Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Acta of Handelingen der Nationale Synode, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, gehouden door ...


auteur(s): Donner, J.H.Hoorn, S.A. van den
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Donner
plaats: Leiden
jaar: 1883-1886
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 963
Editie ''in de tegenwoordige spelling naar de oorspronkelijke Nederduitsche uitgave" en onder toezicht van J.H. Donner en S.A. van den Hoorn. Een reprint van deze editie verscheen bij uitgeverij Den Hertog, Houten in 1987. Het corrigeren en invoeren van deze Acta is verzorgd door de heer J.A. Meijer te Woudenberg.

  • Titelpagina en voorreden
  • Zitting 1-25
  • Zitting 26-50
  • Zitting 51-75
  • Zitting 76-100
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • Zitting 101-125
  • Zitting 126-150
  • zitting 151-154
  • zitting 36
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Vijfde Artikel
  • De Oordelen der Uitheemsche Theologen
  • Het Oordeel der Gedeputeerden van de Nederlandsche Kerken
  • Oordeel Nat.Synode Geref.Kerken van Frankrijk
  • Na-handelingen Nationale Synode
  • zitting 155 t/m 180
  • inhoudsopgaven, verwijzingen en verbeteringen
  • Zitting 1


    DE EERSTE ZITTING.

    Den 13e November in het jaar zestienhonderd achttien, Dinsdagvoormiddag.
                                                                                                                          
                                                ______________


    In het jaar, na de geboorte onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus, zestienhonderd en achttien, op den dertienden dag van November, is vergaderd geweest en aangevangen, in den naam en de vreeze des Heeren, een Nationale Synode der Gereformeerde Kerken van beide spraken, Nederduitsche en Fransche; door last en bevel der Doorluchtige H. M. Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, bijeengeroepen tot wettige wegneming der verschillen en oneenigheden, die in dezelve kerken waren gerezen. Tot welke, bij Missiven derzelve Doorl. en Hoogmog. Heeren Staten ook genoodigd en geroepen, waren gekomen uit de naburige Koninkrijken en Gereformeerde Republieken vele uitheemsche, voortreffelijke Theologen, uitmuntende in geleerdheid, godzaligheid en wijsheid, ten einde zij deze Synode met hunnen raad, adviezen en oordeelen in deze zaken bijwonen zouden en behulpzaam wezen.
    En vooreerst zijn in de publieke tempelen, voor de Gemeente van Dordrecht, die in zeer grooten getale verzameld was, predikatiën en plechtige gebeden gedaan in de Nederduitsche spraak door B a l t h a z a r L y d i u s, en in de Fransche door
    J e r e m ia P o u r s i u s. Als deze geëindigd waren, gingen de E. E. Gecommitteerden der Doorluchtige Hoogmogende Heeren Staten-Generaal, de Professoren der heilige Theologie, de Predikanten en Ouderlingen tot deze Synode gedeputeerd naar de plaats, die tot de verzameling geordineerd was; en zaten neder elk in zijne plaats en orde in de gestoelten, die tot dat einde toebereid en aldaar gesteld waren.
    De uitheemsche Theologen werden door de Predikanten en Ouderlingen der Nederlandsche Kerken (tot deze zaak afgevaardigd) uit hunne huizen plechtiglijk geleid tot deze plaats, en aldaar van de Gecommitteerden der Doorl. Hoogmog. Heeren Staten-Generaal, vriendelijk en minnelijk verwelkomd, en met inachtneming van de waardigheid dergenen, van welke zij gezonden waren, ieder in hunne gestoelten na elkander gesteld.
    Als zij nu aldus vergaderd waren, heeft B a l t h a z a r L y d i u s, predikant te Dordrecht, deze heilige Handeling in het Latijn aangevangen, (want het was goedgevonden, dat men, om der uitheemsche Theologen wil, alles in deze taal verhandelen zou) die aldus hun heeft aangesproken:
    Edele, Hoogwaardige, Wijze, Voorzienige Heeren, Gecommitteerden der Doorluchtige Hoogmog. Heeren Staten-Generaal; Eerwaardige Heer Bisschop; achtbare hooggeleerde en Wijdberoemde Doctoren der h. Theologie, en Professoren derzelve aan de Academiën en Hoogescholen; Zorgvuldige en naarstige Predikanten, zoo der uitheemsche als der Vereenigde Nederlandsche Gemeenten; Aanzienlijke Toehoorders en Toezieners!
