|
Titelpagina en voorreden
Zitting 1-25
Zitting 26-50
Zitting 51-75
Zitting 76-100
Zitting 101-125
Zitting 126-150
Zitting 101-125
Zitting 126-150
zitting 151-154
zitting 36
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Vijfde Artikel
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
Na-handelingen Nationale Synode
zitting 155 t/m 180
inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
|
DE ZEVENENTWINTIGSTE ZITTING.
Den 11en December, Dinsdagvoormiddag.
De gedaagde Remonstranten zijn wederom verschenen, en zijn verzocht hun gevoelen van de Vijf Artikelen voor te stellen, en hunne bedenkingen op de leer, in de Belijdenis en den Catechismus dezer Kerken begrepen, die zij menigmaal verklaard hadden te hebben, bereidwilliglijk te willen overleveren, gelijk in de brieven van citatie hun belast was geweest. Zij hebben geantwoord, dat zij een schrift vaardig hadden, hetwelk zij oordeelden dat voorgaan moest, en verzochten, dat zij datzelve voorlezen mochten. Gevraagd, of dat schrift een verklaring inhield van hun gevoelen, zeiden zij, dat het wel hun gevoelen niet inhield, maar dat het als een voorloopend schrift was, op hetwelk terstond andere zouden volgen. Hoewel nu de Synode door zoodanige schriften langen tijd opgehouden was geweest, en billijk die [99] dingen had mogen verwerpen, die tot de zaak niet dienden, nochtans, opdat zij geen oorzaak zouden hebben om te klagen, is hun toegelaten geweest dit schrift voor te lezen, en het was zoodanig. Zeer voorzichtiglijk vermaant Pareus in zijn Vredeschrift, pag. 34, dat hij niemand zal raden tot een concilie te gaan, waar hij dezelfde personen tot richters en partij heeft. Want waar de tegenpartij alleen oordeel spreekt, kan het kwalijk anders toegaan, dat dat alle de adviezen en besluiten gericht worden tot vooroordeel, verdoemenis en onderdrukking van de anderen. Hiervan nu hebben wij zeer vele proeven in deze tegenwoordige Synode, in welke; behalve dat ons ten strengste opgelegd wordt, wat wij zeggen moeten, en wat niet, zoo verre, dat ons, niet anders dan door bidding en smeeking toestemming verkregen hebbende, toegelaten wordt te komen tot lezen van onze schriften, welke wij meenen tot voorstand van ons gevoelen en van onze zaak te dienen; de praeses ook daartoe arbeidt, dat hij ons alsnu verdacht make van ter kwader trouw te handelen, en van schending der majesteit begaan te hebben, zoodat men, even alsof de haat en gramscháp veler Theologen ons niet genoeg ware, ook onze hooge Overheid door onbillijke handelingen tegen ons moet ophitsen. Want in de Zitting van gisteren voormiddag heeft de praeses gezocht ons bij de Synode, en alle de toehoorders, die hier tegenwoordig zijn, verdacht te maken, alsof Dr. M. Episcopius, professor der h. Theologie, ter kwader trouw gehandeld had, te weten, dat hij zijn oratie gedaan hebbende, den praeses, die van hem het exemplaar zijner oratie afvorderde, geantwoord zoude hebben, dat hij geen ander exemplaar had, als dat eenige hetwelk bij de hand was. Daar hij nochtans op dienzelfden dag den secretaris der E. Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal een ander exemplaar, met zijn eigen hand geschreven, had overgegeven. Waarop de voornoemde E p i s c o p i u s tot antwoord gaf, dat hem hierin van den praeses merkelijk onrecht geschiedt, en dat zijn Eerw. zich misgrijpt; want dat hij met klare en formeele woorden gezegd had, dat hij geen exemplaar had, netjes genoeg geschreven, de rest had hij niet gezegd noch gedacht. Hij beriep zich aangaande deze zaak op het getuigenis der Synode zelve,welke twist tusschen D. praeses en D. Episcopius, door tusschenspraak der E. Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, geëindigd is geweest. Dit gepasseerd zijnde, heeft hij in de namiddagzitting een andere occasie om tegen ons uit te varen aangegrepen, en uit een zeker schrift van ons in de voormiddagzitting voorgelezen; en heeft de Synode met een valsche en wijdloopige oratie wijsgemaakt, dat wij behooren gecensureerd te zijn, dat wij de Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, en ook den Doorl. Prins van Oranje, meteen ook het meeste deel van de Synode, hebben durven beschuldigen van scheuring en scheiding, welke censuur hij ook met toestemming der Synode, weinigen uitgenomen, gedaan heeft. Op het eerste hebben wij geantwoord, en antwoorden alsnog, dat ons hier een ander ongelijk van den praeses gedaan wordt, en dat wij in ons gansche schrift, nergens dan met eerbiedigheid van de Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, en van hunne E. Gecommitteerden spreken. Ook hebben voorwaar deze E. Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, die hier tegenwoordig zitten, niet zoo weinig eer en is het aanzien en de autoriteit dergenen, die hen hebben gecommitteerd (dewelke in de Republiek ongekrookt moet blijven) niet zoo gering, dat zij deze grove fout, zoo zij begaan ware geweest, stilzwijgend zouden hebben willen laten voorbijgaan. Ja, opdat blijke wat van de zaak zij, wij zeggen uitdrukkelijk in de voorrede, dat wij het meeste deel van die kerkelijke personen voor schuldig aan de scheuring houden, die uit de Vereenigde Provinciën tot deze Synode zijn gekomen. Wij meenen daarmede de kerkelijke, opdat wij de handelingen van dezen zouden onderscheiden van de handelingen der politieken, van welke wij geen uitspraak willen doen. En in de 3, 4 en 5 pag. wordt wijdloopig bewezen dat dezezelfde kerkelijke personen (van de Magistraten is er niet een tittel) de scheuring gemaakt hebben, en dat met zulke redenen, welke op den Magistraat niet passen, maar alleenlijk de kerkelijke Contra-Remonstranten aangaan. Daar komt bij, dat, wanneer wij het meeste deel der Synode van deze fout, te weten van scheuring, beschuldigd hebben (de uitheemsche Theologen uitgenomen) wij geenszins de E. Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal geraakt hebben, als welke (zelfs, zoo de praeses oordeelt, van [100] de Synode zelve onderscheiden worden, en die bestuurders en leiders zijn van de Synodale handelingen. Het is voorwaar ook onze wijze niet de autoriteit onzer Overheden directelijk of indirectelijk, veel minder door publieke schriften te schenden, maar, gelijk wij aan de voorgaanden eer en gehoorzaamheid hebben bewezen, alzoo zullen wij ook aan de tegenwoordigen zooveel in conscientie, naar Gods Woord, doenlijk is, altijd bewijzen, ook God voor het welvaren dezes onzes Vaderlands, der Hoogmog. Heeren Staten, en des Doorl. Prinsen van Oranje bidden. Derhalve oordeelen wij deze beschuldiging van den praéses geen geringe fout en misslag te wezen. Wat aangaat het andere, te weten, dat wij den meesten hoop van scheuring beschuldigd hebben, dat bekennen wij, en meenen ook niet, dat wij in dezen deele iets misdaan hebben. Wij hebben de waarheid gezegd, en daarvan zijn getuigen de Hollandsche, Geldersche, Utrechtsche, en Overijselsche Kerken, in twee partijen verdeeld, en dat door toedoen der Contra-Remonstranten, gelijk wij datzelve in 't voornoemde schrift met verscheidene redenen bewijzen. Tegen deze wordt niet eenige behoorlijke wederlegging gesteld, maar eene Synodale censuur, en ook een plakkaat, van de E. Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal. Welk besluit tegen te spreken ons niet toestaat. Nochtans, wat aangaat de Synodale censuur, die bewijzen wij in vele manieren nul en van geene waarde te zijn. Ten eerste, omdat ze niet lijden kan (hetwelk het lot der waarheid pleegt te zijn), dat wij vele Contra-Remonstranten, die in de Synode tegenwoordig zijn, van scheuring beschuldigen. Want dat dit zoo is, zijn wij in onze conscientiën verzekerd, ofschoon de Contra-Remonstranten hiervan anders geoordeeld hebben, tegenwoordig oordeelen, en oordeelen zullen. Ten tweede, omdat dezezelfde censuur, hatelijk en buiten waarheid der zaak, vooronderstelt, dat wij de Hoogmog. Heeren Staten-Generaal met dezelfde fout van scheuring bezwaard hebben. Ten derde, omdat zij van jonge vermetelheid en dartelheid beschuldigt degenen, van welke sommigen, in jaren en ouderdom, niet alleenlijk voor vele leden der Synode, maar ook voor den president zelven niet wijken. Ten vierde, omdat het voor geen vermetelheid, noch voor onbedachte dartelheid te houden is, hetgeen wij met voorbedachtheid en volle beraadslaging des gemoeds hebben geschreven, en begeerd, dat de geheele christenheid weten zoude. Voorts hetgeen aangaande den richter onzer verschillen, tusschen ons en D. praeses, gedebatteerd is, valt hierop uit, dat wij van onze conscientiën niet kunnen verwerven, zoodanigen voor richters te erkennen, die het tegendeel des verschils