|
DE NEGENTIENDE ZITTING.
Den 3en December, Maandagvoormiddag.
In deze Zitting zijn voorgelezen geweest de antwoorden, zoo der uitheemsche als der inlandsche theologen, schriftelijk gesteld, op de vraag van de kinderen der Heidenen te doopen, en alle de adviezen gehoord zijnde, is eendrachtelijk geoordeeld, dat diegenen, die tot eenige jaren zijn gekomen, en de onderwijzing vatten kunnen, tot den heiligen Doop niet moeten toegelaten worden, tenzij dat ze voorheen tamelijk in de fundamenten der Christelijke religie onderwezen zijn, professie doen des geloofs, en eenige rekenschap daarvan geven kunnen, den Doop zelf begeeren, en dat bekwame getuigen daarbij genomen worden, die hen verder in de Christelijke religie beloven te onderwijzen. Die nu gedoopt zijn, dat zoodanige hetzelfde recht van vrijheid, hetwelk andere Christenen hebben, behooren te genieten, endoor verkooping of door eenige andere vervreemding van de Christelijke Meesters of Heeren wederom in de macht der Heidenen niet behooren overgegeven te worden. Van de kinderen ook der Heidenen, dewelke, of vanwege de jonkheid of gebrek van de spraak te verstaan, niet hebben kunnen onderwezen worden van de Christenen, hoewel ze door aanneming zouden mogen ingelijfd worden in de familiën der Christenen, is ook geoordeeld geweest met de meeste stemmen, dat ze niet behooren gedoopt te worden, eer zij tot die jaren gekomen zijn, dat zij in de eerste beginselen der Christelijke religie naar hun begrip kunnen onderwezen worden, en zulks ook metterdaad geschied is. En dat ook bekwame getuigen beloven naarstigheid te doen, dat zij der zelven in 't Christelijk geloof verder en nader onderwijzen zullen, en niet zullen toelaten, zooveel in hen is, dat zij van de familiën [47] of gemeenschap der Christenen wederom vervreemd zullen worden. Zijn gelezen de adviezen der Collegiën, over den raad der Zeelanders, belangende een nadere bereiding dergenen, die naar het predikambt staan. Dezelve heeft allen wel behaagd, weinige dingen alleenlijk veranderd en daarbij gedaan zijnde. De theologen uit den Paltz hebben beloofd hun best te doen, dat de wetten van 't Collegie Sapientikae en eenige andere manier van doen, die de studenten der h. theologie en de kweekelingen aangingen, binnen weinige weken de Synode tot dit einde mochten vertoond worden opdat uit dezelve, 't geen geoordeeld wordt dienstig te zijn . voor de Nederlandsche Kerken, moge uitgetrokken worden. Is derhalve goedgevonden het besluit van deze bereiding dergenen, die naar 't predikambt staan, uit te stellen, totdat men die ook gezien en overwogen had. En is D. Assessor Faukelius verzocht die dingen daaruit te trekken, en 'tgeen onzen Kerken dienstig zoude schijnen te zijn, daarbij te voegen, en uit alle opmerkingen een formulier van deze bereiding te stellen, hetwelk daarna der Synode vertoond en van haar geapprobeerd moge worden.

|