Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Zitting 23


    DE DRIEENTWINTIGSTE ZITTING.

    Den 7en December, Vrijdagvoormiddag.

    De Doorl. Gecommitteerden hebben hun gevoelen, aangaande het verzoek der Remonstranten, met deze publieke resolutie verklaard.

    Op het verzoek der Remonstranten, die verzocht hadden, dat G r e v i n c h o v i u s en G o u l a r t i u s, welker tegenwoordigheid en bijstand zij voor zich noodig hielden te zijn, hun mochten bijgevoegd worden, hebben de E. Gecomiteerden der Hoogmog. Heeren Staten, gehoord hebbende het oordeel van afzetting van beiden, door de bevoegde Rechters uitgesproken, en wettiglijk ter executie gesteld, en totnogtoe door geen appel tot een hoogere, of eenige andere klacht opgeschorst, verklaard en verklaren mitsdezen opzettelijk, dat zij de begeerte en het verzoek derzelve gedaagden, naar den last der Heeren Staten niet kunnen noch behooren toe te staan. Alzoo nochtans, dat zij goediglijk en uit gunst dezelve G o u l a r t i u s en G r e v i n c h o v i u s toelaten, dat zij vrijelijk tot de Synode komen, de zaak der Remonstranten in 't bizonder met raad bevorderen en bijstaan; met conditie, dat daarmede aan de Synodale handelingen geen uitstel of verachtering ingeworpen worde. Daarenboven gehoord en ten volle overwogen hebbende de`redenen derzelve gedaagden, hebben toegelaten, en laten toe mits dezen, indien de voorzeide twee zouden meenen, dat tot verklaring of verdediging der vijf welbekende Artikelen, alsook de rest, die daarvan afhangen, voor de afkondiging van het Synodale besluit, zoude ontbreken,hetwelk tot meer volkomene en verdere verklaringen daarvan zoude mogen dienen, dat zij alsdan, verlof van de Synode verkregen hebbende, hetzelve kortelijk, en zediglijk zullen mogen voordragen en bij geschrift stellen, mits zich zelven aan het oordeel der Synode onderwerpende. Gelijk zij ook begeeren, dat alle censuren en oordeelen, die totnogtoe tegen hen zijn uitgesproken, vast en bondig zullen blijven, welke zij over zulks door deze hunne weldaad gansch niet willen verkort of verminderd hebben. Maar ter contrarie oordeelen zij billijk te wezen, dat zij hun volle en vaste autoriteit, gelijk dat behoort, zullen blijven behouden.
    Met dit advies der E. Gecommitteerden heeft de Synode geoordeeld, dat men behoorde tevreden te zijn.
    Maar dewijl den Utrechtsche Remonstranten belast was, dat zij de zaak zouden verdedigen, en derhalve voor gedaagden tot verdediging van dezelfde zaak met de rest gehouden werden, gelijk ook uit de brieven van citatie was blijkende, en dat hunne gelegenheid dezelfde scheen te wezen als die van M. S i m o n E p i s c o p i u s was, zoo zijn zij vriendelijk vermaand geweest te willen bedenken, of zij, terwijl die zaak verhandeld werd, onder de rechters zitten, en met de rest den Synodalen eed zouden doen, dan of zij liever zich als voorstanders van dezelfde zaak bij de gedaagde Remonstranten
    [57]
    behoorden te voegen; want het scheen, dat zij of dit moesten doen, om te voldoen aan den last dergenen, die hen hadden gedeputeerd, of dien last laten varen, en een nieuwe van hun lastgevers eischen. Zij hebben verzocht dit voorstel bij geschrift te hebben, en tijd om daarover te beraadslagen. Hoewel nu dit geen wijze was, en ook niet noodig scheen, gemerkt de zaak klaar genoeg was, nochtans om hier ten eenenmale te voldoen, zoo heeft men ze ettelijke maal herhaald, en daarna bij geschrift gegeven, en tijd ter beraadslaging verleend tot 's anderen daags.
    Zijn in dezelfde zitting verschenen de gedaagde Remonstranten, en is hun aangezegd wat er besloten was, aangaande hun verzoek om G r e v i n c h o v i u s en G o u l a r t i u s toe te laten, en tot dien einde het besluit der E. Heeren Gecommitteerden voorgelezen. Nadat zij nedergezeten waren, heeft M. S y m o n E p i s c o p i u s, professor der h. Theologie in de Academie van Leiden, uit naam van allen, zonder verlof te vragen, een oratie gedaan. In dewelke zij verklaarden degenen te wezen, die waargenomen meenden te hebben eenige dingen bij sommige anderszins vermaarde personen, wien een zeer groote dapperheid eigen is, dewelke zij meenden, dat met de glorie der wijsheid, goedheid en rechtvaardigheid Gods, met de liefde onzes Zaligmakers tot de menschen, met zijne voldoening en verdiensten, met de natuur des Woords, en der bediening des H. Geestes, met het gebruik der sacramenten en eindelijk met het ambt van een Christenmensch niet konden bestaan. Welke zij, ten andere, meenden vergezelschapt te zijn met groote ergernis der vromen, met een onuitwistbare schandvlek onzer Reformatie, ongeloofelijke schade der godzaligheid, waarmede eindelijk onzen tegensprekers klare stof werd gegeven om onze Reformatie te lasteren en te blameeren. Dat deze dingen grooter en zwaarder waren, dan dat zij ze met oogluiking konden voorbijgaan. Derhalve hadden zij gezocht dit ongelijk en deze schandvlek van onze Gemeente af te keeren; hoewel dit hun voornemen hun niet wel was gelukt. Dat zij om deze oorzaak kwalijk werden behandeld, en in den gemeenen haat waren gekomen;dat zij om dezelve veel ongelijk hadden geleden, hetwelk zij wijdloopig en met veel woorden vergrootten en verhaalden. Dat zij deze drie dingen voornamelijk hadden gedaan: ten eerste, dat zij gezocht hadden zich openlijk en met opzet te stellen tegen degenen, die eenige schrikkelijke en gruwelijke opiniën sommiger leeraren, of zelven zeiden toe te staan, of voor het eigen gevoelen onzer Kerken zeiden te moeten gehouden en behouden worden. Ten andere, dat zij een afgrijzen hadden gehad, en openlijk zich tegen diegenen gesteld hadden, welke beweren, dat men om hunne vijf Artikelen, eer de Synode eenig oordeel gegeven had, een afzondering of absolutelijk, of bij provisie, zoo men spreekt, mocht, of behoorde te maken, of die met stilzwijgen of metterdaad zelve, hadden getoond die afzondering toe te staan. Het derde, dat zij altijd de hardheid van zoodanigen hadden verworpen, dewelke, als men de voornaamste noodige fondamenten der waarheid bleef behouden, dikwijls lichte en niet noodige verschillen terstond in verdenking van gruwelijke ketterij hadden gebracht. Dat daarbij was gekomen de quaestie van het recht en de autoriteit der Overheid in Goddelijke zaken. Deze hadden zij geacht van zulk een gewicht te zijn, dat zij meenden, dat zij aan hun ambt geenszins zouden voldaan hebben, tenware zij naar hun vermogen hiertegen waren geweest. Eindelijk baden zij de Synode zeer ernstiglijk, en voornamelijk de uitheemsche Theologen, dat zij alle vooroordeelen afleggen en in oprechtheid kennis van de zaak wilden nemen. Wat hun aanging, dat zij met die hope waren gekomen, of om dezelve, gelijk zij ze totnogtoe verdedigd hadden, voor de Synode goed te maken, of de victorie der waarheid, indien zij ze verloren, te behalen.


    Hierop is gevolgd de Oratie van Meester Simon Episcopius, gedaan in dezelfde Zitting, den 7en December 1618.

    Doorluchtige en Hoogmogende Heeren, Eerwaarde, Vermaarde, Geleerde en Voorzienige Mannenbroeders.

