|
Titelpagina en voorreden
Zitting 1-25
Zitting 26-50
Zitting 51-75
Zitting 76-100
Zitting 101-125
Zitting 126-150
Zitting 101-125
Zitting 126-150
zitting 151-154
zitting 36
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Vijfde Artikel
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
Na-handelingen Nationale Synode
zitting 155 t/m 180
inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
|
[103]
DE NEGENENTWINTIGSTE ZITTING.
Den 12en December, Woensdagvoormiddag.
De E. Heer Josias van Vosbergen, die naar Zeeland was gereisd, toen men in de Synode den eed deed, heeft, wedergekeerd zijnde, denzelven eed gedaan. De gedaagde Remonstranten zijn ontboden geweest, opdat men denzelven, in de Synode tegenwoordig zijnde, de oordeelen der Theologen aangaande hunne protestatie zoude voorlezen. De oordeelen waren deze.
Het gevoelen der Theologen van Groot-Brittanje, aangaande de protestatie en de twee exceptiën der Remonstranten.
Wij achten, dat de Nederlandsche predikanten, al is het, dat zij het tegenovergestelde gevoelen openlijk geleerd en voorgestaan hebben, desniettegenstaande mogen, en (dewijl zij hier wettelijk geroepen zijn) behooren tot richters te zitten, om de zaak der Remonstranten te onderzoeken en te oordeelen; dat ook de Remonstranten met geen recht de autoriteit derzelven, in deze Synode vergaderd, kunnen wegnemen; want dat zij voorwenden, dat de Contra-Remonstranten zijn scheurmakend, dat achten wij noch waar, noch waarschijnlijk te wezen. Ten eerste, omdat zij door de hooge macht der Staten en gemeene stemmen der Nederlandsche Kerken, voor anderen verkoren, geapprobeerd en gesteld zijn, om deze Nationale Synode te houden. Indien zij dan voor scheurmakers gehouden worden, dat deze geheele Gemeente en Republiek schuldig gemaakt wordt aan scheuring. Ten tweede, omdat deze Synode bestaat uit personen, die door geen kerkelijke censuur bezwaard, door geen publiek of wettelijk oordeel van scheurmaking ooit overtuigd, of verwezen zijn geweest; en dat de protestatie, door de Remonstranten gedaan, in tegendeel geen kracht van uitgesproken vonnis behoort te hebben. Ten derde, omdat de professoren, gedeputeerd door de Staten, en de predikanten, gedeputeerd door hunne Provinciale Synode, een lichaam maken, vertoonende het lichaam der gansche Nederlandsche Kerk. Nu is het tegen alle rede, dat voor het scheurmakende deel en van het geheele lichaam afgescheurd, gehouden worde hetgeen dat door wettelijke ordinantie en autoriteit het geheele lichaam vertoont en naar zijne kracht is begrijpende. Ten vierde, de afzondering (zoo er eenige voordezen geweest is) diezelve is door de autoriteit der Overheid, of om vredeswille, geduld, totdat op een bekwamer wijze de Kerk zoude mogen geholpen worden, of tenminste terstond verbeterd of weggenomen;nu kan de afzondering, door weinigen gedaan, voor eenen tijd geduld, en alsnu weggenomen, niet aan vele lidmaten dezer Synode de schandelijke en algemeene schandvlek van scheuring aanstrijken. Ten vijfde, omdat de Remonstranten zelven, afwijkende van de leer, in 't gemeen aangenomen, het beginsel en de oorzaak zijn geweest van deze scheiding; want voor de waarheid wordt gehouden hetgeen van den aanvang in eenige Kerk geleerd en aangenomen is geweest; voor dwaling wordt geacht hetgeen naderhand ingevoerd wordt, totdat, gehouden zijnde een wettelijk onderzoek en oordeel, het tegenovergestelde besloten wordt. Daarbij komt nog, dat diegenen niet kunnen gezegd worden van de leer der Remonstranten geweken te zijn (hetwelk in een scheuring noodzakelijk te onderstellen is), die dezelve nooit hebben aangenomen, maar, van de eersten hun voorgesteld zijnde, verworpen en verdoemd hebben. Eindelijk, omdat bij alle uitheemsche Prinsen en Republieken, die hunne Theologen herwaarts gezonden hebben, buiten quaestie gesteld wordt, dat zij door de hoogste autoriteit der Republiek en der Nederlandsche Kerk, niet als een verzameling van scheurmakers, maar als een Synode van wettelijke predikanten, bijeengeroepen is geweest. Ook ten tweede geldt niet, om de autoriteit dezer Synode te verkleinen, dat de Remonstranten voorwenden, het meeste deel der Synode te bestaan uit hunne tegenpartijen, en dat het natuurlijke recht niet toelaat, dat diegene, die partij is, in zijne zaak als richter zitte. [104] Tegen dit gevoelen strijdt ten eerste de gedurige praktijk aller Kerken. Want in de algemeene Synode van Nicea, van Constantinopel, van Chalcedon, ook in de Nationale en Provinciale geapprobeerde Synoden, zijn diegenen, die van oudsher de aangenomene leer hebben bestreden, onderzocht, geoordeeld en verdoemd geweest. Ten tweede, de noodzakelijkheid van de zaak zelve vereischt zulks. Want dewijl de hoogste macht, om de verschillen in iegelijke kerk te beslissen, bij de Nationale Synode staat, wanneer ze wettelijk bijeengeroepen en geformeerd is, zoo is het onmogelijk, dat de nieuwe leeringen zouden kunnen tot rekenschap gevorderd en overwogen worden, dan van diegenen, die de leer, vanouds aangenomen, aanhangig zijn. Want de Theologen plegen, in 't stuk van de Religie, niet te wezen, ja ook mogen niet wezen, gelijk als tafereelen, in dewelke niet geschreven is. Indien dan de neutralisten alleen richters zouden mogen wezen, zoo zon men ze altijd moeten zoeken buiten de Gemeente, in dewelke de verschillen gerezen zijn, en geen Kerk zoude bekwaam wezen, om hare verschillen te effenen. Ten derde, de billijkheid zelve schijnt dit te raden. Want wat redenen zoude men kunnen geven, waarom al die predikanten verstoken zouden wezen van het recht van hunne stemmen te geven, dewelke, ambtshalve de aangenomene leer der Kerk voorstaande, zich gesteld hebben tegen diegenen, die anders geleerd hebben? Wanneer dit plaats mocht hebben, niemand zoude zich stellen tegen de strooiers van nieuwe leeringen, om naderhand niet te verliezen al hun recht van diezelve verschillen te oordeelen. Ten vierde, dat is een abuis, te meenen, dat de predikanten aldus in hunne eigene zaak richters zijn. De waarheid is een algemeene schat der Kerk, en mag geenszins gemaakt worden een bizonder goed van, ieder persoon. De zaak, die in de Synode verhandeld wordt, is de zaak Gods en der Kerk, niet de eigen zaak van iedereen. En hierom worden zij bij heiligen eede verplicht, dat zij, ter zijde stellende alle partijschap en ongeregelde hartstochten, niet als van hunne zaak, maar als van de zaak Gods, uit het Goddelijke Woord zullen oordeelen. Eindelijk, de richter heeft de macht om te beslissen, die hij heeft in uiterlijke dingen, niet in de zaak der Religie. In uiterlijke dingen zal een onrecht vonnis des rechters eenen ander wat ontnemen, en tot zich trekken de zaak van een ander; maar diegenen, die in de zaak des geloofs het rechtersambt plegen, kunnen noch zich zelven de waarheid zelve toeëigenen, noch anderen benemen. Dewijl dan bij hen de hoogste vierschaar is, zoo mag men zich hun uiterlijk oordeel niet onttrekken, als hetwelk Gode alleen is onderworpen. Om deze reden achten wij, dat de protestatie der Remonstranten op kranke fundamenten is berustende, en dat zij naar Goddelijk en menschelijk recht verbonden zijn, zich aan deze Synode te onderwerpen, en hunne protestatie, als onbedachtelijk gedaan, te laten varen, hetwelk wij achten dat ons en der gansche Synode zeer aangenaam zal zijn.
Het gevoelen der Theologen uit den Paltz, over de vraag, of Protestatie der Remonstranten, van de nietigheid der Synode, gelden mag, omdat de inheemschen hunne tegenpartij en scheurmakers zijn.
