Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Zitting 22


    DE TWEEËNTWINTIGSTE ZITTING.

    Den 6en December, Donderdagvoormiddag.

    De praeses heeft aangegeven, dat de gedaagde Remonstranten gekomen waren, en dat er vier, van de andere gezonden, van hem verzocht hadden, dewijl zij nog niet van herbergen waren voorzien, en hunne boeken en schriften nog niet waren in orde gesteld, dat hunne comparitie uitgesteld mocht worden, tot op den dag van overmorgen, of ten minste van morgen.
    De E. president der Heeren Gecommitteerden heeft ook aangegeven, dat zij 't zelfde van hem ook verzocht hadden. De Utrechtsche Remonstranten zeiden ook, dat de gedaagden wel wenschten, dat hunne comparitie mocht tot overmorgen, te weten, tot op den Zaterdag, of den Maandag uitgesteld worden.
    Aangaande het verzoek om dit uitstel, hebben de E. Heeren Gecommitteerden, hun advies gevraagd zijnde, geantwoord, dewijl zij den dag van gisteren, gesteld tot hunne verschijning, verzuimd hadden, dat men hen moest belasten, alsnu voor de Synode te verschijnen, en van dezelve dit uitstel te verzoeken, en de oorzaken er van in dezelve voor te stellen, opdat publiekelijk daarvan geoordeeld mocht worden. Met welk advies de Synode tevreden is geweest, en zijn de Utrechtsche Remonstranten gezonden geweest, om hen te ontbieden.
    Intusschen heeft men in dezelfde zitting voorgelezen de adviezen, bij geschrifte overgeleverd, nopens de abuizen der drukkerijen, om die te verbeteren. Dewelke gehoord en overwogen zijnde, is goedgevonden, dat uit alle deze de praeses, assessoren en scriba, naderhand een beslist bevel zouden stellen, dat de Synode onderzoeken en goedkeuren mocht, en dat dezelve den Hoogm. Heeren StatenGeneraal daarna, als een advies der Synode, overgegeven zoude worden, en dat men ze uit naam der Kerken bidden zoude, dat bij publieke plakkaten onder hunne autoriteit gepubliceerd, alle deze abuizen geweerd, en in 't toekomende verhoed mochten worden. Doch dat alle lidmaten der Kerk, denwelken de Synode macht had te gebieden, gehouden zouden zijn deze Synodale ordonnantie, op straffe der kerkelijke censuur, te gehoorzamen. In deze zaak hebben de Hoogm. Heeren Staten-Generaal naderhand te voorzien.

    Het oordeel der Engelsche Theologen, van de drukkers.

    Wij achten, dat het een zaak gansch noodig en heilzaam is, dat de vrijheid der drukkers bedwongen worde; maar dewijl deze zaak de politieke autoriteit aangaat, zoo moet men de Doorlucht. Heeren Staten bidden, dat zij hun autoriteit daar tusschen willen stellen. In iegelijke stad, waar drukkerijen zijn, voornamelijk in de Academiën, is van noode, dat tot deze zaak gecommitteerd worden kerkelijke personen, die rijp van oordeel en van goede autoriteit zijn, denwelken men dezen last oplegge, eerst de
    [49]
    boeken te lezen, die gebracht worden om te drukken, en met hun goedkeuring, het drukken toe te laten. Dat niemand de kunst van drukken oefene, dan die belijdenis doen van de Gereformeerde religie, die in deze provinciën bevestigd is. Maar wij achten, dat alle scheurmakers geweerd behooren te zijn, dat geen boek worde gedrukt, tenzij dat, op 't einde des boeks, vergunning en goedkeuring geschreven sta, met de hand van iemand dergenen, die tot deze zaak zijn gecommitteerd. Dit stuk wel waargenomen zijnde, zal het beide, de Republiek en de Kerk, ontlasten van groote zwarigheid; 'twelk in onze Kerk met groote vrucht onderhouden wordt.

    Waarschuwingen der Paltzsche Theologanten om de abuizen der
    drukkerijen te weren.