    Wij kunnen niet nalaten, in den'eersten ingang (gelijk men dat gemeenlijk zegt) naar het exempel der Apostelen, en gelijk het den Christenen betaamt, ulieden allen en een iegelijk, te wenschen van God, den Vader, en onzen Heere Jezus Christus, voor alle dingen de genade en den vrede, inzonderheid de
    [58]
    gemeenschap des H. Geestes, opdat die ulieden zulke raadslagen wil ingeven en inblazen, welke de bedroefde Kerk van Jezus Christus, en ons verslagen en helaas! al te zeer beroerd Vaderland mogen profijtelijk en heilzaam wezen. Amen.
    Dezen wensch en deze bede van harte uitgesproken hebbende, opdat wij niet ten eenenmale zonder voorrede wezen zouden, zullen wij ulieden met weinige woorden, indien 't ulieden belieft, aanspreken, ernstiglijk biddende, dat het ulieden niet zwaar valle, ons het gebruik van een weinig tijds en kort te vergunnen.
    Onder alle zorgen, die veel en verscheiden, van alle vorige tijden, en nog heden ten dage de menschen bekommeren, is er geenerhande zorgvuldigheid, die een Christenmensch meerder en waardiger behoorde te achten, als die, welke tot bevordering van den waren en zaligmakenden Godsdienst opgenomen wordt.
    Want de stand en gelegenheid van alle andere zorgvuldigheden is zoodanig, dat zij, of verre onder de waardigheid des menschen, en voornamelijk van een Christenmensch, gesteld zijn, of dat een Christenmensch dezelve gemeen heeft met andere dieren, aan welke de ziel alleenlijk gegeven is, om hunne lichamen voor den ondergang of het verderf te behoeden.
    Alleen de zorgvuldigheid van den Godsdienst onderscheidt den mensch van de onvernuftige dieren, en is den mensch op zoodanige manier eigen, dat hij niet zoozeer door de rede (waarvan eenige ruwe beginselen en nasporing in de beesten geprent zijn) als wel door den Godsdienst van hen schijnt onderscheiden te worden, en wat hier hoofdzaak is, omdat hij, door dit eenige middel, zich zelven tot de eeuwigheid en gelukzalige onsterfelijkheid, eenen weg bereid maakt.
    Daarom moeten geoordeeld worden, wel en ordentelijk te doen, niet alleenlijk die, welke geen andere zorg, dan voor zich zelven pleegt te bekommeren, maar inzonderheid de Prinsen, regeerders des volks, en opzieners of voorstanders der Kerken (aan dewelken dit van den Allerhoogste belast is, dat zij niet alleenlijk voor hun eigen gemak en profijt, maar voor vele anderen zouden waken en zorg dragen), die zich geheel en al, meer dan anderen, tot deze zorg begeven, opdat zij zich zelven en het volk, dat onder hen gesteld is, en hun van God bevolen is, voor God en zijnen Zoon Jezus Christus zoo godvruchtig mogen voorstellen, als het mogelijk is.
    Want in andere dingen is een geringe en licht overeenloopende zorg genoegzaam; maar de zorg van deze eenige zaak vereischt voor zich, door haar eigen recht en verdienste, den ganschen mensch.
    Dit is de oorzaak geweest, Eerwaarde, wijdberoemde en hooggeleerde Heeren, waarom wij ook, aan dewelke niet alleen onze eigene zorg, maar ook die onzer gemeente, van onzen Heere Jezus Christus bevolen en opgelegd is, voorzeker gehouden hebben, dat dit ons ambt is, dat wij dezen onzen last, die ons opgelegd is, behoorlijk zouden kwijten, en naarstelijk en zorgvuldiglijk voorzien, dat de heilige en onbevlekte Godsdienst onzes Zaligmakers niet door onze schuld eenige schade zonde lijden, dat is, dat niet zulke leeringen in de harten onzer toehoorders zouden ingeplant of ingegoten worden, die door haren aard en aangeboren eigenschap, zouden schijnen voortgebracht te wezen, om de liefde van den heiligen Godsdienst uit te roeien of te verzwakken.
    Als wij den Godsdienst noemen, zoo verstaan wij daarbij het oprecht gevoelen van God en Christus, den Middelaar, en den waren en oprechten Godsdienst en de gehoorzaamheid, die hierop gegrond wordt; want, gelijk het een zonder het ander niet kan bestaan, alzoo is dezer beider zorg tegelijk den dienaren van Jezus Christus opgelegd, hoewel niet met gelijke noodwendigheid. Want de Godsdienst laat kwalijk eenige onwetendheid of gebrek toe, omdat het noodzakelijk volgt, dat, door oorzaak van een van beide, de oprechtheid van deze gehoorzaamheid gekwetst wordt, dat is, tegen het gebod gezondigd wordt, bij welk gebod de belofte des eeuwigen levens gevoegd is. Het gevoelen kan wel lijden eenigen misslag en onwetendheid, die den Godsdienst of der gehoorzaamheid gansch niet schadelijk zijn. Want sommige gevoelens zijn van die naturen en van dien aard, dat zij tot den Godsdienst niet noodzakelijk zijn, noch ook door zich zelven profijtelijk. En zoo iemand in dezen de eenvoudige onwetendheid, of bloote dwaling wil lasteren en hatelijk schelden, voorwaar die moet het gansche menschelijk geslacht met eene schandvlek bekladden. Want wij dwalen en haperen allen lichtelijk in die goddelijke en hemelsche dingen, sommigen over zware, anderen over lichter dingen,
    [59]
    en niemands verstand heeft ooit alle waarheid zoo begrepen, dat hem niet somtijds wat ontvlogen is of bedrogen heeft. Maar wederom, aan de andere zijde, zijn er sommige gevoelens, op dewelke, als op schragen of grondvesten de geheele Godsdienst steunt en rust, of die ten minste, om den Godsdienst zelven aan te raden, te versterken en te bevestigen, door zich zelven geen klein gewicht of kracht hebben; deze kan noch mag niemand, die den heiligen Godsdienst onzes Zaligmakers ter harte gaat, goedsmoeds verdragen, dat zij zouden omgestooten of verzwakt worden. Want op het allereerste wordt een Christelijk gemoed geraakt, gelijk een oogappel, aan hetwelk het minste stofke pleegt te kwetsen, en daarom zoekt, zoo haast het gewaar wordt daarmede belast te zijn, hetzelve weg te werpen.
    Opdat gijlieden, wijdberoemde mannen, mocht verstaan, waartoe deze dingen gezegd worden; wij zijn degenen, die ons lieten voorstaan, dat wij zagen, dat eenige zulke gevoelens, van sommigen, anderszins mannen van grooten naam en aanzien, welke hunne geleerdheid en autoriteit met recht zeer hoog verheven had, met grooten ernst gedreven en staande gehouden werden, die nochtans met de eer van de Goddelijke wijsheid, goedheid en rechtvaardigheid, met de liefde onzes Zaligmakers tot het menschelijk geslacht, zijne voldoening en verdiensten, met de natuur van het heilige Woord en den dienst en het gebruik der Sacramenten, en eindelijk met het ambt van een Christenmensch, schenen niet te kunnen bestaan; daarna ook die met groote ergernis der goeden, een onuitwischbare schandvlek onzer Reformatie, en met een ongelooflijke schade der godvruchtigheid schenen vergezelschapt te wezen, en die wij zagen, dat aan onze wederpartijen aan alle kanten een overvloedige stof gaven, om onze prijselijke Reformatie, die met zoo goede beginselen nu ingesteld is, te lasteren en te schelden. En niet alleenlijk dit, maar wat het grootste van alles is, omdat wij zagen, dat alle deze gevoelens van sommige geleerde mannen, als zekere en ontwijfelbare regels onzer Kerken van onze tegenpartijen gelasterd en bevochten werden, dat ook in deze, als in eigene en aangeboren wonden onzer Kerk, de nagelen, tanden, tongen en pennen onzer vijanden van alle kanten ingedrukt en ingehecht worden.
