Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Zitting 34


    DE VIERENDERTIGSTE ZITTING.

    Den 17en December, Maandagvoormiddag.

    De Eerwaardige en Achtbare mannen D. Johannes Bisterveldius, hofprediker en opziener van Sigen, en de D. Johannes Alstedius, Professor der H. Theologie, in de vermaarde school van Herborn, tot deze Synode gedeputeerd van de Doorl. Wetteravische Correspondentie, zijn plechtiglijk door de scriba's ingevoerd geweest in de vergadering, en van de EE. Heeren Gecommitteerden minnelijk ontvangen, en in hunne stoelen, zitplaatsen en orde gezet.
    De EE. Heeren Gecommitteerden hebben hunne geloofsbrieven, die zij brachten van de voornoemde Wetteravische Correspondentie, aan de Doorlucht. Heeren Staten-Generaal, voorgelezen. Deze hebben de Synode wel behaagd, en zij hebben den Synodalen eed, gelijk anderen, gedaan.
    [130]
    De gedaagden hebben een schrift overgeleverd, in hetwelk zij hun gevoelen van de vier andere Artikelen verklaard hebben, vervat in zekere artikelen; hetwelk zij ook voorgelezen hebben. Zij hadden hun gevoelen, aangaande het tweede Artikel, dat van de algemeenheid der verdienste van Christus, in vier; aangaande het derde en vierde, dat van de genade Gods, en de bekeering des menschen, in twaalf, en daarna, aangaande het vijfde, dat van de volharding der ware geloovigen spreekt, in acht artikelen vervat.
    Zij hadden, bij de uitlegging van dit hun gevoelen, een wijdloopige verklaring van eenige redenen gevoegd. Hiermede zochten zij deze twee stukken te bewijzen.
    1. Dat het billijk was hun gevoelen niet alleen met bevestigende, maar ook met ontkennende artikelen uit te drukken.
    2. Dat men moest handelen niet alleenlijk van de verkiezing, een deel der praedestinatie, maar ook van het andere, te weten van de verwerping. In datzelve schrift verklaarden zij daarenboven mede, dat die leeringen, welke zij verwerpen, van vele Contra-Remonstranten, of van diegenen, die hun gevoelen toegedaan waren, zoowel in deze gewesten, als elders, werden staande gehouden; dat de tegenwoordige verschillen niet waren van het schrapsel van een nagel, of van artikelen, die niet veel om 't lijf hadden, maar van die hoofdstukken der Theologie, in de praktijk gelegen, die de eere Gods verklaarden, en de vlijt der godzaligheid, wanneer men recht daarvan gevoelde, bevorderden, of integendeel, zoo ze niet wel verstaan werden, de eere Gods grootelijks nadeelig waren, en den loop der godzaligheid verachterden.
    Dat er ook waren zeer vele leerstukken der Contra-Remonstranten van de verwerping en het aankleven van die, der eere Gods lasterlijk, de godzaligheid schadelijk, en die, van het eerste der Reformatie aan, geen kleine beroerten in de Kerken hadden veroorzaakt. Dit was het schrift.

    Het gevoelen der Remonstranten aangaande het tweede Artikel:

    Dat daar handelt van de algemeenheid der verdienste des doods Christi, is dit.
    1.
    De prijs der verlossing, die Christus Gode, zijnen Vader, heeft opgeofferd, is niet alleenlijk in zich zelven en door zich zelven voor het gansche menschelijk geslacht tot vrijkooping genoegzaam, maar is ook voor alle en een ieder mensch, naar het besluit, den wil en de genade Gods des Vaders, betaald geweest; en derhalve wordt niemand, door een absoluut en voorgaand besluit Gods, van de gemeenschap der nuttigheden des doods Christi precieselijk uitgesloten.
    2.
    Christus heeft, door de verdienste zijns doods, God, den Vader, het gansche menschelijk geslacht dusverre verzoend, dat de Vader, om de verdienste hiervan, onverminderd zijne gerechtigheid en waarheid, een nieuw verbond der genade, met de zondaars en der verdoemenis schuldige menschen, heeft mogen en willen maken, en bevestigen.
    3.
    Al is het, dat Christus voor alle en ieder der menschen de verzoening met God en de vergeving der zonden verdiend heeft, zoo wordt nochtans niemand, volgens het nieuwe en genadige verbond, anders dan door het geloof der weldaden, die door den dood Christi verworven zijn, dadelijk deelachtig, noch de zonden den zondaren vergeven, voor en aleer zij dadelijk en waarachtiglijk in Christus gelooven.
    4.
    Die lieden zijn alleenlijk gehouden te gelooven, dat Christus voor hen gestorven is, voor welke Christus gestorven is. Maar de verworpenen, zoo men ze noemt, voor welke Christus niet is gestorven, zijn aan dit geloof niet verbonden, en kunnen, vanwege de tegenovergestelde ongeloovigheid, niet rechtvaardiglijk verdoemd worden; zelfs zoo er zoodanige verworpenen waren, diezelve zouden gehouden zijn te gelooven, dat Christus voor hen niet gestorven is.