tusschen ons staande houden, die scheuring gemaakt hebben, zich van ons afgescheiden hebben, en geen gemeenschap in den Godsdienst met ons willen houden, maar ons met hun schriften van te voren hebben verdoemd. Wij achten een recht der. natuur te wezen, dat de tegenpartij geen richter zij in hare eigene zaak, en dat men ook tegen beëedigde richters, zoo zij in de verschillende zaak tegenover elkander staan, bedenking mag maken. Deze regelen, naar welke men leeft, uit zich zelven en door hunne natuur bekend, zitten ons veel dieper in het hart, dan dat zij ons door eenige autoriteit der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, óf dezer Synode zouden kunnen benomen worden. Hetgeen van de praktijk der oude en nieuwe Kerk gezegd is geweest, wij hebben geantwoord en antwoorden alsnog, dat de wijze der Ouden, om Synoden bijeen te roepen, verscheiden is geweest, naar de verscheidenheid der tijden. Want Athanasius zelf is uit het Concilie, hetwelk Constantinus binnen Tyrus bijeengeroepen had, vertrokken, omdat hij zag, dat de voornaamste mannen van het Concilie het ambt van richter en partij zouden bedienen. Wat aangaat de nieuwe Kerk, de Gereformeerden hebben om geen andere oorzaak geweigerd tot het Concilie van Trente te komen, dan omdat zij de pausgezinden voor tegenpartij hielden. Om dezelfde oorzaak hebben de onzen geweigerd tot de Synoden der Flaccianen te komen, nochtans levende onder dezelfde Overheid, den Hertog van Saksen. En als de Calvinisten (zoo men ze noemt) geroepen werden tot eene Synode in Duitschland, en in andere plaatsen, door de Lutheranen, zouden zij wel de tegenpartij voor richter willen erkennen? Geenszins. De exempelen van Coolhaas, van Wiggers, van Herberts, dienen niet tot besluit. Want tusschen dezen en anderen was nooit scheuring gemaakt, gelijk nu tusschen ons en de Contra-Remonstranten. En hier mag ook niet helpen, dat alle de lidmaten der Synode bij eede verbonden zijn, dat zij uit Gods Woord, naar de conscientie zullen oordeelen. [101] Want dat men ook tegen beëedigde richters bedenking maakt, wanneer zij in hunne eigene zaak willen oordeelen, leert de dagelijksche ervaring. Op hetgeen de praeses bijgebracht heeft, dat men op geen andere wijze de ketterijen kan wegnemen, antwoorden wij, niet veel als rede te dienen, gemerkt wij geen ketters zijn, noch van ketterij overtuigd. Op hetgeen van den praeses gevraagd is, wien wij tot eenen richter zouden begeeren, antwoorden wij, dat het ons tegenwoordig genoeg is, gezegd te hebben, dat deze Synode altijd, welke nu bijeengekomen is om te oordeelen, voor haar meeste deel geen richter wezen kan, gemerkt zij partij is. Indien nochtans tot deze Synode gedeputeerd waren geweest, uit de Vereenigde Nederlanden, mannen, die den vrede liefhebben, gelijk de meening geweest is der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, en die zich niet vermengd hadden in deze scheuring te maken, of te bevorderen, zouden wij minder oorzaak hebben, om tegen zoodanige Synode bedenking te maken. Maar nu zitten, tot dezelve gedeputeerd, zeer vele predikanten, die onze openbare tegenpartij zijn; in welker plaats men had mogen zenden mannen, die gematigder waren, en die de gemaakte scheuring misprezen hebben, hoewel zij in het gevoelen staan der Contra-Remonstranten. Deze heeft men nochtans in 't deputeeren voorbijgegaan. En tevergeefs zouden wij eenen anderen richter verkiezen, dewijl de Hoogmog. Heeren Staten-Generaal besloten hebben ons geen anderen te geven, en dewijl begeerd wordt, dat wij dit tegenwoordige richten geduldiglijk zullen verdragen. Derhalve, opdat wij niet langer over deze zaak disputeeren, zoo betuigen wij allen en een ieder in 't bizonder met deze plechtige en klare protestatie voor de gansche Synode en voor de gansche christenheid, dat wij deze tegenwoordige Synode, of het meeste deel derzelve, om de voorverhaalde oorzaken, in ons overgeleverd schrift vervat en met redenen bekleed, niet houden voor wettelijken richter onzer verschillen; en derhalve dat haar oordeel van geen gewicht bij ons en onze Kerken wezen zal. Deze protestatie voorgegaan zijnde, zullen wij ons tot de tegenwoordige handeling, om welke wij meenen gedaagd te zijn, bereiden. Dit verzoeken wij, dat ook dit ons schrift en deze protestatie in de Synodale acten gesteld worde.