Wij antwoorden. Indien wij in de plaats waren van de gedaagden, wij zouden ons verblijden, dat wij uit last en bevel der hooge Overheid in een zoo aanzienlijke vergadering, en voor zoo vele getuigen rekenschap mochten geven van de leer, om dewelke wij wat schenen geleden te hebben. Derhalve verwonderen wij ons, dat de gedaagden zoo tegenspartelen, ja de gansche Synode verwerpen met hunne protestatie, die geenszins is toe te laten, overmits de voornaamste oorzaken derzelve van geen waarde zijn, te weten, dat zij het meeste deel der Synode houden voor tegenpartij en voor scheurmakend. De eerste reden heeft gansch geen schijn. Want altijd zijn de lidmaten van een Kerk door hun lichaam zelf, te weten, door de Kerk derzelver lidmaten, geoordeeld geweest. In het Oude Testament werden de invoerders van nieuwigheden gezonden tot den Hoogepriester, en van den priester tot de wet en het getuigenis. In de Kerk des Nieuwen Testaments zijn de Arianen, Macedonianen, Eutychianen en Nestorianen geoordeeld geweest van diegenen, die zij meenden tegenpartij te wezen. Ook Optatus Milevitanus, in 't 5e boek tegen Parmenianus, vindt geraden: wanneer eenig verschil tusschen de Christenen ontstaat, dat men niet tot de Heidenen of Joden zal [105] loopen; maar dat de broeders onder elkander zelven uit Gods Woord de verschillen effen maken. De wijze van de oude Kerk is tot de onze gekomen. Ons staat voor, dat er in den Paltz een of twee zich geopenbaard hebben, die naar nieuwigheden stonden. Eerst werden zij van hunne classe, daarna van den kerkeraad vermaand; de halstarrigen zijn afgezet geweest. Het is nu in de dertig jaren, dat Samuel Huberus in Zwitserland, over dezelfde verschillen, die in Nederland gerezen zijn, met zijne mededienaars heeft getwist, en niet weinigen aan zijn koord had getrokken. De raad van Bern, om dit voortkruipende kwaad te voorkomen, riep bijeen de theologen, zaliger gedachtenis, Theodorus Beza van Genève, Johannes Jacobus Gryneus van Bazel, Johannes Guilielmus Stuckius van Zurich, en den eerwaardigen ouden Johannes Ietzlerus van Schafhausen, die nog in 't leven is. Huberus werd van dezen gehoord en onderricht. Maar niet willende wijken, werd hij verlaten, en maakte wel elders eenige moeite, maar de Kerken der Republiek van Bern liet hij met vrede. De gedaagden werpen tegen, dat de inlandschen hunne richters niet mogen wezen, omdat zij hunne leerpunten dus lang hebben tegengesproken; maar zij steunen op een valschen grond, strijdende: 1. Tegen het ambt der dienaren der Gemeente, hetwelk hun gebiedt de tegensprekers te wederleggen. 2. Tegen de orde der Kerk, dewelke is, dat, twee of meer profeteerende, de anderen oordeelen, en (lat de geesten der profeten den profeten onderworpen zijn. Zij werpen wederom tegen, dat zij van de inlandschen al overlang veroordeeld zijn. Wij antwoorden, dat ook Alexander, de bisschop van Alexandrië, in 't bizonder de leeringen van Arius verworpen had, eer het Concilie van Nicea gehouden werd; maar nochtans daarom niet gehouden is geweest voor een onwettelijk publiek richter zijner zaak. En aangenomen, dat eenige Contra-Remonstranten wat straf geweest zijn in de censuur (want wij zijn allen menschen); nochtans, naardien zij nu den eed van oprechtheid der liefde en der waarheid gedaan hebben, zoo mogen zij daarom niet geweerd worden van de synodale oordeeling der leer. Zij werpen ook tegen, dat in Saksen en het Markgraafschap van Brandenburg een geheel andere wijze van Synode gehouden zij geweest. Wij antwoorden, wat aangaat Saksen, dat Casparus Peucerus, Fredericus Widebramus, Christophorus Pezelius, Caspar Cruciger en Henricus Mullerus, zeer vermaarde theologen, niets zoo zeer gewenscht hebben, dan dat zij openlijk rekenschap mochten geven van hun geloof. Maar in de synode van Torges, in het jaar 1574 gehouden, heeft men van hen begeerd niet rekenschap en onderzoek van hun geloof, maar onderteekening en toestemming van merkelijke dwalingen. In het Markgraafschap van Brandenburg, als voor vier jaren de super-attendenten, bijna veertig in getal, (de Doorl. Keurvorst begeerde dit zoo) voor mij Scultetus en anderen daartoe geordineerd, hun geloof van het mondelijke eten, de overalomtegenwoordigheid, en dergelijke andere stukken verklaren, en naar hun beste vermogen verdedigen moesten, hebben zij tegen ons geen bedenking gemaakt als tegenpartij, maar sommigen wendden den ouderdom voor, sommigen wat anders, en hebben datzelve afgebeden, en hunne Overheid beloofd, dat zij zich voortaan zouden wachten van onze leer te lasteren. Zij werpen ten laatste voor Ursinus en Params, dewelke geraden hebben tot zoodanige synoden niet te gaan, in dewelke dezelfde personen beiden aanklagers en richters zijn. Maar tevergeefs leggen zij ons deze mannen voor, dewelke tegen de vergaderingen der Papisten en Lutheranen geschreven hebben; welke zooverre zijn te onderscheiden van de onze, als de hemel van de aarde. Want : 1. Aldaar geeft men plaats aan besluiten van menschen, te weten, van den Paus en van Luther; hier aan de besluiten Gods. 2. In die synoden komt men met vooroordeelen tot de synode, en wederom van daar. Hier achten wij niet dat iemand zij, die niet willig zij, gaarne aan te nemen, hetgeen de Remonstranten uit Gods Woord kunnen bevestigen. 3. Daar zijn openbare vijanden; hier zijn broeders en metgezellen van dezelfde gemeente. 4. Daar is alles dienstbaar; hier alles vrij, zooveel aangaat de belijdenis en bevestiging des geloofs. 5. Ursinus en Paraeus hebben nergens geleerd of geschreven, wanneer in ’t midden van eenige [106] particuliere Kerk een ziekte ontstaat, dat diezelve ziekte niet zoude moeten in 't huis van die Kerk geheeld worden. Nergens hebben zij ook geschreven, wanneer er dwalingen gerezen zijn, dat de getrouwe leeraars zich daartegen niet zouden mogen stellen, en zulks doende, verstoken zijn van in de publieke oordeelen, in 't stuk van de Religie, hunne stemmen te mogen geven. De andere redenen der gedaagden, om de nietigheid der Synode te bewijzen, is genomen van de scheuring. Maar hier staat wel waar te nemen, dat niet te bestraffen is degene, die zich afzondert, maar die anderen dwingt zich af te zonderen. Gelijk onze voorouders niet zijn te misprijzen, die van de Roomsche Kerk zich afgezonderd hebben, maar de Paus, die door zijn tyrannie en schrikkelijke afgoderij, in de Kerk ingevoerd, de onzen gedwongen heeft van haar af te wijken. Hetzelfde schijnt in Nederland gebeurd te zijn. De nieuwigheid-drijvers hebben scheuring gemaakt van de leer, scheuring van de kerkelijke orde, wanneer zij de synoden en censuren der Kerken hebben afgezegd. Gelijk dan zijlieden te bestraffen zijn, alzoo zijn ook te prijzen diegenen, die in de gemeenschap der nieuwe leer niet hebben willen komen. Daarna aangenomen, dat de inlandschen zijn scheurmakers; indien de gedaagden het Vaderland en de Kerk, indien ze de rust van beide liefhebben, zoo behoorden zij uit trouwhartigheid te zoeken, dat de ergernis der scheuring weggenomen worde. Want het is nu geen tijd de wonden der Kerken op te krabben en te verstoren, maar te zien, hoe men ze heelen moge. En dewijl zij tot dus ver altijd de uitheemschen hebben uitbedongen, ofschoon zij het beste van de ingezetenen niet verwachten, zoo behoorden zij nochtans den uitheemschen zoo veel toe te schrijven, dat zij geenszins de inlandschen zullen voorstaan, indien zij wat onrecht is spreken, of wat onbillijk is besluiten. Deze en andere dingen meer, behoort men den gedaagden in te scherpen, en te vermanen, dewijl zij zoo menigmaal totnogtoe op Jezus Christus zich hebben beroepen, dat zij aan deze Synode betoonen, dat zij niet alleenlijk den naam van Jezus in den mond, maar ook zijne liefde in het hart dragen.
