|
Titelpagina en voorreden
Zitting 1-25
Zitting 26-50
Zitting 51-75
Zitting 76-100
Zitting 101-125
Zitting 126-150
Zitting 101-125
Zitting 126-150
zitting 151-154
zitting 36
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Vijfde Artikel
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
Na-handelingen Nationale Synode
zitting 155 t/m 180
inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
|
DE DERTIGSTE ZITTING.
Denzelfden dag namiddag.
De gedaagden zijn in de Synode verschenen, en vermaand geweest, dewijl zij nu de adviezen der uitheemsche Theologen (aangaande de nietigheid hunner protestatie), bevestigd met redenen, die bondig en genoegzaam waren om de conscientiën gerust te stellen, en daarenboven het besluit der E. Heeren Gecommitteerden over dezelve gehoord hadden, dat zij alle beschuldigingen, uitvluchten en protestatiën en dergelijke spartelingen latende varen, tot de zaak zelve zouden komen; en zijn gevraagd geweest, of ze nu gereed waren. M. Episcopius heeft verzocht, dewijl een zeer zware en harde censuur tegen hem, en tot nadeel van zijn naam en faam gepasseerd was, een zeker kort schrift tot zijne verantwoording te mogen voorlezen. De E.E. Gecommitteerden, het schrift eerst doorziende, opdat zij weten mochten, of het misschien eenige nieuwe beschuldigingen bevatte, waarmede de Synode, gelijk nu ettelijke malen geschied was, mocht opgehouden worden, hebben toegelaten, dat het gelezen zou worden; onverminderd nochtans [117] het besluit in de voorgaande Zitting uitgesproken. Dit was het geschrift.
Edelmog. Heeren, Eerw. praeses, Achtb. Welgeleerde mannen broeders.
Hoewel een goede conscientie een paradijs is, en, wanneer de conscientie tevreden is, eene zorgvuldige verontschuldiging niet noodig is, desniettegenstaande nochtans, dewijl niemand zijn naam en faam moet verwaarloozen, ja een christenmensch voornamelijk acht behoort te nemen, en inzonderheid die in de gemeente van Christus in publieke bediening zit, op een goeden naam, zoo heb ik niet kunnen nalaten een proef van deze mijne zorg in deze aanzienlijke Synode na te laten; want dewijl grootelijks en zonder mijne schuld mijne reputatie gekwetst is, inzonderheid heden, alsof ik een openbaren leugen in deze zoo treffelijke bijeenkomst begaan had, heb ik noodig geacht, tot billijken voorstand van mijne eere en reputatie, kortelijk dit weinige aan de Synode voor te dragen, niet twijfelende, of zoo er eenige argwaan van kwade trouw bij sommigen zijn mocht, dezelve zeer haast zal verdwijnen, voorzooverre zij de gansche zaak in gerechtigheid en met behoorlijke oprechtheid willen inzien. Hetgeen mij ten laste gelegd wordt, is dit. Nadat ik in deze Synode een oratie had gedaan tot aanvang, waarin ik het gevoelen en de overeenstemming mijner broederen verhaalde, en mij belast was een exemplaar van dezelve oratie over te geven, heb ik den E. praeses, en, zoo ik heden verstaan heb, velen in deze Synode geschenen te zeggen, dat ik geen ander exemplaar had, en daar blijkelijk was, dat ik die woorden alzoo verstaan wilde hebben, doordien dat ik datzelve, of een copie van datzelve, van den praeses weder eischte. Dit is de som van de beschuldiging. Eerwaardigste mannen, dit is een zware fout, indien dit waar is. Maar het is evenzoo zwaar een ongeluk, indien het valsch is. Ik bid u, wilt toch overwegen wat waarschijnlijker is. Het fundament van de beschuldiging is, dat men meent, dat ik gezegd heb, dat ik geen ander exemplaar had. Hoewel dit waar is, zoo is het nochtans niet al wat ik gezegd heb;want ik heb er bij gevoegd, niet donkerlijk, ja met