|
Titelpagina en voorreden
Zitting 1-25
Zitting 26-50
Zitting 51-75
Zitting 76-100
Zitting 101-125
Zitting 126-150
Zitting 101-125
Zitting 126-150
zitting 151-154
zitting 36
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Vijfde Artikel
De Oordelen der Uitheemsche Theologen
Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
Na-handelingen Nationale Synode
zitting 155 t/m 180
inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
|
ZESENTWINTIGSTE ZITTING.
Denzelfden dag namiddag
Men heeft het oordeel gevraagd, zoo der Doorl. Heeren Gecommitteerden, alsook der kerkelijke personen, zoowel uitheemsche als inlandsche, aangaande het schrift der Remonstranten, hetwelk voor den middag openlijk was voorgelezen. De E. Gecommitteerden hebben hun gevoelen verklaard, door deze hunne publieke resolutie: Na onderzoek en overweging van alle en een ieder artikel en conditie, die de Remonstranten, welke tot deze Synode gedaagd en ontboden zijn, openlijk overgeleverd en voorgelezen hebben, en die zij verzocht hebben, dat hun toegelaten zou worden, eer men komen zoude tot verder onderzoek en verhandeling van zaken;zoo is het dat de E. Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten; naarstiglijk onderzocht hebbende het formulier en de wetten, naar welke dezelve Heeren Staten geboden hebben, dat alle Synodale zaken, en hetgeen wijders alhier staat verhandeld te worden, aangesteld en belegd zullen zijn; verklaren en geven eens voor altijd te verstaan, dat nu op alle en een ieder verzoek, artikel en conditie, door dezelve Hoogmog. Heeren overvloediglijk is voorzien. En wat wijders hiertoe strekkende, gedurende den ganschen tijd van de handeling, mag voorvallen, kan door de Synode verzorgd en geordineerd worden. Derhalve, opdat noch de meening, noch het oogmerk derzelver Hoogmog. Heeren eenigszins te niet gedaan, of de Synodale handelingen wijders verstoord worden, en de tijd niet langer tot nadeel der Republiek en der Kerk verlengd worde, zoo oordeelen de voorz. Gecommitteerden der Hoogmog. Heeren Staten, en belasten meteen den gedaagden Remonstranten, en gebieden, dat zij, zonder eenige uitvluchten of uitstel verder en voornamelijk tot hetgeen in de Synode te verhandelen staat, voortgaan, en ook gehoorzaam zijn in hetgeen de Synode tot dit einde besluiten zal. De geheele Synode, gevraagd zijnde naar haar oordeel, heeft verklaard, dat het verzoek dezer conditiën vreemd, onbillijk en ontijdig was, en strijdende met de wetten der uitschrijving, van de Synode door de Hoogmog. Heeren Staten-Generaal voorgeschreven. Dat deze beschuldiging, waarmede zij dezelve Synode grootendeels voor scheuringmakend openlijk beschimpen, en ook die weigering en uitvlucht, waarmede zij het oordeel en de autoriteit derzelver Synode als partij zochten te ontgaan, gansch geen vastigheid had, en in vele manieren de Synode te kort deed. Hetwelk ook de Hoogmog. Heeren Staten-Generaal raakte, door welker autoriteit en wetten dezelve Synode bijeengeroepen was; ja ook alle de Nederlandsche Gereformeerde Kerken, dewelke hare gedeputeerden wettelijk tot dezelve hadden gedeputeerd. Dat men derhalve de gedaagden ernstiglijk en dapperlijk behoorde te bestraffen en te vermanen, dat zij voortaan zich wachten wilden van zoodanige uitvluchten, met meerder respect van de handelingen der hooge Overheid spreken, zoodanige zware beschuldigingen en onbillijke lasteringen der Synode nalaten, en haar autoriteit niet minachten, maar haar voor wettige rechteres van de zaak erkennen. De gedeputeerden der Kerken van Zuid-Holland hebben kortelijk verklaard, bij welke gelegenheden en om welke oorzaken sommige Kerken in Zuid-Holland, met de Remonstrantsche predikanten gedwongen waren geweest, geen verdere gemeenschap te houden. Dat die twaalf conditiën, in dit schrift overgeleverd, door de Hollandsche Remonstranten niet lang geleden den E. M. Heeren Staten van Holland en West-Friesland waren overgeleverd geweest, welke het advies der Synode van Delft (omtrent dien tijd bijeen vergaderd) daarover verstaan hebbende, dit verzoek der Remonstranten afgeslagen en hen belast hadden, dat zij zoodanige uitvluchten aan een zijde stellende, zich te vreden wilden houden met de orde, die nu door de E. M. H. Staten-Generaal [88] gesteld, en in de Gereformeerde Kerken aangenomen was. En dewijl de lasteringen, waarmede de Remonstranten in dit hun schrift de Synode van scheuring zochten te beschuldigen, de Zuid-Hollandsche Kerken voornamelijk raakten, zoo gaven zij openlijk te kennen, dat zij verzochten, op die allen te mogen antwoorden. Doch de Synode heeft geoordeeld, dat zulks voor dien tijd, noch voegelijk noch noodig was, opdat de orde door de Hoogmog. Heeren Staten-Generaal ingesteld, niet verstoord werd, en dat personeele zaken, van welke te zijner tijd en plaats naderhand zoude gehandeld worden, met zaken, die de leer aangingen, niet onder elkander gemengd zouden worden. Daarna heeft men de Remonstranten ingeroepen, welke (nadat de praeses hen ernstiglijk vermaand had, van alles waarvan de Synode geordineerd had, dat zij vermaand zouden worden, en hen gebeden dat zij in het toekomende voorzichtiger wilden handelen, bescheidenlijker spreken, en zich van zoodanige trotschheid der jonkheid en ongeregeldheid des gemoeds en der tong onthouden) is voorgelezen geweest, door den zeer vermaarden man D. H e i n s i u s, het besluit der E. Heeren Gecommitteerden, en belast datzelve te gehoorzamen, en zonder omwegen terzake te komen. En dat zij, zoo zij nu bereid waren (gelijk zij gezegd hadden, dat zij bereid zouden zijn), hun gevoelen aangaande de Vijf Artikelen, wilden verklaren, en hunne bedenkingen, die zij op de Belijdenis en onzen Catechismus aangeteekend hadden, overleveren. M. Episcopius heeft geantwoord, dat hetgeen zij voorgesteld hadden, zij dit om zeer gewichtige oorzaken gedaan hadden; dat het geen personeele dingen waren, want geheele Kerken hadden zich afgezonderd, dat daarom deze zaken door hen wijdloopig voorgesteld waren geweest; omdat zij oordeelden dat ze met ernst moesten gedaan worden. Zij erkenden niet de hooge Overheid met hun schrift eenigszins verongelijkt te hebben; dat het hun voornemen niet was geweest de Hoogmog. Heeren Staten te schelden, ja niet de gedachte hadden gehad zulks te doen. Dat hun ongelijk gedaan wordt, voor zoo verre men hen zulks ten laste legt. De praeses heeft geantwoord, dat aldus de hooge overheid verongelijkt wordt, wanneer men zegt, dat zij een scheuringmakende en ook onwettelijke Synode bijeen geroepen heeft, te meer, dewijl zij andere wetten en