    1.
    De drukkerijen zullen gesteld worden tot een zeker en gezet getal, in de steden en provinciën, en geen drukkers zullen aangenomen worden, dan beëedigde.
    2.
    Een uitkiezing van voorheen gedrukte boeken gedaan zijnde, zullen teniet gedaan worden zoo vele als er bevonden worden met de ketterijen der Socinianen, Libertijnen, of geestdrijvers besmet te zijn, of den goeden zeden schadelijk; maar die gezond, heilzaam en bekwaam zijn om de Godzaligheid te leeren, behouden worden; en wanneer ze herdrukt worden, zullen ze met een nieuwe voorrede versierd worden; voornamelijk zoodanige, die naar 't begrip en gebruik des volks zijn, opdat zij door dit oordeel weten mogen, welke zij voornamelijk behooren te lezen
    3.
    en zal ook toezien, dat onreine boeken, elders gedrukt, hetzij van ketters of athëisten, in de provinciën niet ingevoerd noch verkocht worden.
    4.
    Die nieuw voor de pers bereid worden, zullen niet eer gedrukt worden, voor en aleer zij het oordeel der toezieners onderworpen, en voor goed verklaard zijn. Men zal ook de Hoogm. Heeren Staten bid den, dat zij den boeken, die niet goedgekeurd zijn, geen privilegiën verleenen.
    5.
    De opzieners over de boeken en drukkerijen zullen in de steden wezen de predikanten, met een magistraatspersoon en een ouderling der Kerk; in de provinciën, de professoren, waar Academiën zijn, of de gedeputeerden der Klassen of der Synoden, daartoe verkoren met bijgevoegden politieken, zoo menigmaal de zaak zulks is vereischende.
    6.
    Men zal van zoodanige boeken, die eerst gedrukt worden, een den kerkeraad in de steden leveren, en aan het collegie der opzieners in de provinciën, door dewelke de volgende uitgaven zullen onderzocht worden. Want zonder hun weten behoort men geen verandering of verbetering voor te nemen.
    7.
    Maar voornamelijk moet men toezien, dat de h. Bijbel, in wat vorm het zij, niet gedrukt worde, dan op last der Synode.
    8.
    Eindelijk zal men, zoo wel den drukkers als den correctoren, in de drukkerijen uit publieke autoriteit, wetten zetten, en in alle winkels aanplakken, naar dewelke zij eene zoo edele kunst beoefenen en uitvoeren zullen, tot nut der Kerk en der Republiek.

    Het oordeel der Hessische Broeders om de abuizen der drukkerijen
    weg te nemen.