formeele woorden, niet net genoeg geschreven. Hieruit is genoeg blijkende, dat ik rondelijk bekend heb, dat ik een ander exemplaar had, en dat uitgeschreven, maar niet net te genoeg,weten, waardig om een zoodanige treffelijke vergadering over te leveren; want alzoo was de zaak gelegen. Het exemplaar, dat ik had, was uitgeschreven, maar zonder behoorlijke randen, en niet uitgeschreven met een letter, die net genoeg was, ja door kladden en uitschrappen mismaakt, en, hetwelk het voornaamste was, met het oorspronkelijke niet vergeleken. Want 's daags te voren, zeer laat in den avond, had het mijn schrijver uitgeschreven en mij gegeven. Dit is de eenige oorzaak van mijn aarzelen. En ik bid u, Eerw. mannen broeders, wat oorzaak zou mij mogen bewogen hebben te ontkennen, dat ik een ander exemplaar had Was het, opdat ik iemand bedriegen zou, ja zulk eene aanzienlijke bijeenkomst? Ja er was niets in de oratie, hetwelk niet voorbedacht besloten, en al voorhenen, bij gemeen consent der gedaagden, goedgekend was geweest; zelfs alles was tot dien einde beschreven, opdat het in de Synode, ja voor de geheele Christenheid zou gezegd worden. Daarna, hoe zoude ik gekund hebben? Bij mij zaten niet alleenlijk vele mannen broeders, nauw acht nemende op hunne conscientiën, maar ook rondom mij velen, zeer nauw toeluisterende, en de oogen op mij, op het papier en de tafel ziende, alle welke ik zoude hebben willen bedriegen; wat schijn heeft het van waarheid? Daarbij komt nog, dat, zoo haast de oratie gedaan was, ik niet alleenlijk rondelijk eenen, die mij vraagde, of ik een ander exemplaar had, maar ook niet zeer lang daarna, ook den E. Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten het oorspronkelijke zoodanig als het was, ter hand heb gesteld, opdat allen blijken mocht, waar te zijn hetgeen ik gezegd had. Overmits datzelve, hetwelk ik gepresenteerd had, nog niet met het origineele was vergeleken, gelijk als nog blijken kan uit de vergelijking van het een met het ander, en ik begeerde, dat blijken zoude den heer President van de Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten, dien ik mijn exemplaar door den Secretaris op dienzelfden dag mededeelde. Ik beken wel, dat de E. praeses mijn origineel zelf begeerd heeft, maar ik hield voorzeker, dat ik hem het origineel zelve gaf, wanneer ik hem datzelve gaf, hetwelk mijn schrijver uitgeschreven had, en van mij en mijne broeders onderteekend was, voornamelijk, dewijl het niets anders inhield (nochtans [118] eenige weinige woorden uitgezonderd, dewijl er geen vergelijking was gedaan geweest) als hetgeen in mijn origineel vervat was; want ik zou mij geschaamd hebben zoo een treffelijke vergadering mijn origineel over te leveren, hetwelk zoo vol kladden en schrabben was. Dat dit alzoo ter goeder trouwe gedaan is geweest, weet de almachtige, goede God. Indien nochtans iemand willen zoude anders gevoelen, denzelven zal ik anders niet antwoorden, dan dat ik, steunende op het getuigenis mijner conscientie en dergenen die bij mij gezeten hebben, getuigenissen, waarop niets valt te zeggen, Gode mijne onnoozelheid zal bevelen, en in stilheid en vrede mijne ziel bezitten, ja verblijd van hart, dat ik gedwongen worde censuur te dragen over een schuld, waarvan ik in mijn gemoed verzekerd ben, dat ik vrij ben en wezen zal, totdat God, de Kenner der harten, tusschen mij en degenen, die een kwaad gevoelen van mij hebben, zal oordeelen, hetwelk ik ernstelijk verzoeke, dat in de Synodale Acten gesteld worde.
Onder stond geschreven: S i m o n E p i s c o p i u s, Professor der H. Theologie.