Het gevoelen der Hessische Broederen, van de Protestatie der Remonstrantsche broeders, die zij gisteren aan deze Eerw. Synode hebben voorgelezen en overgeleverd.
Daar zijn twee dingen voornamelijk in dat schrift der Remonstranten, hetwelk zij gisteren openlijk in deze Eerw. vergadering voorgelezen hebben, waarover ons gevoelen gevraagd wordt. Het eerste vervat de protestatie zelve der Remonstranten, waarmede zij ontkennen, dat deze Synode toekomt het recht en de macht, om de verschillen, die de Remonstranten in de Nederlandsche Kerken verwekt hebben, te oordeelen en neder te leggen. Het andere betreft eenige van hunne redenen, en voornamelijk twee, waarmede zij deze hunne protestatie zoeken te stijven. Wat aangaat de protestatie zelve, die schijnt;hetwelk gisteren avond wel aangemerkt is geweest; niet zoo zeer deze Synode, als de Hoogmog. Heeren Staten-Generaal aan te tasten, als die deze Synode bijeengeroepen, en geautoriseerd hebben, om de verschillen, die deze Nederlandsche Kerken beroerd hebben, te verstaan en naar Gods Woord, als den eenigen volmaakten en onbedriegelijken regel des geloofs, te oordeelen. Want, dewijl de H. M. Heeren Staten-Generaal, zelfs naar de bekentenis der Remonstranten, recht en macht hebben eene Synode bijeen te roepen, en niet kan ontkend worden, dat door hunne Hoogmog. deze Synode bijeengeroepen is, en in dezelve tot dus verre is onderhouden geweest de wettelijke wijze en orde, die hunne Hoogmog. hebben voorgeschreven, zoo verstaan wij niet, hoe men deze Synode die macht zoude mogen benemen, welke de Hoogmog. Heeren Staten haar wettelijk hebben gegeven, tenzij dat meteen verkleind worde de autoriteit, die hunne Hoogmog. zelven is toekomende. Daarom achten wij gansch noodig te zijn, dat niet alleenlijk de Synode, maar ook de E. Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, door tusschenstelling van hunne autoriteit, openlijk verklaren, dat de voorzegde protestatie der Remonstranten van rechtswege gansch nul en van geene waarde is. Maar, opdat men de conscientiën der Remonstranten, zoo het op eenige wijze kan geschieden, te gemoet mag komen, of ten minste aan deze vergadering bekend zij, dat in dezen deele niet onbillijk met de Remonstranten gehandeld wordt, en ook niet van hen begeerd wordt, hetwelk [107] met het recht der natuur is strijdende, zoo achten wij ten eenenmale nuttig en geraden te zijn, dat de redenen, die de Remonstranten gebruikt hebben, bondiglijk wederlegd worden, en dat zoodanige wederlegging hun voorgedragen, en in de Synodale acten, zoowel als hunne protestatie, gesteld worde. Nu daar zijn voornamelijk twee redenen, waarmede zij meenen te kunnen beweren, dat deze Synode of het meeste deel van de zelve, niet is wettelijke richter hunner verschillen; de eene is, dat deze Synode is partij;de andere, dat zij schuldig is aan de scheuring. Wij meenen, dat met beide deze redenen aan de Synode een zeer groot ongelijk wordt aangedaan. Voor partij (zelfs niet ten aanzien van de Nederlandsche broeders) kan deze Synode niet verklaard worden, tenzij dat meteen voor partij verklaard worden alle en ieder der Nederlandsche Kerken, welke tot deze Synode de Nederlandsche broeders gezonden hebben. Want diezelve representeeren de Kerken, met welker Credentiebrieven geautoriseerd, zij in deze Synode zijn verschenen. Indien de broeders Remonstranten voor partij verklaren alle en ieder der Nederlandsche Kerken, zoo zullen zij voortaan niet langer leden derzelver wezen; maar zullen moeten bekennen, dat zij van haar zijn uitgegaan en afgeweken. En het is van geen gewicht, dat zij zeggen, dat schier alle de Nederlandsche broeders tegenwoordig alreede het tegendeel hebben verklaard, en hun leer en gevoelen voor valsch en dwaalachtig hebben geoordeeld. Wat dat is niets nieuws, maar ten allen tijde is het in de Kerke Gods gebruikelijk geweest, en is het hedendaags alsnog, dat, wanneer nieuwe verschillen, opiniën en ketterijen oprijzen, de getrouwe predikanten der gemeenten, zich bijtijds, zoowel met den mond als met schriften, daartegen stellen; opdat het kwaad, door voort te loopen, geen kracht krijge, en, door lang wachten, versterkt worde en het gansche lichaam der Kerk verderve; welke leeraars en predikanten der gemeente nochtans daarom in publieke Synoden het recht van te stemmen niet hebben verloren. Men gebiede de Remonstranten eene eenige wettelijke Synode te noemen, in welke Theologische mannen niet hebben gezeten, die van te voren de ketterijen in die Synode verdoemd, of met den mond of met uitgegevene schriften hebben bestreden. De rechtgevoelende Kerk heeft altijd de ketterijen tegengestaan, en doet het alsnog; welke nochtans de ketters altijd hebben gehouden, en alsnog zijn houdende en hierna houden zullen voor tegenpartij. Zoo zoude men dan nimmermeer, in voorleden tijden, wettelijke Synoden hebben mogen aanstellen, noch lieden of in het toekomende bijeenroepen, voorzoo verre de uitvlucht der Remonstranten plaats zal grijpen. Arius, Nestorius, Eutyches en dergelijke ketters zouden, in de Nicenische, Efezische, Chalcedonische en andere wettelijk bijeenvergaderde conciliën, met recht niet hebben mogen verdoemd worden, naar dezen regel der Remonstranten;want in deze conciliën zijn, als richters, tegenwoordig geweest de rechtgevoelende bisschoppen, vervreemd van de leer der ketterijen. Als eerst in de Saksische Kerken de leer van de overalomtegenwoordigheid gestrooid werd, en vanwege het naburig kwaad onze Hessische Kerken wat schade leden, zoo zijn door autoriteit der Doorl. prinsen, Willem Lodewijk, Georgius en Filips, Landgraven van Hessen, broeders van zaliger en gelukzaliger gedachtenis, Nationale Synoden op onderscheidene tijden in ons vaderland gehouden, en in dezelve besluiten gemaakt geweest van te vermijden, in de leer van den persoon van Christus, en de gemeenschap der eigenschappen: afgetrokkene manieren van spreken en leeringen, welke uit de leer van de overalomtegenwoordigheid waren vloeiende en met den aankleve van dien. En nochtans is toenmaals, aan deze Synodale besluiten, de uitvlucht van tegenpartij niet in den weg geweest. Toen, voor ongeveer elf jaren, onze Doorluchtigste Prins Maurits, Landgraaf van Hessen, enz. onze genadigste Heere, de Kerken van Neder en HoogHessen, die onder zijn gebied stonden, wilde brengen tot de oude eenstemmigheid in de leer en tot onderhouding der synodale besluiten, dewelke met eendrachtige toestemming der Kerk van gansch Hessen voordezen gemaakt waren geweest, heeft hij een generale Synode van Hessen beschreven, tot welke ontboden zijn geweest diegenen, die, tegen de besluiten der Nationale Synoden van Hessen, de leer van de overalomtegenwoordigheid en met den aankleve van dien, van de mondelijke tong des lichaams van Christus in het Avondmaal des Heeren voorstonden. En tegen diezelven is uit Gods Woord uitspraak gedaan geweest, en zijn de besluiten, die [108] voor vele jaren, toen vier Prinsen van Hessen in het leven waren (en die met approbatie derzelven in de generale Hessische Synoden gemaakt waren geweest), wederom te voorschijn gebracht, en opnieuw bevestigd geweest, niettegenstaande deze uitvlucht van tegenpartij. De Remonstranten kunnen met recht deze Synode niet verklaren scheurmakend te wezen, zelfs niet wat aangaat de Nederlandsche broeders. Want diezelve doen nog belijdenis door Gods genade, zoowel als de Nederlandsche Kerken, door welke zij tot deze Synode gezonden zijn, van dezelfde leer, die, naar Gods Woord, in de aangenomene formulieren der Nederlandsche Belijdenis en van den Catechismus vervat is, en die over vele jaren in deze Provinciën geleerd is geweest. De Remonstranten daarentegen, zooveel als wij totnogtoe van hen hebben kunnen vernemen, zijn diegenen, die bizondere en van de aangenomene leer verschillende opiniën in deze Provincie hebben gestrooid, zonder voorhenen te verwachten en te hooren het oordeel der classen, of der provinciale Synode, en men heeft deze nooit daartoe kunnen brengen, dat zij hunne bedenkingen op de Belijdenis en den Catechismus aan hunne classen of provinciale Synode zouden overgeven, om onderzocht te worden. Men zal ook naar ons oordeel de Nederlandsche broeders, door de Kerken tot deze Synode gedeputeerd, niet kunnen overtuigen van scheuring daaruit, dat in sommige plaatsen particuliere, en van de Remonstrantsche Kerken onderscheidene bijeenkomsten zijn aangesteld geweest. Want, dewijl, zooveel wij verstaan hebben, niet door bizondere autoriteit van een of vele predikanten, maar door publieke autoriteit der Overheid voor een zekeren tijd, totdat men de Kerken beter zoude mogen voorzien, deze afzonderingen geschied zijn, zoo wordt ten onrechte de schuld van scheuring te laste gelegd of den Magistraten of ook den predikanten. Den predikanten kan deze schuld van scheuring niet opgelegd worden, dewijl zij gegaan zijn door bevel der Overheid, waar zij gezonden waren; welker ongehoorzaam te zijn, en daarenboven de in gevaar gebrachte Kerken hunne hulp te weigeren, zij van conscientie wege niet hebben mogen doen. En wij twijfelen niet, dat de reden dezer zaak alsdan eerst zal blijken, wanneer men hetgeen de leer betreft verhandeld hebbende, zal komen tot deze zaak van de gemaakte scheuring. Zoo oordeelen wij dan, dat beide de argumenten der Remonstranten, waarmede zij meenen het oordeel dezer Synode met recht te mogen ontwijken en verzwakken, weinig vastigheid hebben.
