Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Zitting 24


    DE VIERENTWINTIGSTE ZITTING.

    Den 8en December, Zaterdagvoormiddag.

    De Utrechtsche Remonstranten, verzocht zijnde hun gevoelen te willen verklaren van het voorstel, den voorgaanden dag hun voorgesteld, hebben schriftelijk geantwoord, dat zij bereid waren met de anderen den Synodalen eed te doen, en meenden, dat zij zoo nauw niet waren gehouden aan den last om de zaak der Remonstranten te verdedigen, voornamelijk, dewijl hunne instructiebrieven hen in deze verdediging vrij lieten, namelijk in zooverre zij dezelve noodig zouden achten.
    Maar dat zij oordeelden, nu niet noodig te zijn zich bij de gedaagde Remonstranten te voegen, tot verdediging van deze zaak.
    Opdat zulks der Synode zoude mogen blijken, is hun belast de instructiebrieven, of ten minste dat deel derzelve, hetwelk deze toelating inhield, den praeses over te leveren; dewelke voortgebracht, en eenige regelen uit dezelve openlijk voorgelezen zijnde, is de Synode verzocht te willen verklaren, of daar
    [69]
    mede hun klaar genoeg macht gegeven werd om van deze zaak te mogen oordeelen, en vervolgens, of zij als richters van die zaak in de Synode behoorden en mochten zitten. Hoewel nu uit de voorgelezene regelen dezer brieven niet klaar konde blijken, dat hun macht gegeven was om te oordeelen en te beslissen, en zijlieden beter zouden doen, dat ze op hunne klaardere instructiën, waarmede hen geboden werd deze zaak te verdedigen, zouden afgaan, voornamelijk, dewijl geene Remonstranten uit de Provincie van Utrecht tot verdediging van dezelve zaak waren geciteerd, opdat nochtans de Synode niet zou gelasterd worden, alsof zij dezelven had willen uitsluiten, is verklaard, dat zij onder de richters mochten zitten, op deze conditiën.
    1. Dat zij rondelijk en oprechtelijk zouden verklaren, dat zij macht hadden niet alleenlijk om een vergelijk te treffen, maar ook om te beslissen, niet alleenlijk aangaande de waarheid, maar ook aangaande de valschheid der Vijf Artikelen, zoo zij in consciëntie overtuigd werden, dat ze valsch waren.
    2. Dat zij in deze zaak den gedaagden niet zouden deelachtig maken, of buiten de vergadering aan hen openbaren, hetgeen in het afwezen der gedaagden in hunne zaak gedaan of gesproken zou worden.
    3. Dat zij, terwijl men doende zou zijn met deze zaak, de handelingen der Synode, met ontijdig tusschengeworpene voorstellen, niet zouden verstoren.
    4. Dat zij daarna in den graad der richters zouden blijven, en dat het hun niet vrij zoude staan naderhand zich bij de Remonstranten, of de voorstanders dezer zaak te voegen.
    5. Eindelijk, dat zij denzelfden Synodalen eed doen zouden, dien de andere richters hadden gedaan. Welke dingen voorgesteld zijnde, hebben zij wederom verzocht, dat men hun deze conditiën bij geschrifte en tijd, om daarover te beraadslagen, geven wilde.
    Beide is hun toegestaan, en hun is tijd vergund om te beraadslagen tot den avond toe.
    In dezelfde Zitting zijn voorgelezen brieven aan den praeses en de assessoren, geschreven door de Gedeputeerden der Zuid-Hollandsche Synode.
    Daarin werd verzocht, dat T h e o p h i l u s R i j c k e w a e r t, predikant der Kerk van Den Briel, die hier onder de gedaagde Remonstranten tegenwoordig was, zich drie dagen van deze Synode mocht absenteeren, opdat hij in de classis van Den Briel, welke zij bezig waren te visiteeren, op de beschuldigingen, die veel en zwaar tegen hem in dezelve classis waren voortgebracht, zich mocht verantwoorden.
    De E. Gecommitteerden hebben, toen hun advies op dit verzoek gevraagd werd, geantwoord dat, hoewel degenen, die voor een meerdere vierschaar geroepen zijn, niet met recht voor een mindere kunnen geroepen worden, men nochtans den voornoemden T h e o p h i l u s in zijne vrije keus zoude stellen, of hij op dezen tijd aldaar voor de classis wilde verschijnen of niet.
    Met welk advies der E. Gecommitteerden de Synode zich heeft vereenigd.