Hem is tot antwoord gegeven, dat men daarover gehoord had de getuigenissen der gansche Synode en ook der E. E. Gecommitteerden zelven. Dat getuigenissen te stellen tegen getuigenissen onnoodig was. Dat de formeele woorden door de Synode en ook door de E. E. Gecommitteerden waren aangeteekend, en dat de gansche Synode getuigenis daarvan gegeven had. Dat het besluit, in deze zaak gedaan, behoorde genoeg te wezen. M. Episcopius zeide, dewijl de broeders Remonstranten, die bij hem zaten, hierop niet werden gevraagd, dat hij verklaart, dat ze in het particulier getuigd hebben, dat zij ook deze zijne formeele woorden gehoord hebben:. Ik heb geen ander in het net geschreven De praeses heeft hem vermaand, dat hij zich tevreden wilde houden, en gezegd, dat niet de Synode, dewelke maar meende als in 't voorbijgaan daarvan te spreken, maar dat hij zich zelven deze moeite op den hals gehaald had, die deze beschuldiging tegen zich zelven gedaan, zoo hij zeide, aan de geheele Synode zeer ruwelijk had verweten; en dienvolgens deze censuur zich zelven op den hals gehaald had. De gedaagden zijn nu wederom gevraagd geweest, of zij nu de protestatie wilden laten varen, en regelrecht tot de zaak komen, om welke zij ontboden waren, en zijn vermaand geweest, dat zij, afleggende alle ongegronde verdenkingen, het zekerlijk daarvoor wilden houden, dat de Synode in hunne zaak alzoo zoude handelen, dat zij hunne goede conscientie Gode en der gansche Christenheid zouden doen blijken. Zij hebben bij geschrift geantwoord, hetwelk M. Episcopius voorgelezen heeft, dat zij verzochten, dat men hun copie der censuren en oordeelen, over de protestatie, der uitheemsche Theologen, en van het besluit der E. E. Gecommitteerden wilde geven, en behoorlijken tijd, om de redenen der uitheemschen, als die aanmerkenswaardig schenen te zijn, met gebeden tot God, nader te overwegen, opdat zij niets onbedachtelijks in een zaak van zoo groot gewicht deden, en met goede conscientie het besluit der E. E. Gecommitteerden mochten gehoorzazamen. De Gecommitteerden, hierop hun gevoelen gevraagd zijnde, hebben geantwoord, dat zij oordeelden, dat de zaak niet langer onder eenig voorwendsel behoort uitgesteld te worden; derhalve wederom hun geboden, tot de zaak zelve te komen, en ten laatste eenvoudiglijk, niet onder deze of die conditiën zich met het besluit te vergenoegen. De gedaagden hebben begeerd, eens te mogen vertrekken en te zamen beraadslagen wat zij antwoorden zouden, hetwelk hun is toegelaten geweest, en hebben, na eenige beraadslaging, geantwoord, dat zij, behoudens hun oordeel van deze Synode, en behoudens hunne conscientie, gehoorzamen zouden en tot de zaak komen. Men heeft hun geantwoord, zoo vanwege de Gecommitteerden, als vanwege de Synode, dat men hunne conscientiën niet gebood, noch wilde gebieden, hetwelk hen mocht bezwaren, en dat aan iedereen gelaten wordt zijn particulier oordeel van de Synode; maar, zoo zij door het oordeel van de Synode verstaan deze publieke protestatie tegen dezelve, dat die hun niet wordt toegelaten;maar dat genoeg verklaard is, zoo door het besluit der Synode, als der E. Gecommitteerden, dat ze beide onbillijk en van geene waarde geacht worden; derhalve wederom hun belast werd te gehoorzamen, en tot de zaak te komen; want, zoolang zij bleven bij die protestatie, zoolang waren zij opnieuw ongehoorzaam aan de wetten en besluiten der Synode en der E. E. Gecommitteerden. Zij zijn derhalve nogmaals vermaand geweest, zich in het toekomende te wachten [119] de autoriteit van zoo een Eerw. Synode, met onbetamelijke woorden of werken te verbreken, of in twijfel te trekken;voornamelijk, dat zij noch met