Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Zitting 33

    [122]


    DE DRIEËNDERTIGSTE ZITTING.

    Den 15en December, Zaterdagvoormiddag.

    De Eerwaarde en vermaarde D. A b r a h a m u s S c u l t e t u s, Doctor en Professor der H. Theologie in de Akademie van Heidelberg, heeft in de volle Synodale vergadering een deftige, en beweeglijke vermaning met groote welsprekendheid in 't Latijn gedaan, uit Psalm 122: Ik verblijde mij, omdat mij gezegd wordt: laat ons in het huis des Heeren gaan. Waarover hij ook bedankt is geweest.

    Edele Hoogwyze Gecommitteerden der zeer Doorluchtige Hoogmogende Heeren StatenGeneraal der Vereenigde Nederlanden. Eerw. Praeses dezer Synode, Bisschop, voorstanders der Kerken, Professoren der Academiën; Achtbare toehoorders van allerlei standen.
    Hetgeen de eenige wensch was van den zeer machtigen koning Jacobus I, koning van GrootBrittanje, den zeer Doorluchtigen Vorst, Keurvorst van het Rijk, Frederik den Vijfde, Graaf van den Paltz, Hertog van Beieren, mijnen genadigsten Heer, en ook van vele vrome Prinsen, Graven, Baronnen, Ridders en Burgers in en buiten Duitschland, dat van die twisten, die eenige jaren de Nederlandsche Kerken hebben vermoeid, in eene wettelijke Synode van vele Gereformeerden Kerken, in de vreeze des Heeren kennis genomen mocht worden; en daar zij, en wij op den uitgang dezes jaars tot dezen wensch zijn gekomen, kan ik niet nalaten, openlijk te betuigen, dat ik daarover van harte in den Heere verblijd ben.
    Derhalve mij tot U wendende, eeuwige, waarachtige, levende God, die uit oneindige goedheid, U zelven hebt geopenbaard, door het zenden uws Zoons, en door het uitstorten des H. Geestes over de Apostelen, dank ik u met vurigen gemoede, dat Gij de raadslagen der Hoogmog. Heeren Staten van het Vereenigde Nederland, en van den zeer Doorluchtigen en dapperen held Maurits, Prins van Oranje, uit den hemel gezegend, zulk een schijnbaar teeken hebt opgericht, om een goede hoop te scheppen van de ruste der benauwde Nederlandsche Republiek en uwer Kerken in dezelve. Ik bid U ook ootmoediglijk, dat Gij de web uwer weldaden, die Gij genadiglijk hebt begonnen, genadiglijk wilt volweven, opdat de hemelen zich verheugen, en de aarde vroolijk zij, en al de wereld zegge:In der eeuwigheid zij geprezen en geroemd de God der Nederlanders!
    Maar dewijl wij hier tevergeefs zouden zitten met dien Virgiliaanschen schaapherder, het beste van God verzoekende, tenware wij zelven de hand aan het werk sloegen, om de wonden der verwonde gemeente te verbinden en te heelen, en dewijl, na den voortreffelijken Theoloog Doctor Josephus Hallus, zeer waardig Deken van Wigorn, de beurt door publieke autoriteit van den Eerw. preses op mij gekomen is, in deze plaats eene redevoering te houden:
    Zoo heb ik voorgenomen onze harten op te wekken, dat wij dit heilig werk, hetwelk wij in handen hebben, naarstiglijk volvoeren, en dat door de verklaring van dien Psalm, die in orde is de honderd tweeentwintigste.
    Opdat dit nu met vrucht geschiede, zullen wij de genade des Hemelschen Vaders aanroepen met die woorden, die zijn beminde Zoon, onze eenige Zaligmaker, ons heeft geleerd :
    Onze Vader, enz.


    TEKST: Psalm 122.
    1. Ik verblijde mij onder degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des Heeren gaan.
    2. Onze voeten zullen staan in uwe poorten, o Jeruzalem!
    3. Jeruzalem is gebouwd als een stad, die fijn te zamen gevoegd is.
    4. Opdat de stammen daarhenen opgaan, de stammen Gods, tot het getuigenis Israels, om den naam des Heeren groot te maken.
    5. Want aldaar zitten de stoelen ten gerichte, stoelen des huizes Davids.
    6. Wenscht Jeruzalem vrede! Het moet welgaan dengenen, die u liefhebben.
    [123]
    7. Vrede zij in uwe bolwerken, en voorspoed in uwe torens.
    8. Om mijner broederen en vrienden wil, zal ik nu vrede in u spreken.
    9. Om des huizes wille des Heeren, onzes Gods, wil ik uw beste zoeken.