    Het gevoelen der Remonstranten nopens het derde en vierde artikel:

    Van de genade Gods en de bekering des menschen, is dit
    1.
    De mensch heeft de zaligmakende genade niet van zichzelven, noch uit de krachten zijns vrijen wils; gemerkt hij, in den stand der zonde, niets goeds (immers dat heilzaam goed is, hoedanig voornamelijk is het zaligmakende geloof) uit en van zich zelven kan denken, willen, of doen; maar het is van noode,
    [131]
    dat hij van God, in Christus door zijnen H. Geest, herboren en vernieuwd worde, in verstand, genegenheden, wil en alle krachten, opdat hij de heilzame goederen recht moge verstaan, betrachten, willen en volbrengen.
    2.
    Nu wij houden, dat de genade Gods niet alleenlijk is het beginsel, maar ook de voortgang en vervulling alles goeds, in zulker voege, dat zelfs de wedergeborene, zonder deze voorgaande of voorkomende, opwekkende, volgende en medewerkende genade, het goeddunken willen of volbrengen kan, of eenige verleidingen ten kwade tegenstaan; alle goede werken en handelingen, die iemand zoude kunnen bedenken, zijn de genade Gods toe te schrijven.
    3.
    Nochtans gelooven wij niet, dat alle ijver, zorg en vlijt, om de zaligheid te verkrijgen, aangewend, voor het geloof zelf en den Geest der wedergeboorte, ijdel en tevergeefsch, ja ook den mensch veel meer schadelijk zij, maar nut en profijtelijk; maar wij houden integendeel, dat Gods Woord te hooren, bedroefd te zijn over de begane zonde, de heilzame genade Gods, en den Geest der wedergeboorte te begeeren, (bij welke dingen nochtans de mensch niets vermag zonder genade) niet alleenlijk niet schadelijk en onprofijtelijk zijn, maar veel eer gansch nut en ten hoogste noodig, om het geloof en den Geest der vernieuwing te verkrijgen.
    4.
    De wil, in den stand des vals, voor de roeping, heeft geen macht en vrijheid iets goeds, hetwelk zaligmakend is, te willen. Derhalve ontkennen wij, dat de vrijheid van zoowel het zaligmakende goed, als het kwaad te willen, in allen stand bij den wil zij.
    5.
    De krachtige genade, waardoor iemand bekeerd wordt, is niet onwederstandelijk, en hoewel God alzoo den wil door het Woord en de inwendige werking zijns Geestes aanroert, dat Hij beide de macht om te gelooven, of bovennatuurlijke krachten geeft, en den mensch inderdaad doet gelooven; nochtans heeft de mensch uit zich zelven deze genade kunnen verachten, en niet gelooven, en alzoo vervolgens door zijne eigene schuld vergaan.
    6.
    Hoewel naar den gansch vrijen wil Gods de ongelijkheid der Goddelijke genade zeer groot zij, nochtans geeft de H. Geest, of is bereid te geven, zooveel genade aan allen en een iegelijk, wien Gods Woord gepredikt wordt, als genoegzaam is tot bevordering van de bekeering der menschen in hare trappen; en derhalve verkrijgen niet alleenlijk degenen genoegzame genade ten geloove en ter bekeering, dewelke God gezegd wordt naar het besluit der absolute verkiezing te willen zalig maken, maar ook diegenen, die metterdaad niet bekeerd worden.
    7.
    De mensch kan door de genade des H. Geestes meer goeds doen, dan hij inderdaad doet, en meer kwaads nalaten, dan hij inderdaad nalaat; en wij gelooven niet, dat God simpelijk niet wil, dat de mensch meer goeds doe, dan hij doet, en niet meer kwaads late, dan hij laat; en dat het van eeuwigheid precieselijk van Hem zoude besloten zijn, dat dit beide zoo zou geschieden.
    8.
    Alle diegenen, die God ter zaligheid roept, die roept Hij ernstiglijk, dat is, met een oprecht en gansch ongeveinsd voornemen en wil om zalig te maken. En wij zijn niet van het gevoelen dergenen, die daar houden, dat God sommigen uiterlijk roept, die Hij niet wil inwendig roepen, dat is, niet wil, dat hij dadelijk bekeerd worde, zelfs ook voor en aleer zij de genade der roeping verworpen hebben.
    9.
    In God is dusdanige verborgene wil niet, dewelke is tegenover zijnen wil, die in het Woord geopenbaard is, dat Hij naar denzelven, te weten, verborgenen, de bekeering niet wil en de zaligheid van het meestedeel dergenen, die Hij door het Woord des Evangelies, en naar den geopenbaarden wil, tot het geloof en de zaligheid, ernstiglijk is roepende en noodigende; ook erkennen wij hier niet, gelijk sommigen spreken, een heilige veinzing, of een dubbelen persoon in God.
    10.
    En wij gelooven niet, dat God de verworpenen, zoo men ze noemt, tot deze einden is roepende, opdat Hij ze meer verharde, of de onschuld beneme, opdat Hij ze te zwaarder straffe, opdat Hij hunne
    [132]
    onvermogendheid bekendmake, maar niet, opdat zij bekeerd worden, gelooven en zalig worden.