    Welke zaak, als zij ons zeer verdroot, hebben wij, een iegelijk en elk voor zich zelven, ons uiterste best gedaan, dit ongelijk, ten onrechte het gansche lichaam der Kerk opgedrongen, van onze Kerken af te weren, en niet toe te laten, dat het schoone en zuivere aangezicht onzer Kerken, met deze schandvlek zoude gebrandmerkt worden, en dat met die dingen, welke maar bizondere gevoelens waren van eenige schooldoctoren in de Kerk, niet de geheele Kerk zou bekladden; maar helaas! dit godvruchtig voornemen en oogmerk is ons zeer kwalijk en ongelukkig vergaan; want, als wij meenen de Kerk eenen goeden dienst te doen, zoo zijn wij gewaar geworden, dat wij de medicijnen en heelpleisters op die plaats gelegd hadden, alwaar (gelijk het in een ongezond lichaam pleegt te geschieden) alle de kwade humeuren of vochtigheden ten eenenmale en al te zeer ontstoken en beroerd zijn, zoodat daaruit over het geheele lichaam bijkans een doodelijke brand ontstaan en gevallen is.
    Voorwaar tegen onzen wil en dank, ja terwijl wij zulks niet eens vermoedden, is de zaak aldus uitgevallen, derhalve ook zonder eenige verdienste of schuld van ons.
    Want wat schuld, en niet veel beter eer, kon daarin gelegen zijn, dat wij wilden hebben, dat de eer en reputatie van onze Kerk, van alle schandvlekken, die haar ten onrechte toegedicht werden, zoude behoed en beschermd wezen?
    Zal iemand een getrouw dienaar van Jezus Christus tot schuld of schande rekenen, dat hij zijn uiterste best doet, dat de de geheele Kerk om de bizondere gevoelens van eenige weinigen niet zoude gelasterd worden?
    Voorwaar, indien iemand deze zaak wel en behoorlijk zal overleggen, die zal niet ons, maar de boosheid en verdorvenheid des tijds de schuld geven.
    En zoo verre is het van daar, dat ons dit ons oogmerk of voornemen zou berouwen, dat wij het ook fraai en eerlijk achten te wezen, om zulk een voortreffelijke zaak den haat van deze onze tijden op onze schouders te laden, dat wij ook meenden ambtswege schuldig te zijn, in een prijselijk voornemen te blijven, en te volharden, tenware dat wij van onzen Heere Jezus Christus wilden gehouden wezen voor overloopers en verlaters van een goede záak.
    Want voorwaar, 't is ook vrij wat, de gelukkige uitkomsten van groote en aanzienlijke daden te verliezen, en al is het, dat niet wel uitvalt, hetgeen gij wel raadt, nochtans ten beste te willen raden, hetgeen der Kerk dienstig is, en daartoe noodzakelijke en profijtelijke middelen te willen verzoeken en
    [60]
    beproeven, al is het ook zonder goeden voortgang.
    En voorwaar, er was geen oorzaak of reden, waarom wij zouden meenen, dat men anders behoorde te doen. Want de zaken die wij zochten af te schaffen, waren grooter en gewichtiger, dan dat wij daarover stilzwijgen zouden, en ze door de vingeren zien.
    Want gijlieden moet niet meenen waarachtig te wezen hetgeen dat tot groot nadeel van onze zaak, totnogtoe onder het volk gestrooid is, te weten, dat bijna om niet met al, en om de snippers of het schrapsel der nagelen, van ons tegen die groote en vermaarde mannen een twist opgenomen is. Dat wil toch niet toelaten die God, denwelken wij dienen in den geest, dat wij in zaken van Religie om geringe en kleine dingen, ja bijna om niet met al, met iemand lichtvaardig een gekijf zouden maken, of dat wij er vermaak in zouden hebben, om het klieven van een stroo, gelijk men dat gemeenlijk zegt, met elkander te twisten, en de verschillen, gelijk een zager zijne zaag, over en weer ophalen. Want gewisselijk, een oprecht Christengemoed betracht ernstige, treffelijke en vaste zaken, en die gewicht en aanzien hebben; kleine dingen stelt het verre onder zijne voeten, en werpt ze achter zijnen rug, het heeft ook geen vermaak in kleine dingen. Het betaamt een voorzichtig man niet te twisten over nietige dingen dan met groot hartzeer; maar een godvruchtig man betaamt het over zulke dingen gansch niet te willen strijden. Het is de pijne niet waardig, dat men verschil zoude maken van andere dingen, als die gansch noodzakelijk zijn en profijtelijk ter zaligheid.
    Daarom, alzoo dit gevoelen in het binnenste onzer harten vastgeworteld was, zoo zijn wij zonder eenige onzer verdiensten gevallen in een zwaren en ellendigen staat, dat is, in een openbaren en bijna allemans haat.
    Zoo zwaar valt het aan die verouderde en ingewortelde opinie, inzonderheid, die door de autoriteit van eenig uitnemend of aanzienlijk man ondersteund zijn, de hand te slaan, en het kwaad, dat nu heel wel, of, om beter te zeggen, lang en vastgezet is, van zijne plaats te nemen. Want van toen aan heeft men ons als openbare vijanden der Religie en Reformatie, tegenpartijders der waarheid, beroerders der gemeene rust, vijanden des Vaderlands, drijvers der nieuwigheden, voeders en voorstanders van alle ketterijen, wreedelijk (ik zal dit harde woord gebruiken) behandeld; alle de bakken der scheldwoorden en gruwelijke beschuldigingen zijn uitgegoten; men heeft zich tegen onzen goeden naam en faam met uitgezochte en hiertoe gemaakte woorden en schriften gekant, met zulk een heftigheid, zulk een ijver en arbeid, dat wij (ik zal de woorden des Apostels gebruiken) geworden zijn als uitwerpsel en uitvaagsel dezer wereld. Het is niet noodig te bewijzen dat dit waar is, hetgeen dat deze tien jaren lang; de heele hemel en deze Nederlanden getuigen het; gepasseerd is; ook kan het niemand onbekend wezen.
    Zelfs de muren der kerken, de predikstoelen, de lessenaars of gestoelten, de wandelplaatsen, de markten, de hoeken der straten, de maaltijden spreken het niet, maar zij roepen het: jan en alleman, zoo men zegt, is het bekend; want in het eerst zijn de harten dergenen, die anders geenszins de kwaadste waren, met heimelijk nadenken, als met onderkruipingen en ondergravingen vooringenomen en bedrogen geworden, zoodat zij van degenen, die zij te voren plegen liever te hebben dan hun eigen hart, vervreemd geworden zijn.
    Welk kwaad vermoeden is het eerste venijn om de vriendschap te dempen. Daarna, als de gemoederen met openbare lasteringen (al is het, dat die ijdel en valsch waren) gelijk als met een verpeste lucht ontstoken zijn, zijn zij begonnen tot haat en gramschap uit te vlammen, ja, toen er eindelijk die oproerige predikatiën bijkwamen, zijn zij, gelijk als waaiers en blaasbalken, zóó ontvonkt en ontstoken geworden, dat zij tot scheldwoorden, schimpen, spotten, kwaadspreken, en andere vruchten des toorns zijn begonnen uit te bersten, totdat eindelijk, alle de banden van heerlijkheid, billijkheid en zedigheid gebroken en ter nedergeworpen zijnde, een iegelijk al wat zijn hart lustte, tegen ons, als slachtoffers van den gemeenen haat, vrijelijk mocht uitsnappen en uitbraken.
    Goede Jezus! wat hebt gij niet van uwen troon zien en hooren voornemen tegen ons, onnoozelen en onschuldigen! hoe dikmaals zijn onze zuchtingen bij u tot in den hemel toe opgeklommen! Hoe dikmaals, hoe vuriglijk hebben wij onze zielen voor u uitgestort, wien alleen wij wel wisten, dat onze onnoozelheid genoeg doorzichtig en bekend was! Wij nemen U tot getuige, Heere Jezus! Gij, die oordeelen zult de levenden en dooden, of wij wel aan iemand gerechtige oorzaak gegeven hebben, van
    [61]
    zoo veel gramschappen, klachten, stoornissen, lasteringen en blamen. Nochtans, Hoogberoemde mannen! meent niet, dat dit aldus van ons gezegd wordt, alsof in deze hitte der oneenigheid van ons niet iets kwalijk aangericht, gezegd, geschreven, of gedaan ware, dat niet wel eenige berisping waardig zoude zijn.