    UITLEGGING.
    M. T u l l i u s, Toehoorders! een zeer wijs schatter der boeken, als hij de verzen van E u- r i p i d e s , een Grieksch poëet, gelezen had, willende die zeer wonderlijk prijzen, schrijft aan Tyro: elk vers is een orakel. Indien ik dezen lof van Euripides op David, van zijne verzen op dezen Psalm brenge, meen ik niet, dat mij iemand zal berispen, zoo hij maar bemerkt, wat een grootte van zaken onder weinige woorden is stekende.
    Want, opdat ik u de som derzelve te bedenken geve, deze Psalm leert:
    Welke de meeste vreugd van een Christenmensch in dit leven wezen moet; te weten, indien hij ziet de Kerk bloeien en den waren Godsdienst in dezelve: Hij leert:
    Welke de hoogste wensch van een Christenmensch in dit leven wezen moet; te weten, dat de Kerk blijve in dien bloei, en in dezelve de ware Godsdienst.
    Hij leert :
    Welke de grootste vlijt en naarstigheid van een Christenmensch wezen moet in dit leven; te weten, dat hij in zijne plaats, hetzij dat hij onder de minsten, hetzij hij onder de meesten, hetzij ander de middelsoort gerekend wordt, verzorge hetgeen tot versiersel der Kerk en tot behoudenis van den waren Godsdienst behoort.
    Van deze gewichtige zaken handelt onze Koning. Van deze groote zaken zal ik handelen. U bid ik, o heilige God, dat Gij hetgeen ik in de ooren doe klinken, in de harten wilt indrukken, opdat de blijdschap Davids onze blijdschap worde, dat de wensch Davids onze wensch worde, dat de zorge Davids onze zorge worde. Wanneer wij dit verkregen zullen hebben, zal ik voorwaar geen zwarigheid maken, ons, alware het in het midden van de ellende dezes levens, nochtans ten hoogste gelukzalig te verklaren.