    [2]
    Zeer aanmerkenswaardig is de spreuk van den koning Achab, die overigens godloos was: Die het harnas aantrekt, beroeme zich niet als die het heeft afgelegd. Want de gelegenheid der menschen heeft hare veranderingen, zoodat tegenspoed uit voorspoed, en uit tegenspoed voorspoed is voortkomende. De beginselen van beide verbergt God de Heere, en gemeenlijk schuilen de oorzaken van goed en kwaad onder tegenovergestelde gedaanten. Derhalve:
    Geen onvervalschte vreugd, geen blijdschap zoo volkomen,
    Of altijd zal daar angst en zorge tusschen komen.
    Dewijl dan heden de dag, waarnaar de Nederlandsche Kerken, die zoo menigmaal gewenscht hebben, om de Nationale Synode te houden en aan te vangen, verschenen is, opdat in dezelve met Godes hulp weggenomen en gestild zouden mogen worden de verschillen in de Religie onder ons gerezen, zoo is het van noode, dat wij vooral om twee dingen den Heere bidden. Ten eerste, dat Hij allen en een iegelijk lidmaten dezer Synode noodige gaven verleene, om zoo hooge en gewichtige zaken uit te voeren, ook eens iegelijks verstand verlichte, onze bewegingen heilige, dat wij alles, als zijne dienstknechten, voor zijn aangezicht mogen verhandelen. Ten tweede, dat de uitgang niet den aanvang mocht overeenkomen, en wij de wapenen afgelegd hebbende, niet minder ons verblijden, dan wij nu doen, nu wij, de wapenen aangetrokken hebben. Laat ons dan onze harten en handen tot den Heere verheffen, en wilt mij volgende dezen last, mij nu opgelegd, u voorgaande ben, met heimelijke begeerten en gebeden navolgen.
    Almachtige, eeuwige God, Fontein aller wijsheid, goedheid en barmhartigheid, goedertierenste Vader in Christus! wij bidden U, dat Gij onze lippen wilt openen, opdat onze mond uwen lof verkondige. Wij zijn onwaardig alle uwe ontfermingen, die Gij aan het werk en maaksel uwer handen mildelijk hebt besteed. Want Gij hebt ons niet alleenlijk geschapen naar uw beeld, maar ook door de zonde geworden zijnde kinderen des toorns van nature, naar uw beeld herschapen. Indien wij al dat wij zijn, U schuldig zijn, omdat Gij ons gemaakt hebt; wat zullen wij vergelden dat Gij ons alzoo vrij gekocht hebt? Want indien het wonderbaarlijk en groot geweest is mensch geboren te worden, naar uw beeld, veel grooter is het geweest, dat Degene, die het geen roof geacht heeft Gode gelijk te zijn, Zich verwaardigd heeft mensch te worden naar ons beeld, en de gedaante eens dienstknechts aangenomen hebbende, ons van Gode geworden is tot wijsheid, gerechtigheid, heiligmaking en verlossing. Maar met deze weldaden niet tevreden zijnde (want een onbekende schat is niet nut) hebt Gij ons, een volk zittende in de duisternis en schaduwe des doods, zonder hope der zaligheid, op het veld daarhenen geworpen in de smaadheid onzer zielen, door openbaring van de Zonne der gerechtigheid en waarheid verlicht, zonder dewelke wij in de dwalingen eeuwig zouden zijn omgekomen, niet wetende wat weg wij wandelen moesten. En als de vijandelijke mensch onkruid midden in de tarwe, terwijl de menschen sliepen, gezaaid en de duisterheid van die allengskens de overhand had genomen, hebt Gij ons door het licht der Reformatie verlost uit de meer dan Egyptische duisternis. Gij hebt uwen wijnstok in deze plaatsen geplant, wiens schaduwe de bergen bedekt heeft, en zijne ranken de cederen Gods. En als de vijand des menschelijken geslachts, die groote en roode draak, dezen gelukkigen stand, ons nu misgunnende, water als stroomen, om ons met den vloed van dien weg te spoelen, uit zijnen mond was schietende, de baren zeer hoog gingen, en alleszins