|
DE ZESDE ZITTING.
Den 19e November, Maandagvoormiddag.
Nadat het gewone gebed gedaan was door den Praeses, is men begonnen te spreken van eene nieuwe en betere overzetting des Bijbels, uit de oorspronkelijke talen, in de Nederlandsche. Dewijl nu de Edele Philippus Marnix, Heer van St. Aldegonde, en de Achtb. en Eerw. mannen Arnoldus Cornelij en Wernerus Helmichius, die tot verscheidene malen door de Nederlandsche Kerken tot eene nieuwe vertaling uit de oorspronkelijke talen waren afgevaardigd geworden, en het werk nauwelijks begonnen zijnde, overlang gestorven waren, zoo zijn deze drie punten voorgesteld geworden. Ten eerste, of het noodig en de kerk tot voordeel zoude zijn, eene nieuwe overzetting des Bijbels voor te nemen. Ten andere, op welke wijze deze tot nut en stichting onzer Kerken ten bekwaamste zoude kunnen gedaan worden. Ten derde, hoe velen en wien deze arbeid, uit naam der Nederlandsche Kerken opgelegd zoude worden. De uitlandsche Theologen, verzocht zijnde hun gevoelen te zeggen, hebben geantwoord, dat de Nederlandsche kerken het best over de noodwendigheid dezer overzetting konden oordeelen, dewijl de oorzaken hun beter bekend waren dan den uitheemschen. Maar in betrekking tot de meest bekwame wijze, waarop men dit werk had bij de hand te nemen, en aangaande het getal en de noodige gaven dergenen, die men dit zoude mogen opleggen, hebben zij hunne zeer wijze adviezen gegeven, en, de tijd verstreken zijnde, heeft men de verdere beraadslaging over deze zaken uitgesteld tot den volgenden dag.

|