    I.
    DE GROOTSTE BLIJDSCHAP DES MENSCHEN.
    De psalmist dan, willende het huppelen zijns harten openbaren, zegt: Ik verblijde mij in hetgeen tot mij gezegd is: Wij zullen in het huis des Heeren gaan. Onze voeten zullen staan in uwe voorhoven, o Jeruzalem!
    Deze zeer heilige, en den man Gods betamelijke hartstocht wordt door de historie klaarder gemaakt. De ark des verbonds, dat godlijke gedenkteeken der genadige tegenwoordigheid Gods onder het volk, had totnogtoe geen zekere gezette plaats gehad, ja had onder Eli van de vijanden gevangen geweest.
    De Joden, door dit ongeluk en de verwijdering van de ark verschrikt, wenschten nergens meer om, dan dat haar een vaste plaats geordineerd mocht worden. Maar ziet, terwijl zij deze dingen heimelijk bedenken, openlijk wenschen, worden zij te Jeruzalem gebracht, op den berg Zion geplaatst, en God verkondigt deze gedenkwaardige profetie:Ik heb Zion verkoren, in Zion wil Ik wonen eeuwiglijk. Hierover omhelzen de Joden elkander overgoten met een geestelijke blijdschap, en hand aan hand, de eene zuster de andere, de eene broeder den anderen aansprekende, zeggen ze: Welaan, laat ons in het huis des Heeren gaan.
    Komt, laat ons opgaan op den berg des Heeren, in het huis des Gods Jakobs, opdat Hij ons zijne wegen leere, en dat wij op zijne paden wandelen. O lieflijke woningen des Heeren! hierin zullen wij staan, hierin zullen staan onze kinderen, en kindskinderen, van geslacht tot geslacht.
    Maar de vreugde van David ging alle blijdschap van alle anderen te hoven, dewelke, ziende, dat de oprechte godsdienst weder opgericht was, en hoorende de woordvoeringen der onderzaten, elkander vermanende tot de goddelijke diensten, zich zelven niet langer kan bedwingen, of hij moet openbaren de vroolijkheid zijns harten.
    Ik verblijde mij, omdat mij gezegd wordt: wij zullen in het huis des Heeren gaan. O zalige dag, gewenschte ure, in dewelke ik dit melodieus accoord van gezang der gemoederen hoore, van in het huis des Heeren te gaan, van den naam mijns Gods groot te maken. De koning had zeer schoone huisvrouwen, zeer hupsche kinderen, overvloed van rijkdom, volheid van eere. Nochtans verblijdt hij
    [124]
    zich eigenlijk niet in zijne rijkdommen, eer, kinderen, noch vrouwen, maar daarin, dat God onder zijn volk rechtgekend en godzaliglijk gediend werd.
    En dat is het, namelijk, hetwelk wij zeiden, dat van onzen Psalmist in de eerste plaats hier geleerd wordt, dat de hoogste vreugde des menschen is spruitende, uit het aanschouwen van het bloeien der Kerk, en van den onbevlekten godsdienst in dezelve.
    Onze koning, met deze blijdschap vervuld, verklaart dat één dag in de voorhoven des Heeren beter is dan duizend buiten dezelve; met deze blijdschap ontstoken, maakt hij meer werk van de minnelijke noodigingen der onderzaten tot den dienst des hoogsten Gods, dan van alle de vermakelijkheden des geheelen rijks.
    Laat dan de burgers dezer wereld, dezen in den overvloed van koren, genen van wijn, anderen van olie, zich verblijden; maar laat ons, die burgers des hemels zijn, alsdan ons verheugen, wanneer wij zien, dat de muren van ons Jeruzalem onverbroken zijn. En dat niet zonder oorzaak. Want ik zoude nauwelijks met woorden kunnen uitdrukken, met wat vele en groote goederen dat volk gekroond wordt, in wiens ooren dagelijks is klinkende de onvervalsche stem des h. Evangelies. Onder hen leeft de eendrachtigheid binnenshuis, de godzaligheid in den tempel, de gerechtigheid in het gericht. Tot een meer dan geloofwaardig getuige breng ik hij onzen koninklijken Profeet, dewelke Jeruzalem, toenmaals de ware zitplaats der Kerk, met deze deugden versierd, is roemende :
    Jeruzalem is gebouwd als een stad, die fijn te zamen gevoegd is, of gelijk als andere lezen, die te zamen vereenigd is.
    O lieflijk goed! dat een stad, provincie, koninkrijk, te zamen vereenigd is, fijn te zamen gevoegd is. Dit goed is vloeiende uit de beken van die gezegende vergadering, die den regel des oprechten geloofs onbevlekt bewaart.
    Aanziet toch de vergadering der Apostelen. Zij blijven in de eenigheid des geloofs, zij blijven ook in . de eenigheid der gemoederen. Want de menigte dergenen, die geloofden, was één hart en één ziel, gelijk Lukas verhaalt. Breekt de eenigheid des geloofs en gij zult ook de eenigheid der gemoederen breken. Hieruit ontstaan eerst heimelijke vijandschappen, terstond daaraan achterklappingen, eindelijk haat, en al deze dingen des te heftiger, hoe nauwer de gemoederen te voren aan elkander vereenigd zijn geweest.
    Want gelijk uit den edelsten verdorvenen wijn de zuurste edik wordt, alzoo ook waar de liefde der broederen gebroken wordt, daar volgt op eenen bitteren en zuren haat. Begeert gij oude voorbeelden? De Israëlieten en Moabieten waren van éénen bloede gesproten. Maar wanneer deze tot den dienst der afgoden waren vervallen, hebben de Israelieten geen heftiger vijanden gehad, dan juist deze. De Donatisten hadden liggen schuilen in den schoot der Kerk. Wanneer zij dien hadden verlaten, is er zulk een vervreemding der gemoederen gevolgd, dat in sommigen alle de aderen, ik zeg niet van godzaligheid, maar van aangeborene menschelijkheid, schenen verdroogd te zijn. Ik begeer niet, toehoorders! dat gij mij gelooft, maar gelooft Optatus Milevitanus, een zeer vermaard schrijver in de oude kerk. Want alzoo schrijft hij tot de Donatisten: „Daar is niemand onder u, of hij vermengt onder zijne schriften zijne lasteringen tegen ons, uwe zondagsche lezingen begint gij, en uwe teksten verklaart gij tot onzen laster. Gij brengt het Evangelie voort, en scheldt uwen afwezenden broeder. Gij steekt uwen toehoorders den haat in, en hen tot vijandschap radende, brengt gij ze al leerende daartoe." En een weinig daarna: „Sommigen onder u weigeren in de groetenissen, die gij om welstaans wille doet, elkander de gewoonlijke kussen; en velen wordt ingestoken, dat zij geen van de onzen zullen groeten." Wilt gij verscher voorbeelden! Gaat met mij in HoogDuitschland, en bemerkt eens hoe veel kwaads de scheuring van de Ubiquitisten in de Kerk ingevoerd heeft.
    Droevig is de klacht van den profeet Jesaja: Een ieder eet het vleesch zijns arms, Manasse Efraim, Efraim Manasse. Met welke woorden hij vergelijkt het Joodsche volk bij degenen, die van den Magistraat, vanwege eenige gruwelijke misdaden, veroordeeld zijn in de gevangenis van honger te sterven.