een andere vorm van Synode te houden, dan die hij de hooge Overheid gesteld waren, wilden voorschrijven. Dat klaar genoeg de E. M. Heeren Staten van Holland, Zeeland, Utrecht en Friesland, als auteurs van scheuringen gescholden worden, dewijl het genoegzaam bekend was, dat door hunne autoriteit de Kerken, die zich van de Remonstrantsche predikanten, in den Haag, te Utrecht en in andere plaatsen afgezonderd hadden, beschermd zijn geweest en van bekwame leeraars voorzien, en dat zij met hunne tegenwoordigheid die zelve vergaderingen hebben geapprobeerd. Carolus Niellius heeft bij de woorden van Episcopius gevoegd, dat het altijd den gedaagden geoorloofd is geweest, tegen des rechters onwettelijkheid bedenking te maken. Dat de praktijk der Kerk zulks ook toelaat. Dat het onbillijk is het oordeel van eenige zaak aan zoodanigen toe te laten, die voorhenen dezelve verdoemd, en een afzondering gemaakt hebben. Want daarmede hebben zij zich onbekwaam gemaakt om te oordeelen. Dat hedendaags D. Pelargius, indien hij geroepen werd tot de Synode der Ubiquitisten, met recht tegen de zelve zoude mogen eene uitzondering maken, en dat met gelijk recht zij hetzelve tegen deze tegenwoordige mogen doen; dat zij bedroefd waren, dat hun verweten werd een jonge trotschheid, daar eenigen van hen twintig jaren in den dienst waren geweest. De praeses heeft hen geantwoord, dat dit nooit geweest is de praktijk der Kerk, dat de predikanten, zoo menigmaal als zij volgens hun ambt zich tegen de opstaande dwalingen gesteld hebben, daarom het recht verloren zouden hebben, om aangaande diezelve dwalingen hunne stemmen te geven, of de macht om te oordeelen;want alzoo zoude alle orde der kerkelijke oordeelen omgestooten worden, en gemaakt, dat de predikanten hun ambt niet zouden kunnen doen. Aangaande de afzonderingen, uit wat recht en oorzaken dezelve geschied waren, zoude te zijner tijd onderzocht worden. wanneer men namelijk tot de personeele zaken zoude gekomen zijn. Dat het billijk is, dat zij alsnu voor richters erkennen, diegenen, die door autoriteit der hooge Overheid, en door de verkiezing der Kerken hun gegeven waren. Dat tegen de onwettelijkheid derzelve eene bedenking te maken, was de autoriteit der hooge Overheid te willen ontwijken, en alle kerkelijke orde verstoren. Derhalve heeft hij hen nogmaals vermaand, dat zij [89] zoodanige bedenkingen varen latende, het besluit der E. Heeren Gecommitteerden wilden gehoorzamen. Niellius heeft geantwoord, dat de vermaningen de conscientiën niet voldeden; dat de hooge Overheid wel de macht heeft, zoodanige Synode bijeen te roepen, als haar heeft goedgedacht, maar dat het onbillijk was, het oordeel toe te laten dengenen, die al voorhenen de zaak veroordeeld hadden. Dat de Magistraat wel mag voorschrijven een manier van te handelen, maar over de conscientiën niet mocht heerschen. Dat ze macht heeft de predikanten af te zetten, maar niet over hun gemoederen te heerschen. De E. Gecommitteerden zeiden, dat er een formulier van 't houden der Synode bij de Hoogmog. Heeren Staten-Generaal was voorgeschreven; naar datzelve moest men handelen, en hebben ze ernstiglijk vermaand zich daarnaar te schikken. Niellius antwoordde, dat de wetten der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, naar dewelke de Synode bijeengeroepen was, onder anderen geboden, dat niemand na dezelve Synode zal mogen twijfelen. Daarop hebben de Gecommitteerden wederom belast, dat zij het besluit zouden gehoorzamen, en alle uitvluchten varen laten. De praeses voegde daarbij, dat men van hen niet begeerde, dat zij verklaren zouden, hoedanige rechters zij ons oordeelden te wezen, maar dat zij de orde, hij de hooge Overheid gesteld, zich onderwerpen zouden, en heeft ze vermaand, dat zij alle deze verlatende, hunne bedenkingen en verklaringen, indien ze gereed waren, toch eens wilden overleveren. De Gecommitteerden zeiden ook, dat zij hunnen conscientiën niets wilden voorschrijven, ook het recht om hunne zaak wettelijk te verdedigen, hen niet wilden benemen, of eenigszins verkorten. Maar dewijl zij onderzaten waren der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, zoo moeten zij de wetten en ordinantiën derzelve gehoorzamen, en dit was hetgeen zij hen wederom ernstiglijk belasten. Episcopius antwoordde, dat hij nooit verwacht had, dat zij met eene resolutie geperst zouden worden, maar gehoopt, dat hunne redenen onderzocht zouden worden, en dat verzochten zij nu ten hoogste. En, dewijl men doende was met vele duizend zielen gerust te stellen, en den vrede der Kerken weder te brengen, zoo behoorde men de verbitterde en verbitterende partij het oordeel niet toe te laten, noch dengenen op te dragen, die alreede de anderen hadden veroordeeld. Hij heeft ook geklaagd, dat de Utrechtsche Remonstranten, uit de Synode waren geworpen, omdat zij met goeder conscientie de verdediging van de zaak der Remonstranten niet hadden kunnen verlaten. Hem is geantwoord geweest, dat het den Utrechtschen Remonstranten toegelaten was, onder de rechters te zitten, voorzooverre zij het bevel van de verdediging der zaken der Remonstranten verlaten, en voor de Synode een eed wilden doen. Dat zij uit de Synode niet zijn geworpen geweest; maar vanzelf zich bij de gedaagde Remonstranten gevoegd hadden, om dezelfde zaak met hen te verdedigen. En dat niemand in hetzelfde gericht rechter en verweerder kan wezen van een en dezelfde zaak. Zij zijn wederom vermaand geweest, dat zij met deze eerstelingen de handelingen der Synode niet langer wilden verstoren, maar tot de zaak komen. Dat het wel somwijlen kan gebeuren, dat Theologen, die onder onderscheiden Prinsen leefden, met recht weigerden zich aan elkanders oordeel te onderwerpen; maar, dewijl wij allen onder het gebied stonden eener hooge Overheid, dien het beliefd heeft het oordeel aan deze tegenwoordige vergadering over te geven, dat de Remonstranten tegen deze rechters, als onbevoegd, geene uitzondering konden maken, tenware zij betoonen wilden, dat zij alle wettelijk oordeel zochten te ontwijken. Episcopius antwoordde, dat hij het oordeel niet ontweek, maar alleenlijk verzocht, dat de tegenpartij geen rechter zou zijn. De praeses vraagde hem, dewijl hij dezen rechter, die bij autoriteit der hooge Overheid en der Kerken gesteld was, verwierp, dat hij zeggen wilde, wien zij dan tot rechter van hunne zaak begeerden. Episcopius antwoordde, dat er een conferentie aangesteld zoude mogen worden tusschen de partijen. De praeses herhaalde, dat een conferentie geen oordeel was; dat de quaestie was van rechters en van