DIT ONVERMINDERD ANDERE BETERE OORDEELEN.
De Protestatie der Remonstranten tegen de Nationale Synode.
Wij allen, en iedereen in het bizonder, betuigen bij deze plechtige en wel expresse protestatie, voor deze gansche Synode en voor de gansche Christenheid, dat wij de tegenwoordige Synode of het meeste deel er van, om voorverhaalde oorzaken en in ons overgeleverd schrift vervat, en met redenen bekleed, niet houden voor de wettelijke rechteres onzer verschillen; en derhalve dat haar oordeel van geen gewicht bij ons en onze Kerken wezen zal. D e v o o r n a m e r e d e n e n v a n d e z e p r o t e s - t a t i e z i j n t w e e. 1. Dat deze Synode de tegenpartij is. 2. Dat zij is scheurmakend.
Het gevoelen der Zwitsers hierover.
Aangaande de protestatie zelve, die verklaren wij zelfs naar recht ganschnul en van geene waarde te zijn; ja wij wenschten in de Remonstranten meerder liefde en zedigheid. Wat belangt de eerste redenen. Wij zeggen, dat deze gansche Synode, heel en al, zoowel de Nederlandsche broeders als de uitheemsche theologen geen tegenpartij zijn, maar wettelijke richters der verwekte verschillen, wettelijk door de hooge Overheid dezer Provincin, wettelijk door hunne Kerken herwaarts gedeputeerd, met credentiebrieven behoorlijk versierd, door tegenwoordigheid en bescherming der E. Heeren Gecommitteerden vereerd en geapprobeerd, en derhalve buiten alle opspraak van onbevoegdheid gesteld. Dat de hooge Overheid, die nochtans is rechtgevoelende en godzalig, het oordeel der verschillen van kerkelijke zaken zoodanigen kerkelijken personen beveelt, die zij daartoe de bekwaamste houdt te [109] wezen, al is het, dat dezelve, voor den tijd van de vergadering der Synode, naar gelegenheid van hun ambt, de verdachte leer, mondelijk en schriftelijk, wederlegd mogen hebben; datzelve berust op de gestadige praktijk zoo der oude als der nieuwe Kerk. De Kerk van Bern wil gaarne bekend staan, dat zij hare rust, dewelke voor dertig jaren door de zaak van Huberus verstoord was geweest, aan deze praktijk heeft toe te schrijven. Hoe groot de heilige noodwendigheid dezer praktijk ten allen tijde geweest zij, en in wat groote verwarringen de verachting derzelve de gansche gemeente zoude brengen, is niet van noode te verhalen, en is ook den Remonstranten wel bekend. Wat aangaat de andere reden, het oordeel van den machtigsten Koning van Groot-Brittanje, en der doorluchtigste Keurvorsten en Prinsen van Duitschland; der doorlucht. Magistraten, zoo onze als andere, bevrijden deze Synode genoegzaam van de schandvlek van scheuring. Want deze hoogwijze en godvreezende Voedsterheeren der Kerk, die de goede God in deze tijden verleend heeft, zouden hunne hoogwaardige theologen tot eene onwettelijke Synode, tot een scheurmakende Synode, gelijk was de rooverssynode, de Constantische en de Trentsche, niet hebben willen zenden. Doch gelijk het een hittere lastering is, deze eerw. Synode scheurmakend te noemen, alzoo ontkennen wij niet, dat het ons ontijdig dunkt te wezen, immers in dezen tijd tegen de Remonstranten te procedeeren, en hen als schuldig aan dezelfde fout te veroordeelen. Want deze eerwaardige en heilige Synode is vergaderd tot dien einde, dat zij de leer der Remonstranten hoore voorstellen, verklaren en verdedigen, aan Gods Woord onderzoeken, en van de waarheid of onwaarheid derzelve uitspraak doe. Derhalve achten wij, dat het vonnis van de scheuring en van de auteurs derzelver zoolang uitgesteld behoort te worden, gemerkt de partij, die na het onderzoek overtuigd zal worden van valsche leer, ook even daarmede verstaan wordt scheurmakend te wezen, tenzij dat zij zich wederom vereenige met het lichaam, van hetwelk zij afgescheiden is. Indien nochtans den eerw. praeses of iemand anders goeddunkt deze Eerw. Synode van de historie dezer kerkelijke beroerten korte onderrichting te doen; dat zal hij, wat ons belangt, mogen doen, wij straffen het ook niet.
Van de Protestatie der broederen Remonstranten, het gevoelen der Geneefsche Theologen.
