|
DE TWAALFDE ZITTING.
Den 24en November, Zaterdagvoormiddag.
Zijn eenige vragen voorgesteld, behoorende tot de overzetting des Bijbels. Hiervan was de eerste, of in alle die plaatsen, in welke van God gesproken wordt, in den tweeden persoon enkelvoud, dit, naar het exempel van andere natiën zal moeten uitgedrukt worden door het Nederlandsche woordeke du, en desgelijks de Nederlandsche woorden van den tweeden persoon in het enkelvoudig getal, daarop slaande, enz., dan of het beter zou zijn, dat men de aangenomen manier van spreken behield. Van weerszijden verscheiden argumenten bijgebracht zijnde, is met meerderheid van stemmen geoordeeld beter te zijn, dat in die plaatsen het woordeken Gij, nu gebruikelijk, behouden worde, dewijl dat nu nochtans door al de Nederlanders, volgens een oude gewoonte in het enkelvoudig getal gebruikt wordt, en voornamelijk, omdat de Nederlandsche woorden des tweeden persoons, in het enkelvoudig getal, die bij het woordje dy behooren, nu reeds lang buiten gebruik geraakt zijn, en een ruw, onaangenaam, en ongewoon geluid geven in de Nederlandsche ooren. De tweede quaestie was, hoe men het woord Jehova in het Oude Testament moest overzetten. Of men [23] het in de Nederlandsche taal moest behouden, dan of men het door het woord Heere, zooals reeds lang geschiedt, of een dergelijk zoude moeten uitdrukken. Er is voor raadzaam geoordeeld, dewijl er geen bekwaam en gebruikelijk Nederlandsch woord is, waarmede de kracht van dit woord uitgedrukt kan worden, dat de overzetters, het woord Jehova door het woord Heere vertalen zullen, en dat dit woord met groote letters in den tekst uitgedrukt worde. Maar daar het woord Jehova een bizonderen nadruk schijnt te hebben, dat men daar een sterretje zal zetten, en het woord Jehova aan den kant stellen. Ook zullen de overzetters vermaand worden, waar dit woord de punten heeft van het woord E l o h i m, te letten, of het in die plaatsen niet meer bekwaamlijk door het woord God als door het woord Heere zou kunnen vertaald worden. De derde quaestie was, of de eigennamen des Ouden Testaments uitgedrukt moeten worden, gelijk ze luiden in de heilige taal, dan of men ze behouden zal, gelijk ze nu in de gewone overzetting gelezen worden. Er is goedgevonden die te behouden, gelijk ze nu gelezen worden, tenzij dat misschienbehouden, maar waar eenige verandering noodig schijnt, zal men die op den kant aanteekenen. Eindelijk is gevraagd, of het niet goed ware, voor deze nieuwe vertaling eenige goede beschrijving van plaatsen en gewesten, waarvan in het Oude en Nieuwe Testament melding gemaakt wordt, idem van chronologiën, dat is, tijdregisters, en genealogiën, dat is, geslachtsregisters, daarbij te voegen. Er is geoordeeld, dat zoodanige beschrijvingen wel profijtelijk zouden zijn, en aan het einde des Bijbels gesteld mogen worden, maar dat de overzetters zich daarmede niet behoorden te bemoeien, en voornamelijk, dat men zich wachten moest om beschrijvingen, die of niet zuiver of niet zeker zijn, daarbij te voegen; idem, dat men in de beschrijving der kaarten, of in de titels nergens beelden bij schildere, die ergernis zouden kunnen geven. Er is ook geoordeeld, dat men de overzetters vermanen moet, dat zij een volledig register van de zaken en woorden, met een hetere uitlegging der Hebreeuwsche namen, er achteraan stellen. Idem, opdat men in de deputatie der uitleggers en overzieners ook acht zou mogen nemen op de afwezenden, zijn de namen der afwezenden genoemd en aangeteekend, die in iedere Provincie, voor de overzetting en overziening van dit werk, de bekwaamsten gehouden werden.

|