Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Zitting 18


    DE ACHTTIENDE ZITTING.

    Den 1en December, Zaterdagvoormiddag.

    De Indische vraag van 't doopen der Heidensche jonge kinderen hebben de NoordHollandsche Broeders wijdloopiger verklaard, te weten, dat die jonge kinderen waarvan quaestie was, gemeenlijk nu tot eenigen ouderdom waren gekomen, en niet van de Christenen tot kinderen aangenomen, maar alleenlijk in hunne huisgezinnen voor slaven gerekend en dat zij ze menigmaal tegen dank der ouders, ontnamen en kochten; en dat zij wederom somwijlen van de huisgezinnen der Christenen kwamen te vervreemden, en wederom in de macht der Heidenen geraken.
    Men heeft voorgelezen aangaande deze quaestie, de adviezen der Engelsche, Zwitsersche en Breemsche gedeputeerden, ender Nederlandsche professoren der H. Theologie, en de gedeputeerden der ZuidHollandsche Synode. De resteerenden hebben beloofd, dat zij ook hunne antwoorden, in de naaste zitting, schriftelijk zouden overgeven.
    Intusschen werd voorgesteld het bezwaar om de studenten der H. Theologie, en voornamelijk, die naar het predikambt stonden, beter tot den Kerkendienst te bereiden en te fatsoeneeren. De Zeelanders hebben hun advies schriftelijk hiervan overgegeven;en er is besloten, dat datzelve van iedere Synode uitgeschreven zoude worden, opdat men tegen Maandag bijtijds beraadslagen mocht, wat er of bijgedaan, of in veranderd diende te wezen. Datzelve luidde aldus:

    Advies der Broederen uit Zeeland, op de vraag hoe degenen, die naar het predikambt staan, tot zoodanige bediening behooren voorbereid te worden.