oordeel; en begeerde, dat zij vrijelijk verklaren zouden aan het oordeel van welke rechters zij deze zaak begeerden toe te laten, of dat ze anders rechters wilden geven. Hierop zeide Episcopius, dat hij nu daarop niet konde antwoorden: dat hij alleen dit zeide, dat het oordeel aan deze rechters niet wettelijk toekwam. En hoewel hij eenen anderen rechter niet konde aanwijzen, dat dit hun genoeg was, dat de tegenpartij geen wettelijke rechter wezen kan. Ondertusschen hebben de Heeren Gecommitteerde [90] ettelijke malen hen vermaand en bevolen, dat zij gedenken zouden, dat zij onderdanen waren der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, en dat zij zich derzelver wetten en ordinantiën onderwerpen zouden. De praeses heeft daarbij gevoegd, dat dit voornamelijk in quaestie stond, of de Synode voor tegenpartij te houden zij, dan of ze wettelijke rechter wezen mag, omdat sommige Kerken, welker gedeputeerden daar waren, een afzondering van de Remonstranten gemaakt, of dezelve geapprobeerd hadden. De Remonstranten ontkenden wel, dat de Synode wettelijke rechter zijn mocht van deze verschillen. 1. omdat ze de tegenpartij is, en 2. omdat ze scheuringmakend is; maar beiden moesten zij bewijzen, want de Synode ontkende beide. Dat deze quaestie door de Hoogmog. Heeren Staten toenmaals is beslist geweest, wanneer zij hebben goedgevonden, tot beslissing van deze zaak, deze rechters bijeen te roepen; desgelijks ook bij deze Nederlandsche Kerken, wanneer die tot hetzelfde einde deze hare gedeputeerden wettelijk gezonden en gedeputeerd hebben. Derhalve heeft hij hen nogmaals vermaand, dat zij deze uitvluchten zouden laten varen, en zoo zij nu bereid waren, hun bedenkin gen en verklaringen zouden overleveren. Zij hebben tot des anderen daags uitstel begeerd, en copie van de resolutie der E. Gecommitteerden, om op de gansche zaak des te rijpelijker te mogen beraadslagen. Het oordeel nu der Synode van Delft, waarmede geantwoord wordt op de 12 conditiën van eene Synode te houden, die de Remonstranten voorgesteld hadden, van welke melding gemaakt wordt in deze zitting, was dit.
Aan de Edelmog. Heeren, de Staten van Holland en West-Friesland, onze gebiedende Heeren.
Edelmogende Heeren.
Naardien het E. M. beliefd heeft door de heeren Uwer E. M. Commissarissen, ons Kerkedienaren, in deze Zuid-Hollandsche Synode te Delft vergaderd, te doen overhandigen zekere Remonstrantie, waarin eenige Kerkedienaren te kennen geven hunne grieven tegen Uw E. M. besluit, op het houden van de Provinciale of Nationale Synoden, zich beklagende, dat U E. M. haasten om dadelijk tot de samenroeping van dezelve Synode te besluiten (waartegen wij en alle gemeene Kerken hier te lande meende meerder oorzaak te hebben van klagen, niet over U E. M., maar over de voorz. klagers, dat zij met hunne proceduren nu tien jaren lang gemaakt hebben, dat niet alleen de Provinciale Synoden volgens Uw E. M. voornemen en besluit niet zijn gehouden, maar dat ook beide particuliere Hollandsche Synoden zoo lang zijn opgeschort geweest) zoo hebben wij niet kunnen noch mogen nalaten, volgens den last, ons door U E. M. opgelegd, met alle behoorlijke eerbiediging en onderdanigheid, U E. M. te vertoonen ons advies en gevoelen over de voorgenoemde Remonstrantie. En vooreerst dunkt ons (onder verbetering van U E. M.) zeer vreemd, dat deze nieuwe Remonstrantie geen onderteekening heeft van de namen dergenen, die dezelve gepresenteerd hebben, of doen presenteeren; inzonderheid, dewijl zij in 't begin van deze hunne klacht zich zelven geen anderen titel geven dan de Kerkedienaren onderschreven. Wel is waar, dat achteraan onderteekend staat de samensprekers uit de Conferentie bekend, gelijk ook in gedrukte copie dezelve titel gesteld wordt; maar of zij deze hunne nieuwe Remonstrantie, alleen met hun zessen gesteld en onderteekend hebben, of ook in den naam van alle degenen, in welken naam zij in de Haagsche Conferentie met de andere zes predikanten zijn getreden, kunnen wij niet weten, gelijk wij alsnog niet volkomenlijk zijn onderricht, wie degenen zijn, die voorz. zes samensprekers gedeputeerd hebben tot de voorz. conferentie en tot al hetgeen wat zij in hunnen naam gedaan hebben. Dit dunkt ons, onder verbetering, een vreemde procedure te wezen in Gods Kerk, dat eenigen met onbekende namen zonder weten of kennis van hunne medebroeders, alzoo met elkander samenspannen, om het gevoelen der gemeene Gereformeerde Kerken te bestrijden, dat men hunnen namen niet mag weten. Te meer zijn wij hierover verwonderd, omdat eenigen, die wij totnogtoe voor Remonstranten hebben gehouden, en die ook nog rondelijk verklaren, dat zij de vijf punten der Remonstranten voor goed en den Woorde Gods conform houden ons in deze onze Synodale vergadering verklaard .hebben, niet alleen tot deze nieuwe Remonstrantie geen raad, noch consent gegeven te hebben, maar ook niet tot [91] de eerste Remonstrantie, waarin de vijf punten uitgedrukt zijn, ja ook nooit in eenige vergadering der Remonstranten geweest te zijn, of iets te hebben helpen besluiten, dat in den naam der Remonstranten gedaan is. Wij meenen, dat dit meer dan reden is, dat degenen, die zich samen verbonden hebben, om hunne medebroeders in het stuk der leer tegen te spreken, zich zelven bekendmaken, opdat degenen, die van hen worden gelasterd over hunne leer, weten niet wien zij te doen hebben, en welke hunne tegensprekers zijn. Doch naardien het E. M. beliefd heeft eenig naschrift op de voorz. nieuwe Remonstrantie te geven, en dezelve aan ons terug te zenden, vermoeden wij, dat U E. M. zulks niet zouden gedaan hebben, of immers niet verder gerechtelijk bescheid hierop zullen verleenen, zonder te weten, hetzij uit hunne onderteekening onder het orgineel derzelver Remonstrantie, of anderszins, wie de klagers zijn, die deze nieuwe Remonstrantie hebben overgegeven; en alzoo is het dat wij, volgens Uw E. M. bevel, daarop rijpelijk in de vreeze des Heeren, gelet hebben, en bevinden dit schrift te bestaan in twee deelen. Want eerst zoeken zij uitzonderingen te maken tegen het houden der Synoden, zoo wel nationaal als particulier, voorwendende eenige redenen van weigering, waarom zij zich bezwaard vinden aan dezelve Synoden zich zelven te onderwerpen. Daarna slaan zij voor eenige vreemde en ongegronde conditiën, op dewelke zij presenteeren in de voorz. Synoden te verschijnen en hun zaak voor dezelven te rechtvaardigen. De beweerde redenen, waarom zij zich bezwaard vinden zich zelven aan het oordeel der Synode te onderwerpen, zijn inzonderheid genomen van de