    Dat zij verre; want al is het, dat wij van de gerechtigheid en waarheid onzer zaak ten volle in onze harten verzekerd zijn, wij weten nochtans, hoe zwaar het is in zulke beroeringen en stormen des gemoeds, het roer altijd recht te houden, en het gemoed altijd ten eenenmale oprecht, en van alle misslagen bevrijd, te bewaren.
    Wij zijn menschen, niets menschelijks meenen wij vreemd van ons te wezen.
    Maar dit willen wij alleenlijk zeggen, dat niets van ons is voorgenomen geweest, dat wij niets begeerd, niets gewenscht, niets verzocht hebben, dat zulk een algemeenen haat zoude mogen verdiend hebben.
    Waarom wij ons ook, terwijl wij dit wit van onze raadslagen en al ons pogen voor oogen hadden, tot dadelijk zorgen, met al onze macht, hebben begeven, al was het, dat hiertegen zich niet weinigen kampten en stelden, opdat de bloeiende band van onze Kerk, en het heilig lichaam onzes Heeren Jezus Christus, hetwelk na zooveel zweetens, na zooveel arbeids, onder zoo zware oorlogen, in het midden der beroerten onzes Vaderlands, onder doodslagen en verscheuringen van zooveel onnoozele menschen, uit het bloed der martelaren als bijeen gegroeid was, met een nieuwe scheuring, niet mismaakt en vaneengerukt zoude worden, en met een ellendige en beklagelijke afscheiding, bijna in de wieg zijner eerste beginselen, niet zoude in stukken getrokken worden.
    Wij bekennen gaarne:hierin hebben wij langen tijd zeer vastgestaan, en als met een ankerspijker zijn onbeweeglijk gehecht geweest al onze zorgen, gedachten, raadslagen, en ootmoedige gebeden, tot onzen oppersten en allerbesten God.
    Wij hebben hiertoe, zooveel als wij gekund hebben, samen met de vrome helden onzes Vaderlands, al onzen vlijt en naarstigheid aangewend, dat geen nieuwe wonde aan de Kerken zoude gegeven worden, om welke te genezen geen zoo ervaren medicijnmeester niet mans genoeg zoude kunnen zijn.
    Want vele exempelen van voorgaande tijden, van onze en van de voorgaande eeuw, hadden ons genoegzaam geleerd, dat men met eene lichte daad en weinig 'moeite wel een wonde kan maken, maar dat zij, gemaakt zijnde, zeer bezwaarlijk kan genezen worden, en hoe langer de wonde gaapt, hoe kwalijker zij, en niet dan met een leelijk litteeken, kan genezen en bijeen gebracht worden, ja dat zij dikmaals ongeneeslijk en voor alle remediën ongevoelig is.
    Opdat wij dan, zooveel in ons was, dit kwaad mochten voorkomen, hebben wij in eenige reizen aan de Regeerders onzes Vaderlands vertoond, dat zij ons een van deze drie dingen zouden believen te vergunnen, dat, of een Synode, op dien voet als bij hen besloten was, verkondigd en bijeengeroepen werd; of, indien dat de gemeene zaak niet profijtelijk scheen te zijn, om de al te groote en nieuwe beroerten der gemoederen, welke de oprechtheid des oordeels plegen te beroeren en te vervalschen, dat alsdan een verdraagzaamheid aan beide zijden voor een tijd mocht beraamd worden, dat is, dat een iegelijk zijn gevoelen van deze verschillende punten (nochtans binnen zekere palen van eerbiediging, manierlijkheid, en godvruchtigheid besloten zijnde) zoude vrij gelaten worden, totdat iets anders zoude besloten wezen; of, indien ook dat niet raadzaam gevonden werd, en dat de rust of behoudenis des Vaderlands niet konden bestaan, tenware wij daaruit geworpen werden, dat zij ons alsdan zouden gebieden onze bedieningen en publieke plaatsen te verlaten, en ons met onze eigene zaken te bemoeien; dat wij liever hadden met onze schade voor ons Vaderland een vrede te koopen, dan toe te laten, dat om onzentwil en om het gebruik van de openbare kerken, ook eenige minste schade aan de Republiek of ons Vaderland zoude overkomen.
    Wij bidden u, zeer waarde, vermaarde en geleerde mannen broeders! kon wel iets of beter, of profijtelijker, gewenschter of voordeeliger, in dien stand der zaken van ons gedaan worden ? Dat wij van ons gevoelen en van de vrije belijdenis er van, zouden afwijken, dat het ons onze conscientie niet toe; dat wij zonder last onze diensten zouden verlaten, dat ware geweest een misdaad van een trouwelooze verlating als een huurling; dat een Synode zon verzameld worde, dat lieten zij niet toe, die het voorbehoud of de beperking der herziening van de belijdenis en den catechismus, in de acte van toestemming van de Heeren StatenGeneraal gesteld, bezwaard waren toe te staan.
    [62]
    Wat was er anders overig dan de raad van onderlinge verdraagzaamheid? Want voorwaar degenen, die zeggen dat het aan ons gelegen heeft, dat reeds voor vele jaren geen Synode bijeengeroepen is, die doen voorwaar onzen goeden naam grootelijks te kort. Want wij zijn degenen geweest, die de resolutie van de Heeren Staten van Holland en WestFriesland, en ook van de Generale Staten geprezen en toegestemd hebben, en hebben niets beter of meer gevoeglijk geacht, dan dat de Synode op dien voet bijeen geroepen werd, en dat op zulk een tijd als de gemoederen door oneenigheden en kijvagiën nog niet verhit waren, als de oordeelen nog niet beroerd waren, als wanneer er alleenlijk maar was een strijd en verscheidenheid in het gevoelen, en het nog niet tot deze droevige beklagelijke scheiding, der gemoederen en feitelijke scheuring, met de verdeeldheden, die daaruit plegen te rijzen, gekomen was. Maar, als zij op dien tijd de Synode tegenhielden, wien hetzelve, ons bedunkens, geenszins betaamde, en die ons niet schenen daar eenig recht of gewichtige oorzaak toe te hebben, zoo zijn wij vast bij ons voornemen van onderlinge verdraagzaamheid gebleven, niet twijfelende, of als de gemoederen van die hitte en heftigheid der twisten wat zouden bedaard wezen, en de beroerde en verwarde fakkelen des oordeels mettertijd wat zouden terneder gezet zijn, dat men alsdan lichtelijk tot vrede en vereeniging zoude kunnen geraken.
    En daartoe bewogen ons de exempelen, niet alleenlijk van zeer groote mannen, die zich in onze Reformatie zeer wel gekweten hadden, maar van eenige geheele gemeenten, die het recht van broederschap, in de verscheidenheid van deze en meer andere gevoelens, in zijn geheel en ongekwetst, niet zonder groot voordeel en vermeerdering, behouden hebben; ja dat meer is, niet alleenlijk van Theodorus Beza is aan Jacobus Andrew, maar ook van ons aan de Lutherschen de hand en het teeken van eenigheid en broederschap gepresenteerd. Eindelijk heeft ons ook bewogen de raad van den Allerdoorluchtigsten Koning van Groot-Brittanje, en andere oordeelen van de vermaardste Doctoren en de Kerkdienaren van dezen onzen tijd. Maar zelfs ook door dit middel heeft de zaak geen voortgang gewonnen, ja hoe vriendelijker en zachter om de onderlinge verdraagzaamheid van ons gearbeid is, zooveel straffer en heftiger heeft men ons tegengegaan. Want terstond werd onder het volk uitgestrooid, en met openbare predikatiën, schandaleuze vlugschriften het volk ingestampt, dat de verdraagzaamheid alleenlijk een dekmantel en momgezicht was, hetwelk het eenvoudige volk voorgehouden werd, om hun daarmede de oogen te verduisteren, opdat zij niet zouden zien wat de Remonstranten achter het gordijntje speelden, en wat zij in hunnen boezem voedden, dat zij, gelijk sommige politieken, hun gevoelen als een scheepke naar den storm van de gemeene zaak keerden en wendden, en naardat de wind waaide, dat zij hun huik hingen; dat zij met hunne conscientie deden al wat zij wilden, welke de schrikkelijkste, zwaarste zonde is, die men zoude kunnen uitspreken of beschrijven.