woorden of schrift de autoriteit der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal kwetsen zouden, onder straffevan behoorlijk gecensureerd te worden. Zij hebben geantwoord, dat zij spraken gelijk als zij gevoelden, en gelijk zij gevoelen alzo ook spraken. Hun is aangewezen, dat dit antwoord aldaar geen plaats had. Opdat men dan eenmaal tot de zaak, die te verhandelen was, komen mocht, zoo heeft men hun wederom gevraagd, of zij bereid waren hun gevoelen van het eerste artikel, dat van de Goddelijke praedestinatie is sprekende, met hunne redenen der Synode over te geven. Zij hebben geantwoord, dat zij meenden, dat men hier een conferentie zoude aanstellen, bij monde; dat zij zich daartoe hadden bereid, niet om schriften over te geven. Dat zij wel den staat der verschillen bij de hand hadden, maar dat zij de verklaring van hunne gevoelens nog niet bij geschrifte hadden gesteld. Dat men uit de brieven van citatie anders niet had kunnen verstaan, dan dat de voorstelling, verklaring, en verdediging van hun gevoelen eerst bij monde in de Synode moest voorgesteld, daarna, de conferentie gedaan zijnde, bij geschrift vervat worden. De Gecommitteerden hebben hen verklaard, dat het hun leed was, dat zij den zin van de citatiebrieven (aan welken niemand, dan die ze moedwilliglijk wilde verdraaien, met reden konde twijfelen) niet hadden of kunnen of willen vatten. Dat de samenvoeging der woorden klaarlijk aanwees, dit de meening geweest te zijn, dat zij bij geschrift hun gevoelen zouden verklaren. De Remonstranten hebben geantwoord, dat niemand onder hen de brieven alzoo verstaan had; dat zij zich allen bereid hadden tot eene conferentie, overmits in de citatiebrieven, geschreven uit naam der EE. Gecommitteerden, uitdrukkelijk gezegd werd, dat men arbeiden moest om de verbitterde gemoederen te verzachten, hetwelk zij meenden, dat kwalijk zonder conferentie konde geschieden; dat zij oordeelden het bekwaamste te zijn, dat men een conferentie, als tusschen partijen, aanstellen zoude, en dat daarna de hooge Overheid van dezelve zoude oordeelen. De Gecommitteerden, openlijk hunne citatiebrieven voorgelezen hebbende, hebben hunne meening klaarlijk uitgedrukt, en expresselijk aangewezen, die nooit geweest te zijn, dat hier eenige pedagogische of schoolsche conferentie, of eenige disputatie, gelijk als tusschen partijen, zoude aangesteld worden, maar dat zij hun gevoelen van de Vijf Artikelen zouden voorstellen, verklaren, en naar vermogen verdedigen, en daarna het oordeel der Synode, als der wettelijke richteres der verschillen verwachten. Zij klaagden, dat men hun de maat te na stelde, zoo zij niet bij monde en met levendige stem mochten handelen; dat ze maar alleenlijk hun gevoelen zouden mogen voorstellen, en niet ook het tegenoverstaande bestrijden, om hetwelk te bestrijden zij zich voornamelijk hadden bereid. Men heeft hun geantwoord, dat men hun niettemin zoude toelaten, nadat zij hun gevoelen bij geschrift verklaard hadden, alsdan bij monde, zoo zij iets meenden daarbij te moeten gevoegd zijn, dit te mogen doen. Van de bestrijding van het tegenoverstaande gevoelen, zoude men daarna zien, nadat zij eerst het hunne verdedigd hadden. Eindelijk is hun ook belast geweest, dat zij hun gevoelen van het eerste artikel, in de eerste zitting des volgenden daags, bij geschrift zouden overleveren. Men heeft hun ook gevraagd, of zij hunne bedenkingen van de leer, in de Belijdenis en den Catechismus dezer Gemeenten begrepen, nu gereed hadden. Zij hebben geantwoord, dat zij wel een goede menigte van zoodanige bedenkingen in hunne papieren hadden, maar die nog niet in orde hadden gesteld en uitgeschreven.

|