|
DE NEGENDE ZITTING.
Den 21en November, Woensdagvoormiddag.
Dewijl het kennelijk is, dat de Apocriefe boeken niet dan menschelijke schriften zijn, en sommige ook verdichte en vervalschte schriften, gelijk daar zijn de Historie van Judith, Suzanna, Tobias, Bel en van den Draak, en inzonderheid het derde en vierde boek van Ezra; dewijl sommige ook inhouden eenige leeringen en historiën, strijdende met de Canonieke boeken; en dewijl deze, noch in de Joodsche, noch in de oudste Christelijke kerk, bij het boek des Ouden Testaments zijn bijgevoegd geweest, zoo heeft men beraadslaagd, of die ook een duidelijke overzetting noodig hadden; idem, of het betamelijk is, dat zij in één boek met de heilige en Canonieke boeken voortaan te zamen gevoegd zouden worden; inzonderheid, alzoo die samenvoeging, door vervolg des tijds hetzelfde perijkel kon veroorzaken, hetwelk men in de Pauselijke kerk heeft zien gebeuren, dat deze schriften, niet dan menschelijke schriften zijnde, ten laatste door de onkundigen voor Canonieke en Goddelijke gehouden zijn geworden. Na langdurige beraadslaging, en nadat verscheidene en gewichtige redenen aan weerszijden bijgebracht en voorgesteld waren, is er tijd verzocht, om de bijgebrachte redenen rijpelijker te overwegen.

|