    En nochtans hadden wij nooit rechtvaardige, gerechtige oorzaak tot zulk eene lastering gegeven. Maar op deze wijze is de fakkel der twisten meer aan den wind blootgesteld, en olie, gelijk men zegt, in het vuur gegoten.
    Want zoozeer zijn de gemoederen van het meeste deel des volks, dat zich totnogtoe buiten partijschap gehouden had, vervreemd geworden, dat eindelijk, nadat wij tevergeefs alle middelen aangewend hadden, de zaak met kracht uitgebarsten is, dat is, dat een openbare scheuring, gelijk alsof er een teeken met de hand toe gegeven was, in de Kerk gebracht is.
    In dorpen, vlekken en steden, overal zijn afscheidingen geschied, tegen wil en dank van de vredelievende regeerders des Vaderlands, die tevergeefs daartegen riepen, en daartegen zich zelven stelden. En, opdat het niet zonde schijnen, dat dit alles geschiedde door het goeddunken en op autoriteit van sommige bizondere personen, zoo zijn bijna uit alle de provinciën bijeengeroepen de voornaamsten, die deze scheuringen door autoriteit en toedoen, als met een algemeene toestemming zouden bevestigen en versterken.
    Maar, opdat niemand van ulieden meene, dat dit alleenlijk door toedoen des volks geschied is, daar zijn verbintenissen en samenspanningen gemaakt, daar werden heimelijke bijeenkomsten gehouden, in welke niet weinige herders zich met belofte verplicht hebben (omdat zij alle de Remonstrantsche Artikelen, voor de eere Gods en de ware rust der conscientiën, oordeelden ten eenenmale schadelijk te wezen) deze scheuring te maken, en dit met zulk een voornemen en meening, dat diezelve afscheiding in deze Nationale Synode met gemeene toestemming van dezelve zoude voor goed gekend worden.
    [63]
    En voorwaar, indien wij de zaak met een gezond oordeel willen overwegen, onder het gemeene en eenvoudige volk kan zulk een groote beroerte niet vallen, tenzij er zijn, die met hun autoriteit en exempel hunlieden de sporen geven, verwekken en daartoe dringen, gelijk als een zee, dewelke, tenzij dat de winden dezelve bewegen en beroeren, pleegt stil en onbewogen te blijven staan.
    En geen kleine bewijsreden hiervan is, dat kwalijk ooit iemand van deze, denwelken deze manier van doen scheen te mishagen, deze scheuring of de auteurs er van openbaar berispt heeft, of kunnen lijden, dat zij eenigszins zouden bestraft worden. Maar die voor wat wijzer aangezien wilden worden, die verstonden, dat een andere verf aan dit leelijke werk moest gegeven worden, en, dat zoekende, heeft het hun niet ontbroken, te weten, men moest het volk wijs maken, dat er nog andere dingen schuilden, dan deze, die nu openbaar in twijfel getrokken waren, te weten, gruwelijke en vanouds verdoemde leeringen, dat oude ketterijen vannieuws te pronken gehangen werden, en wat verderfelijke dwalingen ooit ergens geweest zijn, dat deze nu al te zamen wederom voor den dag gebracht werden.
    Daarna heeft men begonnen eens iegelijken woorden en manieren van spreken te onderzoeken; over eiken bizonderen zin, ja dikmaals over de bijhangselen er van, heeft men bijna vergadering en raad gehouden; aan elk gering geschil en oneenigheid bleef men, als aan een groote steenklip, hangen; achter elk van die zeide men, dat steile dwalingen en gruwelijke ketterijen verborgen waren; dat onder elke manier van spreken, als onder een hoop steenen, slangen verborgen lagen, en meer desgelijks. Ja, hetgeen van ons gezegd en niet gezegd was, onze particuliere samensprekingen zijn opgezocht, bijeengeraapt en samengebracht geworden, opdat hetgeen, dat op zich zelve geen gewicht hadde, door het groot getal zoude schijnen zwaar te wegen.
    Als de Remonstranten bij geval zwegen, of matiglijk gevoelden en spraken, dat werd terstond in een kwaad vermoeden en hatelijke lastering getrokken, en met een stoffeerreden grooter gemaakt dan het was.
    Wilt ons niet gelooven, Eerwaarde, wijdberoemde en geleerde mannen! overleest maar met beide oogen het boekske, nu kort uitgegeven, genaamd het Proefstuk, of Monsterke van de hedendaagsche verschillen, op die plaats, waar het de Remonstranten raakt; of wij zijn grootelijks bedrogen, of gijlieden zult kunnen tasten en voelen, dat het waarachtig is hetgeen wij zeggen, en de dag zelve zal het eens klaarder bewijzen.
    Daarentusschen houdt dat voor zeker, dat het maar enkel bedrog en begoocheling is, al hetgeen er voorgegeven en voorgewend wordt.
    Want voorwaar, wij durven het stoutelijk zeggen, onderzoekt, doorziet onzer aller openbare en bizondere schriften, gijlieden zult nergens noch teeken noch spoor vinden, waarop zulke ijselijke en bittere beschuldiging zou kunnen gegrond worden.
    Wie is toch van ons, die de hoofdstukken der Theologen met den vinger heeft aangeraakt, ik laat staan dezelve durven verzwakken of terneder vellen?
    Onbewogen, onaangeraakt is totnogtoe onzenthalve blijven staan al hetgeen door het algemeen gevoelen voor goed bekend is geweest.
    Gelooft ons, het zijn maar dingen, van sommige ongeruste geesten verdicht, tot dien einde gevonden, opdat deze scheuring eenige verf zoude hebben.
    Nochtans loochenen wij niet, opdat gijlieden moogt verstaan welke zaken bij geval den schijn van deze beschuldiging gegeven hebben, dat wij bijna altijd onderscheid hebben gemaakt tusschen de zwaarste en grootste hoofdstukken des geloofs, die het verstand verre te boven gaan, en van de verholenheden der Religie allerzekerlijkst spreken, en tusschen die, welke daarvan niet dan weinig, en matiglijk, en met de Schriftuur, zooveel als mogelijk is, spreken, meenende, gelijk het inderdaad is, dat het zeer licht is in zoo zware, duistere, verborgene, en het verstand of natuur te boven gaande dingen te dwalen, en dat een geringe struikeling dikmaals oorzaak gegeven heeft tot een groote dwaling.
    De disputen daarover hebben wij met voordacht geschuwd, want wij hadden door bevinding geleerd, dat sommige dingen zekerder geloofd werden, zonder dat ze geexamineerd werden, dan nadat ze nauw of scherpelijk onderzocht waren.
    Dat men van de hoogste verholenheden niet dan met eerbied behoort te handelen, dat hare treffelijke majesteit verdwijnt en vergaat, wanneer zij met lichte teksten van spitsvondige redenen, gelijk als met eenig blanketsel overtrokken werden, opdat zij zouden schijnen een gedaante te hebben van heilige
    [64]
    verholenheden, dat deze dingen zich zelven beter recommandeeren door hunne eenvoudigheid, dan door ontleende verven. En wat meestendeels gebeurt, dat de rede, zoo wanneer die eens tot raadsman geroepen is, dartel wordt, dat ze kwalijk ergens blijft stilstaan, zoodat men meent, dat er kwalijk iets te gelooven is, waarvan men geen reden zoude kunnen geven. En hieruit zijn ontstaan die uitzinnige bergen en hoopen van verscheidene quaestiën omtrent deze verholenheden, denwelken men zooveel toegegeven heeft, dat zoo wie daar eens in vervalt moet meenen, dat hij door schipbreuk in zooveel doolhoven, omwegen en wielingen vervallen is.