schrikkelijke oorlogen tegen uwe tortelduif en uwe eenige had verwekt, en uwe vijanden daarop uit waren, om uwe gemeente in deze Provinciën te verslinden, hebt Gij onze ziel uit den strik des jagers verlost, ook zelfs, wanneer men in Nederland van schild en spies niet wist te spreken. Nieuwe krijgen hebt Gij verkoren, de poorten der vijanden hebt Gij zelf omgekeerd, zijt een vurige muur den steden geweest, die hare poorten geopend hadden, opdat de Koning der eere daarin zou gaan. Daarna zijt Gij uitgetrokken met onze heirlegers, hebt de handen van den Doorluchtigsten Prins van Oranje leeren strijden, en hem bij de hand vattende, hebt Gij de grendelen der vijandelijke poorten verbroken, hebt onzen landpalen vrede gegeven, hebt ons vet gemaakt met bet vette der tarwe, met uwe goedertierenheid gekroond, en uwe voeten hebben gedruipt van vettigheid. En, hetgeen het hoofd uwer tijdelijke weldaden onder ons is, Gij hebt onzen Hoogmog. Heeren, als de zaken op het zwaarst en de stormen op het hoogst waren, gegeven een buigzaam hart,
    [3]
    dat zij uw volk, over 'twelk Gij ze gesteld hadt, met wijsheid richten, en De Eerste tusschen goed en kwaad oordeelen konden. Hebt hun heilzamen raad ingegeven, en wonderbaarlijk gezegend en gemaakt als gezalfde kinderen der eere, die staan zouden bij den Heerschapper des ganschen lands. Gij hebt voor deze uwe weldaden verwacht van uwen wijnstok lieflijke druiven, maar ziet, hij heeft wilde druiven voortgebracht. Gij hebt uw volk verhoogd, en zij hebben U veracht. Daarom hebt Gij ons ook met recht niet gespaard. Gij zijt geworden als een gast in den lande, en als een vreemde, die slechts om te overnachten daarin blijft, als een held, die versaagd is, en als een reus, die niet helpen kan. Gij hebt onze lippen verward, en het einde van den uitheemschen krijg is bijna geweest het beginsel van den innerlijken. In den vrede is de bitterheid uwer Bruid allerbitterst geweest. Gij hebt de bijl aan den wortel van den boom gelegd, om den onvruchtbaren vijgeboom af te houwen; uw erfdeel is geworden als een leeuw in het wond, en heeft tegen U gebruld. Vele herders hebben uwen wijnberg neergeworpen, uw erfdeel vertreden, uw schoonen akker tot een woestijn, eenzaam en lediggemaakt. Den uitgaanden en ingaanden is niet overal vrede geweest, maar schrikkelijke vrees, en zeer vele gedaanten van oorlog; want het heeft niet veel gescheeld, of naar uwe bedreigingen, o Heere! zou het eene volk tegen het andere, de eene stad tegen de andere gestreden hebben, want Gij verstoordet ze met alle benauwdheid. Maar in uwe gramschap zijt Gij gedachtig geweest uwer barmhartigheden. Gij hebt de harten der Regenten des vaderlands geneigd, en met eenen ijver uws huizes ontstoken, dat zij ernstiglijk gezocht hebben hetgeen tot den vrede van Jeruzalem dienende is. Tot dit einde hebben zij deze Nationale Synode bijeengeroepen, opdat over de verwekte twisten de mond des Heeren gevraagd zou worden, en Uwe wet een licht zou wezen, al de nevelen der dwalingen verdrijvende. Nochtans, dewijl dat alles aan uwen zegen is hangende, o Heere! wij bidden U, dat Gij volgens uwe belofte: Waar twee of drie in mijnen Naam vergaderd zijn, daar wil Ik wezen in het midden van hen, in deze Nationale Synode wilt presideeren met uwen H. Geest, met den Geest der waarheid en des vredes. En dewijl de H. Schriftuur door denzelfden Geest verklaard moet worden, door welken zij ingegeven is, en niet verstaan kan worden, dan door zuivere gemoederen, wij bidden U, dat Gij dezelve eerst wilt reinigen, daarna verlichten, opdat wij uw heilig Woord wel verstaan, en