    De quaestie van weg te nemen de abuizen der drukkerijen is een zeer nauwkeurige aanmerking en beslissing waardig; daar de kunst van drukken eene groote gave Gods is, en daar dezelve tot kennis der eerlijke kunsten en leeringen, inzonderheid tot voortplanting der Hemelsche waarheid eenzeer bekwaam middel is, en daar het onheil zeer gevaarlijk is, hetwelk, uit misbruik van het voortreffelijk geschenk Gods aan zijn Kerk en Republiek, over langen tijd, inzonderheid in deze Vereenigde Provinciën overvloeiende was. Om nu deze abuizen, zooveel doenlijk is, voor te komen, zal men voor namelijk in twee dingen, vlijtig moeten wezen.
    [50 ]
    1. Dat men de voorledene, en ook alsnog tegenwoordige schade, die de boeken, alreede geschreven en gedrukt, den Kerken en provinciën hebben aangedaan, en alsnog doen, wegneme, of immers belette, dat ze niet verder kruipe.
    2. Dat men, het toekomende kwaad met zekere wetten, bevestigd door publieke autoriteit der hooge Overheid, voortaan voorkome.
    Van het eerste achten wij, dat men onderscheid moet maken tusschen lasterlijke en kettersche boeken; gelijk daar zijn de Turksche Alkoran, Ariaansche, Samosateniaansche, Sociniaansche, Pelagiaansche en dergelijke boeken; en tusschen zoodanige, die wel dwalingen, maar nochtans niet zulke schadelijke, noch het fondament des Christendoms omstootende, in zich vervatten.
    Dat de eerste soort der boeken terstond weggedaan worden, achten wij beide voor de waardigheid van den hoogen Magistraat en het nut der Nederlandsche Kerken betamelijk te zijn. Want niets kan er schier der Christelijke Republiek schandelijker zijn, dan dat men in dezelve toelate de vrijheid van zoodanige openbare lasterlijke en kettersche boeken te drukken en te verkoopen. Nu dit zal onzes bedunken op het gevoeglijkst geschieden, indien men alle exemplaren van zoodanige boeken, die men bij de drukkers en boekverkoopers vinden kan, onderdrukke, en, bij publieke plakkaten, strengelijk verbiede, dat de exemplaren van zoodanige boeken, noch heimelijk, noch openlijk hier en daar gestrooid worden. De tweede soort der boeken meenen wij, dat geleden kan worden, totdat de exemplaren, nu gedrukt, verkocht worden; mits dat men toezie, dat men, nadat ze uitverkocht zijn, niet wederom drukke, zonder vergunning dergenen, wien de censuur der boeken belast zal zijn.
    Aangaande het tweede achten wij, opdat voortaan het drukken en in 't licht geven der hoeken dezen Kerken en Nederlandschen provinciën geen onheil en schade veroorzake, ten eerste, dat de vrijheid der schriftzuchtige lieden en der drukkers bedwongen, en, gelijk als met zekere bepalingen van wetten, omschreven behoort te zijn. Ten andere ook, dat er zekere opzieners der boeken gesteld behooren te worden.
    De kwade gewoonte der schriftzuchtige menschen zal belet worden,
    1. is het, dat bij publieke plakkaten de hooge Overheid belette, dat geen onderzaat der Hoogm. Heeren StatenGeneraal besta iets den drukkers in de Vereenigde Provinciën of buiten dezelve, te drukken te geven, tenzij het eerst geapprobeerd zij van degenen, wien het opzicht der boeken zal belast zijn.
    2. Indien degenen, die voortaan toegelaten zullen worden om in de Kerken en Nederlandsche scholen te onderwijzen, met mond en hand gehouden worden zich te verbinden, dat zij zoo lang zij de Kerken en scholen regeeren, of in deze Vereenigde Provinciën verkeeren, geen zaak, door henzelven, of door anderen geschreven, eenigen drukker te drukken zullen geven, zonder voorgaande goedkeuring der opzieners van de boeken. Opdat dit geschiede, zoo dunkt ons, dat onder de wetten, waarmede de doctoren der scholen en schoolmeesters en de predikanten der Kerken, eer zij tot de kerkelijke of schooldiensten aangenomen worden, plegen verbonden te worden, dit besluit van geen boeken uit te geven, zonder goedkeuring der opzieners, behoort gesteld te worden.
    Opdat men de al te groote vrijheid der drukkers tegenga.
    1. dunkt ons, dat alle en een ieder drukker, bij plechtigen eede, behoort verplicht te zijn, dat hij geen werk, 'tzij voor dezen gedrukt, of eerst geschreven, drukken zal, of toelaat, dat van de zijnen gedrukt wordt, dan hetwelk van de opzieners gezien, gelezen, en goedgekeurd is.