    Indien, behalve dit, eenige andere dingen somtijds zijn aangevoerd, zijn dit zoodanige geweest, van dewelke zonder perijkel of schade der zaligheid, de geleerden nu overlang verscheidenlijk gevoeld hebben, of van dewelke zij door hun recht, in de hooge en openbare scholen (alwaar men de quaestiën, op de punt van een naald, zoo men zegt, mag voorstellen) verscheidenlijk hebben mogen gevoelen. Want voorwaar, wij meenen, dat het groot onrecht is, in elke kleinigheid en op elk titeltje, alsook in de manieren van spreken te verzoeken een in alles overeenkomende toestemming; wij meenen, dat de vrijheid en veranderlijkheid des oordeels, met zulke nauwe banden en boeien niet mag besloten worden, ja dat het veel mager en koud is, al hetgeen naar het meenen en believen van anderen geloofd en voorgestaan wordt; dat het behoorde genoeg te wezen, indien de hoofdstukken der Religie in hun geheel en ongekwetst bleven.
    En voorwaar, daar is nooit zoo'n gelukkige en zalige eeuw geweest, in dewelke de verscheidenheden der oordeelen en meeningen geen plaats gehad hebben. Indien wij van de eerste beginselen der Christenheid, en van die gelukkige tijden der oudvaderen tot deze onze tijden wilden afdalen, men zoude kunnen bewijzen, dat voorwaar veel verscheidene dingen (onverbroken blijvende de wetten der Christelijke eendracht), verscheidenlijk geloofd, beschermd en gedreven zijn geweest. Er is kwalijk iemand, die van den ander in vele en verscheidene zaken geen verschil heeft. Maar, opdat wij niet verre gaan; wij nemen u tot getuigen, Engeland, Frankrijk, Duitschland, ja u ook, ons Nederland, en wat plaatsen er ergens mogen wezen, waar toch, zeg ik, is er ergens een hoek, alwaar allen in alles overeenkomen?
    Voorwaar, in zulk een verscheidenheid der zaken, verschil der gevoelens, en verwardheid der quaestiën, alle de verstanden en oordeelen al te zamen in een en hetzelfde gevoelen te willen dwingen, is zooveel gedaan, alsof men met Nero wil het land doorgraven, om de eene zee in de andere te brengen.
    Veel meer moet men, gelijk de zaak inderdaad is, met den vermaarden Paramus zeggen; dat het grootste deel, zoowel van de oude ketterijen, als van de hedendaagsche verschillen, hieruit voornamelijk in de Kerk ontstaan is, en nog ontstaat, dat de conciliën, bisschoppen en leeraren der Kerken, zonder eenig onderscheid, allerlei leerlingen der scholen en gevoelens der predikstoelen, voor artikelen des algemeenen geloofs uitgegeven, en met gelijke noodzakelijkheid ter zaligheid gelooven, den conscientiën opgelegd hebben, en dat zij uit elke verscheidenheid van uitlegging der Schriftuur al te lichtelijk ketterijën en scheuringen gemaakt hebben. Waaruit noodzakelijk moet volgen hetgeen Hilarius tot den keizer Constans zeide: „Terwijl over de woorden strijd is, terwijl over de namen verschil valt, terwijl er over eenige twijfelachtige dingen gelegenheid is om elkander in het haar te vliegen, terwijl er over den zegsman verschilt valt, terwijl elk meent, dat hij het beste voor heeft, terwijl er in de overeenstemming zwarigheid is, terwijl de een den ander voor een vloek is, zoo geschiedt het, dat niemand een christen wordt."
    Deze dingen dienen daartoe, eerwaarde en vermaarde mannen ! opdat gijlieden moogt verstaan, dat wij onschuldig totnogtoe met zulk een wreed en kwaad vermoeden van anderen zijn bezwaard, alsof wij in den zin gehad hadden alles ten onderste boven te keeren, een vermengde Religie op te pronken, een Pyrrhonische, of alles in twijfel trekkende Theologie op de baan te brengen, onder het deksel van vrijheid van profeteeren te willen invoeren een vrijdom van alles zeer lichtelijk te zeggen, en te vernieuwen naar ons gevoelen en eigen lust.
    Dat zij verre; wij hebben niet voor oogen gehad, niet gewenscht, niet gezocht, dan die gulden vrijheid, die den middelweg houdt tusschen de dienstbaarheid en de ongebondheid.
    Want gelijk wij zoodanigen niet zijn, aan wie tot eiker occasie eenige twijfelingen en achterdocht zoude behagen, alzoo spreken wij die niet minder tegen, die zich zelven knechtelijk aan anderen
    [65]
    verbinden en hun gevoelen, gelijk als klitten in alles standvastig aanhangen, gelijk alsof het een zonde, met schenking te straffen, ware, de breedte van een nagel van hunlieder gevoelen te wijken, en die voorwaar niet zoo uit hun eigen, als uit ander lieden oogen zien, ja gelijk als buffels en beeren, naar een anders goeddunken, bij den neus omgeleid worden.
    Met dit vertrouwen des gemoeds, en steunende op een goede conscientie, hebben wij totnogtoe verdragen al het ongelijk en de lasteringen, die ons aangedaan zijn, meenende met Augustinus, dat het niet van noode is de lastering van buiten te beantwoorden, als de conscientie van binnen voldaan is. Hiermee geschraagd en ondersteund zijnde, zijn wij voor eenige dagen hier gekomen, niet gedaagd of geroepen; maar uit onzen eigen wil en vanzelf, en ik nog daarenboven door bizonderen last dergenen, wier gebod niet na te komen, ik voor een conscientie hield te wezen. Nu tegenwoordig verschijnen wij wederom, gedaagd, of anderszins, dat achten wij nu weinig, als er maar slechts ter goeder trouw gehandeld worde, en niet zoo zeer getracht wordt naar de overwinning, als naar de waarheid,
    En voorwaar, dit alleen heeft ons geen klein vertrouwen gegeven, omdat wij wisten, dat nu tegenwoordig waren, en bijna uit alle deelen des Christenrijks bijeengekomen, zulke mannen, welke men zal mogen hopen te zullen zijn meer gerechtige en beleefde onderzoekers van de geheele zaak, dan die, welke, zonder dat totnogtoe eenig .oordeel der Kerk is voorafgegaan, uit zich zelven en door hun eigen raad, onze namen uit het boek van hun Kerk geschrapt hebben, en hebben zich openbaarlijk van ons gescheurd.
    Want alzoo geschiedt het bijna gemeenlijk: billijker en beleefder plegen te zijn de onderzoekingen dergenen, die geen zijde gekozen hebben, en onpartijdig zijnde, in de uitspraak van het oordeel, zich nu ook onbesproken gedragen hebben, dan die welke zich in den twist en tusschen de partijen hevig gedragen hebben, ja die van den heelen twist alreede het vonnis voor de eene zijde uitgesproken hebben.
    Want wie voor een van beide de partijen zeer groote gunst draagt, en een zeker of bestemd gevoelen zoo toegedaan en toegeeigend is, dat hij openlijk bekent, dat hij niets gemeens met het tegendeel hebben wil, deze is geen rechter van twee gevoelens, maar hij is of auteur van zijn eigen sententie, of van eens anders, die voor hem gaat.