    De lieden, nadat zij eenige dagen honger hebben geleden, ten laatsten dol wordende, liggen en woeden met hunne tanden tegen hunne eigene leden.
    Deze klacht worden zij gedreven menigmaal te doen, die de oneenigheden, uit de Ubiquitistische scheuring gerezen, met zuchten aanschouwen.
    De boekverkooperswinkels zijn met twistschriften, de twistschriften met venijnige bijtingen der broederen, schamperheden, en lasteringen vervuld.
    [125]
    Op de kansels staan er hier en daar, die, niettegenstaande zij met de Gereformeerden een en denzelfden Vader der geestelijke wedergeboorte hebben, den H. Geest, en eene en dezelfde moeder, de Evangelische Kerk; een en denzelfden Zaligmaker Jezus; een en hetzelfde voedsel der ziel, het vleesch van Christus, in den dood overgegeven; eene en dezelfde hope der zalige onsterfelijkheid; nochtans de zaak van de verworpenen alzoo drijven in het stuk des Nachtmaals, dat zij, om der ongeloovigen wil, de geloovigen verwerpen, en staan en roepen, dat men liever tot den afgodischen godsdienst der Papisten, dan tot den zuiveren godsdienst der Gereformeerden behoort te gaan. Anderen zijn er, die nooit met een eenige vonk der liefde Gods verwarmd zijn geweest, en die nochtans stoutelijk en dartelijk ten eeuwigen dood durven verwijzen degenen, die niet ontzien hebben voor de Evangelische waarheid het leven te zetten, en de wreedheid der vijanden des Zoons Gods zelfs met hun bloed af te wasschen. Hierover liggen schamperlijk en lachen de gemeene vijanden, en die de breuke Jozefs beklagen zijn hartelijk bedroefd. En dit zijn (is het niet fraai), de vruchten van de gebrokene eenigheid des geloofs.
    Gelukkig dan, gij Nederlanders! wederom zeg ik gelukkig, gij Nederlanders ! dat God u, die ook diergelijke zaken totnogtoe geproefd hebt, een gewenschte remedie heeft aangewezen, deze Eerw. Synode, van welke de geheele Kerk verwacht, hetgeen van een zoo treffelijke bijeenkomst van aanzienlijke Theologen kan en behoort verwacht te worden, namelijk, dat ze door geen vleeschelijke hartstochten verhinderd, aan geen gebod eens menschen, maar alleen aan dat des eenigen Gods, gebonden, vrijelijk van de gerezene verschillen naar de heilige Schriftuur uitspraak doe, en als een trouwheilige moeder de verstrooide lidmaten der Kerk verzamele, de verdrukte weder oprichte, de zwakke verkwikke, de verrotte afsnijde, de gekwetste geneze, en de gezonde van toekomende ziekten bevrijde; opdat dit geheele Nederland te zamen vereenigd zij, en deze bloeiende Provinciën te zamen gevoegd in geloof, waarheid en eenigheid. Dit zal voor de tegenwoordigen om te zien, en voor de afwezenden om te hooren, de hoogste blijdschap wezen, voornamelijk, wanneer met den minnelijken band der eenigheid in de huizen, de godzaligheid ook in den tempel noodzakelijk verknocht zal zijn. Ik zeg noodzakelijk, want de ware en oprechte religie, waar zij weder opgericht wordt, daar kan het anders
    niet toegaan, of de ware godsdienst zal gelijk als vannieuws gaan bloeien. Dat leert de Psalmist wijder, zeggende: Daar gaan henen op de stammen, de stammen des Heeren tot het getuigenis Israëls, opdat zij den naam (les Heeren grootmaken.
    De meening des Profeten. Naardien het Gode, den Heere, beliefd had, te Jeruzalem voor zijne Kerk een plaats op te richten, zoo kwam alle vleesch geloopen tot de Ark der getuigenis (die hier genoemd wordt de getuigenis der Israelieten) om den levenden God aan te bidden, te loven, en groot te maken; veel anders ging het ten tijde van Saul, toen aan het roer van de Republiek menschen zaten, die atheisten waren, die met alle religie den spot hielden, die den oprechten dienstknecht Gods, David, beschimpten, en uit de verwarring der religie een vuil gewin zochten. Terwijl de koninklijke profeet over dezen beklaaglijken staat der Israelietische Kerk jammert, gaat hij vrijmoediglijk tot God: Ps. 7: 7 en 8, en zegt: Sta op, Heere! in uwen toorn, verhef U over de grimmigheid mijner vijanden, en help mij weder in het, ambt, dat Gij mij bevolen hebt. Dat zich de lieden weder tot u vergaderen, en om derzelven wil kom weder boven!
    Maar niet alleenlijk regeert de eendracht in de huizen, en de godzaligheid in den tempel, maar ook de justitie in het gericht, waar de ware religie heerscht. 'Want daar zitten de stoelen ten gerichte, de stoelen des huizes Davids. Dat is, daar worden stoelen opgericht, waar de rechters zitten, die, naar billijkheid, armen en rijken, aanzienlijken en onaanzienlijken recht bedienen, de deugd beloonen en de boosheden straffen.
    Want waar God recht gekend wordt, aldaar is het ook, dat, ten meesten deele om Gods wil, de gerichten wel bediend worden. Samuel vernieuwde de ware religie, hij vernieuwde ook de burgerlijke justitie. Jozafat zuiverde de Kerk, die terstond daarna richters stelde in iedere stad, en gebood, dat zij in de oogen des Heeren recht zouden doen.
    En zullen wij ons niet (o toehoorders!) verblijden over het bloeien der Kerk, dewijl haar bloeien de bloem der eenigheid in particuliere huizen, de bloem der godzaligheid in de tempelen, en de bloem van justitie in der koningen hoven, en in de stoelen der richters en raadsheeren is invoerende.
    [126]
    Het is nu honderd drieentwintig jaren geleden, dat op den Rijksdag te Worms, de eerste, die Maximiliaan, de grootvader van Karel V, heeft gehouden, de hertogen van Saksen, des avonds ter maaltijd noodigden, de hertogen, den Paltzgraaf, den Beier en den Wittenberger, en als iedereen de versierselen zijns lands verhaalde en ook de meeste vreugd zijns harten was roemende: er waren er, die op hunne ertsmijnen; er waren er, die op hunne schoone steden; er waren er, die op de inkomst van kostelijken wijn en koren hunnen roem droegen; zoo verklaarde de Wittenberger dit zijn grootste versiersel te zijn, dat hij in het midden van de hitte, in een veld, en alleen in den schoot van elkeen zijner onderdanen gerustelijk slapen mocht. Dit was wel een groote roem van den Wittenberger; maar het had niet bij den roem Davids, die zijne steden, sterkten, paleizen en onderzaten hierover prijst, Ps. 48, dat God onder hen bekend was. Het had niet bij den roem des keizers Theodosius, dewelke, als hij op zijn sterven lag, zeide, dat hij blijder was, omdat hij een burger der Kerk was, dan omdat hij keizer was. Dit dan, broeders! zij ook onze hoogste roem, dit zij ook onze hoogste blijdschap in dit leven.

