Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Zitting 39


    DE NEGENENDERTIGSTE ZITTING.

    Den 28en December, Donderdagvoormiddag.

    In deze zitting hebben de Remonstranten hunne, zoo zij ze noemen, bedenkingen op den Catechismus dezer Kerken overgeleverd, gezamenlijk van Episcopius, Poppius, Corvinus, Dwinglo, Pynackerus, Sapma, Neranus, en Hollingerus onderteekend; maar bizonderlijk hebben de hunne overgegeven, hoofd voor hoofd, Niellius, Goswinus, Matthisius, ,en Isaacus Frederici. Rijckwaert en Vezekius verklaarden geene te hebben, die zij overgeven zouden.
    Men heeft hen gevraagd, of deze dezelfde waren, die zij overlangen tijd den E. M. H. Staten van Holland en WestFriesland hadden overgegeven. Zij hebben geantwoord, dat deze dezelfde waren, die zij over langen tijd den E. M. H. Staten hadden ter hand gesteld, zooveel zij konden gedenken;hoewel er nu vele meer bijgevoegd waren; en dat zij anders geene dan deze hadden.
    De Paltzische Theologen verklaarden, dat hun van den Doorl. Keurvorst en Paltzgraaf belast was, zoo er misschien iets voortgebracht werd tegen den Paltzischen Catechismus, dat zij naarstig toezien zouden, dat er tot vooroordeel der Kerken van den Paltz niet werd besloten. Zij verzochten derhalve, dat deze bedenkingen hun overhandigdmochten worden, opdat zij ze onderzoeken, en een antwoord daarop vaardig maken mochten, dat zij daarna aan het oordeel der Synode zouden onderwerpen. En is hun toegezegd, dat er niet tot hun vooroordeel gehandeld zoude worden.
    Als nu alle de bedenkingen overgeleverd waren, aangezien men nu verder zoude komen tot de verhandeling en het onderzoek zelve der Vijf Artikelen, en dewijl de Remonstranten in de overgeleverde artikelen hun gevoelen nog niet klaar genoeg schenen voorgesteld te hebben, zoo zijn ze gebeden en vermaand geweest, dat zij hunne meening op eenige vragen der Synode ronder en voller wilden verklaren. Zij hebben geantwoord, dat zij deze manier van doen niet konden toestaan, noch volgen. En, dewijl door de oproepingsbrieven hun was toegelaten, hun gevoelen voor te stellen, te verklaren en te verdedigen, zooveel zij noodig zouden achten, dat zij in de verdediging hunner zaak deze vrijheid wilden gebruiken, en datzelve voorstellen en verklaren, naar dat zij noodig zouden achten. Hun is aangezegd, dat over deze uitlegging der oproepingsbrieven, die zij ook tevoren gebruikt hadden, de gansche Synode gevraagd zijnde, verklaard had, dat de vrijheid in de oproepingsbrieven
    [144]
    zich maar uitstrekt tot de verdediging van het gevoelen, en niet behoorde tot de verklaring en voorstelling daarvan verdraaid te worden.
    Derhalve moest de wijze van verklaring aan het believen en oordeel der Synode gelaten worden.
    En dat de verklaring zoude moeten gedaan worden, niet zooveel als zij, maar zooveel de Synode, tot volle kennis en behoorlijk onderzoek van hun gevoelen, genoegzaam en noodig zoude achten.
    Hierop hebben zij geantwoord, dat zij altijd alzoo de oproepingsbrieven verstaan hadden, gelijk zij ze hadden uitgelegd, en in zulk een meening en hope waren gekomen, dat zij die vrijheid zouden genieten. Dat hunne zaak deze wijze van doen vereischte; dat zij, tenware zij dezelve wilden verraden, niet anders kunnen handelen.
    Dat het noodig was, dat in de eerste plaats in alle artikelen en bewijzen van de verwerping gehandeld worde, dewijl op dit artikel de gelegenheid des geheelen verschils is draaiende, de meeste zwarigheden daarover gemaakt, en de meeste twisten daaruit gerezen waren; derhalve dat zij van hun gemoed niet konden verwerven, eene andere manier van doen te volgen, als die zij tot verdediging van hunne zaak de bekwaamste oordeelden.