ongeschiktheid der personen, die zij meenen, dat tot deze Synoden gedeputeerd zullen worden. Deze ongeschiktheid of onbekwaamheid pogen zij te bewijzen, eerstelijk omdat wij nu geen Apostelen noch onfeilbare leiding des H. Geestes hebben, gelijk de Synode te Jeruzalem, Hand. 15. Zoodat ons niemand zal kunnen verzekeren, dat onze Synoden wel zouden kunnen dolen, ook als zij wettelijk vergaderd zijn. Een andere, omdat de Kerken en klassen hier te lande alreede verdeeld zijn in twee verscheidene hoopen, waarvan de eene met den andere geen gemeenschap heeft; welke verdeeldheid zij den Contra-Remonstranten gaarne zouden te laste leggen, dewijl zij, die Remonstranten genoemd worden, veel liever de onderlinge verdraagzaamheid hadden gezien, als de droevige scheuringen. Maar dat de Contra-Remonstranten geformeerd zouden hebben afzonderlijke vergaderingen, waarmede zij niet alleen de Kerken verscheurd zouden, maar ook zich zelven als partij geformeerd van de Remonstranten, en acten gemaakt en onderteekend, waarmede zij de Remonstranten als valsche leeraars veroordeeld, en voorts alle vijandschap tegen hen bewezen zouden hebben. En alzoo deze partijschap tegen de Remonstranten, niet alleen in deze, maar ook in andere Provinciën en Synoden, niet alleen der Duitsche, maar ook der Waalsche spraak, alreede zoude zijn bewezen, zoo meenen zij, dat zulke Synoden, die waarschijnlijk voor het meerendeel geformeerd zullen worden, uit personen, die hunne partijschap tegen hen alreede getoond hebben, geen rechters over hen kunnen wezen, nademaal de natuur zelve leert, dat niemand gelijk aanklager en rechter kan wezen. Dit is het kort begrip van het lang bewijs des eersten deels van dit schrift. Op deze beweerde redenen, bidden wij U E. M., te willen overleggen, of dezelve kunnen verstaan worden ergens anders toe te strekken, als om zich zelven aan allerlei kerkelijke oordeelen te ontrekken, en alle hoop weg te nemen van door eene Synodale vergadering eenmaal tot rust en vrede der Kerken te komen; want zoo deze redenen zouden gelden, meenen wij, dat er na de tijden der Apostelen geene Synodale vergaderingen vruchtbaarlijk tot wegneming van eenige zwarigheden in Gods Kerk, zouden hebben kunnen gehouden worden. Toch heeft de ervaring in verscheidene tijden geleerd, dat de Synodale vergaderingen met groote vrucht zijn gehouden geweest, tot wegneming van verscheidene ketterijen, dwalingen, scheuringen en andere zwarigheden, in de Christelijke Kerken gerezen. Wel is waar, dat, na der Apostelen tijden, geen Synodale vergaderingen, hoe treffelijk of algemeen zij geweest zijn, buiten perijkel van dwaling zijn geweest, zoodat hare besluiten voor het onfeilbaar Woord Gods zouden mogen gehouden worden. Want in het Nieuwe Testament zijn alleen de apostelen en Evangelisten alzoo in alle waarheid geleid, dat zij in de leer niet konden feilen. [92] Maar daaruit volgt niet, dat er, in navolgende tijden, geene Synoden met vrucht konden gehouden worden; maar veel kan men integendeel uit het exempel der Apostolische Kerk besluiten, hoe noodzakelijk en profijtelijk zulke Synodale vergaderingen zijn, om alle twisten en geschillen uit de Kerk te weren. Want naardien de Apostelen zelven, niet tegenstaande zij allen tezamen met den H. Geest alzoo begaafd waren, dat zij in de leer niet konden feilen, zoodat het getuigenis eens Apostels genoegzaam was, om te weten wat men gelooven moest, evenwel zoodanige vergaderingen gehouden hebben, hoeveel te meer is dat in navolgende tijden moeten onderhouden worden, als de navolgende leeraars in de leer hebben kunnen feilen, om te beter alle dwalingen in Gods Kerk te verhoeden? En hebben P a u l u s en B a r n a b a s, hoewel zij denzelfden Geest met de andere Apostelen hadden, desniettegenstaande zich laten zenden naar Jeruzalem, om het advies der andere Apostelen, over het verschil in de kerk van Antiochië gerezen, te verstaan, hoeveel te meer behooren andere leeraars, die geen Apostelen zijn aan zoodanige Synodale vergaderingen zich zelven te onderwerpen. Want de Heere Christus, die den Apostelen beloofd heeft den Geest der waarheid, die hen in alle waarheid zou leiden, die heeft ook zijne Kerk beloofd, dat hij bij haar wil blijven tot de voleinding der wereld, Matth. 28: 20. Gelijk het dan niet volgt, omdat na der Apostelen tijden de Kerk geen leeraars gehad heeft, die niet in leer konden feilen, dat, daarom de uiterlijke kerkedienst, na der Apostelen tijden, vruchteloos en onnut zoude zijn, zooals eenige geestdrijvers in deze laatste tijden hebben voorgegeven, alzoo volgt het ook niet, dewijl, na der Apostelen tijden geene Synoden hebben kunnen zijn, buiten perijkel van dwaling, dat er daarom tot wegneming van ketterijen, scheuringen en misverstanden, in Gods Kerk geene Synoden zouden mogen of behooren gehouden te worden. Want gelijk God zijn Woord door zijne Profeten, Apostelen en Evangelisten heeft laten beschrijven en dit geschrevene Woord totnogtoe wonderlijk bewaard, opdat daaruit de trouwe en godzalige Kerkedienaren, door dienst der Kerken wettelijk geroepen, zouden leeren, wat zij hunne Gemeenten in Gods naam voor te dragen hadden, alzoo heeft Hij ook datzelve zijn geschreven Woord gesteld als eene regelmaat, waarnaar in alle kerkelijke vergaderingen over de leer zal geoordeeld worden. En wanneer eenige godzalige en geleerde Kerkedienaren uit verscheidene Kerken, ook uit verscheidene landen des Christenrijks bijeenkomen in de vreeze des Heeren, om uit den Woorde Gods te oordeelen,wat in Gods Kerk behoort geleerd, of niet geleerd te worden; is wel te vertrouwen, dat Christus, naar zijne voorgemelde belofte in zoodanige vergadering zal wezen, en dezelve niet zijnen Heiligen Geest alzoo verlichten en bestieren, dat daar niet tot nadeel der waarheid en zijns rijks zal besloten worden. En genomen, dat er zoo iets besloten werd, zoo zal daarom de waarheid niet verdrukt blijven, maar zal mettertijd wederom te voorschijn komen. Ondertusschen moet er in Gods Kerk, orde, rust en vrede zijn, want God is geen God der verwarring en wanorde, maar een God des vredes. Daarom wil Hij, dat alles in zijne Kerk ordelijk, gerustelijk en vredelijk toega. Nu kan er in Gods Kerk geen orde noch gerustheid. zijn, wanneer aan een iegelijk zal vrij staan te leeren, wat hem goeddunkt, zonder dat hij gehouden zal zijn rekenschap van zijne leer te geven, en zich aan het oordeel eener kerkelijke vergadering te onderwerpen, volgens den regel des Apostels Paulus 1 Cor. 14:29 en 31, dat er zal geoordeeld worden van hetgeen de Profeten spreken, en dat de