    2. In die plaatsen, in dewelke drukkerijen zijn, zal aan zekere bekwame personen belast worden, dat zij vlijtig acht nemen op de werken der drukkers, dezelve dikwijls bezoeken en doorzien, en niet toelaten iets in 't licht te komen, 'twelk de opzieners niet hebben goed gekend en onderteekend.
    3. Men zal den drukkers ernstig belasten, dat zij in het drukken der boeken, door de opzieners goedgekeurd, behoorlijke vlijt en naarstigheid aanwenden, dat de boeken, uit de drukkerijen voortkomende, zooveel doenlijk is, ten eenenmale zuiver van verbeteringen en fouten zijn.
    4. Voornamelijk achten wij, dat men hen moet bevelen, zoo menigmaal, als zij de heilige Bijbelboeken zullen drukken, alle mogelijke naarstigheid aan te wenden, dat er niets insluipe, 'twelk den heiligen woorden Gods onwaardig zij; maar inzonderheid zullen zij nimmermeer het geheele stuk van den Bijbel drukken, dan met wil en vergunning der opzieners en de Provinciale Synode, indien het verkregen kan worden.
    [51]
    Men moet den boek verkoopers ernstig en onder zekere boete verbieden, dat zij geen lasterlijke en kettersche boeken elders gedrukt, in deze Nederlandsche provinciën inbrengen, of doen inbrengen, noch heimelijk, noch openlijk verkoopen.
    Wij achten, dat er in alle manieren opzieners gesteld moeten worden. Het ambt van deze zal wezen, de boeken, hun van de auteurs of drukkers gegeven. naarstiglijk, hetzij dat zij den arbeid onder elkander verdeelen, hetzij dat zij het doen bijeenverzameld, naar dat de nood der zaak vereischen zal, te doorlezen, en hetgeen zij in dezelve oordeelen dat moet verbeterd worden, vlijtiglijk aanteekenen, daarvan onder elkander of met de auteurs handelen, en nadat alles zoo gesteld en verbeterd zal wezen, dat er niet meer in zij, hetwelk der zuivere leer, in de Nederlandsche Gereformeerde Kerken aangenomen, tegenovergesteld zij, of der Godzaligheid en goede zeden, en voor de gemeene rust en den vrede der Republiek schadelijk schijnt te wezen, zoo zullen zij ze, met hunne hand onderteekend en goedgekeurd, den auteurs of drukkers weer geven, om gedrukt te worden. Het schijnt ook niet ongeraden te zijn, dat den opzieners macht gegeven wordt, eenige boeken, voornamelijk theologische, die zij meenen, dat de Kerk en de Christenheid zonder schade wel kan missen, ten eenenmale te verwerpen en te verbieden om te drukken, al is het, dat in dezelve niet gevonden wordt met het geloof, oprechtigheid der leer of goede zeden strijdig.
    Want de ervaring leert, dat, door te groote veelheid der hoeken, die deze schrijfzuchtige eeuw heeft voortgebracht, en alsnog in grooten getale is voortbrengende, het gebeurt, dat . de allerbeste traktaten in alle faculteiten, in de vorige zeer geleerde eeuw door personen, in alle faculteiten de voortreffelijkste, uitgegeven, bij welke vele nieuw geschrevene boeken niet zijn te vergelijken, allengskens vervallen, en uit de oogen en handen der studenten geweerd worden, niet zonder groote schade der studiën; welk onheil, opdat immers eenmaal voorgekomen worde, schijnt de hoogste noodwendigheid der studiën te vereischen.
    Voorts ware te wenschen, 'twelk D. D e o d a t u s gisteren wel heeft vermaand, dat deze zorg van de boeken te overzien, niet eenigen weinigen, maar een vol collegie van vele zeer geleerde en in allerlei faculteiten geoefende kerkelijke en politieke personen bevolen werd, opdat niet somwijlen heele landen en Republieken, en menigmaal alle de Gereformeerde Kerken genoodzaakt worden, te bezuren de nalatigheid en sloffigheid van eenige weinigen.
    Maar indien dit in deze plaatsen niet wel schijnt gedaan te kunnen worden, zoude men deze overziening der boeken, die in 't licht gegeven zullen worden, in de provinciën, waar Academiën zijn, den Doctoren en Professoren, elk in zijne faculteit, mogen bevelen; maar in de andere provinciën, indien het theologische boeken zijn, dengenen, die van de Provinciale Synoden, tot de zaak gedeputeerd worden; indien het ook boeken zijn in de andere faculteiten, dengenen, die iedere provincie daartoe zal verkiezen en deputeeren.