    11.
    Het is niet waar, dat, uit kracht en werking van den heimelijken wil, of van het Goddelijk besluit, alles, niet alleen het goede, maar ook het kwade, noodzakelijk geschiede; zoodat al degenen, die zondigen, ten aanzien des Goddelijken besluits, niet kunnen dan zondigen; dat God zoude willen besluiten of veroorzaken de zonden der menschen, hunne dolle, zotte, wreede werken, en de kerkroovende lastering zijns naams; en de tongen der menschen bewegen tot lasteren, enz,

    12.
    Wij houden ook voor valsch en schrikkelijk, dat God de menschen op een verborgene wijze aanzet tot de zonde, die Hij openlijk verbiedt; dat de zondigenden niet doen tegen den waren wil Gods, eigenlijk genoemd, dat het met den wille Gods overeenstemt, hetgeen onrecht is, dat is hetgeen met zijn gebod strijdt, ja ook, dat het een rechte en doodwaardige schuld is, Gods wil te doen.

    Het gevoelen der Remonstranten aangaande het vijfde Artikel:

    Dat van de volharding is sprekende, is dit.

    1.
    De volharding der geloovigen in het geloof, is geen uitwerksel van een absoluut besluit, waarmede God bizondere personen gezegd wordt verkoren te hebben, met geen conditie van gehoorzaamheid omschreven.

    2.
    God, de Heere, begaaft de ware geloovigen met genade en krachten, zoo vele als Hij tot de volharding en tot overwinning van de verleiding des duivels, des vleesches en der wereld, naar zijne oneindelijke wijsheid, oordeelt genoegzaam te zijn; en het schort nooit aan God, dat zij niet volharden.

    3.
    De ware geloovigen kunnen van het ware geloof afvallen, en in zoodanige zonden vallen, die met het ware en rechtvaardigmakende geloof niet kunnen bestaan; en niet alleenlijk kan dat gebeuren; maar het geschiedt ook niet zelden.

    4.
    De ware geloovigen kunnen door hunne schuld in gruwelijke zonden en lasteren vallen, in dezelve volharden en sterven: en dienvolgens ten einde toe afvallen en verloren gaan.

    5.
    Nochtans gelooven wij niet, al is het dat de ware geloovigen in zware en de conscientie verwoestende zonden somwijlen vallen, dat zij terstond van alle hoop op bekeering vervallen, maar wij bekennen, dat het kan gebeuren, dat God naar de veelheid zijner ontferming, hen wederom door zijne genade tot bekeering roept, ja gelooven, dat het niet zelden gebeurt; hoewel zij niet zekerlijk weten kunnen, dat dit zekerlijk en ongetwijfeld zal gebeuren.

    6.
    Derhalve verwerpen wij van ganscher harte deze volgende leeringen, die dagelijks onder het volk in publieke schriften gestrooid worden, als der godzaligheid en goede zeden schadelijk; namelijk: 1. Dat de ware geloovigen niet kunnen met voorbedachten raad zondigen; maar alleenlijk uit onwetendheid en zwakheid. 2. Dat de ware geloovigen door geen zonden uit de genade Gods kunnen vervallen. 3. Dat duizend zonden, ja al de zonden der gansche wereld, de verkiezing niet kunnen teniet maken; wanneer hierbij gevoegd wordt, dat alle menschen gehouden zijn te gelooven, dat zij ter zaligheid verkoren zijn, en derhalve uit de verkiezing niet kunnen vallen, geven wij te bedenken, wat een wijde deure datzelve voor de vleeschelijke zekerheid is openende. 4. Dat den geloovigen en verkorenen geen zonden, hoe groot en zwaar zij mogen zijn, toegerekend worden; ja dat alle tegenwoordige en voorledene nu vergeven zijn. 5. Dat de ware geloovigen in verderfelijke ketterijen, in zware en gruwelijke zonden, als daar, zijn overspelen en doodslagen, gevallen zijnde;om dewelke de Kerk naar de instelling van Christus genoodzaakt wordt te getuigen, dat zij ze in hare uiterlijke gemeenschap niet kan dulden, en dat zij geen deel in het rijk van Christus zullen hebben, tenzij dat zij zich bekeeren; nochtans niet ten eenenmale en eindelijk van het geloof kunnen afvallen.

    7.
    Een waarachtig geloovige, gelijk hij voor den tegenwoordigen tijd van de oprechtheid zijns geloofs
    [133]
    en zijner conscientie verzekerd kan zijn, alzoo kan hij en moet ook voor dien tijd van zijne zaligheid en van de heilzame gunst Gods jegens hem verzekerd zijn; en hier verwerpen wij het gevoelen der pausgezinden.

    8.
    Een ware geloovige, kan en moet voor den toekomenden tijd wel zeker zijn, dat hij, mits tusschenkomend waken, bidden en andere heilige oefeningen in het ware geloof kan volharden, en dat hem de genade Gods om te volharden nimmermeer zal ontbreken; maar hoe hij verzekerd moge zijn, dat hij in het toekomende nimmermeer zijn schuldigen plicht zal verzuimen, maar in de werken des geloofs, der godzaligheid liefde, als een geloovige betaamt, volharden in deze school van den Christelijken krijg, zien wij niet; en dat de geloovige hiervan zeker zij, achten wij niet noodig te wezen.