geesten der Profeten den Profeten onderworpen zijn. Dit zijn de Remonstranten zooveel te meer schuldig te doen, dewijl zij in het aannemen van hunne diensten zich zelven daartoe verbonden hebben, gelijk zij zelven in deze hunne Remonstrantie bekennen, zich zelven dit als een tegenwerping of tusschenrede voorwerpende. Hierop pogen zij wel eenige antwoorden te geven, maar hoe weinig fundament deze hebben, zal uit het navolgende blijken. Dat nu deze Apostolische orde niet zoude mogen gevolgd worden in deze omstandigheid of gelegenheid van tijden, overmits de Kerken nu verdeeld zijn, dat heeft even weinig grond als het voorgaande. Want waardoor zijn die Kerken tot zoodanige verdeeldheid gekomen, als door de verscheidenheid der leeringen, die in de Kerken gedreven zijn geweest. Zoude men daarom in geen Synodale vergaderingen besluit mogen nemen over de leer, omdat de [93] Kerken door verscheinene leeringen zijn verdeeld en verscheurd, zoo zou in geene tijden van scheuringen en verdeeldheid van Kerken Synodale vergaderingen mogen gehouden zijn geworden. En zoo hadden tot alle tijden degenen, die wat nieuws in Gods Kerk gezocht hebben in te voeren, en alzoo de Kerken verdeeld hadden de uitzondering mogen maken, dat er vanwege de verdeeldheid der Kerken geen Synodale vergaderingen mochten gehouden worden. Hetzelfde hadden voormaals mogen voorwenden de Arianen, Nestorianen, Eutychianen en andere secten, die grooten aanhang in de Kerken gehad en dezelve verscheurd en verdeeld hebben. Daarom hebben evenwel de godzalige Keizers niet nagelaten 'algemeene Synoden te beschrijven, in welke over hunne leer is geoordeeld geworden of ze schriftmatig was of niet. Dat de Remonstranten voorwenden, dat diegenen, die alreede een vooroordeel gestreken hebben over de vijf punten, niet in de Nationale Synode behooren te zitten als richters over deze geschillen, dat is mede in geen goede redenen gefundeerd. Want daaruit zou moeten volgen, dat geene rechtgevoelende leeraars der Kerk over deze beoordeeling zouden mogen zitten, omdat zij alreede verklaard hadden, dat zij der Remonstranten gevoelen niet konden toestaan, en zoo zou daaruit moeten volgen, dat over de verschillen in de leer geen andere rechters konden gesteld worden, dan die te voren zich neutraal gehouden hadden, en zouden voormaals de Arianen en andere ketters dezelfde uitzondering hebben kunnen nemen tegen de rechtgevoelende leeraren in de oude Synoden. En hoe kunnen toch vromen leeraars zich in zoodanige verschillen neutraal houden (inzonderheid als het zoo vele jaren aanloopt, eer men tot een recht Gereformeerd Kerkelijk oordeel kan komen) naardien hen van Gods wege bevolen is over de leer met ernst te waken? Hoe konden ook trouwe Kerkedienaren nalaten hun misnoegen te verklaren, dat zij hadden beide aan de leer en proceduren der Remonstranten, als zij zagen, dat dezelven niet alleen hunne nieuwe opiniën onder het voorwendsel van verdraagzaamheid in de Kerken zochten door te drijven, maar zich ook niet ontzagen de leer der Gereformeerde Kerk, op het hatelijkst te hekelen en uit te roepen, ook in hun eerste Remonstrantie in den jare 1610, en daarna nog meer in de Haagsche Conferentie, en inzonderheid in verscheidene achtereenvolgens uitgegeven lasterschriften? Waarom verwijten zij ons het oordeel over hunne leer en handelingen, daar zij ons zoo hatelijk veroordeeld en gelasterd hebben. Zeggen zij, dat wij, als hunne partijen, in de Nationale Synode niet behooren als rechters over hen te zitten, wij zijn tevreden, dienaangaande ons aan het oordeel van andere Kerken, die hare gecommitteerden daar zullen hebben, te onderwerpen. Willen zij dat mededoen, zoo zullen andere Gereformeerde Kerken mogen oordeelen, welke van beide partijen bij de gezonde leer is gebleven. En zoude deze uitzondering der Remonstranten gelden, zoo zal er nimmermeer eenige censuur of discipline in Gods Kerken kunnen geoefend worden, want altijd zullen diegenen, die strafbaar zijn, hetzij in leer en in leven, hunne bestraffers, kerkeraden, klassen en Synoden houden voor hunne partij. Dat zij hier tegen voorwenden, dat waarschijnlijk geen van hen of immers zeer weinigen zullen gedeputeerd worden, tot de voorz. Synodale vergadering, en zij dienvolgens overstemd zullen worden, en hunne leer veroordeeld, te meer, alzoo de Contra-Remonstranten alreede bizondere vergaderingen onder elkander geformeerd hebben, in dewelke zij der Remonstranten leer alreede veroordeeld hebben, als onschriftmatig, en zich tegen dezelve met elkander verbonden en vereenigd hebben, ook met handteekening van eenige bizondere acten; Daarop dient tot antwoord, dat de Remonstranten hunne medebroeders tot zoodanige separatie en afscheiding genoegzaam genoodzaakt hebben, dewijl zij, verwerpende alle kerkelijk oordeel over hunne leer, altijd naar zoodanige onderlinge verdraagzaamheid hebben getracht, waarmede zij hunne nieuwe opiniën, in de vijf punten begrepen, ja ook eenige onder hen vele andere nieuwe leeringen, welke alle ver de vijf besproken punten overtroffen, in Gods Kerk zochten door te drijven, en diegenen, die zulke verdraagzaamheid niet konden toestaan, noch gedoogen, dat in Gods Kerk zulke nieuwe leeringen zouden gedreven worden, uit hunne diensten helpen stooten, de Gemeenten van hare trouwe dienaren en herders beroofd, en degenen, die zich daarover ontevreden hielden, kwalijk laten behandelen. Waardoor zij veroorzaakt hebben, dat de Gemeenten, die zulke hare herders voor getrouwe leeraren [94] der waarheid en dienaren van Christus hielden, zich van zoodanige kwade en verkeerde arbeiders afscheidden. Daaruit volgt evenwel niet, dat zoodanige Gemeenten, die zich van de Remonstranten om de voorgemelde redenen afgescheiden hebben, oorzaken zijn van de scheuring. Want schismatici of scheurmakers plegen in de Kerk genoemd te worden niet degenen, die zich in eenige geschillen over de leer afscheiden van degenen, die zij verstaan afgeweken te zijn van de waarheid (anders zoude de Apostel scheuring gebieden, Rom. 16, 17); maar die zich alzoo afscheiden, dat zij zich aan het oordeel der gemeene Kerken niet begeeren te onderwerpen, of ten minste, die met hunne nieuwe leeringen auteurs zijn van scheuringen in de particuliere Kerken, waarvan de Nationale Synode zal hebben te oordeelen, terwijl de thans gesepareerde Kerken bereid zijn het oordeel der Synode over zich te verwachten. Daarom als de Remonstranten voorwenden, dat in dit tegenwoordige verloop de gewoonlijke loop de gewoonlijke orde der Kerk niet kan gevolgd worden, als voormaals, rebus