    DIT ALLES BEHOUDENS BETERE ADVIEZEN.

    Het gevoelen der Zwitsersche Theologen, van het weren en verbeteren van de abuizen der drukkerijen.

    Dat de kunst van drukken het menschelijk geslacht van God gegeven zij, voornamelijk om de Goddelijke heilige waarheid voort te planten, weet elkeen wel genoeg; de velerlei en leelijke abuizen derzelve hebben over langen tijd de vromen en vreedzamen ernstiglijk en zeer beklaagd. Nu alle weldaad, hoe Goddelijker en nuttiger zij is, hoe meer het misbruik er van ook schadelijker is.
    Vooral dan moet de hooge Overheid deze kunst behartigen, die niet alleenlijk wetten moge voorschrijven, maar ook dezelve uitvoeren.
    De ervaring heeft overvloediglijk geleerd, dat de veelheid van drukkers en van drukkerijen aan de Republiek schadelijk is geweest.
    Daarom laten onze E. Magistraten niet toe, dat bij iedereen, en in alle plaatsen deze kunst geoefend wordt.
    Allerlei schrijvers, de een met den ander, die met de Zwitzersche en Bazelsche Confessie, met de Godzaligheid en goede zeden, de eendracht en den gemeenen vrede niet conform zijn, ook eerkwetsende schriften, onkuische gedichten en liederen, schilderijen, idem hatelijk voedsel van twisten en oneenigheden, dezelve worden alle te zamen strengelijk verboden.
    [52]
    Een boek, uitgegeven, zonder naam des auteurs, drukkers of der plaats, tenzij dat het om gewichtige oorzaken geschiedt, met weten of last des Magistraats, wordt onderdrukt.
    Een boek, dat overzien moet worden in de Academie van Bazel, wordt eerst aan den Rector Magnificus, daarna (naar de verscheidenheid van de natuur) aan de Dekens der verscheiden faculteiten en in de scholen van de hoofdsteden aan de opzieners vertoond. Indien het wat lang is, worden er eenige medebroeders bij genomen, en wordt het eindelijk door onderteekening, of voor goed gekend, of verworpen.
    Een boek, gedrukt zonder onderteekening of vergunning, wordt onderdrukt en teniet gedaan, en de schuldige, aan zijn geld, lichaam, of ook aan zijn naam en faam gestraft.
    Al is het, dat in eenig schrift gansch geen dwaling of schade is, maar alles oprecht en noodwendig, indien nochtans de opzieners daar geen weet van hebben, gaat zulks niet ongestraft voorbij.
    Tot opzieners worden gesteld personen, die de voornaamste zijn in autoriteit en macht, zoowel politieke als kerkelijke.
    Het ambt van deze is niet alleenlijk de boeken, die uitgegeven zullen worden te bezichtigen, te lezen, te prijzen of te laken, maar ook zorg te dragen over de drukkerijen, en op alle manieren te voorzien, dat de kerkelijke vrede, of die der Republiek, door de fouten der drukkerijen, geen schade lijde.
    Aan iederen opziener en ook aan de publieke bibliotheek wordt tot vereering een exemplaar van het uitgegeven boek aangeboden; een door den auteur, en een ander door den drukker.
    Zaken van meerder gewicht brengen de opzieners tot den Magistraat.
    Is het, dat iemand der tuchtmeesters zelf zijne schriften wil in 't licht geve, opdat het misbruik zijner macht, of de toegeving der andere tuchtmeesters geen zaak zij van een kwaad exempel, zoo is hij ook gehouden dezelve te onderwerpen aan de censuur zijner faculteit of van het geheele collegie.
    Deze wetten worden niet alleenlijk opgelegd aan de lidmaten der Kerk, maar ook aan alle anderen, zoovelen als binnen de palen van den vromen en Christelijken Magistraat leven, 'tzij vreemden of ingeborenen.
    Den onzen is niet alleenlijk niet geoorloofd buiten weten en willen der opzieners iets in onze drukkerijen te drukken, maar ook niet aan uitheemsche drukkerijen, om gedrukt te worden, te zenden, zonder vergunning van onze opzieners.
    Integendeel, indien eenige schriften aan onze drukkers gezonden worden om te drukken van uitheemschen, moeten dezelve niet minder den opzieners ter hand gesteld worden, als de schriften der ingezetenen. Indien het anders geschiedt moet de drukker boeten, en de Magistraat van dien auteur wordt medegedeeld en gebeden, dat hij den zijnen niet toelate onze drukkerijen te misbruiken, of onze wetten te schenden.
    Eindelijk is het wel toegelaten bij onze wetten, de boeken, van onze tegenpartijen of van verschillen handelende, ten onzent te brengen en te verkoopen;maar nochtans, indien er eenig boek of merkelijk lasterlijk is tegen God, de godzaligheid en goede zeden nadeelig, of ook den naaste verongelijkende, zoo wordt de Magistraat bijtijds gewaarschuwd, die, naardat hij de zaak vindt, daarin terstond voorziet.