    Na de beraadslaging van het catechiseeren der onwetenden, zoowel der kinderen als der volwassenen, volgt de beraadslaging, nopens de personen tot den heiligen dienst bekwaam, en tot onderrichting derzelven, tot zulk een uitnemend ambt in de Kerk. En hier is van noode, dat eerst van de verkiezing, daarna van de behoorlijke onderwijzing derzelven te beraadslagen gesproken worde.
    Opdat dan den Kerken nimmermeer bekwame predikanten ontbreken, zullen de Doorlucht: Heeren Staten gebeden worden, dat in iedere Provincie, waar dit nog niet is gedaan, een zeker getal van zoodanige jongelingen, op gemeene kosten tot den heiligen dienst onderhouden worden. De rijksten zullen ook vermaand worden, dat zij hunne kinderen, die zij daartoe bekwaam bevinden zullen, naar de scholen zenden, en aldaar laten onderwijzen; opdat het publieke plantsoenhoven zijn, waaruit tot de bediening van het predikambt zoodanigen genomen worden, zoo menigmaal er nood zal wezen.
    Tot deze zaak zal men, uit de kleine scholen, jongelingen uitkiezen, van eerlijke en vrome ouders geboren, opdat misschien den dienst geen schande overkome, uit de afkomst of uit der ouderen eerloosheid.
    Deze zullen kloek van geest en van lichaam wezen, om zoo grooten last en ambt te betreden, en die in de gemeene scholen zulke proeven van hun verstand en geleerdheid
    [45]
    gegeven hebben, dat daaruit eene zekere hoop te scheppen is, dat zij, tot mannen geworden zijnde, de Kerk in den dienst nuttig zullen zijn; en in welke eindelijk gewisse teekenen van godzaligheid, vroomheid en zedigheid bespeurd worden.
    Aldus uitgekipt, of van de ouders in dit stuk opgevoed, zullen zij, wanneer zij de kleine scholen komen te verlaten, gezonden worden in de Academiën of Hoogescholen, in welke het nuttig en noodig is, dat er zekere en onderscheidene Collegieën der Provinciën opgericht worden, alwaar onder de zorg der Regenten en opzieners, de studenten leven mogen, naar derzelver raad hunne studiën aanleggen, en een zekeren korten weg, naar hun raad en voorschrift, in hunne studiën ingaan, opdat zij niet in 't onzekere zwerven, en, uit alles iets willende hebben, van het geheel nietmetal leeren. Eindelijk die acht slaan op hun leven en zeden. Want de al te groote vrijheid heeft velen in de Academiën bedorven.
    Van degenen, die straks over de Kerken gesteld zullen worden, wordt vereischt, dat zij zich zelven ook tot de Gemeente begeven, en van die religie, die zij anderen eenmaal zullen leeren, zelven belijdenis doen, dikwijls de predikatiën bezoeken, met de Gemeente ten Nachtmaal gaan, der kerkelijke tucht onderworpen zijn, en dat de predikanten eene bizondere acht op hen nemen.
    Om nu een bondige kennis der philosophie en der spraak, maar voornamelijk der theologie te verkrijgen, is niet een of twee jaren noodig, maar in 't geheel de tijd van vijf of zes jaren. Want, gelijk de onbedachtzaamheid sommiger jonge lieden groot is, die nauwelijks twee jaren in de Academie doorgebracht hebbende, naar het predikambt durven staan, alzoo is ook de manier van doen niet te prijzen dergenen, die schier al hun leven in de Academiën verslijten, en ook al te laat tot den heiligen dienst geraken.
    Derhalve om deze twee fouten tegen te gaan, ware het niet onraadzaam eenigen tijd voor te schrijven, binnen denwelken zij gehouden zijn den loop hunner studiën te eindigen, en de Kerk hun arbeid te doen genieten. En, opdat de Kerken, patronen en ouders, kennis mogen hebben van hun voortgang, is het geraden, dat zij alle jaren denzelven rekenschap geven van hun studiën.
    Dezen loop der studiën, in eenige Academie volbracht zijnde, zoude het niet onprofijtelijk wezen uitheemsche Academiën en Kerken te bezoeken, en zoolang in de vermaardste plaatsen te blijven, totdat zij hetgeen daar prijselijk is, doorzien en geleerd hadden, opdat zij alzoo, met inheemsche en uitheemsche exempelen, te beter voorzien, tot de hunnen mochten weder keeren.
    Te huis gekomen zijnde, zullen zij het getuigenis van de predikanten der Kerk, en regenten der Academiën of professoren of dekens der faculteiten, vertoonen aan de Kerk en de Classe, waar zij zullen gestudeerd hebben, verwachtende een wettelijke beroeping tot het predikambt.
    En gelijk, deze getuigenissen gezien zijnde, niemand dan met voorgaand praeparatoir examen mag toegelaten worden tot de oefening van predikatiën te doen, alzoo is het ook noodig, dat er andere oefeningen bij komen, door welke zij nog bekwamer gemaakt worden tot deze bediening van den heiligen dienst.
    Hier nu zoude niet onprofijtelijk zijn, dat degenen, die naar zoodanigen dienst staan, somwijlen openlijk de heilige Schriftuur in de Kerken lazen. En aldus zal het gebeuren, dat zij de geheele Kerk bekend worden, en in hare tegenwoordigheid wandelen. De gansche Kerk zal een getuigenis hebben van hun zeden, godzaligheid en vroomheid. Eindelijk zullen zij zich zelven zoo voorzichtig gedragen, dat zij niets bedrijven, 'twelk de beroeping (tot welke zij zich bereiden) onwaardig zij; en alzoo zullen allen bekend, en van allen geapprobeerd worden, die over allen gesteld zullen worden. Daarna door deze publieke lezing zal hun een vrijmoedigheid om te spreken aankomen, waardoor zij gewend zullen worden de gansche menigte te aanschouwen. Hun stem en uitspraak zal ook geformeerd worden, om te bereider te komen tot het prediken voor het volk, 'twelk wij ook oordeelen, dat hun mag toegelaten worden na een nader en nauwer examen, mits dat het consent des Classis daar bij kome.
    Daarna zal het hun goed wezen dikwijls bij de predikanten te zijn, met dezelven van verscheidene gelegenheden aangaande de conscientie te spreken, en dezelven in 't bezoeken der kranken en vertroosting der bedrukten te vergezelschappen, en van hen leeren, hoe men zoodanigen moet aanspreken, en de
    [46]
    benauwden oprichten; eindelijk, wat en hoedanige gebeden somwijlen naar voorvallende gelegenheid gedaan moeten worden. Want, hoewel zij uit de scholen geoefend in 't spreken tot de Kerken moeten komen, nochtans moet hetgeen zij geleerd hebben in praktijk gebracht worden, 'twelk zij van de predikanten van noode hebben te leeren.
    En nademaal de geroepenen tot den dienst eenmaal gesteld zullen worden over de regeering der Kerken, en de regeering der Kerken in de scholen niet volkomen kan geleerd worden, zoo zoude niet buiten reden wezen, dat eenige maanden voor de beroeping, in de voornaamste steden hun toegelaten werd, in de kerkeraden en in de bijeenkomst der diakenen te komen, nochtans onder zekere en bepaalde conditiën, en alzoo te verstaan, hoe de regeering der Kerk in 't werk gesteld moet worden, de wijze van vragen en de stemmen te vergaderen, hoe de tucht te oefenen, en wat in verscheidene voorvallende gelegenheden te doen is. Idem, wat zorg over de armen gedragen moet worden, en dergelijke dingen, 'twelk veel meer door gebruik dan door wetten geleerd wordt; alle welke dingen hun zeer dienstig zullen zijn, wanneer zij tot het predikambt beroepen zullen worden.
    Eindelijk, gemerkt men tot dusverre, in 't examineeren voor de promotie, alleen acht heeft genomen op de leer, of zij namelijk gezond in de leer waren, 'twelk wij bekennen het voornaamste te zijn; zoo mag men nochtans wel beraadslagen of het ook niet nuttig zij een examen aangaande de practijk in te stellen, waarin zij ondervraagd worden, of zij ook vast houden aan dat woord, dat naar de godzaligheid is, en bekwaam zijn om de Christelijke zedeleer voor te dragen, om de zeden der menschen in allerlei soort van deugden te onderwijzen. Want de mensch Gods behoort volmaaktelijk tot alle goede werken onderwezen, en niet alleenlijk tot leering en bestraffing, maar ook tot verbetering en onderwijzing, die in de gerechtigheid is, bereid te zijn. Tot welk einde het te wenschen ware, dat in de Collegiën en Academiën de jongelingen de Practische Theologie, geleerd werd, en van verscheidene gelegenheden der conscientiën onderricht.


    EN DIT ONDERWERPEN WIJ AAN BETERE OORDEELEN EN ADVIEZEN.