aandachtiglijk handelen mogen. Maak, o God, dat wij niemand door de Schrifturen bedriegen, noch in dezelve dwalen mogen; maar dat wij de waarheid in dezelve zoekende, vinden mogen, en gevonden hebbende, met standvastig geloof verdedigen. Heilig ons in uwe waarheid: geef dat wij uit éénen mond U grootmaken. Laat niet toe, dat in ons scheuringen zouden wezen, maar dat wij volmaakt in éénen en denzelfden zin en gevoelen zijn mogen. Laat ons niet staan naar ijdelen roem, elkander tergende, elkander benijdende, maar zorgvuldiglijk de eenigheid des geestes door den band des vredes bewaren. Maak, dat wij altijd bedenken, dat een zoodanige strijd velen beter is, die ons met God vereenigt, dan die vrede, die ons van God scheidt; en dat het twee vriendinnen en tweelingzusters zijn, de waarheid en de vrede; dat de vrede tot ons niet zal komen, indien wij de waarheid, hare zuster, niet liefhebben. Verleen ons, dat wij, ter zijde gelegd hebbende de verkeerde aandoeningen, de voorgestelde zaken, niet door scherpheid van spitsvondigheden, maar door bondigheid der zaken zelven overwegen, en de bittere vlek der lasteringen met den stroom der waarachtige redenen afwasschen. Geef, dat de dwalenden op den rechten weg wedergebracht worden, dat zij niet hardnekkig zijn, maar zij bedenken, dat de onwetendheid, erkend zijnde, de hoogste wijsheid is:en dat de waarheid wezen kan in hetgeen, dat den mensch ongeloofelijk is, en de leugen in 'tgeen, dat waarschijnlijk is, en dat het de meeste victorie is, te triumfeeren over een afgelegde dwaling. En dewijl Gij ons geboden hebt te bidden voor koningen en vorsten, en voor diegenen die in hoogheid gesteld zijn, zoo bidden wij U onder anderen voor degenen, wier Theologen wij in deze kerkelijke plechtige bijeenkomst aanschouwen en nog verwachten:
    Voor den machtigsten koning van Groot-Brittanje J a c o b u s I, die een dapper en zorgvuldig beschermer is des waren geloofs. Voor zijnen Schoonzoon, den Doorluchtigsten Prins, Keurvorst des Roomschen Rijks en PaltzGraaf aan den Rijn, en voor den Stadhouder deszelven Rijks. Voor den Doorluchtigsten Hertog en Keurvorst van Brandenburg. Voor den Doorluchtigsten Landgraaf van Hessen. Voor de Vereenigde Kantons in Zwitserland. Voor de Welgeborene Nassausche en Wetteravische Graven.
    [4]
    Voor den Achtbaren en Hoogwaardigen Raad, de Republiek van Geneve, Bremen en Embden. Maar voornamelijk voor diegenen, die Gij over ons in 't Gereformeerde Nederland gesteld hebt: Voor de Hoogmogende Heeren de Staten-Generaal, en voor hunne H. M. Gecommitteerden tot deze Synode. Voor den Doorluchtigen en Strijdbaren Held, den Prins van Oranje, en het gansche huis van Nassau. Voor de Edelmogende Heeren Staten van Holland en WestVriesland. Voor de Hoogwijze E. M. Heeren de Presidenten en Raadsheeren van beide de Hoven van Justitie; ook voor den Achtbaren Raad dezer stad, den Heer Schout, Burgemeester, Schepenen, en de Acht Gezworenen. Geef, dat zij allen en een iegelijk van hen U dienen met vreeze, en zich verblijden met beving. Dat zij zijn en blijven mogen getrouwe Voedsterheeren uwer kerken in deze streken. Bevestig hunnen schepter, en hunnen troon blijve vast voort en voort. Zegen ook de Burgers dezer stad; geef, dat zij vooral het rijk Gods zoeken en zijne gerechtigheid. En wil naar uwe goedertierenheid het tijdelijke als een toemate hun toewerpen. Eindelijk, geef, dat wij allen te zamen, in deze vergadering, gevoelen en voortbrengen mogen, 'tgeen U aangenaam is, ter eere uws heiligen naams, behoudenis der waarheid, en godzalige rust der Kerk en Republiek. Amen.