    Het gevoelen van die van Genéve over dezelve zaken

    Hetgeen tot onderhouding van wetten en orde, in de drukkerij waar te nemen, behoort, dat roer ik niet aan, nademaal overlang wetten daarvan gesteld zijn, zoo ik versta, en deze zaak de autoriteit der Magistraten, in deze landen, aangaat.
    Alleenlijk dat men toezie en voorkome de schade en het gevaar, gerezen uit de toelating, die in gewoonte is gekomen; dat men stelle opzieners der boeken, door de provinciën waar drukkerijen zijn, welke opzieners wij wenschen, dat uit politieke en academische personen bestaan mochten.
    Men moet wat toegeven aan de wijze des volks en des lands, opdat het door een te streng juk, zijnde een volk, dat de vrijheid en vermakelijkheden toegedaan is, niet bezwaard worde; want niets is er dat meer de beste Reformatie krachteloos maakt, als een uiterste strafheid en te groote ijver om alles recht te brengen.
    Het overige, voornamelijk wat de Zeelandsche broeders voortgebracht en overgegeven hebben, prijs ik ten hoogste.
    JOHANNES DEODATUS.

    [53]
    De raad der Theologen van Bremen aangaande de drukkerijen.

    De ongebondene veelheid der drukkerijen behoort tot een behoorlijk noodig, of ten minste tot een voor de Kerk en Republiek nuttig getal gebracht te worden.

    2.
    Dat er geen drukkers zijn, dan door publieke autoriteit des Magistraats bevestigd en beëedigd. Dezelve zullen wezen lidmaten der Kerk, eerlijke, billijke lieden, in de kunst genoeg ervaren, en die zelf den arbeid doen, of ten minste de werken, die zij gehuurd hebben, met een vlijtig oog overzien.
    3.
    Onder zware straf zal men hen belasten, dat zij niets aannemen te drukken, dan 'twelk geapprobeerd is van degenen, dien de hoogste Overheid deze kennis en dit opzicht heeft bevolen.
    4.
    De overzieners zullen ten minste wezen drie;een uit den Magistraat; de ander uit de professoren of geleerdste meesters; de derde uit de predikanten der Kerk. Nu verstaan wij, dat deze drie opzieners niet voor alle deze provinciën genoegzaam zijn, maar dat aan elke provincie zoodanige drie zullen gegeven worden.
    5.
    Dat er ook minstens één algemeen opziener zij over alle de drukkerijen, die telkens de drukkerijen visiteeren, en met de opzieners te zamen beraadslagen mogen.
    6.
    Men zal zekere wetten beschrijven, naar dewelke de ambten der opzieners en de drukkers geleid worden; deze of dergelijke zullen dus zijn.
    1. Waar de opzieners aan twijfelen, datzelve zullen zij in beraadslaging leggen; eerst met den algemeenen opziener; daarna, zoo 't noodig is, ook met den Magistraat, de predikanten en professoren; in zwaardere zaken ook met uitheemsche rechtgevoelende mannen.
    2. Onnutte, en schandelijke boeken, strijdende tegen de zuiverheid der religie en de aangenomen confessie, en dié tot onderhouding van de onderlinge eenheid, en ganschelijk den goeden zeden schadelijk zijn, zal men ten eenenmale verwerpen.
    3. Boeken van elders gezonden of ergens alreede gedrukt, zullen zij niet drukken, tenzij dat zij daarvan desgelijks den opzieners de weet hebben gedaan.
    4. Van de schilderijen is hetzelfde te oordeelen als van de boeken.
    5. De namen der auteurs en plaatsen, waar de schriften gedrukt worden, zal niemand mogen nalaten, tenzij de oorzaak bij de meerderen, en voornamelijk met weten des Magistraats, goedgevonden zij.
    6. Boeken van andere zaken als van religie handelende, gelijk daar zijn philosophische, historische, in de rechten en in uitheemsche spraken beschreven, zal men zenden, om geëxamineerd te worden, tot die Academiën, alwaar ze door mannen, in die zaken geleerd, en bizonderlijk daartoe gedeputeerd, mogen herlezen worden, opdat nergens iets, dat der gezonde leer of den godzaligen zeden contrarie is, met schade der Kerk of der politie, verhaald worde.
    7. De correctors zullen zulke lieden zijn, dat zij genoegzaam bekend zijn, getrouwe en geleerde mannen te wezen, opdat men onze geheimen den verraders der Kerk niet bevele.