adhuc integris (dat is, de zaken staande buiten het tegenwoordige verloop) is dit even zooveel, alsof zij zich beroemden, de zaken nu zooverre in het verwarde gebracht te hebben, dat er geen helpen meer aan zoude zijn. Want zij zijn de oorzaak van hetzelve verloop, met zich alzoo tegen de leer der Kerk te stellen, dat zij alle kerkelijke censuren tegen hen bij autoriteit der Overheid hebben doen opschorten. Want naardien zij de eerste afscheiding van hunne medebroederen gemaakt hebben, door, zonder weten derzelven, te zamen te spannen en van de hooge Overheid te verzoeken, dat zij bij hunne opiniën mochten gedragen en gehandhaafd worden tegen alle kerkelijke censuren, die hierover tegen hen zouden mogen voorgenomen worden, hebben zij ondertusschen altijd gearbeid hoe langer hoe meerder aanhang te maken, om hunne opiniën in de Kerk door te drijven. Wat konden diegenen, die naar het getuigenis hunner conscientie en volgens hunne roeping ijverden om de waarheid tegen hunne wedersprekers staande te houden, minder doen, dan dat zij in hunne bijeenkomsten en bizondere vergaderingen overleiden en met elkander beraadslaagden wat best gedaan ware tot handhaving der waarheid en verhindering van alle verdere afbreuk in de leer, en wering van alle schandalen, inzonderheid, dewijl men nu zoo vele jaren na elkander tevergeefs gesolliciteerd had om eene nationale of provinciale Synode, en dat er geen waarschijnlijkheid was, naar menschelijk oordeel, eenmaal daartoe te komen, maar dat men ter contrarie merkelijk zag, dat de Remonstranten alleszins arbeidden met autoriteit der Overheid, ook door onordelijke en tegen Gods Woord strijdende proceduren, in de Kerken predikanten van hunne gezindheid in te dringen, hetwelk, indien zij zoo lang hadden kunnen voortgaan, dat zij eindelijk in alle of de meeste klassen het meeste deel der predikanten aan hunne zijde hadden kunnen krijgen, twijfelen wij niet, of zij zouden dan wel gereed zijn geweest het houden eener Synode te bevorderen, op hoop van hunne opiniën onder het deksel van hunne beweerde verdraagzaamheid door te drijven, gelijk in 't Sticht van Utrecht voor dezen geschied is. Maar nu zij vreezen, zoowel in de nationale als particuliere Synode, bij meerderheid van stemmen tot hun voornemen niet te kunnen komen, zoo nemen zij deze exceptie van de verdeeldheid der Kerken, en het vooroordeel tegen hen gemaakt. Maar hoe kunnen zij met dit voorwendsel zich zelven aan alle oordeelen der Gereformeerde Kerken onttrekken, nademaal zij zich zelven voor leeraars der Gereformeerde Kerken uitgeven? Hoe kan het in eenige reden bestaan, dat degenen, die voor leeraars der Gereformeerde Kerken willen erkend zijn, zich zelven onttrekken zullen aan het oordeel van alle Gereformeerde Kerken? Houden zij de leeraars der Kerken hier te lande voor hunne wederpartij, en hebben zij op dezelven wat te spreken, of daartegen te klagen, dat zij te rijpelijk tegen hen geprocedeerd hebben, laten zij daarover hun beklag doen voor de Nationale Synode. Hebben zij ook iets te klagen over degenen, die uit andere synoden en provinciën in de Nationale Synode zullen verschijnen, zij mogen daarvan diegenen laten oordeelen, die uit andere landen en Koninkrijken zullen komen. Zijn ze met derzelver oordeel, dat ook in tegenwoordigheid en ten overstaan van eenige voornaamste regenten van 't land zal gestreken worden, niet tevreden, laten zij dan verklaren aan het oordeel van welke Gereformeerde Kerken zij zich zelven begeeren te onderwerpen. [95] Willen zij ook dit niet doen, hoe kunnen zij zich voor predikanten der Gereformeerde Kerken uitgeven? Dat zij hier voorwenden het exempel der eerste Reformateurs der Kerk, die zich aan het oordeel van het Concilie van Trente niet hebben willen onderwerpen, dat is immers geheel ongerijmd en vreemd. Want I. dat Concilie van Trente was geen vrij Concilie, dewijl de Bisschoppen, prelaten, en alle leden van hetzelve Concilie aan den Paus van Rome beeedigd waren, niet mogen besluiten, dan hetgeen den Paus behaagde, en door zijnen Nuntius approbeerde, en hetgeen met de voorgaande decreten der pauselijke conciliën overeenstemde; aan dewelke zij zich niet minder met eede verplicht en verbonden hielden, als aan Gods geschreven Woord. Daarenentegen zullen de Gecommitteerden en geroepenen tot de Nationale Synode aan geene menschelijke decreten of schriften gebonden zijn, maar alleen aan Gods Woord, zoodat, indien daar ook iets gevonden wordt in de formulieren van eenigheid onzer leer, dat met Gods Woord niet overeenkomt, zij niet alleen vermogen zullen, maar ook gehouden zijn, hetzelve, naar den regel van Gods Woord, te verbeteren. II. Daarna zoo is het kennelijk, dat de eerste Reformateurs der Kerk zich voor geene leeraars der Roomsche Kerk hebben uitgegeven, maar van dezelve zich afgescheiden hebben, en daarom reden gehad te hebben zich niet aan het oordeel derzelver Roomsche Kerk te onderwerpen. Desgelijks hebben onze leeraars in Duitschland den Lutherschen wel vrede en broederschap aangeboden, maar hunne belijdenis niet aangenomen, noch zich voor Luthersche predikanten uitgegeven, noch toegestaan het gevoelen der Lutherschen in hunne Kerken te laten leeren; daarom niet gehouden zijnde zich zelven aan het oordeel der Lutherschen te onderwerpen. Hoe komt dit overeen met het doen der Remonstranten, die voor leeraars onzer Gereformeerde Kerken willen erkend zijn, voorgevende, dat zij bij de leer der Gereformeerde Kerken zijn gebleven, en evenwel zich aan geen oordeel derzelver Kerken willen onderwerpen? Waaruit men dan ook wel kan verstaan, hoe ongerijmd het exempel zij, dat zij kiezen van een paapsche Nationale Synode, die de Koning in Frankrijk zoude mogen uitschrijven, waaraan de leeraars der Gereformeerde Kerken aldaar zich zelven niet zouden willen verbinden te onderwerpen, want zij zouden daartoe goede reden hebben, dewijl zij nooit voor leeraars der pauselijke Kerken hebben willen aangezien zijn, gelijk deze voor leeraars der Gereformeerde Kerken willen erkend zijn. En wat geven zij met deze exempelen anders te kennen, dan dat zij zich laten dunken zooverre van ons te verschillen, als de eerste Reformateurs verschillende zijn geweest van de Roomsche leeraars, daar zij toch ter contrarie protesteeren, dat ze van 't gevoelen der Gereformeerde Kerken niet zijn afgeweken, maar alleen zich stellen tegen de particuliere opiniën van sommige bizondere leeraars der Kerken. Waarom laten zij dan de gemeene Kerken van hunne leer niet oordeelen? Dat zij ook eenige predikanten niet alleen in de steden dezer