    II.
    DE HOOGSTE WENSCH DES MENSCHEN.

    Nu wat zal de hoogste wensch des menschen wezen? Is het, dat wij met vleesch en bloed te rade gaan, die zullen ons voorwerpen, aan de eene zijde, de eer en waardigheid, aan de andere zijde de wellusten des vleesches, den glans van de rijkdommen dezer wereld; en zullen ons wijsmaken, dat deze dingen gewenscht, en daarnaar ten hoogste door ons getracht moet worden. Maar weg niet vleesch en bloed! Laat ons den Geest Gods in David hooren spreken!
    Wat zegt die?
    Wenscht Jeruzalem vrede.
    Vrede zij in uwe muren, en voorspoed in uwe torens !
    Dit, dit zij de eenige en de hoogste wensch van allen, die Christus liefhebben, dat de Kerk wederom opgericht, bloeiende en in eere is blijvende. Opdat met vereenigde handen en harten de levende God aangebeden en geprezen worde. Dat onze vesten met vrede, onze paleizen met rust bekleed, en dat uit onze bijeenkomsten gebannen worden allen, die den vrede van Jeruzalem haten.
    Dit is geweest de wensch der vrome Israelieten. Dit was de wensch der h. Apostelen, die zoo menigmaal hunnen kerken den vrede gewenscht hebben. En wat zeg ik van de Israelieten, van de Apostelen?
    De Heere zelf der Israelieten en Apostelen heeft met dezen wensch zijn leven hier op aarde geeindigd, wanneer hij, een weinig voor zijn overlijden, zijnen Vader smeekende, gebeden heeft, dat allen, die van den Vader hem gegeven waren, één zouden zijn.
    Zoo dan verstaat gij, al ware het maar hieruit, welke de begeerten onzer harten, welke de wenschen heden zijn moeten: anders geene, dan dat God de heilige verzamelingen, die Hij door de stem des Woords en den H. Geest in verscheidene plaatsen der wereld verzamelt, met zijne goederen en gaven van vrede verrijke.
    Dat Hij tot haar zende getrouwe arbeiders; dat Hij van hare bijenkorven were alle hommelen, en voorts de harten, van verscheiden volkeren, met den lijm des zaligmakender geloofs en der oprechte liefde bijeengevoegd, alzoo wille vereenigen, dat er waarlijk zij door de geheele wereld de gemeenschap der heiligen, die wij gelooven.
    Maar inzonderheid, laat ons den vrede en de rust der Nederlandsche Kerk door onze gebeden Gode bevelen, dat zij, die door Gods genade nu schier opnieuw begint te groenen, door zijne goedheid voortaan met nieuwe klaarheid blinke.
    Want de Kerk in welstand zijnde, zal ook de Republiek in welstand wezen; en de Republiek in welstand zijnde, zal de welvaart des geheelen volks buiten gevaar zijn.
    En niet tevergeefs zullen wij ons Jeruzalem vrede wenschen; maar wij zullen ook zelven komen tot de gemeenschap van dien zegen, dien wij voor haar door onze wenschen verkrijgen, want dat geven te kennen die hartelijke woorden:
    "Het moet welgaan deegenen, die u liefhebben". Die uwe zaak, o Kerk! met ernst drijven, die voor u waken, voor u bidden, en voorts met alle vlijt en plicht de behoudenis der waarachtige leer bevorderen, derzelver zaak zal God ook drijven; voor hen zal desgelijks God waken; Hij zal hunne
    [127]
    gebeden verhooren; in benauwdheid stekende, zal Hij ze vertroosten en verlichten, en
    zal maken, dat hun alles wel gelukken zal, versieren, in dit leven, met de hemelsche genade, in het toekomende, met de hemelsche glorie.