    Dat in de manier van procedeeren al het welvaren van hunne zaak gelegen was, en zij derhalve liever uit de Synodale handelingen wilden scheiden en uit de stad vertrekken, indien hun niet voor de hand behoorlijke vrijheid vergund en toegelaten wordt in hunne zaak, zoo zij dienstig en noodig achten te handelen.
    De Gecommitteerden hebben hen vermaand de bevelen der Synode te gehoorzamen, en beter te overleggen wat zij van hun gemoed konden verwerven.
    Want dat zij daartoe arbeiden wilden, dat de autoriteit der Synode en der H. M. H. Staten-Generaal, welker plaats zij alhier bewaarden, onverkort zoude blijven tegen hunne bedenkingen en uitvluchten. Ook heeft men gevraagd het gevoelen der Synode over deze weigering der Remonstranten, en, na naarstige overweging der zaak, opdat men hen hierin, zooveel doenlijk ware, te gemoet zoude gaan, en alle occasie van te klagen afsnijden, heeft de Synode aldus besloten :
    Aangezien de Remonstranten ettelijke malen verklaard hebben, dat zij in conscientie in de Synode niet langer kunnen blijven, tenzij dat men voorhenen hun verzekering doe, dat men van de verkiezing en verwerping in het toekomende zal handelen, naar de wijze, die zij in hunne artikelen en schriften, totnogtoe overgegeven, hebben voorgesteld, verklaart de Synode, om hen te meer te voldoen, openlijk en voor elkeen, dat zij besloten heeft en besluit bij dezen hun gevoelen, niet alleenlijk van de verkiezing, maar ook van de verwerping te overwegen en te onderzoeken, zooveel namelijk als zij oordeelen zal in conscientie te mogen en behooren genoeg te zijn tot Gods eere, stichting en rust der kerk, en aller conscientiën.
    Maar wat aangaat de manier, hoe men in dezen zal handelen, en wat orde men behoort te volgen: de Synode verstaat dat het haar toekomt daarop te letten, en dat zij den Remonstranten, die hier gedaagd zijn, niet toestaat iets voor te schrijven.
    En dat deze tevergeefs de conscientie voorwenden, gemerkt noch de Gecommitteerden, noch de Synode totnogtoe hun iets heeft opgelegd, dat tegen Gods Woord is strijdende, en alzoo hier van een zaak gehandeld wordt, die, niet de conscientiën, maar de methode en manier van handelen betreft. En derhalve, zoo zij zulk een acht op hunne conscientie willen nemen, als zij behooren, best zullen doen, dat zij zich aan de gansch billijke bevelen der hooge Overheid en het oordeel der Synode, met behoorlijke eerbiediging, onderwerpen.
    Dit besluit der Synode is den Remonstranten voorgelezen, en deze zijn gevraagd geweest of zij daarmede te vreden wilden zijn.
    Zij hebben geantwoord, dat zijn concientie niet mochten.
    En vermaand zijnde zich rijpelijk over de geheele zaak te beraden (waartoe hun tijd van te beraden aangeboden werd), hebben zij gezegd, dat zij geen wijder berading van noode hadden; dat het genoeg bij hen besloten en beraden was, deze wijze van handelen niet te volgen.
    De Gecommitteerden hebben ernstelijkvermaand, dat zij ophouden zouden aldus tegen te spreken, onder boete van ongehoorzaamheid en scheidsrechterlijke politieke correctie, en het besluit der Synode na te komen.
    Desniettemin bleven zij bij hun voornemen, en antwoordden, dat zij in conscientie het besluit der Synode en deze bevelen der Gecommitteerden niet konden gehoorzame