provincie, die door Gods zonderlinge genade ongestoord en ongescheurd zijn gebleven, maar in andere provinciën wraken, en uit de beoordeeling over hun leer uitsluiten willen, omdat zij zich tot dienst van eenige gesepareerde of afgezonderde Kerken hebben laten gebruiken, dat heeft immers zoo weinig fundaments als de rest. Want indien de Remonstranten met hunne proceduren en nieuwe leeringen, die eenige hunner voormaals in anderen hebben helpen veroordeelen, de Kerken niet beroerden tot separatie en afscheiding van hen verwekt hadden, zoo ware het niet van noode geweest, dat dezelve predikanten, niet zonder schade van zich zelven en van hunne Kerken, dezelve gesepareerde gemeenten hadden moeten bijstaan. Hetwelk zij evenwel niet gedaan hebben zonder consent, niet alleen van hunne Kerken, maar ook van hunne respectieve Magistraten, die den nood derzelver lijdende Kerken inziende, in de verzorging derzelver op dusdanige wijze bewilligd hebben, omdat die Kerken, die met hen in eenigheid des waren geloofs waren gebleven, anders zouden geweest zijn als arme schapen zonder herder. Zullen nu dezelve predikanten daarom onbekwaam zijn over de leer te oordeelen, hoe meenen dan de Remonstranten tot zoodanig oordeel bekwaam te zijn, nademaal zij zich alreede tegen hunne medebroeders in 't stuk der leer geopenbaard hebben? De predikanten, die daartoe rechtmatig verzocht [96] zijn geweest, hebben de gemeenten, die met hen eens waren in de leer, in haren nood kwalijk kunnen verlaten. Hebben zij daarin kwalijk gedaan, zij onderwerpen zich dienaangaande aan het oordeel der Nationale Synode; laten de Remonstranten hen hierover in een proces trachten te wikkelen, en laat hooren wat de voorschreven Synode daartoe zegt. En worden er eenigen van dezelve predikanten, tot de Nationale Synode gedeputeerd, hierover aangesproken, zij zullen in de beoordeeling over deze hunne handeling nevens hunne aanklagers wel buiten staan, opdat in hunne afwezigheid hiervan te vrijer geoordeeld moge worden. Willen de Remonstranten zich in gelijke manieren aan hetzelve oordeel onderwerpen, men zal ze hooren, en hun doen en leer laten verantwoorden, zoo zij best kunnen. Want een van twee moet zijn, zoo zij voor geen verstoorders der Kerken willen gehouden zijn; of dat zij zich zelven aan het oordeel der gemeene Kerken onderwerpen, of dat zij klaarlijk bewijzen, dat hetzelve oordeel tegen Gods Woord strijdt. Maar inzonderheid toonen de Remonstranten, dat zij zich aan geenerhande oordeel der Kerken begeeren te onderwerpen, als zij ook het oordeel der uitheemsche leeraren durven wraken, zeggende, dat dezelven, behalve dat zij door hunne hartstochten kunnen geleid worden, lichtelijk zullen luisteren naar de onderrichting, die hun hier zal gegeven worden, enz. Evenals of het geen lieden van discretie, verstand en conscientie zouden zijn. Wat is dat anders gezegd, dan dat zij geen menschen ter wereld of immers geene, die alreede belijdenis gedaan hebben van de Gereformeerde Religie, bekwaam achten, om hunne richters te zijn, en dat zij dienvolgens over zichzelven rechters zijn willen, en de Gereformeerde Kerken dwingen, om hen in de Kerken te laten leeren wat hun zelven goeddunkt. Zullen dan voortaan alle Gereformeerde Kerken moeten dwalen en partijdig zijn, omdat zij der Remonstranten gevoelen riet kunnen verstaan met den Woorde Gods overeenkomstig te zijn? Of meenen de Remonstranten, dat zoo vele godzalige en geleerde mannen, als in de Nationale Synode zullen verschijnen, geen conscientie zullen hebben, om onpartijdig te oordeelen over hun gevoelen, en hetzelve toe te staan, indien ze uit Gods Woord hetzelve weten te beweren? Of meenen de Remonstranten alleen den Geest Gods te hebben, en minder te kunnen dwalen als eenige andere leeraars der Kerk. Het is, onzes bedunkens, geheel ongerijmd, dat deze lieden, die wat nieuws in de Gereformeerde Kerken hebben willen invoeren, alle Kerkedienaren willen wraken, en als hunne partij verwerpen. Want even op denzelfden voet hadden voormaals alle ketters het oordeel der Kerken als hunne partijen mogen wraken. Zeggen zij, dat zij niets nieuws hebben gezocht in te voeren, wat zwarigheid hadden zij dan te maken van hetgeen zij hunnen medebroederen hadden mede te deelen en in bedenking te geven? Of wat was het van noode, dat zij van de hooge Overheid bij hunne bizondere opiniën zochten gehandhaafd te worden tegen alle kerkelijke censuren? Wat aangaat het vergelijk of de beslissing dezer geschillen, wij laten die staan ten oordeele der Nationale Synode, die wij toevertrouwen, dat, gelijk zij zich tot geen vergelijk zal verstaan, dat tot nadeel der waarheid zoude strekken, zij alzoo ook geen beslissing zal doen, die zij niet klaarlijk uit den Woorde Gods zoude kunnen bewijzen, dat gedaan behoort te worden. En naardien de Remonstranten zelven bekennen, dat er verscheidene schikkingen kunnen geschieden, al is het dat de leer niet wordt geschikt met kwetsing der waarheid, zoo is te verwonderen, dat zij de Synode zulk eene schikking willen voorschrijven, als hun zoude goeddunken, waardoor zoowel hunne opiniën als het oude gevoelen der Kerken zouden moeten geduld worden. Hiermede meenen wij genoeg beantwoord te hebben het eerste deel der voorschreven Remonstrantie, waarin de Remonstranten redenen, van weigering voorwenden, waarom zij zwarigheid maken van in de Synode te verschijnen, en zich zelven aan het oordeel derzelve te onderwerpen. Wat nu belangt de 12 conditiën, die zij voorstellen en meenen, dat gevolgd en onderhouden behooren te worden, om eene onpartijdige Synode te mogen houden; Wij achten eenige derzelven geheel vreemd, ongehoord en onuitvoerbaar. Want wat zoude dat voor eene Synode zijn, waar twee partijen zouden bijeenkomen, en waar de [97] geheele Synode in twee hoopen zoude verdeeld worden, hebbende elke hoop zijnen bizonderen president en andere directeurs der handelingen, en elk apart bezig zijnde ook in verscheidene kamers, zoo zij in het eerste artikel voorstellen? Wij weten niet, dat er ooit, van der Apostelen tijden af, zulk eene manier van Synode zij gehouden geweest. En waartoe zoude zulks strekken, dan wanneer men den Remonstranten niet konde inwilligen wat zij begeeren, dat zij vrij daaruit mochten scheiden, en alzoo de scheur nog grooter zoude worden als tevoren. Ook zoude zulks directelijk strijden tegen de resolutie, alreede bij de Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, alsook mede bij Uw E. M. hierover genomen. Vrijgeleide en verzekering behoeft noch de eene noch de andere partij te verzoeken, nademaal