    III.
    DE GROOTSTE VLIJT EN NAARSTIGHEID DES MENSCHEN.

    Wij hebben gehoord van de grootste blijdschap van een Christenmensch; insgelijks van zijn hoogsten wensch. Nu blijft er over te verklaren, welke de grootste vlijt van een Christen wezen moet in dit leven. Dat verzwijgt de Psalmist niet; maar hij zegt: Ik zal uw beste zoeken. De heilige man dunkt mij te slachten eenen dapperen krijgsoverste, die, een sterkte willende innemen, nadat hij de zijnen tot kloekheid vermaand heeft, eerst zelf de ladder opklimt en anderen door zijn voorbeeld opwekt, om desgelijks te doen. Alzoo deze onze. En ik, zegt hij, zal uw goed verschaffen, o Kerk! Waarmede hij te kennen geeft, dat men niet alleenlijk verblijd zijn moet over het bloeien der Kerk, dat wij niet alleenlijk Gode met onze wenschen den gestadigen voorspoed der Kerk moeten aanbevelen, maar dat ook iedereen in zijne plaats daartoe moet arbeiden, en dat hij zelf eenige dingen zegge en doe, die Gode aangenaam en der Kerk heilzaam zijn. Wilt. gij weten, toehoorders! welke de stilzwijgende begeerten zijn mijns harten? Ik zal het vrijuit zeggen. Hiertoe trekken ze: dat sommigen als ze Christus oprechtelijk liefhebben en godzaliglijk aanroepen, deze woorden Davids: „Ik zal het beste Israels zoeken" in het binnenste huns harten wel vast ingedrukt, overal met zich dragen. Zoo zal dan dit het dagelijksche besluit der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal van het Vereenigde Nederland zijn:wij zullen het beste zoeken van het Nederlandsche Jeruzalem. Dit zal de dagelijksche betrachting wezen van den Doorluchtigsten Prins Maurits, Prins van Oranje: ik zal uw beste zoeken, Jeruzalem! Dit zullen wezen de dagelijksche woorden der EE. Gecommitteerden, en wij zullen helpen, versieren en bevorderen den arbeid dergenen, die de gezonde leer prediken, leeren en aannemen, in Kerken en in scholen; hoewel op de Hoogmog. Heeren Staten, of op den dapperen held Maurits, of op de EE. Gecommitteerden niets valt te zeggen.
    De Hoogmog. Heeren Staten en de kloekmoedige Prins Maurits hebben voor de gansche Christenheid betoond, zoowel door andere klare bewijzen, alsook door bijeenroeping dezer Eerw. Synode, hoe ijverig zij zijn om de zaak van Christus te bevorderen. Anders spreekt ook niet uit der EE. Gecommitteerden eerlijke en dagelijksche tegenwoordigheid in deze Synode, dan een treffelijke naarstigheid om de hemelsche waarheid, en de daaruit vloeiende minnelijke eendrachtigheid in de Nederlandsche Kerken te bevestigen.
    Mijzelven, mijzelven, en u, Vaders en Broeders! zoo velen als van u door uitheemsche koninkrijken, prinsdommen, republieken, of door de bloeiende provinciën dezer landen gezonden en hier bijeenvergaderd zijn; mijzelven, zeg ik, en u, vermaan ik, prikkel ik en wek ik op: laat ons toezien, dat wij deze gewenschte gelegenheid wel gebruiken, de genade Gods aanroepende, de twijfelachtige broeders versterkende, de dwalende terecht brengende, de onnutte quaestiën afsnijdende, en voorts overdenkende, sprekende en besluitende hetgeen dienstig en nuttig is, naar het eenstemmig oordeel aller heiligen, om de ware kennis Gods in het verstand en den waren godsdienst in de harten te ontsteken.
    Dit vorderen van ons de broeders op aarde, dit vordert God in den hemel. Om der broederen en vrienden wil zal ik nu vrede in u spreken, zegt onze koning. De zin is: ik zal spreken en doen hetgeen Jeruzalem wel zal gedijen, niemand twijfelende, of de vrede dezer stad zal op de broeders en vrienden, dat is, op de andere steden afstralen, in welke onze broeders en vrienden wonen, makkers van één bloed, geloof en religie.
    Ik ben geen profeet, toehoorders! Nochtans daartoe verbinde ik mij:dat de vrede der Nederlandsche Kerk de vrede wezen zal van vele andere Kerken.
    De rechte leer, bevestigd zijnde in Nederland, zal haar hoofd in vele andere plaatsen opsteken. Derhalve om de broeders, om de vrienden, in de wereld verstrooid, laat ons arbeiden, dat de waarheid en de eendracht in alle Nederlandsche plaatsen elkander omhelzen, aangemerkt in de behoudenis van ééne Kerk, de behoudenis van zoo vele Kerken is besloten.
    En aangenomen, dat onze broeders op aarde dezen arbeid en zorg van ons niet begeeren, nochtans wil God in den hemel ze van ons hebben. Hoor den Psalmist, Om het huis wille des Heeren, onzes Gods,
    [128]