    Eerw. vaders en broeders! daar hebt gij het voorstel van ons gevoelen aangaande de andere vier Artikelen; deze zijn wij bereid te verdedigen, en het daar tegenoverstaande, hetwelk zooveel het meeste deel der voorgemelde Artikelen der Contra-Remonstranten aangaat, is te bestrijden; en wij achten, dat de gelegenheid der waarheid, der eere Gods, onzer conscientiën, en der stichting onzer Kerken vereischen, dat wij ze op deze wijze voortaan verklaren en verdedigen, zooveel wij kunnen en noodig zullen oordeelen.
    En, dewijl ons in de laatste Zitting de preses vermaand heeft, dat wij ons zouden onthouden van ontkennende voorstellen, en van de verkiezing liever dan van de hatelijke stof der verwerping handelen; hebben wij, de zaak nader inziende, gelijk wij beloof den, dat wij doen zouden, (zooveel ons doenlijk was) ons gevoelen over de voornoemde Artikelen bevestigend gesteld, somwijlen nochtans ook het tegenoverstaand gevoelen, waar wij gedacht hebben, dat de nood zulks vereischt, verwerpende. Opdat dit niet zonder groote oorzaak van ons schijne gedaan te zijn, zoo zullen wij u Eerw. eenige redenen geven te overwegen, die ons bewogen hebben ons gevoelen nu en dan ontkennend uit te drukken, en niet alleenlijk van de verkiezing, het eene deel der praedestinatie, maar ook van het anderedeel, te weten, van de verwerping te handelen.
    1.
    Omdat het onmogelijk is, dat de Remonstranten hun gevoelen ten volle voorstellen, tenminste aangaande het eerste Artikel, dan door ontkenning en verwerping van andere besluiten, die de menschen aanmerken of voor den val, of in den val gesteld. Want het eerste Artikel der Remonstranten is in de Haagsche Conferentie voor goed gekend, alzoo het ligt; maar er werd gevraagd, of ze niet een ander absoluut en hooger besluit erkenden, hetwelk het besluit der verkiezing genoemd moet worden, hetwelk toenmaals door de onzen ontkend werd, en ook alsnog ontkend wordt, hetzij dat het zij aangaande den mensch, alzoo hij stond geschapen te worden, hetzij nu gevallen, en in den val aangeteekend.

    2.
    Omdat de oproepingsbrieven der E. Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal inhouden, dat wij ons gevoelen van de Vijf Artikelen voorstellen, verklaren, verdedigen, naar vermogen, en naardat wij noodig achten te wezen, oordeelen wij nu noodig te zijn, dat wij datzelve eensdeels ontkennend, eensdeels bevestigend voorstellen.

    3.
    Omdat een gevoelen niet met redenen verdedigd kan worden, tenzij dat ook zijn tegendeel gesteld worde. Dit is de oorzaak, waarom de gemeene notiones of eerste beginselen der wetenschappen niet kunnen verdedigd worden met redenen van voren, want het licht der rede en des natuurlijken verstands verhindert, dat men diezelve, als ware het maar waarschijnlijk, tegenspreke.

    4
    Omdat onder het volk gestrooid is, dat de Remonstranten het gevoelen der Contra-Remonstranten lasteren, en ter kwader trouw voorstellen; indien dit waar is, dat dan de Contra-Remonstranten rondelijk en klaar met ons die dingen ontkennen, die aangaande deze Artikelen van ons geloochend worden. Want wij meenen, dat wij overvloediglijk bewijzen kunnen, dat de Contra-Remonstranten het gevoelen staande houden, hetwelk tegenover vele voornoemde Artikelen staat.
    [134]
    5
    Omdat de verzekering, gesteld tegen onze ontkenning, de Kerken in deze landen geroerd hebben, en dagelijks de conscientiën van velen ergeren, en allen wedersprekers occasie geven de Gereformeerden te lasteren, van welke wij betuigen willen een afkeer te hebben, door een ronde ontkenning van deze harde en hooge verwerping, en dat des te meer, omdat gemeenlijk het gevoelen der Contra-Remonstranten ons opgedrongen wordt, en wij daarover in een kwaad gerucht zijn gekomen.

    6
    Omdat onze ontkenningen, of waar zijn, of valsch. Indien waar, lieve, wat perijkel is er? Ja, waarom verklaren U E. E. niet, dat ze met ons gevoelen? Indien valsch, een van beide moet geschieden; want, of men moet bewijzen, dat onze redenen, waarmede wij deze ontkenningen bereid zijn te bevestigen, geen kracht hebben van besluiten; of zij moeten met tegenovergestelde redenen omgestooten en de tegenoverstaande bevestigingen bevestigd worden.

    7.
    Omdat onlangs in de Provinciale Synoden van Holland, Gelderland en het Sticht van Utrecht door de Remonstranten en de Contra-Remonstranten de staten des verschils zijn geformeerd geweest, door zekere artikelen en tegenoverstaande tegenstellingen ervan; en dat, ten einde dezelve, alzoo geformeerd, in de Nationale Synode zouden geëxamineerd worden.