    Nadat wij God gedankt en gebeden hebben, keer ik mij tot U, Edele en Welgeborene Heeren, mijne Heeren Gecommitteerden der H. M. Heeren Staten-Generaal, en zeg naar mijn vermogen hunnen Hoogmogenden dank, uit naam der Gereformeerde Kerk van Nederland, dat zij het zuchten, klagen, bidden en smeeken om eene Nationale Synode te verkrijgen, niet hebben versmaad, maar, volgende de voetstappen der vrome keizers C o n s t a n t i j n, der beide T h e o d o s i u s s e n, M a r c i a n u s en dergelijken, geen zwarigheid hebben gemaakt, deze zeer voortreffelijke bijeenkomst, wel minder in getal, dan die vier algemeene Synoden waren, maar niet minder in vrucht, gelijk wij hopen, met zoo groote onkosten bijeen te roepen. En dat zij uwe E. E., die dit werk, waarover wij ons verblijden, zeer hebt bevorderd, dit ambt hebben opgelegd, dat uwe E. E. uit naam van hunne Hoogmog. over deze Synode zoudt presideeren. Hetwelk ook niemand onzer twijfelt, gij of uwe E. E. zullen hetzelve tot gemeen en groot nut der Kerk doen. Wij weten wel, dat er zijn, die het besluit en de resolutie van deze Nationale Synode bijeen te roepen verdacht zoeken te maken, maar gelijk gene zeide: Het is koninklijk wel te doen en belasterd te worden. De opperste machten lichten de wereld voor, gelijk de zon, welke door het blaffen en bassen niet wordt bewogen, en daarenboven tegen de andere planeten aandringt, en nochtans klimt in den hoogsten loop des hemels. Gaat alzoo met dit gemoed voort, E. M. Heeren! Weest wel gemoed, laat uwe handen niet verflauwen, want uw werk heeft zijn loon. Weest volhardende en bewaart uzelven tot voorspoed en gelukkige zaken.
    Desgelijks Eerwaardigste Bisschop, Wijdberoemde, Hooggeleerde en Godzalige uitheemsche Theologen, dank ik U Eerw. vanwege uwen vurigen ijver, dat gij, medelijden hebbende met de schade J o z e f s in dezen onbekwamen tijd des jaars, en voornamelijk in den herfst, voorbijgaande uwe eigene gelegenheden, en die uwer familiën, ja ook der kerk, die God u toebetrouwd heeft, niet zijt bezwaard geweest om ons te hulp te komen, uzelven begevende op de ongestadige zee en op gevaarlijke wegen. De gemeenschap der heiligen en de eenigheid der lidmaten met Christus, het Hoofd, heeft uwer liefde deze plicht afgedrongen. En aangezien wij het niet kunnen vergelden, zullen wij God bidden, dat Hij uwe kerken en familiën, terwijl gij alhier over zijn huis waakt, in zijn bewaring wil nemen. Wij hopen, dat uw arbeid niet ijdel zal wezen in den Heere, maar dat God uwe gebeden, arbeid, zorgvuldigheid en voornemen dermate zal zegenen, dat gij, benevens de gerustheid der conscientie, de vrucht van de bevrediging der Nederlandsche Kerken zult behalen. En dat het alzoo, noch uwen Heeren (die wij in zeer groote waarde en eere houden) noch u zelven nimmermeer berouwen zal, dat gij deze reis hebt aangenomen, met welken wensch ik een einde maak.
    Zoo blijft dus over, dat de Edelwelgeborene en Hoogwijze Gecommitteerden der Doorl. H. M. Heeren Staten-Generaal deze Synode die dingen voorstellen, welke in al de volgende zittingen zullen moeten waargenomen worden, of ook iets anders, hetwelk zij tot dienst, welstand en sierlijkheid dezer vergadering oordeelen zullen te behooren, en (om de oude wijze van spreken te gebruiken) de apertuur of opening der Synode gelieven te doen.