Aangezien in elk lichaam, hetzij politiek of kerkelijk, tot zijne behoudenis noodig is eenige macht van te oordeelen, dewelke naar evenredigheid overeenkomt met het dierlijk vermogen des lichaams, waardoor het de schadelijke dingen afzet en uitwerpt, en de dingen, die het voordeelig en voegelijk zijn, bewaart, toepast en gelijk maakt, zoo moet gansch en gaar die macht van alle en ieder der deelen en leden deszelven lichaams erkend worden; gemerkt de samenvoeging bestaat uit de invloeiing van deze macht. Indien deze invloeiing gestopt of gestuit wordt, zoo zal de orde, de regelmaat, het leven, de beweging en de mededeeling der werkzaamheden, tot gemeen welzijn des lichaams, ophouden. In de Gemeente, welker regeering de vorm heeft van aristocratie, is zoodanige opperste macht om te oordeelen bij de Synode, wettelijk vergaderd, immers instrumentelijk en vertoonender wijze. Tegen de Synode zelve kan geen wettelijke bedenking gegeven of toegelaten worden, van de lidmaten zoodaniger Kerken, die de Synode maken; want daar is geen bedenking tegen den hoogsten rechter of tegen de publieke en aangenome orde en wetten. Tegen de personen van zulk eene wettelijk verzamelde Synode, zooveel als van leerstukken gehandeld wordt, mag geen bedenking of weigering toegelaten worden, die van personeele zaken genomen wordt, dan zoodanige, die raakt de onvolkomenheid van de vergadering (als te weten, dat er niemand zit zonder wettelijke zending of beroeping, of die alreede bevonden is eene kwade conscientie te hebben, en verkeerde opiniën van de Christelijke leer te voeden), Anderszins drijven diegenen, die verschijnen, hunne eigene zaak niet, maar de publieke zaak der Gemeenten. De personen worden hier eigenlijk niet geoordeeld, maar de leeringen. Daarbij komt nog, dat alle bedenking van iemand moet beoordeeld worden, of ze toe te laten is of niet. Indien hij, die bedenking maakt, zijne redenen niet bevestigt, is het geenszins billijk, dat naar zijn believen het gerecht te niet gedaan of verzwakt worde. [110] Dewijl eene hardnekkige weigering van een wettelijk kerkelijk oordeel, door de Kerk, die geene dwingende macht heeft, niet kan in orde gebracht worden, zoo blijven er twee toevluchten, waardoor men de ongeregeldheid en tenietmaking van de orde der lidmaten kan beletten; namelijk, dat de politieke macht haar dwingenden arm uitsteke, of de oefening der kerkelijke macht diegenen door een publiek oordeel afzondere en scheide, die de orde, van God voorgeschreven, verbreken, en zich niet laten regeeren door een geest of invloeiing. Maar wij verstaan hier alleenlijk een invloeiing der orde, niet een geestelijke, en die van kracht is. Anders is het gelegen, wanneer van een lichaam gesproken wordt, dat niet afhangt van een ander, en daaraan naar geen Goddelijke wet is onderworpen; of ook van een persoon, of personen, die vanzelf de eenigheid opzeggen. Nu een lichaam is niet afhankelijk, of vanwege de verscheidenheid der politie en heerschappijen, of ook vanwege een openbare belijdenis van afzondering, somwijlen in dezelfde politie naar wetten toegelaten, of geduld, gelijk te zien is in de Gereformeerde Fransche Kerken. Daarom is het den onzen geoorloofd geweest te protesteeren tegen het Concilie van Constanz en van Trente, omdat wij geen belijdenis doen van eenigheid met hen, ja die verachten en verwerpen. Alzoo hebben ook eertijds, en onlangs alle diegenen, die de autoriteit en kennis der Synoden afgeslagen hebben, zich even daarmede afgesneden van de gemeenschap zoodaniger Kerken, die door die Synoden gerepresenteerd werden. Niemand kan met reden klagen, dat zijne conscientie door het oordeel eener wettelijke Synode bezwaard wordt, want men dwingt hem niet met geweld bij het lichaaam te blijven, en met het lichaam te gevoelen, of overeen te stemmen. Want Christus' volk is een vrijwillig volk. Nu op die scheiding van het lichaam der Kerk volgt bij ons niet, op de Roomsche wijze, ballingschap, vervolging in lichamelijke en burgerlijke dingen, maar alleenlijk een ontblooting van zoodanige geestelijke goederen, die in de vereeniging des lichaams zijn gelegen, en die door dezelve aan ieder lidmaat uitgedeeld en toegepast worden. De orde wordt eindelijk gehouden, gelijk God door het exempel der Apostelen en Kerken van alle tijden bestendigd, geheiligd en bevestigd heeft, overeenkomstig de spreuk van Christus: Zegt het der gemeente, indien hij de Kerk niet hoort, enz. Het oude Testament heeft ook zijn groote vergadering gehad, de ouderlingen, dewelke geoordeeld heeft van de valsche profeten, den valschen godsdienst, enz. Derhalve, dewijl de broeders Remonstranten maar een deel zijn des lichaams der Gereformeerde Kerken in Nederland, een minste deel, een nieuw deel, zoo moeten zij in het stuk van gevoelen staan ten oordeele des lichaams, hetwelk vertoond wordt door de Synode, dewelke is sprekende uit last, mond en gevoelen des ganschen lichaams. Het is hun ook niet geoorloofd het lichaam te verdeelen in partijen, of een deel, dat tegenover hen staat, te verdichten, of het recht des lichaams voor zich zelven zeker aan te meten, hetwelk hun door geen wetten wordt toegelaten, en totnogtoe bij de hoogste Overheid niet is toegelaten geweest. Daarna, zij dragen zich totnogtoe als broeders, en klagen, dat zij, door die beweerde scheuring, niet genoeg voor broeders worden gehouden. Dit begrijpt een stilzwijgende bekentenis in zich, dat zij nog begeeren aan de wetten van gemeenschap onderworpen te zijn. Tegen de personen kunnen zij niets persoonlijks als bezwaar in het midden brengen, dewijl hier gehandeld wordt van de leer, en de Remonstranten, maar zijn verweerders, en eigenlijk zelven hier niets moeten doen; ook de Gedeputeerden der Synode dragen een persoon van de Kerken, die hen deputeeren, naar de wijze der ouden, in de conciliën, door eenen nieuwen eed verbonden, onderworpen aan de censuren en de bestraffing aller broederen, en de onderlinge zorgvuldigheid en het opzicht. En hoe het daarmede zij, nochtans zouden zij gehouden zijn redenen van hunne weigering te geven aan de hooge Overheid of hare Gecommitteerden, hier tegenwoordig, en daarna met hun oordeel tevreden te zijn. In de burgerlijke gerichten is het wel waar, dat, de lagere rechter zijn stem gegeven hebbende, verder alle verplichtingen van elk ander rechter om te oordeelen ophoudt. Maar hier gaat het anders toe. 1. Omdat de Kerk deze trappen van gerichten in zaken, die de leer betreffen, niet erkent; en de Synode zelve is anders niets dan een vergadering van broeders, die voor het gansche lichaam het rechte gevoelen onderzoeken, of van 't gemeene gevoelen der Kerk en des lichaams uitspraak doen. [111] Daarna, het zoude ook in het burgelijke geoorloofd zijn, nadat verscheidene lagere rechters van eenige zaak geoordeeld hebben, dezelve, door publieke autoriteit van den Prins, daar aan te leggen waar beraadslaagd wordt van een wet te stellen, nopens het feit, dat alreede geoordeeld is. Nu hebben de Hoogmog. Heeren Staten de Synode bijeengeroepen, opdat bij gemeene stemmen geantwoord worde, nopens het recht en de wet, en niet nopens eenig bizonder feit. Een iegelijk, in de bizondere gerichten bezwaard geweest zijnde, heeft het appél gehad tot een vaardig remedie. Scheuring voor te wenden is naar ons oordeel ongerijmd; want hier wordt gehandeld van de vermaardste leerstukken en misschien fundamenteele. Nu daar is geen scheuring eigenlijk in een zulke en zoo groote verscheidenheid van opiniën. Ten andere, de redenen dezer beweerde scheuring zouden moeten onderzocht worden, en die kunnen nergens bekwamelijker onderzocht worden dan in de Synode. Want deze afzonderingen zijn bizonderlijk door de Kerken gedaan, en misschien om verscheidene oorzaken, zoodat velen van eene daad behoorlijk kunnen oordeelen; eindelijk zoodanige afzonderingen zijn maar geweest bij provisie (zoo men zegt) tot deze Synode toe, dewelke nu van de zaak zal oordeelen. Derhalve behooren de broeders Remonstranten, of alle protestatie tegen den Synode te laten varen, en hare leerstukken van het oordeel der Synode te onderwerpen, dewelke voorwaar niets behoort noch wil voornemen in deze gansche zaak, boven of verder dan hetgeen bij alle prijselijke Synoden altijd gedaan is geweest, of indien zij immers onbeweeglijk blijven in hunne protestatie, zoo verklaren zij even daarmede, dat zij vanzelf de eenigheid der Gereformeerde Nederlandsche Kerken vaarwel zeggen. Zoo zij dit doen, mag de hoogste Macht naderhand bezien wat noodig zij gedaan te zijn.
Was onderteekend: J o h a n n e s D e o d a t u s , T h e o d o r u s T r o n c h i n u s.
Het oordeel en advies der Broederen van Bremen, aangaande de Protestatie der Remonstranten.