    8.
    Omdat, in de missive aan de uitheemsche Theologen, de predikanten van Walcheren hun gevoelen en het onze, alsnu bevestigend alsdan ontkennend, voorstellen.

    9.
    Omdat de Contra-Remonstranten niet vreezen te verweren en te bewijzen, hetgeen zij in onze artikelen hier en daar tegenspreken. Derhalve, waarom zoude het ons niet geoorloofd zijn, tot voorstelling van ons gevoelen, dezelve te ontkennen?

    10.
    Indien de Geldersche Synode het meeste deel dezer ontkennende artikelen voor goed gekend heeft, verdoemende het tegenovergestelde gevoelen, waarom zal het ons niet geoorloofd zijn tot voorstelling van ons gevoelen, dezelve vreemde leeringen door een ronde ontkenning te verwerpen?

    11.
    Het schijnt gansch onbillijk, dat men den gedaagde voorschrijve, wat hij zeggen zal of niet, tot voorstand van zijne zaak; voornamelijk, wanneer oordeel gegeven zal worden van de zaak des gedaagden.

    12.
    Indien dit den Remonstranten niet wordt toegelaten, zij zullen ganschelijk oordeelen, gelijk ze totnogtoe geoordeeld hebben, dat de ContraRemonstranten schuilhoeken zoeken, hun gevoelen willen verhelen, of hunne verdeding mistrouwen, en niet met recht doorgaan tot een vrij en onverhinderd onderzoek van de waarheid.

    13.
    Omdat het nauwelijks wezen kan, dat een recht oordeel van het gevoelen der Remonstranten gedaan, en de waarheid of valschheid daarvan eene in rechte waag overwogen worde, tenzij ook het tegenovergesteld gevoelen te gemoet gevoerd en onderzocht worde.

    14.
    Omdat het bij de Philosophen en Theologen gebruikelijk is, in het onderzoek van verschillende punten alzoo te handelen, en nu uit ontkenningen tot bevestigingen te besluiten, en dan uit bevestigingen tot ontkenningen.

    15.
    Eindelijk, omdat in zoodanige wijzen van het gevoelen voor te stellen, de H. Schriftuur ons voorgaat, dat zij zegt:Ik wil den dood des zondaars niet; God wil niet, dat iemand verloren ga; met welke wijzen van spreken en ontkennende uitspraken, de wijze God zijnen wil voorstelt, aangaande de zaligheid des menschen.

    De oorzaken nu, waarom wij ons gevoelen van de verwerping verklaard hebben, zijn deze.

    1.
    Omdat, volgens den inhoud der brieven van oproeping, ons geoorloofd is geweest ons gevoelen, naar ons vermogen en naardat wij oordeelen noodig te zijn, voor te stellen. Opdat dit blijke bij ons
    [135]
    gedaan te zijn, hebben wij vrijelijk ook verklaard, wat wij van de verwerping gevoelen.

    2.
    Omdat het niet minder dient ter eere Gods, dat men recht van zijne straffende rechtvaardigheid, die in de verwerping verklaard wordt, gevoele, spreke, schrijve, als van zijne barmhartigheid, die in de verkiezing zich openbaart.

    3.
    Omdat de dreigementen evenzoo nuttig zijn en noodig, om de menschen af te schrikken van de zonden, dewelke uit het besluit der verwerping zeer krachtig getrokken worden, als de vertroostingen nuttig en noodig zijn, die uit de verkiezing genomen worden; voornamelijk in deze onze verdorvene tijden, in welke zeer velen de leer der genadige verkiezing, tot wulpschheid des vleesches, en vrijheid van zondigen tot hun verderf misbruiken.

    4.
    Omdat de verhandeling der praedestinatie onvolkomen, en maar stukswijs is, wanneer het ander deel derzelve, de verwerping, nagelaten wordt.

    5.
    Omdat de zwarigheden en twijfelingen, die de Remonstranten en hunne Kerken kwellen, voornamelijk zijn omtrent de verwerping.

    6.
    Omdat alle Theologen, die van de verkiezing handelen, ook daartegenover handelen van de verwerping. Zelfs hebben hier geen zwarigheid gemaakt de eerwaardige mannen Johannes Calvinus, Beza, Zanchius, Sturninis, Piscator, en zeer vele anderen hun gevoelen te verklaren.