    Hetwelk zoo zijnde, zoo kunnen wij niet nalaten, Eerw. mannen broeders (zoo velen als er onder u zijn, die het uit verre en verscheiden landen niet zwaar gevallen is hier te komen, om deze vergadering te dienen met uw godzaligen en inzichtigen raad, benaarstiging en stemmen) ulieden allen te smeeken en te bidden, door de innerlijke barmhartigheid Gods, door zijnen heiligen en eerwaardigen naam, die over ons al te zamen aangeroepen is, door alles wat gijlieden ooit liefgehad hebt, en door het gemeene recht en verbond der Christelijke broederschap en eendracht, dat gijlieden toch niet anders van ons wilt gevoelen of besluiten, als wij nu tegenwoordig naar deze onze voorgaande verklaring bekend hebben. Indien er iets van den een of ander, bij de eene of andere gelegenheid, kwalijk gezegd, geschreven of gedaan ware, dat staat ons niet toe zijne schuld te verbeteren.
    Zoo wie van de zaak zelf naar recht wil oordeelen, die pleegt niet in de uiterlijke omstandigheden te blijven hangen; maar het is noodig, dat hij de zaak zelf en het wit of oogmerk derzelve ten eenenmale doorzie. Indien men wat buiten de schreef gegaan is, dat moet men voorbijzien, als niet dienende bij de hoofdzaak.
    De korte som der dingen alhier van ons voortgebracht, bestaat in deze drie voorname hoofdstukken: het eerste is, dat wij openbaarlijk en ons werk daarvan makende, ons tegen die hebben gepoogd te stellen, die dat ruwe (gelijk zij zelven het noemen) en afschuwelijke (als het de Gelderschen het onlangs genoemd hebben) gevoelen van sommige leeraren over het stuk van de Verkiezing en de aankleve van dien, of voor zich zelven voor goed beleden, of wat meer is, vastelijk zeiden, dat het voor het ware en oprechte gevoelen van onze Kerken moest gehouden worden; het andere is, dat wij van ganscher gemoede een afgrijzen gehad hebben, en openbaarlijk ons zelven tegen zulken altijd gesteld, die om onze Vijf Artikelen, gelijk zij die noemen, zonder voorgaand oordeel of besluit van eenige wettelijke Synode, door hun eigen autoriteit, voor goed gevonden hebben een scheuring en aparte vergadering te houden, en of voor altijd of ten minste voorloopig en metterdaad bewezen hebben zulk gevoelen toe te staan; het derde is, dat wij altijd dier lieden preciesheid misprezen hebben, dewelke, terwijl nochtans de fondamenten van de noodwendige waarheid ongekwetst blijven, zoo zeer lichte en niet noodige
    [66]
    verschillen terstond trekken onder vermoeden van zeer gruwelijke ketterijen, even alsof hij de Christelijke broederschap, of ten minste de Gereformeerde niet waardig ware, die maar een stroobreed van dit of dat gevoelen der doctoren verschilde. Hierbij is nog gekomen, door oorzaak van deze twisten, de quaestie van het recht en de autoriteit der Overheid, nopens den Godsdienst, waarin wij den Magistraat de opperste macht, onder God en zijn heilig Woord, van de twijfelachtige dingen des geloofs toeschrijven; de anderen ter contrarie, niet weinigen, dit recht den Magistraat ontnemen, en hun alleenlijk toeschrijven, ik weet niet wat blinde toestemming van de kerkelijke besluiten.
    Dit zijn geweest deze dingen, die wij altijd hebben voor gehad, en die wij van zulk een waarde geacht hebben en nog achten, dat wij ons ganschelijk niet lieten voorstaan, dat wij ons ambt naar behooren zouden nakomen, tenware dat wij deze dingen, zooveel in ons is, stutteden en bejegenden. Want wij hebben geloofd, dat dit het ambt was der getrouwe dienaren van Jezus Christus, deze twee dingen voornamelijk onder anderen te verzorgen: dat de allerheiligste Godsdienst van Jezus Christus niet zoude aan die zijde bezeerd en gekwetst worden, waardoor de godvruchtigheid en Christelijke heiligheid eenige schade zoude mogen lijden; ten andere, dat niet om alle oorzaak, of om eenig licht verschil, of lichte verschillen terstond in de Kerk eene scheuring zoude gemaakt worden. Om deze twee hoofdstukken hebben wij met handen en voeten gestreden; deze hebben wij voorgestaan, als dingen waaraan ons welvaren hing, in ons gemoed verzekerd zijnde, dat die dingen (God de voorste) van ons gedaan werden, die tot behouding van de ware heiligheid en noodwendige rust plegen aangewend te worden. Indien wij met andere lasteringen of beschuldigingen bij u EE. mannen bezwaard zijn, zoo bidden wij ernstiglijk, zoo lang te willen ophouden dezelve te gelooven, totdat gijlieden de andere partij gehoord, en de geheele zaak grondelijk verstaan zult hebben. Vergunt ons anders niet, dan hetgeen gijlieden, indien gij in onze plaats waart, ook zoudt begeeren, mildelijk aan u bewezen te worden, te weten, een gemoed vrij van vooroordeel. Indien de beschuldiging genoeg is, wie zal er onschuldig zijn? Wij hebben ulieder handen niet gekust, wij hebben niet verzocht ulieder faveur of gunst, en wij verzoeken het ook nog niet. Want onze zaak heeft niemands gunst van noode; ook kan de gunst der menschen onze conscientiën geenszins voldoen.
    Wij zoeken alleenlijk de gunst van onzen eenigen God, voor wien, als voor den oppersten Rechter, wij of staan of vallen zullen, en daartoe doen wij ons best, dat wij onze onnoozelheid, indien niet aan onze tegenpartij, ten minste aan onpartijdige mannen mogen betoonen, en dat wij den conscientiën der goeden mogen bekend worden.
    Wij weten voor wat Rechter wij eenmaal zullen gesteld worden, die de verborgenheden der harten kent, en te zijner tijd zal openbaar maken.
    En wilt toch niet, bidden wij, opzicht hebben, op dit kleine getal, dat gijlieden hier ziet; voor een goede zaak is één advocaat genoegzaam, voor een kwade geen honderd. Maar ons zoude niet ontbreken een groot getal om een Synode te maken, indien het Christelijk of eerlijk ware met het getal te willen strijden, of indien het ons geoorloofd geweest ware, met gelijke wapenen en een gelijk getal ten strijde te komen.
    Maar met wat kunsten, aardige trekken en naarstigheid, dit gemaakt is, wat niet moest geschieden, dat weet God; dit weten wij voorzeker dat, opdat wij zwakker van getal zouden worden, daarom dikwijls, door goeddunken van weinigen, de scheuring en afscheidingen gemaakt zijn, en veel getrouwe en aangename herders, kort voor de Synode, uit hunne Kerken uitgeworpen, opdat zij als veroordeelden, zonder recht van stemmen zouden verschijnen.
    Wij weten, dat de overigen buiten de deputatiën meestendeels afgesloten zijn, opdat er geene zouden verschijnen, of dat degenen, die er verschenen, kwalijk eenig getal zouden maken.
    Indien ergens de Remonstranten het grootste getal maakten, gelijk in de Provincie van Utrecht kortelijk geschied is, en met hen altijd vrede en eendracht van de Contra-Remonstranten onderhouden was, zoo heeft men vlak voor de Synode een scheuring gaan maken, opdat niet minder Contra-Remonstranten als Remonstranten uit die Provincie tot deze Synode zouden verschijnen.
    Maar dit alles hebben wij niet geacht. Eén ding is er echter voornamelijk, hetwelk wij bij ulieden en voor de gansche wereld niet kunnen, noch zullen ongeklaagd laten. Dat onze voorgangers, onze voorvechters en de voorname aanleiders onzer orde, bij dewelke totnogtoe onze standaard gestaan heeft (niet dat zij zulk een ambt bij ons bediend hebben, maar wier ouderdom, wijsheid en geleerdheid zulke namen verdienen) uit hunne diensten geworpen, en ons onnut gemaakt zijn.