    zal ik uw beste zoeken. Gij, heilige God! zegt de profeet, hebt ons deze genade bewezen, dat Gij, met voorbijgaan van zoo vele volkeren, ons U tot een eigendom hebt uitverkoren, en gelijk als een woonstede uwer tegenwoordige genade gezet. Zoo zie ik dan wat de dankbaarheid van mij vereischt, dit namelijk, dat ik al wat tot versiering van dit huis, al wat tot lof van den Heere dezes huizes is dienende, met alle vlijt verzorge. Ook zal ik het verzorgen. Wendt uwe gedachten, toehoorders! van Jeruzalem af, en keert ze naar Nederland. God, de Heere, heeft Zich zelven in het klare licht des Evangelies geopenbaard, door den dienst der heilige martelaren en voortreffelijke theologen, welker zielen zijn in het bundelken der levenden. Hij heeft hier genadiglijk gewoond door zijn Geest, Woord, en Sacramenten, en wij mogen van Nederland zeggen, een klein weinigje in de woorden veranderende, hetgeen eertijds van Juda gezongen werd: „Alzoo heeft Hij niet vele andere natiën gedaan, en heeft zijne rechten haar zoo klaar niet geopenbaard! Wij erkennen een uitnemende genade. Laat ons ook erkennen een behoorlijke dankbaarheid. Derhalve, om de eere des huizes Gods, ja om de eere Gods zelven, laat ons alle onze vlijt daaraan te werk leggen, dat de jongen in de ware godzaligheid onderwezen, de ouden in dezelve versterkt worden. Zoo zal de barmhartigheid des Vaders, de zegening des Zoons, en de genade des Heiligen Geestes, gelijk ze eertijds was over het Jeruzalem Davids, alzoo ook wezen over de Kerk van Nederland.
    Gij hebt, toehoorders! een korte en ineengeknochte verklaring van den honderd tweeentwintigsten Psalm. De leeringen zijn weinig, maar voortreffelijk van de hoogste blijdschap, wensch en naarstigheid des menschen. De blijdschap is gelegen in den bloei der rechtgevoelende Kerk, de wensch in de voortdurende eere van den bloei, de naarstigheid in de gestadige bewaring harer groei. Welaan dan, mannen en broeders, laat ons dezen man Gods ons tot navolging voorstellen. Laat ons de blijdschap der wereld, den wensch der wereld, het trachten en pogen der wereld, aan de onreine wereld laten. Laat de blijdschap Davids, de wensch Davids, de vlijt, studie en naarstigheid Davids, onze vreugd, wensch en naarstigheid zijn, voornamelijk in dezen tijd, in welken wij dagelijks bijeenkomen tot raadslagingen, die zoozeer ze God behagen, zoozeer den duivel en zijnen dienaren hatelijk zijn. Ik verzeker u, bij zooverre het aan onze zorge over de Kerk niet ligt, dat het aan God niet liggen zal, in ons zijn genade mede te deelen. Indien wij God in deze Synode vereeren met woorden, werken, en raadslagen der waarheid en des vredes, zal Hij ons wederom vereeren, in die groote en heerlijke Synode, wanneer dat lieflijk gezelschap der heilige Patriarchen, Koningen, Profeten, Apostelen, en aller geloovigen binnen het vermakelijk begrip van het Hemelsche Dordrecht vergaren zal, en, na de eerste beschouwing der eeuwige glorie, na den eersten smaak der eeuwige vreugde, zingen zal. Ik verblijde mij over hetgeen ons van den Heere Jezus gezegd is: „Gaat in het huis mijns Vaders, u van eeuwigheid aan bereid." Hetgeen wij op aarde gewenscht hebben, dat gevoelen wij in den hemel: volle kennisse Gods in het verstand, volmaakte liefde van God en den naaste in het harte. Hetgeen wij, sterfelijk zijnde, gehoord hebben, dat zien wij, inderdaad onsterfelijk geworden zijnde, den Vader in den Zoon, den Zoon in den Vader, den Heiligen Geest in beiden, licht in licht, leven in leven, blijdschap in blijdschap, heerlijkheid in heerlijkheid: wij ook zelven met het eeuwige licht bestraald, wij ook zelven met het eeuwige leven begaafd, wij ook zelven met de eeuwige blijdschap overgoten, wij ook zelven met de eeuwige glorie versierd.
    O lieflijke voorhoven Gods! hoe zoet is het hier te leven, hoe genoeglijk hier te blijven! In deze voorhoven zullen wij staan, in deze voorhoven zullen wij zitten, in deze voorhoven zullen wij wandelen, grootmakende den Vader, die zijnen Zoon voor ons heeft gegeven, grootmakende den Zoon, die voor ons zijn leven heeft gegeven, grootmakende den Heiligen Geest, die een ongetwijfeld pand onzer hoop en zaligheid is geweest. Alle hemelen zijn vol der heerlijkheid des Vaders, des Scheppers, der heerlijkheid des Zoons, des Verlossers, der heerlijkheid des Heiligen Geestes, des Heiligmakers, in alle eeuwigheid der eeuwigheden, Amen.

