hadden tijd gehad die te overwegen, en derhalve hadden die hunne conscientiën overvloediglijk behooren te voldoen. Maar dat zij totnogtoe niets anders gezocht hadden, dan den tijd te verlengen, en de onkosten ten hoogste te doen loopen. Assuerus Matthisius heeft geantwoord, dat hij van zijne meening, in het schrift uitgedrukt, niet kon afwijken; hij verzocht derhalve dat hem zulks niet ten kwade geduidt wordt. Thomas Goswinius, dat hij niets had te voegen bij het antwoord van zijn collega. Samuel Neranus, dat hij verzocht, dat het overgeleverde Schrift mocht gelezen, de redenen overwogen, en wederlegd worden. Indien dit niet geschiedde, konde hij in conscientie van zijn verzoek niet afstaan. Te meer, dewijl de oproepingsbrieven hun deze verzochte vrijheid toelieten. Hem is geantwoord, dat dezelve hun zulke vrijheid niet gaven, die aan hun believen alleen zoude staan, en aan geen regelen der Synode zoude verbonden zijn. Isaacus Frederici zeide, hij was een lid der Synode, en had zich niet gevoegd bij de Remonstranten, in die meening dat zij hoofd voor hoofd gevraagd zouden worden, maar opdat zij gelijkelijk de gemeene zaak zouden verdedigen. En derhalve verzocht hij, dat men hem in dit stuk voorbij zoude gaan, want hij zag een anderen uitgang dan hij vermeend had; hij wilde liever in stilheid verwachten, wat hem overkomen zoude, en lievereen privaat leven voeren, dan disputen en vragen onderworpen zijn. Hem is geantwoord, zoo van den praeses, als van Daniel Heinsius, uit naam der Gecommitteerden, dat zij geen lichaam of verzameling maakten, gelijk nu dikwijls gezegd was geweest. Want zij waren aldaar ontboden geweest man voor man, opdat iedereen rekenschap van zijne leer geven zoude. Dat hun wel toegelaten werd, gezamenlijk te beraadslagen, en zoo zij overeenstemden, te mogen antwoorden, dat zulks het gemeene gevoelen van allen was, maar daarentusschen ook dat iedereen, van de Synode gevraagd, gehouden was rekening te geven van zijne leer, dat dit ook niet onbillijk was, dewijl zij zelven in de verklaring, schriftelijk overgeleverd, betuigden, dat zij zeer veel geleerd hadden, sedert dien tijd van de Haagsche Conferentie, en derhalve niet alleen uit de vorige schriften geoordeeld wilden zijn, dat zulks derhalve noodig was, opdat de Synode wete in wat gevoelen zij staan, voornamelijk dewijl een onderzoek dienaangaande hier gedaan moet worden. Dat hetzelve niet zoude kunnen geschieden, tenware zij rondelijk op de vragen der Synode wilden antwoorden. Eindelijk zijn zij, allen te gelijk, gevraagd geweest, of zij hij hunne te voren gegevene antwoorden bleven. Hierop hebben zij allen en iedereen geantwoord, dat zij daarbij bleven, en rneenden dat een gemeene zaak gemeener hand verhandeld moest worden. En zijn alzoo allen vertrokken. Het heeft den Gedeputeerden beliefd hen weder te doen roepen, en te vermanen, dat zij de zaak nader zouden bedenken en overwegen, en hun is tijd om zich te beraden gegeven geweest, tot vier uur na den middag. En zij zijn vermaand geweest de gansche zaak naarstiglijk te overwegen, en zich tot gehoorzaamheid te schikken. Zij hebben geantwoord, niet van noode te zijn zich langer te beraden; hetgeen zij te voren gezegd hadden, dat zeiden zij nog, en bleven daarbij. Zij konden in een gemeene zaak niet bizonderlijk antwoorden, tenware men voorhenen hun die vrijheid gave, te weten, hunne zaken te beleiden, gelijk zij zouden noodig achtten. En zijn alzoo henengegaan. Het heeft den E. E. Gecommitteerden beliefd hen ten tweeden male te laten ontbieden;en, als zij weder gekomen waren, hen ernstiglijk te gebieden, dat zij 't besluit der Synode en hunne bevelen ten [148] laatste immers eens wilden gehoorzamen; en hebben hen, dewijl zij hardnekkig bleven, daarenboven belast niet uit de stad te vertrekken zonder verkregen toestemming.

|