|
DE ZEVENENDERTIGSTE ZITTING.
Den 20en December, Donderdagvoormiddag.
Is verschenen en in de Synode plechtiglijk ingebracht geweest de E. D. Gualtherus Balcanquallus, Baccalaureus der H. Theologie, Socius van het Penbroecksche Collegie in de Universiteit van Cambridge, gezonden door den machtigsten Koning van Groot-Brittanje, uit naam der Schotsche Gemeenten, welke te kennen heeft gegeven, dat hij den Hoogmog. Heeren Staten Generaal in hunne vergadering de oorzaken verklaard had, waarom hij van den Koning van Groot-Brittanje niet eer en waarom in geen meerder getal uit naam der Schotsche Kerken tot de Synode gezonden was. Dat de Kerken van Schotland de Nederlandsche Kerken altijd waren toegedaangeweest, en altijd, toen zij in den oorlog staken, openlijk, en daarna, wanneer zij door oneenigheden beroerd zijn geweest, bizonderlijk voor hen hadden gebeden. Dat zij altijd in deze gemoedsstemming zouden volharden, en dat hij uit haar naam in deze vergadering, naar zijn vermogen, alle zijn raadslagen zoude aanleggen tot vrede der Nederlandsche Kerken. En heeft daarna den Synodalen eed gedaan. De praeses heeft vermaand, alzoo er meer leerstukken waren dan de Vijf Artikelen der Remonstranten, die tegen de aangenomene leer onzer Kerken waren strijdende van welke men voortaan zoude moeten handelen, dat de gedeputeerden van iedere Synode bijtijds alle bezwaren, die zij hadden, [140] en aangaande de leer, vaardig maken, en dezelve, bij geschrift gesteld, den preses overleveren zouden, opdat men daaruit kiezen mocht, die het noodigst dienden verhandeld te worden. Daarenboven zijn allen en een ieder verzocht, indien zij iets in de overgeleverde artikelen der Remonstranten misschien hadden aangemerkt, dat niet ten volle en klaar genoeg verklaard was, datzelve bij geschrift den praeses ter hand stellen. Dit hebben ook sommigen gedaan. En dewijl de Remonstranten ettelijke malen die woorden der oproepingsbrieven tot de Synode, waarmede hen geboden werd, hun gevoelen voor te stellen, te verklaren, en naar vermogen en nood, en zooveel zij oordeelen zullen noodig te wezen, te verdedigen, alzoo geduid hadden, alsof hun daarin de vrijheid gegeven ware hun gevoelen in zulker voege uit te leggen en voor te stellen, als zij zouden oordeelen noodig te zijn, en op deze uitlegging onbillijke bedenkingen gingen stichten; is de Synode verzocht geweest, hare meening dienaangaande te verklaren, opdat de praeses, wanneer men tot de zaak gekomen zoude zijn, van de meening der Synode niet afdwaalde, of de gedaagden de billijke palen der vrijheid niet te buiten zouden gaan, of door onbehoorlijke bedenkingen uitvlucht zoeken. De E. Gecommitteerden, gevraagd zijnde naar hun advies, hebben geantwoord, dat zij verstaan, dat die woorden, zooveel zij oordeelen zullen noodig te wezen, niet gerefereerd moeten worden tot de voorstelling en verklaring van het gevoelen, maar alleenlijk tot de verdediging van dien, en dat zulks klaarlijk te zien is uit de oproepingsbrieven, die zij aan de gedaagden hadden gezonden. In deze stond duidelijk, dat zij hun gevoelen voorstellen, verklaren, en zooveel zij noodig zouden oordeelen, verdedigen zouden; zoodat daaruit klaarlijk blijkt, dat die woorden alleen tot de verdediging worden gerefereerd, en, tenzij dat iemand lust hebbe te knibbelen en te warren, tot de voorstelling en verklaring niet kunnen getrokken worden. Deze moet niet in hun oordeel en goeddunken gelaten worden, maar op die wijze van hen gedaan worden, als de Synode noodig zoude achten. De gansche Synode heeft ook eenstemmig verklaard, dat dit hare meening was. Daarom is goedgevonden deze verdraaiing van de woorden der Synode in eenen verkeerden zin den Remonstranten aan te wijzen, en hen ernstelijk te vermanen, dat zij zich van zoodanige knibbelingen in den toekomenden tijd zouden wachten, en zoodanige uitvluchten voortaan niet meer zoeken, maar zich bereiden om hun gevoelen naakt en klaar voor te stellen; niet zooveel zij, maar zooveel de Synode, tot volkomene kennis en behoorlijk onderzoek daarvan, genoegzaam en noodig zoude achten. Daarna is ook vermaand, dewijl de gedaagden in hunne overgegevene schriften zeer vele historische verhalen, beschuldigingen, en ontschuldingen gesteld hadden, van welker waarheid de geheele Synode en voornamelijk de uitheemsche Theologen geen kennis hadden, of het niet noodig ware, de Synode hiervan volkomenlijker te onderrichten; en is goedgevonden, dat de gedeputeerden van iedere Synode voornamelijk van Gelderland, Zuid- en Noord-Holland, en van het Sticht van Utrecht en van Overijsel, alwaar deze zaken met de Remonstranten waren gepasseerd, een kort waarachtig en beslist historisch verhaal van den aanvang en voortgang dezer verschillen en twisten, die in iedere provincie waren gepasseerd, zouden beschrijven, en de Synode overleveren. Dit hebben zij aangenomen te doen, zooveel hunne bezigheden konden toelaten.

|