    7.
    Omdat er traktaten vol van schrikkelijke en godslasterlijke beweringen, aangaande de verwerping, en het aankleven ervan, nu eenige jaren gestrooid zijn geweest onder het volk, niet zonder ergernis der vromen, en onteering der Gereformeerde Religie.
    Indien men hier tegenwerpt, dat in de Conferentie van den Haag ons gevoelen anders gesteld is, antwoorden wij
    1. Dat de wijze van disputeeren, die in den Haag gehouden is geweest, ons nu geen maat stelt. Een andere dag brengt met zich andere zorgen, en de volgende dag is een discipel des vorigen.
    Ja, wij belijden rondelijk, dat wij sedert dien tijd vele dingen, aangaande . dit stuk, geleerd hebben, en derhalve zal men voornamelijk uit de tegenwoordige schriften, en niet alleenlijk uit de vorige, van ons gevoelen moeten oordeelen.
    2. In de Haagsche Conferentie, in het request, gepresenteerd aan de Edelmog. Heeren Staten van Holland en West-Friesland, hebben de Contra-Remonstranten gebeden, dat zij van de verwerping niet zouden handelen.
    3. Wij hebben nu bij ons vele Geldersche, Utrechtsche, en Overijselsche Broeders, die in deze Conferentie niet zijn geweest, dien het nu geoorloofd is hun gevoelen, naardat zij het noodig zullen oordeelen, uit te spreken.
    4. Toenmaals moest men geen gevoelen uitspreken van de waarheid of valschheid der artikelen, gelijk nu.
    Daarom is het gansch billijk, dat den Remonstranten toegelaten worde een volkomene voorstelling, verklaring, en verwering van hun gevoelen.
    Indien men zegt, dat wij de oprechte leer der Kerk willen zwart maken, en derhalve, dat ze in deze manier van doen in groot perijkel gesteld wordt, antwoorden wij.
    1. Dat wij het gevoelen, gesteld tegen onze artikelen, houden voor eene vreemde leer.
    2. Niet erkennen voor de leer der Kerk, maar voor goedvindingen veler leeraren.
    3. Dat er geen oorzaak is, waarom de Contra-Remonstranten te vreezen hebben, dat hunne leer perijkel is loopende, indien de waarheid aan hunne zijde staat, dewelke bij haar zelve genoegzaam is tegen alle bedriegelijke, en al waren het ook schoonschijnende redenen.
    4. Dat begeeren wij zonderling te weten van de Eerw. Synode, of ze voor haar leer en die der Kerk erkent, hetgeen onze artikelen tegenspreken en met name, hetgeen van de schepping van het meeste deel der menschen ten verderve, van de verwerping der kinderen ook uit geloovige ouders geboren, van de noodzakelijkheid des vals, van de onkrachtige roeping naar den wille Gods, van een onvermijdelijke noodwendigheid aller zonden, van een verborgenen en geopenbaarden wille Gods, van de werkingen en besluiten Gods tot het zijn of wezen der zonde, van de onmogelijke afwijking der geloovigen, ook dergenen, die in de gruwelijke zonden gevallen zijn, van het rechtvaardigmakend geloof, en andere hoofdstukken, bij vele ContraRemonstranten en hun gevoelen toegedanen, zoowel in
    [136]
    deze onze landen als in andere beweerd wordt, en van ons in de nu verhaalde artikelen verworpen en bestraft is.
    Indien iemand zegt, dat men een belijdenis van ons vordert, van ons gevoelen, en dat dezelve behoort bevestigend en niet ontkennend uitgesproken te zijn, antwoorden wij: Dat van ons niet alleenlijk geëischt wordt een belijdenis onzes geloofs, maar ook een verklaring en verdediging derzelve, welke, zonder verwerping van het tegenstrijdig gevoelen, niet wel kan gedaan worden. 2. En het is niet noodig, dat het bevestigende belijdenissen zijn, dewijl ook de algemeene belijdenissen der Kerken, de harmonie der belijdenissen, ja zelfs onze Nederlandsche belijdenis, dikwijls het gevoelen der wedersprekers verwerpen, en ontkennen waarachtig te zijn.
    Wij bekennen met den Eerw. praeses, dat de leer der verkiezing is lieflijk en troostelijk, en der verwerping onaangenaam; maar wij achten, dat die vertroostingen, die uit de absolute en onvoorwaardelijke verkiezing getrokken worden, vol perijkels zijn, en den menschen (indien men ze naar haar aard inziet) eenen voet geven tot zondigen, en de tegenoverstaande leer der absolute verwerping met rede hatelijk is, want ze is vol wanhoop en staat tegenover de gerechtigheid Gods. En de predikanten moeten niet alleenlijk de zondaars zien te troosten, maar ook met vlijt de goddeloozen vermanen, te vlieden van de toekomende gramschap der verwerping.
    In de zichtbare Kerk zijn kinderen Gods; daar zijn ook slaven des duivels; hoewel zij naar de belijdenis kinderen Gods schijnen te zijn. Beide leeringen zijn hier noodig, en men moet den kinderen Gods het erfdeel, van eeuwigheid door de verkiezing verordineerd, boodschappen, en den godloozen de straffen, die verordineerd zijn van eeuwigheid, uit het besluit der verwerping, verkondigen,
    Derhalve ware het niet billijk, dat de staat van ons gevoelen, nu overgegeven, van anderen verkleind, verkort, veranderd, of besnoeid zoude worden. Wij zelven zijn de beste uitleggers van ons gevoelen; wij zelven weten, waar ons de schoen wringt in dit ruw en hard bewijs, wat onze gemoederen bezwaart, wat onzen Kerken ergerlijk is.
    En dewijl dit een vrije Synode is, en de meening der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal is, dat wij onze meening zoo volkomenlijk en openlijk als wij kunnen, verklaren, zoo meenen wij, dat men ons dat met
    recht moet toelaten, bereid, indien het de zaak vereischt, nog meer daarbij te voegen, en onzen zin nader te verklaren, zoo men meent, dat er iets niet klaar genoeg, of niet ten volle genoeg van ons is voorgesteld.
    Maar voornamelijk, hetwelk ons in deze gansche zaak allermeest beangstigt en benauwt, zijn er zeer vele leeringen veler Contra-Remonstranten van de verwerping, en van hetgeen die aankleeft, die de eere Gods en de godzaligheid nadeelig en schadelijk zijn; dewelke, van den aanvang der Reformatie aan, geen kleine beroerten in onze Kerken hebben veroorzaakt.
    In dezen bidden wij, door den heiligen naam van Jezus Christus, dat ons en onzen Kerken voldaan worde. Uwe Eerw. kunnen wel lichtelijk zien, dat de tegenwoordige quaestiën en verschillen niet zijn van het schrapsel van nagelen, of van dingen van minder gewicht; maar van hoofdstukken der Theologie, die in de praktijk gelegen zijn, die de eere Gods ten hoogste verklaren, en de behartiging der godzaligheid bevorderen, wanneer men recht daarvan is gevoelende; of integendeel, de eere Gods ten hoogste verkorten en den loop der godzaligheid verachten, wanneer men daarvan kwalijk gevoelt. Nu is het ambt eens Evangelischen leeraars, voor alle dingen te staan naar datgene, hetwelk ter waarheid is doende, die namelijk naar de godzaligheid is; en uit de scholen der Christenen en der Kerken die leeringen uit te roeien, die men acht, dat de godloosheid een voedsel kunnen geven. Indien de Eerw. Synode zulke leeringen zal voorbijgaan, zoo zullen wij en onze Kerken oordeelen, dat U EE. diezelve stilzwijgend toestaat. Indien ze voor goed gekend worden, zoo zal ons ambt zijn de kudde van Jezus Christus die ons bevolen is, naarstiglijk te vermanen, dat zij zich ernstiglijk wachten van zoodanige leeringen. Is het (hetwelk wij hopen), dat de Synode die openlijk verwerpt, wij zullen den almachtigen, goeden God danken, dat Hij zijne Kerken van zoodanig onkruid en dwalingen heeft begonnen te zuiveren.