Daar wordt gevraagd, of' de Synode de protestatie; Remonstranten mag toelaten? Wordt geantwoord. Wij oordeelen dat de Eerw. Synode de protestatie, die in de clausule van de Gravamina, bij de Remonstranten overgeleverd, staat, niet mag toestaan of dulden. De redenen zijn deze. 1. Deze Synode is van de wettelijke en hoogste Overheid dezer provinciën bijeengeroepen, uit dezen godzaligen grond, dat ze verstond, en in het gemoed voerde dit een deel haars ambts te zijn, de zuiverheid des Christelijken geloofs te handhaven en voort te planten, en de rust der Kerken voor dezen en den toekomenden tijd te verzorgen. Ten tweede, niemand is tot deze Synode gekomen, dan gezonden van zijne particuliere Magistraten en Kerken, en hier gekend en ontvangen. Ten derde, zij hebben al te zamen voor God zoo beëedigd als onbeëedigd betuigd, dat zij hetzelfde oogmerk met de hooge Overheid dezer provinciën zich zelven hebben voorgesteld. Ten vierde, ons is belast, en ons voornemen is, van de Vijf vermaarde Artikelen en andere, ons gevoelen te zeggen en te oordeelen, niet dan uit Gods Woord, naar bericht onzer conscientie. Ten vijfde, wij nemen of matigen ons geen heerschappij over iemands conscientie aan, wanneer wij ons gevoelen naar ons conscientie zullen zeggen, maar onderwerpen ze Gode, den eenigen Rechter, en bidden, dat Hij in ons aller harten de heilzame waarheid wille bevestigen. Ten zesde, hier worden geen strikken gelegd of eenig gevaar bereid, ja elkeen wordt publieke vrijgeleide gegeven om te komen, te blijven en weder te keeren. Ten zevende, wij brengen ook zelfs den hoogen Machten geen vooroordeel toe, of schrijven hun niet iets voor, maar bevelen hunne godzaligheid, wijsheid en billijkheid, de beschikking, goedkeuring, afkeuring en uitvoering naar hunne conscientie. Ten achtste, wij komen alzoo, om de gedaagde broeders te hooren, dat wij overwegen zullen, of zij iets zullen bijbrengen of vermanen, te voren door ons niet waargenomen, hetwelk tot verklaring der Goddelijke waarheid en verbetering der ergernissen, die de Kerk Gods persen, dienen mag, gansch bereid zijnde voor hen te wijken, zoo zij iets waarachtigers en beters leeren. Ten negende, zoodanige protestatiën hebben de profeten nooit gebruikt, maar zijn altijd bereid [112] geweest, voor allen, die hen gevraagd hebben, ook Heidenen, rekenschap te geven, van de hope, die in hen was. Ten tiende, daarenboven strijden ook zoodanige protestatiën veel te klaarlijk tegen het plakkaat, en verkleinen de autoriteit der Hoogmog. Heeren Staten, en hunner E. Gecommitteerden, dewelke in alle manieren begeeren, dat de gedaagden tot de zaak zelve komen, en dat op de beste manier, die zij kunnen, beide om te verstaan, en om ons, indien zij kunnen, wijs te maken, of ten minste naar hun vermogen te bevestigen hun gevoelen hetwelk zij voorstaan. Ten elfde, hier moet ook acht genomen worden op den toekomenden tijd, dat diegenen, die door hun eigen schuld in de kerkelijke censuren zijn gevallen, de ordinaire conditiën der Kerkeraden en Synoden, door het gegeven exempel, niet durven ontwijken. En voorzeker, voorzooverre de Remonstranten op deze wijze tegen het besluit der hooge Overheden, de Kerken en Synoden bedenking mogen maken, zoo zal allen ketterijen en secten een deur geopend worden, alle oordeelen der Kerk, tot welke onze Zaligmaker zelf ons gezonden heeft, zullen omgestooten, en de gedurige twistingen der moedwillige menschen zullen de rust en den vrede der Kerk zonder einde verstoren. Ten twaalfde, deze Synode, mitsgaders de gedaagden zullen geschandvlekt worden, indien wij dus voortgaan den tijd met ijdele knibbelingen door te brengen, welke tijd tot de nuttigste dingen behoort, en kan besteed worden.
ANTWOORD OP DE TEGENWERPINGEN. Eerste tegenwerping.
De tegenpartij kan niet wezen richter .Maar deze Synode of immers velen in dezelve zijn de tegenpartij. Derhalve wordt geantwoord, dat deze propositie (de tegenpartij kan niet wezen richter) vele bedenkingen heeft, onder welke deze ook zijn. 1. De partij, zooverre als zij partij is, is geen richter. Maar het kan geschieden, naar de beschikking Gods, dat in een persoon tweeërlei betrekkingen te zamen komen, wanneer de Goddelijke zending, autoriteit, de bijgevoegde wet en instructie gelijk als eene nieuwe persoon maken. 2. De tegenpartij is, of een privaat persoon, of een menigte en publieke personen. Gene kan niet tegelijk wezen partij en richter, maar deze wel. Alzoo is het, dat een Magistraat in zijne zaak zit als richter naar de wetten en rechten. 3. Het kan ook bij verdrag geaccordeerd zijn, dat de beleedigde partij meteen ook hebbe macht om te oordeelen. Op deze propositie: deze Synode, of velen in dezelve zijn tegenpartij, antwoorden wij. 1. Wij zijn geen partij, maar, naar de mate van onzen dienst, raadgevers en richters; zooverre als wij van den Magistraat en de Kerk daartoe verzocht, bewilligd, en tot eenen plechtigen eed gedreven zijn. Hoe wij dit ambt zullen bedienen, komt Gode, die een kenner des harten is toe, of te billijken of te straffen. 2. Wij zijn gewisselijk tot geen ander einde hier bijeengekomen, dan tot bijstand der waarheid en des vredes, en tot gemeen welzijn der Kerken; geen andere instructie hebbende, dan dat wij uit Gods Woord zullen oordeelen. Maar zij houden aan: velen hebben zich met schriften en predikatiën tegen ons gesteld, en hebben ons gevoelen al over langen tijd geoordeeld. Antw.: den dienaren Gods komt toe een oordeel, zoowel privaat, als publiek, van zaken, die tot hun ambt behooren: Want de gansche Schriftuur roept, dat een dienaar des Woords niet alleenlijk moet wezen een die leeren kan, maar ook machtig om de tegensprekers den mond te stoppen; derhalve zullen zij oordeelen, zoowel in 't bizonder en elk voor zich zelven, alsook publieklijk en met anderen. Nu dit zullen zij voornamelijk doen, wanneer daarbij komt de autoriteit der Overheid.
De tweede tegenwerping. Scheurmakers mogen niet wezen richters in de zaak der Religie. Deze Synode is ten meesten deele scheurmakend. Derhalve. Antw. op de eerste propositie. Van de scheuring zouden misschien sommigen aldus antwoorden, waarover wij nochtans met niemand zullen twisten. De scheurmakers mogen met goede conscientie richters wezen, en kunnen hetgeen recht is uitspreken. Want die tegen de liefde zondigt volgt niet terstond kettersche opiniën na. 2. Scheurmakers zijn, die of de gelegenheid daartoe geven, of zich laten afscheuren. Van gene is de propositie niet altijd waarachtig, maar van deze zeer zelden. 3. Scheuring is een gereformeerde of een begonnene scheuring of voor eenen tijd, als in de haast en verstrooiing de zaken verward zijn, geschied; de andere is een bevestigde scheuring. [113] Wat gene aangaat mag het voorstel niet toegelaten worden; wat deze belangt, de gewone predikanten der Kerken onder hunne Magistraten en Kerken blijven, behoudende het recht van te stemmen en te oordeelen, aangemerkt zij in geen deel huns ambts zijn afgezet, of voor ongeschikt verklaard. En de scheuring beneemt geenszins zoodanigen Magistraten, noch den predikanten hun recht over eene zaak, welke de Magistraat, 'tzij rechtens, 'tzij feitelijk, 'tzij op beide wijzen is voorstaande. Op de propositie, dat deze Synode ten meesten deele scheurmakend is, is gisteren genoeg geantwoord, als de historie, van hetgeen in Nederland geschied is, verhaald werd, en zal te zijner plaats en tijd wijdloopiger verklaard worden;derhalve bevelen wij dit dengenen, die hiervan bizondere en alsnu ook publieke kennis hebben.
Remediën.