    BEHOUDENS HET OORDEEL DER BETER GEVOELENDEN.


    De Doorluchtige Hoogmog. Heeren Staten-Generaal hebben kort daarna tot wegneming van de abuizen der drukkerijen dit plakkaat gepubliceerd.
    De Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden, allen dengenen, die deze tegenwoordig zullen zien, of hooren lezen, saluut: Doen te weten: Alzoo, niettegenstaande ons voorgaand plakkaat, uitgegeven den zevenden Juli in 't jaar duizend zes honderd vijftien, alom in de voorschreven provinciën gepubliceerd en verkondigd, eenige curieuze, ongeruste en twistgierige menschen, naar nieuwigheden en verandering trachtende, zich hebben onderstaan, en nog dagelijks onderstaan, kwalijk te spreken, verscheidene schandaleuze en ergerlijke boekskens, en liedekens, refereinen, nieuwsmaren, en
    [54]
    dergelijken te dichten, in druk en geschrift uit te geven, en onder de gemeente te strooien, waarbij niet alleenlijk onbehoorlijk van de wettelijke regeering der Landen in 't generaal en in't particulier wordt gesproken, en geoordeeld, maar ook gearbeid en onderstaan, tusschen Provinciën, Steden en ingezetenen derzelven, twist en oneenigheid te maken, zoodat de onwetende, eenvoudige, en onervarene menschen, en de gemeene man daardoor lichtelijk tot misverstand, oproer en scheuring gebracht, en van hun behoorlijken en schuldigen plicht, die zij hun wettelijke Overheid schuldig zijn, afgerukt zouden mogen worden; dat wij ook van goeder hand, en geloofwaardige personen gewaarschuwd zijn, als dat eenige zulke personen in den zin zouden hebben eenige schriften, alreede in de Nationale Synode, binnen Dordrecht vergaderd, overgegeven, of die nog in toekomende tijden in haar zouden mogen overgeleverd worden, in 't geheel of bij stukken in openbaren druk uit te geven, en den gemeenen man, tot minachting van de synodale handelingen, of ophitsing van het gemeene volk te communiceeren, zonder te willen afwachten, totdat de handelingen der voorschreven Synode ten einde gebracht en gesloten zijn, gelijk dat vereischt wordt en behoort, hetwelk alles in landen van goede regeering niet behoort getolereerd, maar waartegen inzonderheid in deze tijden dient voorzien, en naar rechten en voorgaande plakkaten, wetten en gebruiken van de Vereenigde Nederlanden, belet en gestraft te worden: ZOO IS HET, dat wij, na voorgaande rijpe deliberatie en beraadslaging, van nieuws verboden en geinterdiceerd hebben, verbieden en interdiceeren bij dezen, eenen iegelijk, van wat staat, natie, kwaliteit en conditie dezelve zouden mogen wezen, kwalijk te spreken van de wettelijke regeering der landen, en van de magistraten van de steden; eenige ergelijke en oproerige boekskens of libellen, liedekens, nieuwsmaren, schandaleuze refereinen, of andere, hoedanig die zouden mogen wezen, in geenerhande talen of spraken voortaan binnen de voorschreven Vereenigde Nederlanden te brengen, te drukken, noch in druk, of geschrift te laten uitgaan, te verkoopen, of te strooien, of om te dragen; en dit geldt met name ook eenige schriften, acten en voordrachten, die alreede in de voorschreven Nationale Synode overgegeven, gehouden en voorgedragen zijn, of die nog in toekomende tijden, in haar zouden mogen overgegeven, gehouden, en voorgedragen worden, voordat hetzelve anders niet publieke orde en autoriteit bij ons zal zijn gepermitteerd, geoctrooieerd en toegelaten, om te mogen bekomen en genieten voor het algemeen en op bizonder goede wijze de vruchten van deze zoo lang gewenschte bijeenkomst; en dat de Heeren Gedeputeerden op de Synode, in het toezicht over dezelve, ook mogen komen tot hunne meening, voor de eere Gods, den dienst van de Kerken, de rust en vrede in de Gemeente, den roem en de eere van de Synode, mitsgaders van de Gecommitteerden op dezelve; op verbeurte van dezelve schriften, boekskens, liedekens en andere schriften, en van nog tweehonderd ponden tot veertig grooten voor de eerste reize, en voor de tweede reize, op dubbele boeten en arbitraire correctie, en daarenboven nog gestraft te worden aan den lijve, naar gelegenheid en eisch der zaken, zoowel de auteur en de drukker, als de verbreider en distributeur, en verkooper van dien. En ten einde hetzelve te beter mag worden achtervolgd en onderhouden, verbieden wij alle boekdrukkers binnen de voorschreven Vereenigde Nederlanden, voortaan iets te drukken, of in druk te laten uitgaan, tenzij hij hetzelve eerst bij de Gecommitteerde Raden, of Gedeputeerde Staten van de respectieve provinciën, of dengenen, die in de respectieve steden daartoe speciaal zullen geautoriseerd zijn, vertoond, gevisiteerd en toegelaten zal zijn, zonder dat na deze toelating daar iets toe of afgedaan zal mogen worden. En alle boekdrukkers zullen gehouden zijn een origineel exemplaar te houden van alle boeken en acten, die zij zullen drukken, en hetzelve aan de Gecommitteerde Raden of Gedeputeerde Staten van de respectieve provinciën over te zenden, aleer eenige er van uitgegeven of verkocht zullen mogen worden, om te weten wat namaals daar toe of af zal gedaan zijn. En ook zullen alle drukkers, onder hun gedrukte exemplaren gehouden zijn te stellen hunlieder namen, en plaats van hunlieder residentie, en het jaar wanneer zulks is gedrukt, ook den auteur of vertaler er van, mitsgaders de acte van permissie op het omslag van ’t eerste blad; mede op boete voor de eerste reis van honderd ponden tot veertig grooten het pond, en verbeurte van de exemplaren, en voor de tweede reis van twee honderd gelijke ponden, en verbeurte van de exemplaren, en voor de derde reis, van drie honderd gelijke ponden, en bannissement uit de voorschreven provinciën voor den tijd van tien jaren.
    [55]
    En ten einde dit alles te beter achtervolgd worde, ordonneeren wij, dat alle drukkers in de voorschreven provinciën gehouden zullen wezen, binnen den tijd van acht dagen na publicatie dezer, in handen van den Magistraat, waar zij respectievelijk resideeren, te vernieuwen den eed, dat zijlieden zich in alles hiernaar zullen reguleeren, op poene van elke maand daarna te verbeuren de som van honderd ponden, tot veertig grooten 't pond, zoolang zij daarvan in gebreke zullen blijven. Welke voorschreven poenen en boeten voor een derde deel zullen komen tot profijt van den officier, die de executiën doen zal, een ander derde deel ten behoeve van den aanbrenger, en het resteerende derde deel ten profijte van de gemeene zaak. Ordonneeren en bevelen daarom alle officieren en ambtenaren van het recht wien zulks aangaat, behoorlijk onderzoek naar de overtreders te doen, dezelve te straffen, en te doen straffen, zonder eenige vergoeilijking, naar vorm en inhoud van dit ons plakkaat. En, opdat niemand daarvan eenige onwetendheid of onbekendheid voorgeve, ontbieden en verzoeken wij het den Héeren Staten, Stadhouders, Gecommitteerden Raden, en Gedeputeerden Staten van de provinciën, respectievelijk van Gelderland en 't Graafschap Zutfen, Holland en West-Friesland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijsel, Stad Groningen en Ommelanden, en allen anderen ambtenaren en officieren van het Recht in deze Vereenigde Nederlanden, dat zij deze onze ordonnantie en plakkaat van stonde aan alom doen verkondigen, uitroepen, publiceeren en aanplakken, waar men gewoon is dusdanige uitroeping, publicatie en aanplakking te doen, en dat zij procedeeren, en doen procedeeren tegen de onwilligen en overtreders er van, tot de voorz. boeten, zonder gratie, oogluiking, gunst, verheling of verdrag. Want wij hebben bevonden zulks ten dienste van den lande te behooren. Gegeven in 's Gravenhage onder ons Zegel, en met de onderteekening zoowel van ons als van onzen Griffier, op den tweeëntwintigsten dag der maand December, in 't jaar duizend zeshonderd en achttien. Was onderteekend G i j s b e r t v a n B o e t s e -l a a r Vt. Onder stond ter ordonnantie van de Hooggemelde Heeren Staten-Generaal. Geteekend C. A e r s s e n , zijnde daarop gedrukt het Zegel derzelver Heeren Staten in rood was.