    Dit alles hebben zij allen en een ieder onderteekend.

    Werd ook besloten, dat dit schrift na den middag uitgeschreven zoude worden, opdat men het des te nauwer overwegen en onderzoeken mocht.
    En gemerkt de gedaagden in het schrift ook verhaalden, dat hun eerste artikel in de Conferentie van
    [137]
    den Haag door de Contra-Remontranten, zoo het ligt, was aangenomen, en dat zij in dezelve Conferentie, door request aan de E. M. Heeren Staten van Holland en West-Friesland, verzocht hadden, dat zij niet genoodzaakt zouden worden te handelen van de verwerping; zoo heeft de scriba D. Festus Hommius, die in de Conferentie geweest was, kortelijk verhaald, hoe dat zij dit niet ter goeder trouw zeiden. Dat wel de Contra-Remonstranten, met wie zij samenspraken, toegestaan hadden, dat dit gevoelen, hetwelk in het eerste artikel der Remonstranten uitgedrukt wordt, namelijk, dat God besloten had den volhardenden geloovige zalig te maken, met Gods Woord niet was strijdende, maar dewijl zij datzelve in stede van de leer der verkiezing hadden gesteld, en geleerd, dat de verkiezing niets anders was, dan dat generale besluit Gods, waarmede God besloten heeft den volhardenden geloovige zalig te willen maken; dat zij deze leer hebben bestreden en betoond, dat ze met Gods Woord was. strijdende; en daarenboven, dat zij ook niet bij request verzocht hadden, dat zij van de verwerping niet zouden handelen.
    Maar dewijl de Remonstranten listelijk terstond in den aanvang der Conferentie, met zeven doornachtige en onnoodige quaestiën, behoorende niet alleenlijk tot de leer van de verwerping, maar ook van de verkiezing, de Contra-Remonstranten zochten van den rechten koers in omwegen af te leiden, zon klaagden de Contra-Remonstranten, bij request aan de Hoogmog. Heeren Staten, van een zoodanige onbillijke handeling, en verzochten, dat zij niet zouden treden buiten de behoorlijke wijze van handelen, die nu alreede was aangevangen.
    Maar dat de Contra-Remonstranten, zooveel als tot stichting genoeg was, hun gevoelen aldaar duidelijk hadden verklaard, gelijk dat bewezen kan worden met de uitgegevene schriften.
    Datzelve heeft ook de E. D. Johannes Becius, die ook in deze Conferentie was geweest, met zijn getuigenis tegenwoordig bevestigd.
    En dewijl den Remonstranten door de brieven van oproeping belast was, dat zij hunne bedenkingen van de leer, zoo in de Belijdenis, als in den Catechismus dezer Kerken begrepen, bij geschrift gesteld, der Synode zouden overgegeven, en niet te twijfelen was, of zij hadden ze vaardig, of zij konden ze terstond gereedmaken,heeft men hun opgelegd, dezelve den volgenden dag bij geschrift over te leveren.
    Zij gaven voor antwoord, dat deze last hun voorkwam buiten alle verwachting; dat zij wel verstaan hadden uit de oproepingsbrieven, dat zij ze eenmaal zouden moeten overleveren, maar gemeend hadden, dat de Vijf Artikelen, alsnu overgeleverd, eerst moesten verklaard, en verdedigd, en door de Synode geoordeeld worden, en dat alsdan eerst deze bedenkingen voorgesteld zouden worden.
    Dat zij anders niet uit de oproepingsbrieven hadden kunnen verstaan; derhalve verzochten zij, dat het der Synode beliefde, op den aangevangen voet voort te gaan, en dat de overlevering dezer bedenkingen, tot nadat de verhandeling der Vijf Artikelen geëindigd zoude zijn, uitgesteld mocht worden.
    Hun is tot antwoord gegeven, dat desniettemin de aangevangene wijze van te handelen voortgaan zoude, en dat men van die bedenkingen niet zoude handelen dan nadat de Vijf Artikelen afgedaan zouden zijn.