Wijders wordt gevraagd, op wat wijze wij ons eindelijk uit deze voorgeworpene beletselen zullen kunnen ontwikkelen. Wordt geantwoord. 1. Men wijze aan uit het vorige en diergelijke, hoe onbillijk dat hunne protestatie is. 2. Men scherpe hen in ten anderen male, dat zij billijk behooren tevreden te zijn met hetgeen de praeses hun gezegd heeft, dat namelijk wij noch hun, noch iemands conscientie willen verbinden. 3. Men roepe in de autoriteit der Overheid, of zij ze misschien eindelijk zullen erkennen en volgen. 4. Maar indien zij tegen onze hope en verwachting in hunne opinie volharden: dat nochtans de justitie met zachtmoedigheid gematigd moet zijn; en wij achten niet te min, dat men voort zal moeten gaan tot onderzoeking van de hoofdzaak, in de vreeze des Heeren; want aangenomen, dat het oordeel der Synode bij hen geen gewicht heeft, wie weet nochtans wat en hoe gelukkigen uitgang God der Synode zal geven? Aangenomen, zij hebbe hij hen geen gewicht, zij zal nochtans bij anderen, en dat zonder twijfel tot hunne verwarring, van aanzien wezen. 5. Eindelijk, indien zij tegen alle vermaningen en raad der Synode zich stellen, laat ons protesteeren, dat wij ons bewust zijn, dat wij ons niet hebben te bekommeren, dat wij door eenige medegebrachte vooroordeelen, of ook door eenige gemoedsstemmingen ingenomen, van, 'tzij wetens of onwetens, op het rapport van anderen, den gedaagden broeders de minste onrechtvaardigheid gedaan te hebben, en bij onze beschouwingen veel barmhartigheid voegen. Derhalve, laat ons ook protesteeren voor God, voor deze gansche vergadering der lidmaten en der toehoorders en aanzienders der Synode, voor alle deze landen, voor de gansche Christenheid en voor de nakomelingen, dat het aan ons niet heeft ontbroken, dat deze ergernissen, in deze landen gerezen, op een lieflijke, minnelijke, en gansch Christelijke wijze niet gestild, en de zaligheid en de vrede der broederen zelven en der Kerken niet gezocht zij geweest.
DIT ONVERMINDERD BETER ADVIEZEN VAN ANDEREN.
Het oordeel van de predikanten der Gemeente van Embden, aangaande de Protestatie der Remonstranten. Ware het zaak, dat de protestatie, eergisteren door de Remonstranten, zoo men ze noemt, dezer Eerw. vergadering voorgedragen, met geen stoute beschuldigingen besprengd, maar naakt en eenvoudig was geweest, wij zouden er niet veel opgepast hebben, en zonder veel daarop te letten, zouden wij goedgevonden hebben voort te gaan (zonder langer uitstel) tot onderzoeking van de zaak zelve; maar dewijl zij twee fundamenten hunner protestatie gelegd hebben, die voor deze gansche Synode schandelijk zijn, welke zij beurtelings aanroeren, meenen wij. dat men zulks niet met oogluiking behoort voorbij te gaan, maar deze schandvlek, dezer gansche heilige vergadering aangestreken, af te wasschen. Hun eerste fundament is dit: dat de tegenpartij niet mag wezen rechter dezes verschils. De besluitrede zal zoodanig wezen om daarvan des te beter te oordeelen. Degene, die partij is in eenige zaak, mag in dezelve geen rechter wezen. Nu is de Synode of het meeste deel (dit zijn hunne eigene woorden) tegenpartij in deze zaak. Derhalve mag deze Synode of het meeste deel derzelve in deze zaak geen rechter wezen. Wij antwoorden eerst op de eerste propositie, die particulier is. Want algemeen genomen is ze niet waar, zelfs in politieke zaken. Want hoewel niemand in zijn eigen zaak, die hem bizonder betreft, partij en rechter wezen mag, nochtans mag hij het menigmaal wezen in een gemeene en publieke zaak, gelijk deze is, als bij- [114] voorbeeld: daar zitten twee in een collegie; de een beschuldigt den ander van schending der Majesteit, verraderij van kwade bediening enz.; hoedanige voorbeelden in de historiën veelmaals voorkomen, en hij bevestigt zijn beschuldiging klaarlijk, hij wordt, door hem te beschuldigen en de misdaad te bewijzen, zijn tegenpartij, nochtans mag hij desniettegenstaande en moet rechter wezen. Anderszins zouden de verraders, dieven, moordenaars, enz. altijd tegen hunne rechters bedenking maken als tegen hunne tegenpartij. 2. Wij antwoorden, dat ze veel minder waarachtig is in geestelijke zaken, betreffende de conscientie en de eeuwige zaligheid, hetwelk bewezen wordt: 1. Uit de praktijk der Kerk des Ouden Testaments. Elia, Micha, Jeremia, Amos, en andere Profeten, waren de tegenpartij der valsche profeten, van welke zij veel hebben geleden; mochten zij daarom niet wezen richters der verschillen? Moest men daarom den Bäalieten opdragen het oordeel van de verschillen der religie? Of iemand anders in het land der droomen zoeken tot een neutralen richter? Geenszins. 2. Uit de praktijk der Kerk, die geweest is ten tijde van Christus, en van de Apostelen. Christus en de Apostelen waren de tegenpartij der Hoogepriesters, Farizeën, Schriftgeleerden, en dergenen, die hunne eigene gerechtigheid dreven door de ceremoniën der wet en der besnijdenis; mochten zij daarom geen rechters wezen in dezelfde zaak? Ja, zij, en gewis trouwe. 3. Uit de praktijk der Kerk, die op de tijden der Apostelen gevolgd is. De voorbeelden, gisteren bijgebracht van den praeses en andere achtbare mannen, van Athanasius, Cyrillius, Alexander en anderen, die de tegenpartij der ketters zijn geweest, en nochtans daarom hunne stemmen in oordeel te spreken geenszins hebben verloren. 4. Uit de praktijk der Kerken der voorledene eeuw, waarvan de D. Scultetus een voorbeeld gisteren bijgebracht heeft, en nog meer kunnen bijgebracht worden. 5. Uit de praktijk van particuliere Kerken en Kerkeraden, als bij voorbeeld: wij en onze voorzaten hebben veel moeite gehad met de drijvers van de Overheid, met de Wederdoopers, Libertijnen, Joden en anderen. De dienaars der Kerken en ouderlingen zijn hunne tegenpartij geweest. Zal men daarom achten, dat zij geen stem hebben gehad? Wij zouden het tegendeel kunnen bewijze door inheemsche voorbeelden, indien het noodig ware. Voorwaar, zoodoende zouden wij nu geen Kerk gehad hebben, maar alleenlijk een mesthoop en mengelmoes van verscheidene ziekten; niet anders dan of een kok allerlei spijzen en moezen in eenen ketel wierp, hetwelk schijnt dat de duivel hedendaags zoekt teweeg te brengen.. 6. Uit de ernstige vermaning van Paulus, Hand. 20: Neemt acht op uzelven en op de geheele kudde, over dewelke u de H. Geest tot opzieners gesteld heeft. Hier waren de bisschoppen der Kerk van Efeze en anderen, de tegenpartij der valsche leeraars, die de kudde niet sparen. Hebben zij daarom niet mogen wezen rechters in zaken, die tusschen hen in verschil stonden? Wat zou er toch ongerijmder wezen? Want waartoe zou de Apostel hen zoo ernstig in betrekking tot hun ambt vermaand hebben? 7. Hetzelfde wordt bewezen met reden. Want de kerkedienaars, indien zij zich niet ernstelijk stelden tegen valsche leeraars, en drijvers van nieuwigheden, vreemde leer invoerende, zouden wezen verraders der Kerken, die hun bevolen zijn, en stomme honden, waardig als een smakeloos zout met voeten vertreden te worden. 8. Uit een andere reden. Want alzoo doende, zou een zeer ruime deur aan alle drijvers van nieuwigheden, om alles te durven, en te bestaan, geopend worden; hetwelk velen schijnen te zoeken. Hetgeen de Remonstranten uit het Vredeschrift van D. Pareus in hun laatste en voorlaatste schrift voortgebracht hebben, te weten, dat het niet van noode is, dat iemand tot de conciliën ga, waar een en dezelfde rechter en aanklager wezen zal, dat moet naar zekere mate verstaan worden, gelijk boven is aangewezen. Want dit is gezegd van de conciliën der Papisten en Ubiquitisten. 2. In deze Synode zullen niet dezelfden partij en rechters wezen. Want aangenomen, dat de ContraRemonstranten, die tot deze Synode zijn gedeputeerd, de tegenpartij zijn; zoo zal nochtans de rechter dezer verschillen alleen wezen Gods Woord, aan hetwelk, bij eede voor God, zich iedereen verbonden heeft. 