Dit hadden alle de geciteerden als voren onderteekend.
Nadat dit schrift voorgelezen was geweest, heeft men het gevoelen der E. Gecommitteerden en der gansche Synode diesaangaande gevraagd; vooreerst aangaande de beschuldingen, die zij voortbrachten; daarna aangaande die plechtige protestatie tegen de Synode. De eerste beschuldiging was, dat M. Episcopius ten onrechte van den praeses bestraft was geweest, dat hij in 't overleveren van 't exemplaar zijner oratie niet oprechtelijk genoeg met de Synode had gehandeld. Hoewel de Synode in het eerst meende, dat deze zaak nagelaten moest worden, omdat zij tot meerdere zaken zich was haastende; nochtans, dewijl ze beide de oprechtheid van den praeses in twijfel trok, en Episcopius zich op de gansche vergadering beroepen had, zoo heeft de praeses de gansche Synode gevraagd van de geheele zaak getuigenis te geven. Zij hebben allen verklaard, nog in versche gedachtenis te hebben, de hoofdinhoud der woorden van Episcopius, sommigen ook, dat zij zijne formeele woorden met de pen aangeteekend hadden, waaruit zij anders niet hadden kunnen verstaan, dan dat M. Episcopius, als hij voorleden Vrijdag zijn oratie gedaan had, en hem belast werd het exemplaar, waaruit hij dezelve voorgedragen had, der Synode over te leveren, geantwoord zoude hebben, dat hij geen ander exemplaar had, en derhalve verzocht, dat men hem toeliete, datzelve eerst voor zich zelven uit te schrijven, en, geperst zijnde, dat hij het op staanden voet overgeven zoude, geantwoord had, dat het niet net genoeg geschreven was, maar ge klad, en belast, dat hij desniettegenstaande datzelve, zooals het was, zoude leveren, begeerd had, dat hem of het orgineel, of authentieke copie er van wedergegeven mocht worden;want dat het billijk was, dewijl hij geen ander exemplaar als datzelve had, dat hij een exemplaar behield van zijne oratie. Diegenen, die zijne formeele woorden niet hadden onthouden, hebben nochtans allen getuigd, dat zij de meening van M. Episcopius niet anders hadden gevat., dan de praeses gedaan had. De E. Gecommitteerden, ook gevraagd zijnde te believen van deze zaak getuigenis te geven, hebben geantwoord. dat M. Episcopius geen anderen vorm van woorden gebruikt had, dan uit dewelke bleek, dat hij maar een exemplaar had. [102] De E. Heer Heinsius, secretaris van hunne Edelmogenden, verzocht zijnde, getuigenis te geven, heeft betuigd, dat hij geen anderen vorm van woorden had gebruikt. En derhalve heeft de Synode geoordeeld, dat M. Episcopius te recht van den praeses bestraft was geweest, en vervolgens, dat hij ten anderen male vermaand zoude worden, oprechtelijker met de Synode te handelen. De tweede beschuldiging, tegen den praeses voorgenomen, was deze. Dat hij ten onrechte gezocht had bij de hooge Overheid de Remonstranten gehaat te maken, als die in hunne schriften de schuld van scheuring aan hunne Hoogmog. hadden ten laste gelegd, en hunne waardigheid en autoriteit te kort hadden gedaan. Om deze beschuldiging af te weren, heeft de praeses eenige plaatsen uit hunne schriften, die zij zoo aan de Synode als aan de uitheemsche Theologen te voren hadden overgeleverd, voorgelezen, en aangewezen, dat zij met reden hiervan bestraft waren geweest. De E. Gecommitteerden gevraagd zijnde, dat zij ook van deze beschuldiging hun gevoelen beliefden te zeggen, hebben geantwoord, dat zij niet anders hadden kunnen verstaan, dan dat de Remonstranten van de hooge Overheid niet eerbiediglijk genoeg hadden gesproken, en derhalve dat de praeses te recht hen bestraft had. Der Synode is ook hetzelfde gevraagd geweest. En als nu de assessoren, scriba en uitheemsche Theologen hun gevoelen gezegd hadden, dewijl de ure verloopen was, is de zaak uitgesteld geweest tot de naaste zitting.

|