    Daarenboven de Synode begeerde, dat zij dezelve ten allereerste vaardig zouden maken en overleveren, of ze misschien tot verklaring van hun gevoelen mochten dienen.
    Dat zij nu hadden behooren gereed te wezen, dewijl al voor tien jaren hun belast was geweest, inzonderheid bij de particuliere Synoden, dezelve over te leveren, en zeer onlangs den Zuid-Hollandschen door de E. M. Staten van Holland en West-Friesland geboden was geweest, dezelve in de Synode van Delft in te brengen.
    En dewijl voor vele jaren zij dezelve den voornoemden E. M. Heeren Staten van Holland en West-Friesland in beslotene brieven toegezonden, en ook onlangs gezegd hadden, dat zij een ruw ontwerp derzelven vaardig hadden, was het iets geheel anders als zij nu zeiden, dat zij dienaangaande met elkander nog niet gesproken, en niet allen dezelfde bedenkingen hadden. Dat wel eenigen hunner een' goeden hoop derzelver hadden, maar in 't Duitsch, en totnogtoe niet in orde gesteld.
    Dat men uit dezelve van hun gevoelen niet konde oordeelen, omdat zij ze niet voor hun gevoelen, maar alleenlijk voor noodige aanmerkingen hielden; maar geene bedenkingen hadden, die zij voor hun gevoelen wilden gehouden hebben.
    En dat ook degene, die ze voorhenen den E. M. Staten hadden toegezonden, nu in veel veranderd waren, alzoo de eene dag den anderen leert. Daarna heeft de praeses hen hoofd voor hoofd gevraagd,
    [138]
    of zij eenige bedenkingen hadden. Henricus Leo, en Bernerus Vezekius hebben geantwoord, dat zij geene hadden. Henricus Hollingerus dat hij op de bedenkingen niet had gedacht; wanneer de Hollandschen de hunne voorgesteld zouden hebben, dat zij alsdan daarop zouden letten; maar op dit pas nauwelijks eene hadden. De Zuid-Hollandschen, dat zij de hunne hadden, die nog niet in orde waren gesteld.
    De Noord-Hollandschen, dat zij tot dien einde de Belijdenis en den Catechismus niet hadden gelezen, om eenige bedenkingen daarover aan te teekenen; nochtans meenden zij dat er eenige dingen aanmerkenswaardig in waren, en dat zij ze zouden kunnen aanteekenen, zoo men hun eenigen tijd gave. Sapma, dat hij sommige bedenkingen gezien had in dat ruw ontwerp aangeteekend, die hij meende aanmerkelijk te zijn. Goswinus, dat hem in het verklaren van den Catechismus sommige voorgekomen waren, die hij oordeelde aanmerkenswaardig te zijn. Assuerus Matthisius, dat hij niet had bij te voegen bij hetgeen zijn collega Goswinus gezegd had. Carolus Niellius, dat hij den catechismus van den Paltz niet verklaarde,
    maar den Geneefschen, en dat hij in denzelven niet had waargenomen, dat van groot gewicht was. Dat hij sommige dingen waargenomen had in de belijdenis onzer Kerken; maar die hij met niemand gesproken had, en dat die meer betroffen de orde van de leer, als algemeene leerstukken. De Utrechtsche Remonstranten zeiden, dat zij zich maar in de zaak der Vijf Artikelen bij de Remonstranten gevoegd hadden; zoo zij eenige andere hadden, dat zij die als bezwaren daarna zouden overleveren.
    Hun is eindelijk opgelegd, dewijl zij geen lichaam, zoo men zegt, maakten, dat iedereen de bedenkingen, die hij had, der Synode zoude overleveren; die vele hadden, vele; die weinige, weinige; die geene, geene; en dat binnen den tijd van drie dagen. Zij zeiden, dat zij daartegen niets hadden. Nochtans dat het konde geschieden, dat zij allen onder elkander overeenstemden, en elkanders bedenkingen gezien hebbende, die oordeelen zouden onderzoekenswaardig te zijn, en in zulk een geval zich bijeen mochten voegen.
    Men heeft hen geantwoord, dat hun zulks geoorloofd is, mits dat de een den ander door kwade verleidingen niet zoeke aan zijn koord te trekken.