|
DE TWINTIGSTE ZITTING.
Den 4en December, Dinsdagvoormiddag.
Men heeft beraadslaagd over eenige vragen, behoorende tot de voorz. preparatie. De eerste was, of den studenten der h. theologie, en die naar het predikambt staan, toegelaten behoort te worden openlijk voor 't volk predikatiën te doen. De tweede, of de bediening des Doops hun behoorde toegelaten te worden. De derde, of het oorbaar is, dat zij in de bijeenkomsten der Kerkeraden en Classen verschijnen. De vierde, of het geraden is, dat zij openlijk in de kerken in 't voorlezen van de H. Schriftuur gebruikt worden, om zich te oefenen. Alle de redenen naarstiglijk overwogen zijnde, is geordonneerd, dat de bediening des Doops niemand behoort toegelaten te worden, dan zoodanigen, die na voorgaand volkomen examen tot den H. dienst zijn toegelaten. Maar aangaande de resteerende oefeningenheeft de Synode geoordeeld, dat dezelve wel tot een zoodanige preparatie nuttig waren, maar of, en wie tot dezelve zouden zijn toe te laten, of niet stichting zouden mogen toegelaten worden, dat zulks gelaten zoude worden in de vrijheid en discretie van de Kerken, Kerkeraden, en Classen. Is ook goed gevonden, dat men deze dingen allen Kerken niet zoude scherpelijk belasten, maar dat het genoeg zoude zijn, dat hetzelve maar ernstiglijk aan de Kerken werd gerecommandeerd.
De Utrechtsche Remonstranten hebben eenige bedenkingen in 't geordineerde formulier van catechisatie schriftelijk overgeleverd, op dewelke de praeses geantwoord heeft.

|