    Gedurende dezelfde zitting zijn verschenen in de Synode de gedaagde Remonstranten, denwelken de Praeses verklaarde de oorzaak van hunne citatie, en hij vermaande, dat zij de Synode de redenen der verzochte uitstelling zouden willen verklaren. Zij gaven tot antwoord, dat zij naar de wijze en het exempel der Apostelen deze Synode van God, den Vader en onzen Heere Jezus Christus, de genade des H. Geestes wenschen, opdat dezelve hun adviezen wilde verleenen, die der verstoorde gemeente en het Vaderland heilzaam waren. Dat zij gisteren waren aangekomen, door bevel dergenen, welker autoriteit zij niet hadden kunnen ontgaan, opdat zij hunne zaak, gelijk voordezen, alzoo ook nu, in goeder conscientie zouden verdedigen. Dat zij eindelijk gekomen waren, om te verstaan, wanneer men tot de conferentie zou moeten komen; dat zij nog bezig waren met hunne kisten uit te pakken, en daarom den Praeses vertoond hadden, dat het billijk scheen te zijn, dat hun een dag of twee gegeven werd, om zich 'intusschen te bereiden. Nochtans hadden zij datzelve niet geëischt, of de Synode iets willen voorschrijven, maar zij stelden het in 't believen der E. B. Gecommitteerden, en der Synode. Deze waren van meening, dat men hun uitstel moest geven tot den anderen dag, 'twelk ook der Synode behaagd heeft. En dewijl zij melding gemaakt hadden van een conferentie aan te stellen, is hun expressselijk aangezegd, dat het niet de meening der E. Gecommiteerden en der Synode was, dat er een solemneele, gelijk tusschen partijen, of een schoolsche conferentie en disputatie zoude gehouden worden, dewijl zij geciteerd waren (gelijk ook de citatiebrieven uitdrukken) om hun gevoelen van de vijf bekende Artikelen klaar voor te stellen, te verklaren, en zooveel hun doenlijk was te verdedigen, en daarna het oordeel der Synode daarover te verwachten. Verder zijn zij vermaand, dat zij op dit wit wilden zien, en binnen deze palen blijven.
    De geciteerde Remonstranten hebben daarenboven te kennen gegeven, dat zij bij request verzocht hadden van de Doorl. Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, dat N i c o l a u s G r e v i n c h o v i u s en S i m o n G o u l a r t i u s, die zij zeer dappere voorstanders en verdedigers hunner zaak noemden, in de verdediging dezer zaak, hun bijgevoegd mochten worden, en dat de Hoogmog. Heeren Staten-Generaal dit verzoek overhandigd hadden aan de Synode. Derhalve verzochten zij zeer ernstig, dat die twee voornoemden
    [56]
    hun mochten bijgevoegd worden, die zij ook verstaan hadden, dat te voren tot dezelfde zaak waren benoemd geweest, en dat zij ondertusschen de zaak zouden beginnen, en de Synode niet ophouden, terwijl men hen zoude verwachten. En, vertrokken zijnde, zijn tot hen gezonden de Utrechtsche Remonstranten om het request met het antwoord der H. M. Heeren Staten-Generaal af te eischen. Deze zeiden, dat zij geantwoord hadden, dat het request hun niet was weder gegeven, want dat de Hoogmog. Heeren Staten-Generaal niet schriftelijk, maar mondeling daarop hadden geantwoord. Alzoo men hiervan was handelende, hebben de Zuid-Hollandschen te kennen gegeven, dat N i c o l a u s G r e -v i n c h o v i u s in de laatste Zuid-Hollandsche Synode, gehouden te Delft, van den dienst afgezet was, gelijk uit het oordeel derzelve Synode tegen hem uitgesproken, hetwelk voorgelezen werd, koude blijken. Zoo hebben ook die van de Waalsche Kerk verklaard, dat S i m o n G o u l a r t i u s van den dienst der Kerk van Amsterdam, met approbatie der Waalsche Synode, al voor langen tijd afgezet was. De E. Gecommitteerden waren van meening, dat men het antwoord op dit verzoek uitstellen zoude tot den anderen dag.