Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Zitting 6

    DE ZESDE ZITTING.

    Den 19e November, Maandagvoormiddag.

    Nadat het gewone gebed gedaan was door den Praeses, is men begonnen te spreken van eene nieuwe en betere overzetting des Bijbels, uit de oorspronkelijke talen, in de Nederlandsche. Dewijl nu de Edele Philippus Marnix, Heer van St. Aldegonde, en de Achtb. en Eerw. mannen Arnoldus Cornelij en Wernerus Helmichius, die tot verscheidene malen door de Nederlandsche Kerken tot eene nieuwe vertaling uit de oorspronkelijke talen waren afgevaardigd geworden, en het werk nauwelijks begonnen zijnde, overlang gestorven waren, zoo zijn deze drie punten voorgesteld geworden.
    Ten eerste, of het noodig en de kerk tot voordeel zoude zijn, eene nieuwe overzetting des Bijbels voor te nemen.
    Ten andere, op welke wijze deze tot nut en stichting onzer Kerken ten bekwaamste zoude kunnen gedaan worden.
    Ten derde, hoe velen en wien deze arbeid, uit naam der Nederlandsche Kerken opgelegd zoude worden.
    De uitlandsche Theologen, verzocht zijnde hun gevoelen te zeggen, hebben geantwoord, dat de Nederlandsche kerken het best over de noodwendigheid dezer overzetting konden oordeelen, dewijl de oorzaken hun beter bekend waren dan den uitheemschen.
    Maar in betrekking tot de meest bekwame wijze, waarop men dit werk had bij de hand te nemen, en aangaande het getal en de noodige gaven dergenen, die men dit zoude mogen opleggen, hebben zij hunne zeer wijze adviezen gegeven, en, de tijd verstreken zijnde, heeft men de verdere beraadslaging over deze zaken uitgesteld tot den volgenden dag.