    GEBED.

    Eeuwige, waarachtige levende God, die uit oneindelijke goedheid U zelven hebt geopenbaard, zendende den Zoon, en uitgestort hebbende den Heiligen Geest op de Apostelen!
    Wij danken U, dat Gij niet alleenlijk gewild hebt, dat wij tot een kort gebruik des lichts dezes levens
    [129]
    uit onze ouders geboren, maar ook tot de hope der zalige onsterflijkheid, door uwen Heiligen Geest, herboren zouden worden. Voornamelijk roemen wij uw naam, dat Gij ons deze genade verleent, dat wij onder de schaduw uwer vleugelen in deze vermaarde stad dagelijks mogen bijeenkomen, en beraadslagen over de rust dezer bedrukte Kerken. Wij bidden U, o heilige God! regeer en bestuur door uwen Heiligen Geest ons allen, die hier tegenwoordig zijn, dat wij deze plaatsen met zuivere en gereinigde gemoederen mogen bekleeden, en, als in uwe tegenwoordigheid zittende, datgene bedenken, spreken, doen en besluiten, wat tot versterking van de waarheid, in uw woord geopenbaard, wat tot verdrijving van de valschheid, die Gij haat, en ook wat tot vergrooting uwes heerlijken naams zonderlijk dienstig wezen mag.
    Bestuur met uw genadig oog, en bescherm met de hand uwer mogendheid, de Hoogmog. Heeren Staten des Vereenigden Nederlands; dat zij hetgeen zij doen, lang doen mogen, en dat diegenen, die nu zijn, ook na den dood den naam hebben van volstandige voorstanders der oprechte Religie, en der Justitie in de Republiek. Bescherm als uwen oogappel, den persoon, U en den menschen aangenaam, van den Doorlucht. en kloekmoedigen Maurits, Prins van Oranje; bedwing de handen der bloeddorstigen; dat zij nimmermeer de ziel uwer tortelduif genaken. Zegen de Staten van iedere Provincie, tot deze Synode gecommitteerd; ook den Schout, Burgemeester, Raad en Burgers der Republiek; en geeft voorts deze beroemde stad van Dordrecht, die de leden dezer Synode zoo goede herberg is verleenende, deze genade, dat, gelijk eertijds de heiligen, passeerende door Jeruzalem, daarin komende, zongen: Vrede zij in uwe muren, en rust in uwe paleizen; alzoo ook alle vromen, die of voorbij de stad Dordrecht varen, of daarin komen, haar met die woorden begroeten, die op de nieuwe poort geschreven staan:

    O edele bloem der steden
    God geef u goeden vrede!
    En die uw welvaart zoeken
    Geluk in alle hoeken!

    Vernieuw de jaren, als eens arends, van den Grootmachtigsten Koning van Groot-Brittanje; bewaar en laat in eere groeien en bloeien het oogsken van Duitschland, Frederik den V, den Keurvorst Graaf van den Paltz, Hertog van Beieren; voorts den kunstrijken Prins Maurits, Landgraaf van Hessen, en de bloeiende Republieken van Zwitserland, Genève, Breinen en Embden.
    Verlicht ook, hemelsche Vader! de gemoederen onzer broederen, die de belijdenis huns geloofs deze Synode presenteeren, om geëxamineerd te worden, dat zij met ons, met gelijke vlijt, het beste zoeken der Nederlandsche Kerk, opdat zoo vele conscientiën der menschen, die onder deze beroerten der Theologische disputen hebben gewankeld, eenmaal gerust gesteld worden. Geef eindelijk, dat wij allen, die in deze Synode met eendrachtige harten verzameld zijn, in die zalige en gewenschte Synode blijdelijk wederom bijeengevoegd worden, om U, goedertierenste Vader! met den Zoon en den Heiligen Geest, in der eeuwigheid te loven en groot te maken. Amen.