    [67]
    Indien gijlieden vraagt, wanneer? een weinig tijd voor de Synode, daags te voren, eer het besluit gemaakt werd, dat wij tot de Synode zouden geroepen worden, als wij nu al vaardig stonden, en van de zaak zoude gehandeld worden, en als, om zoo te zeggen, de strijd nu zoude aangaan. Om wat oorzaak? wij weten het niet, indien er eenige oorzaak is, is het die, van dewelke nu in de Synode zal gehandeld worden. Wij zeggen nog meer, terwijl de zaak zal verhandeld worden, zoo worden van de gedeputeerden der particuliere Synode aan alle kanten afgezet, en met kerkelijke censuren bezwaard allen, die aan onze zijde staan, en dat onder eenen anderen dekmantel, en gelijk wij vastelijk gelooven, eenen dekmantel alleen. De anderen, al te zamen, gelijk alsof zij nergens in misdaan hadden, zijn vrij van alle censuren; maar noch ook deze ontijdige (opdat ik niets zwaarders zegge) manier van doen heeft ons kunnen bewegen den moed daarom verloren te geven. Want alzoo hebben wij ons voorgenomen, gelijk het den Christenen betaamt, niet met het getal, maar met de zaak zelve te strijden. Alleen de Schriftuur, en die haar als een kamenierster bijgevoegd is, de goede rede, zullen voor ons het vendel voeren; en zoolang tegen deze iets anders dan vaste Schriftuur of rede gesteld zal worden, zoo zullen wij niet een voet wijken, noch de allerheftigste oordeelen, of ook de strengste en scherpste vierscharen niet ontzien. Want een wijs man wordt niet bewogen door het getal der oordeelers, maar door het gewicht des oordeels. En wat het voornaamste is, de conscientie rust niet op veel stemmen, maar op de waardigheid en het gewicht der zaken, waarop de stemmen steunen moeten. Want het kan geschieden, gelijk Seneca zeer wel zegt, dat de groote hoop een bewijs van de kwade zaak zij;waar men de waarheid zoekt, daar moet reden met reden, oorzaak met oorzaak, en de eene zaak met de andere zelve vergeleken worden.
    Indien dit aldus geschiedt, hetwelk gijlieden, Eerw. mannen, wel weet al te zamen gerechtig te wezen, zoo zullen wij stof hebben ons niet onze Kerken te verblijden, omdat ons een schoone gelegenheid gegeven zij, met zeer geleerde en ervaren mannen te examineeren en te onderzoeken, aan welke zijde de waarheid en rede staat.
    Want wij hopen een van beide te verkrijgen, of dat wij zullen waarmaken de onnoozelheid van onze zaak, die wij totnogtoe voorgestaan hebben, of dat wij, die ter nedervallende, de overwinning of victorie der waarheid tot een buit daarvan zullen naar huis brengen. Want wij zijn hier gekomen, zoo wel bereid om overwonnen te worden als te overwinnen; want hoe het uitvalt, het zal niet wezen zonder profijt; want hij schaamt zich niet overwonnen te worden, die, schade lijdende van een kwaad gevoelen, winst doet in waarheid, en geen ander opzet heeft, dan de bevrediging en de gegrondveste rust zijner conscientie, en dat uit de verkrijging der waarheid. Want wie hier niet met zulk een gemoed komt, dat hij bereid zij hem vrij te spreken, dien hij gansch niet gunstig is, en te veroordeelen of ongelijk te geven aan hem, dien hij hartelijk bemint, voorwaar die is niet waardig, dat hij in deze vergadering stem hebbe :

    Onze vriend moet wezen P l a t o, onze vriend S o c r a t e s, onze vriendin de Synode, maar bovenal moet onze Rotssteen zijn de waarheid.

    Was onderteekend: Simon Episcopius, Professor in de h. Theologie, Eduardus Poppius , Johannes Arnoldus, Bernardus Dwingeleo, Carolus Niellius, Henricus Leo, Philippus Pynacker, Assuerns Matthisius, Thomas Gossuinus, Dominions Sapma, Theophilus Rijckewaert, Bernerus Vesekius, Henricus Hollingerus.


    Toen deze oratie geëindigd was, heeft de praeses het schrift begeerd, waaruit hij ze gedaan had. M. E p i s c o p i u s antwoordde, dat hij geen ander had, dat dit ook niet net was geschreven, en bad derhalve, dat hem toegelaten werd, hetzelve eerst uit te schrijven.
    En als de praeses aanhield, dat hij hetzelve gelijk het was zoude overleveren, heeft Episcopius begeerd dat of hetzelfde, of het authentieke copie er van, hem mocht wedergegeven worden; want dat het billijk was, dat hij een exemplaar zoude behouden van de oratie, die hij gedaan had.
    Doch dewijl dezelve oratie ook eenige politieke dingen scheen te bevatten, hebben de E. Heeren Gecommitteerden belast, dat de Remonstranten hoofd voor hoofd, dezelve zouden onderteekenen,
    [68]
    hetwelk ook geschied is. En alzoo onderteekend zijnde, hebben zij ze aan de Synode overgeleverd. Daarna heeft de praeses den voorz. E p i s c o p i u s vermaand, dat hij deze oratie ontijdig en buiten de orde, zonder verlof van de Synode verkregen te hebben, gedaan had, voornamelijk, dewijl hun nog niet was aangezegd, tot wat einde zij ontboden waren. En dat het in den eersten ingang der Synode niet betamelijk was, met een voorbedachte oratie, vol valsche beschuldigingen tegen zijne mededienaars, de harten van te voren in te nemen, en te verbitteren.

    En alzoo de Doorl. Hoogm. Heeren Staten-Generaal, in de wetten, naar dewelke zij besloten hadden, dat deze Synode bijeengeroepen en belegd zoude worden, in het tiende artikel, uitdrukkelijk hadden belast, dat alle gedeputeerden tot de Synode, in alle die zaken, die de waarheid der leer betroffen, na behoorlijk en volledig onderzoek, het eenige Woord Gods, en niet eenige andere schriften, voor den eenigen regel der waarheid zouden houden, en datzelve te doen, en niet anders dan de eere Gods en den vrede der Kerken voor oogen te hebben, bij eede verplicht zouden worden; en dewijl men nu tot behandeling van een zaak der leer (overmits de Remonstranten nu tegenwoordig waren) zoude treden, zoo heeft de praeses vermaand, dat de zaak zelve nu vereischte, dat men dit voorschrift der Hoogmog. Heeren Staten Generaal zoude nakomen. En tot dit einde is hij met dit formulier, in tegenwoordigheid ook van de geciteerden, voorgegaan.
    Ik beloove voor God, dien ik geloove eneere hier tegenwoordig, en een doorgronder der nieren en der harten te zijn, dat ik in deze gansche Synodale handeling, in dewelke een onderzoek, oordeel en beslissing, zoowel van de Vijf Artikelen, en daaruit rijzende zwarigheden, als ook van alle andere leerstukken, aangesteld zal worden, niet eenige menschelijke schriften, maar Gods Woord alleen voor eenen zekeren en ongetwijfelden regel des geloofs zal houden en gebruiken, En dat ik in deze gansche zaak niets zal voor hebben, dan de eere Gods, de rust der Kerk, en voornamelijk de behoudenis van de zuiverheid der leer.
    Zoo helpe mij mijn Zaligmaker Jezus Christus, dien ik gansch vuriglijk bidde, dat hij mij in dit voornemen, met de genade zijns Geestes, 'altijd wil bijstaan!
    Alle de andere predikanten, alsook alle de Nederlandsche ouderlingen, tot de Synode gedeputeerd, en daarna alle uitheemsche Theologen, de een na den ander opstaande, hebben, hoofd voor hoofd, met klare stemmen, verklaard, dat zij hetzelve voor God heiliglijk beloofden en zwoeren, en betuigden, dat zij met zulk een gemoed tot de Synode waren gekomen, dus lang in dezelve hadden gezeten, en in het toekomende door Gods genade ook zouden verkeeren.
    Den Utrechtschen Remonstranten; dewijl zij nog niet hadden verklaard of zij zich bij de andere gedaagden, als voorstanders van dezelfde zaak zouden voegen, dan of zij de verdediging van de zaak der Remonstranten wilden laten varen, en voortaan, niet als voorstanders, maar als richters in de Synode wilden zitten; is de eed nog niet aangeboden geweest.