3. Indien D. Pareus tegenwoordig ware, zij zouden hem nauwelijks durven aanzien, wiens afwezenden baard zij liggen te plukken en te trekken. 4. Een uitnemende onbeschaamdheid is het, dat zij zoo menigmaal het [115] Vrede schrift van Pareus, en de Nieuwstadsche Vermaning misbruiken, daar hun de meening en het gevoelen van Ursinus en Pareus zeer wel bekend is. Dit op de eerste propositie ontkennen wij als valsch. Ook het andere, wat aangaat de gansche Synode. Want de uitheemschen hebben hunne oordeelen zich gansch en geheel voorbehouden, en bij eede zich verbonden, dat zij geenszins van Gods Woord zullen afwijken. Hetzelfde hebben te voren de Nederlandsche broeders gedaan, die derhalve niet dan naar zekere wijze gezegd mogen zijn tegenpartij te wezen, en die in dit gericht geenszins hunne stem, als tevoren bewezen is, verloren hebben. Het tweede fundament van de protestatie is, dat de Synode of het meeste deel derzelve scheurmakend is. De sluitreden zal zoodanig wezen. Degenen, die scheurmakend zijn, mogen over dit verschil, in Nederland gerezen, geen rechters wezen. Nu is deze Synode of het meeste deel er van scheurmakend: Derhalve enz. Wordt geantwoord ten eerste op de eerste propositie: degenen, die waarlijk eigenlijk scheurmakend zijn, mogen geen rechters wezen. Maar degenen, die noodzakelijk om de eere Gods, rust der conscientiën en fundamenteele dwalingen, zich van de Kerk der boozen afzonderen, gelijk onze ouders van het Pausdom en anderen van de drijvers van nieuwigheden en vreemde leeringen afscheid gemaakt hebben, die mogen niet waarlijk scheurmakers genoemd worden. En derhalve, door deze gewaande scheuring, wordt hun geenszins de macht van te oordeelen benomen. Ten tweede, op de tweede propositie zeggen wij ten eerste, dat het eerste deel derzelve, waarin zij van de gansche Synode spreken, gansch valsch is. Want nimmermermeer zullen zij bewijzen, dat al de leden dezer Eerw. Synode schuld hebben aan scheuring. Derhalve is dit een loutere en onverdragelijke lastering, zoo zij het alzoo verstaan, gelijk zij spreken. In het andere deel van de tweede propositie raken zij aan de ContraRemonstranten, die zij ettelijke malen dartelijk, in alle hunne oratiën, voor scheurmakers hebben uitgekreten. Wij betuigen openlijk, dat wij de Nederlandsche broeders, die men pleegt ContraRemonstranten te noemen, voor zoodanigen geenszins houden. Het valt niet gelegen, hiervan nu wijder onderzoek te doen. De Nederlandsche broeders zullen zonder twijfel zich wettelijk weten te verdedigen, als hun daartoe de gelegenheid gegeven is. Daarentusschen achten wij gansch noodig, eer men verder gaat, indien nu de quaestie van de scheuring, gemerkt dezelve vele personeele zaken vervat, niet expresselijk verhandeld behoort te worden, dat nochtans eeniger wijze de onnoozelheid der Nederlandsche broeders, welke zij voor scheurmakers, drijvers van nieuwigheden, verstoorders der gemeene rust, voor zoodanigen, die godzalige, geleerde en aan hunne Kerken aangename predikanten verdreven, en hunne plaatsen wederom ingenomen hebben, openlijk hebben gelasterd, aan deze gansche vergadering en deze groote menigte der toehoorders hier tegenwoordig ingescherpt worde, opdat de toehoorders uit zoodanige lastering niet eenig nadenken houden. Voorts, dat zij deze Synode, wettelijk aangesteld, verzameld, in de vreeze des Heeren aangevangen, bediend en duslang met groote vrucht en vermaak voortgezet, bij die Tyrische Synode onbeschaamdelijk hebben durven vergelijken, dat is, voorwaar, een hoogste vermetelheid, niet alleenlijk de kerkelijke, maar ook de politieke personen, ja ook de hooge Overheid betreffende, dewelke wij den rechters der Synodale handelingen bevelen te bedwingen. Besluitende, dunkt ons, dat men openlijk behoort te verklaren en uit te spreken, dat deze protestatie op valsche fundamenten is berustende, en dat dit alles in de Synodale acten gesteld behoort te zijn, om daarna tot de zaak zelve te komen.
ONVERMINDERD DE OORDEELEN DER BETER GEVOELENDEN.
Deze eenstemmige oordeelen der uitheemsche Theologanten over de Protestatie der Remonstranten voorgelezen zijnde, zoo hebben de E. Gecommitteerden noodig geacht hier wat stil te staan, en hebben hun gevoelen verklaard, zoowel van de beschuldigingen, als van de Protestatie der Remonstranten, bij dit publiek besluit, hetwelk hun ook in dezelfde Zitting voorgelezen is geweest.
Alzoo de E. M. Simon Episcopius, professor der H. Theologie aan de Akademie van Leiden, niet lang geleden kortelijk en broederlijk door den Eerw. praeses dezer Synode, Johannes Bogerman, door [116] publieken last en autoriteit der E. Gecommitteerden is vermaand geweest, dat hij niet al te oprechtelijk met deze Synode had gehandeld (hoewel in der waarheid de Gecommitteerden liever gezien hadden, dat de voorz. Episcopius en de andere broeders Remonstranten, door een eenvoudige en oprechte bekentenis, de fout, die iedereen bekend was, afgebeden hadden, en door belijdenis, hetwelk den oprechten betamelijk is, of ten minste door een bescheidene, zedige ontschulding, de misdaad afgewasschen hadden, en dat men toch eens ten laatste was gekomen zonder omwegen tot de zaak zelve), dewijl hij nochtans, gelijk als met voorbedachtheid, op denzelfden dag, toen andere dingen te verhandelen waren, niet ontzien heeft, voor de gansche Synode, zonder eenige omwegen, den D. Johannes Bogerman, praeses van de Synode, van leugen te beschuldigen, zonder acht te nemen op zoovele treffelijke, zoovele aanzienlijke, zoovele eerlijke mannen, die de gansche recht Gereformeerde Kerk, in deze plaats voor God vertegenwoordigen, zonder te letten op de conscientie en tegenwoordigheid derzelve;zoo is het, dat de Gecommitteerden der Hoogm. Heeren Staten, voorhenen gehoord hebbende het uiterste en eenparige getuigenis, van allen, zoo uitheemschen als inlandschen, en ook dezer geheele E. Synode, hetwelk zij gegeven heeft, nu zij bij eede verbonden was, en ook het hunne daarbij voegende (onder welke eenigen zijn, die de woorden zelven aangeteekend hebben) geoordeeld hebben, dat de E. M. Simon Episcopius, en de andere broeders Remonstranten, ernstelijk en volgens de autoriteit, die zij hier hebben, vermaand zullen worden, dat zij in het toekomende beide op de waarheid, die de regel en het richtsnoer is van alle kerkelijke deugden, en die de levende God, die de opperste en eenige Doorgronder der nieren en Kenner der harten is, die de diepte der zee doorzoekt, en de waarheid zelve is, ten hoogste in de uitleggers zijner waarheid is vereischende, acht hebben. En dat zij een zoo voortreffelijke, eerwaardige, en zoo wettelijk hier geroepene bijeenkomst aller Kerken, die door denzelfden band des geloofs aan elkander verknocht zijn, waar de E. Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten Generaal der Vereenigde Nederlandsche Provinciën presideeren, die de hoogste Magistraat vertoonen, immers nu ten minste, zoo dikwijls vermaand zijnde, leeren respecteeren, en dat zij niet door de zijde der Gecommitteerden, hetwelk zij meer dan eens in deze Eerw. Synode, en ook in het schrift, onlangs den uitheemschen overhandigd, hebben gedaan, de committeerenden en bijeenroependen zelven, dartelijk en vermetelijk steken; maar eenmaal alle beschuldigingen nalatende, gehoorzaam zijn aan het besluit, nu laatst met volle macht door hen afgekondigd, niettegenstaande de protestatie, die zij oordeelen en verklaren, dat niet behoort aangenomen te worden. M. Episcopius heeft verlof verzocht iets hierop te zeggen, maar dewijl de tijd voorbij was, is de zaak uitgesteld geweest tot de namiddagzitting.

|