de constitutie of gelegenheid des lands zoodanig is, dat niemand behoeft te vreezen, dat hem vanwege zijne gezindheid in 't stuk der Religie eenige overlast zal geschieden. Waarop ook de E. Magistraat der plaats al zulke orden zal weten te stellen, dat men H. E. groot ongelijk zoude doen van zulk vrijgeleide te verzoeken. Wij zijn, Gode lof, niet onder het juk des pausdoms, of eenigen dwang van conscientie. Willen zij verzekerd zijn, dat hen ook in 't minste niet miszegd zal worden, wie kan hen zulke verzekering doen, naardien zij zich zelven met hunne proceduren in den haat van een groot deel der Gemeente gebracht hebben? Zoodat wij deze conditie, zoo breed genomen zijnde, zoowel als de voorgaande, voor eene uitvlucht houden, waarmede zij bedingen hetgeen niet practicabel is. Belangende de amnestie of vergeting van alle voorgaande particuliere grove beleedigingen, alsook de vernietiging van alle voorgaande verbintenissen, die achten wij niet noodig, wanneer slechts partijen, die over elkander te klagen hebben, zich zelven ten weerszijden aan het oordeel der Synode onderwerpen, met voornemen van naar hetzelve oordeel zich te reguleeren, en daarna alle voorgaande partijschappen af te leggen en de gepasseerde grove beleedigingen te vergeten. Te bedingen, dat niemand zoude gehouden zijn in de Synode rekening te gevenvan eenige proceduren, bij hem ten onrechte voorgenomen, strijdt ook tegen de orde der Kerken, dewelke medebrengt, dat niet alleen over de leer, maar ook over de proceduren der Kerkedienaren en openbare schandalen, bij hem gegeven, behoorlijk oordeel in de Synode zal voorgenomen worden. En is te duchten, dat zonder behoorlijke censuur dergenen, die met hunne leer of onbehoorlijke handelingen en procedures groote ergenis en schandalen gegeven hebben, de Kerken niet wel gerust zullen gesteld worden. Dat men niet zal onderzoeken welk van beide gevoelens, namelijk der Remonstranten of Contra-Remonstranten, overeenkomt met de leer der Gereformeerde Kerken, zoo dezelve in de Belijdenis en den Catechismus is uitgedrukt, maar dat men eerst en vooral zal zien wat met den Woorde Gods overeenkomt; dat accordeert niet met hetgeen de Remonstranten altijd beweerd hebben, dat zij gebleven zijn bij het oude gevoelen der ware Gereformeerde Kerken, in de Belijdenis en den Catechismus uitgedrukt. Want meenen zij dat, alzoo zij het zeggen, waarom laten zij daarover de Kerken niet oordeelen, dan omdat zij vreezen, dat zij dan zullen bevonden worden zich hierin ten onrechte beroemd te hebben? Wij zeggen evenwel niet, dat het genoeg zal zijn, dat zij bevonden worden tegen het oude gevoelen der Kerken meeningen gehad en geleerd te hebben; maar bekennen noodig te zijn, dat men dan verder ga, om te onderzoeken, welk gevoelen met Gods Woord het best overeenkome, te weten, het oude gevoelen der Kerken of der Remonstranten nieuwe opiniën. Wat belangt het schriftelijk handelen, dat stellen wij in het oordeel der Synode. Van de revisie is voordezen genoegzaam verklaard, dat wij niets er tegen hebben, dat de belijdenis overlezen en overzien worde, naar oude gewoonte. En zijn weltevreden dat die geen censuur over hunne bedenkingen dragen, die zich aan het oordeel der Synode onderwerpen, en de orde volgen, hier opgenomen. Verstaan ook, dat de Nationale Synode hare vrijheid zal behouden te beslissen wat zij verstaat, dat naar Gods Woord beslist behoort te worden, en voorts te doen tot vrede der Kerken al wat zonder schade der waarheid en met stichting der Kerken gedaan kan worden. Waarin wij vertrouwen, dat de Gecommitteerden tot de Nationale Synode elkander wel zullen verstaan. [98] En dat de Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, overtuigd zijnde van de waarheid en oprechtheid der Synodale resolutiën, hetzelve zullen approbeeren, om bij publieke autoriteit ter executie te doen stellen. Gelijk wij ook meenen, dat tot oordeel en discretie, zoo van de Synode, als van de hooge Overheid behoort gesteld te worden, hoe men zal handelen met degenen, die zich aan het oordeel der Synode zullen onderwerpen, of niet onderwerpen.
Edelmog. zeer voorzienige Heeren. Dit is kortelijk hetgeen wij U E. M., met behoorlijke eerbiediging en onderdanigheid, aan te dienen hadden, voor ons advies op de voorschreven Remonstrantie. Er zouden wel meer dingen in dezelve Remonstrantie aan te merken staan: als aangaande hetgeen zij inbrengen tot beschuldiging van de handelingen der Geldersche Synode, en van den president in dezelve (waarover dezelve praeses vanwege dezelve Geldersche Synode deze onze vergadering assisteerende, zich hoogelijk heeft beklaagd, en ons tegenovergestelde verklaring gedaan) alsook van verscheidene onrechte beschuldigingen, blamen, en grove beleedigingen tegen verscheidene leeraren, zoo binnen als buiten deze provincie, waarvan wij wel zouden kunnen bewijzen, dat zij meer te beschuldigen zijn, dan diegenen, die zij bij r E. M. zoeken door te halen, en andere particulariteiten meer. Maar, om U E. M. niet moeilijk te vallen met al te lange schriften, om ook volgens Uw E. M. bevel, ons te vermijden van alle hevigheid, hartstochten, en menschelijke aandoeningen, hebben wij niet goedgevonden op alle particulariteiten te antwoorden, en alle beschuldingen en lasteringen op het heftigste te bejegenen; U. E. M. ootmoediglijk biddende ons antwoord ten beste te willen duiden, en hierop verder te willen beschikken, zooals U E. M. wijsheid tot den meesten dienst der landen en rust der Kerken zal noodig vinden. En alzoo deze klagers op het einde van deze hunne Remonstrantie zich laten verluiden, dat zij hunne ooren tegen alle oproepingen op zoodanige Synode (gelijk zij in deze Remonstrantie wederspreken) sluiten zullen, hetwelk eenigen van hen alreede metterdaad bewezen, door zich niettegenstaande Uw E. M. bevel om te gaan, aan hen lieden gedaan, van deze onze Synode zich te verwijderen; Zoo bidden wij U E M. daarop te willen letten, en orde te stellen, dat diegenen, die op deze, of ook op de Nationale Synode opgeroepen zijn, of nog opgeroepen zullen worden, in geen gebreke blijven van te verschijnen, waar zij beschreven worden, om van hunne leer en hun doen rekening te geven. Gedaan in onze Synodale vergadering binnen Delft, den 24 October in het jaar zestienhonderd en achttien.
Uwer E. M. onderdanige dienaren, de predikanten en ouderlingen, gecommitteerd tot de ZuidHollandsche Synode binnen Delft, en in aller naam: H e n r i c u s A r n o l d i, Praeses, B a l t h a s a r L y d i u s, Assessor, J o h a n n e s L a m o t i u s, Scriba.

|