    Als L y d i u s een einde gemaakt had van spreken, heeft de voortreffelijke en
    [5]
    voorzichtige heer M a r t i n u s G r e g o r i j, voornaamste Raad van het Hertogdom Gelder en De Eerste het Graafschap Zutfen, in den naam dergenen, die de H. M. Heeren Staten-Generaal tot zitting. deze eerwaarde Synode hadden afgevaardigd, met deze rede, opening der Synode gedaan.

    Eerwaarden, Aanzienlijken, en Lofwaardigen! de Gecommitteerden der H. M. H. Staten-Generaal van het Vereenigde Nederland, onze Hooggeachte Heeren en Meesters, zijn zelven ook hierom voornamelijk verblijd, dat zij heden deze uwe tegenwoordigheid in zoo'n grooten getale zien (hetwelk wij wenschen der Kerk en der Republiek tot heil en welvaren te mogen verstrekken) en bedanken derhalve eerbiediglijk, en naar behooren, den machtigsten Prins en Heer J a c o b u s, Koning van Groot-Brittanje, beschermer des Geloofs; ook den Doorluchtigsten Prins en Heer
    F r e d e r i k, den Keurvorst; den Doorluchtigsten Prins, den Landgraaf; de Edele en Vermogende Evangelische Zwitsersche Kantons; de Edelmogende Republieken en Steden, en eindelijk de Provinciale Nederlandsche Synoden, dat zij op het verzoek, bidden en vermanen onzer H. M. Heeren en Meesters, hunne Gecommitteerden tot deze tegenwoordige en aanstaande Synode, tot heil en eenigheid, zoo der Kerk, als der Provinciën, herwaarts hebben gezonden, en in grooten getale hebben willen verschijnen. U ook, Eerwaarden, Achtbaren en Zeergeleerden mannen schrijven wij deze eer, godzaligheid en bereidwilligheid toe, dat gij, onaangezien de ongelegenheid dezes tegenwoordigen onweders en des tijds ongelegenheid, waardiglijk en gewilliglijk herwaarts zijt gekomen, om der Kerk, die in oneenigheid en gevaar is stekende, uwen Christelijken en Vaderlijken plicht te bewijzen, en de kerkelijke verschillen te verstaan, onderzoeken en te beslechten; welke verschillen tot groote droefheid, niet alleenlijk onzer Provinciën, maar ook der naastgelegene, en uitheemsche, totnogtoe, wijd en breed, verstrooid en gehoord zijn geweest. Want wie zou kunnen onwetende zijn van die droevige disputen en twisten, welke eerst binnen de muren en predikstoelen der kerk van Leiden besloten zijnde, zeer spoedig daarna onder den gemeenen man (of uit onvoorzichtigheid, of uit zwakheid des gemoeds?) verspreid, naderhand alle kerken, steden, dorpen, eindelijk ook al de Provinciën zoo doorgetogen zijn, dat zij eenen brand van inwendigen oorlog, gelijk als door drijvende stormwinden, overal schenen uitgespreid te hebben, en weinig scheelde het, of de staat van alle de kerken, en ook van deze onze zeer bloeiende Republiek, zou, tot den grond toe, van onderen tot boven, omgekeerd zijn geweest, tenware dat zoowel de groote zorgvuldigheid, vlijt en wacht van onze Heeren, voor de zekerheid en welvaart der Provinciën, alsook dat dapper gemoed en die couragie van den grooten Prins van Oranje, en zijne zonderlinge behendigheid, in het uitvoeren van de zaken elkander hadden omhelsd, en eindelijk dit remedie, hetwelk alle vromen zeer hebben begeerd, en inzonderheid noodig is, van eene Synode bijeen te roepen, waarvan wij heden de gelukkige en zeer groote bijeenkomst hier zien, bedacht en bij de hand genomen hadden. Nu, wij bidden den almachtigen, goeden God, dat Hij met zijnen Geest uwe vergadering wil regeeren, opdat alzoo alle zaken, zonder eenige vooroordeelen, die wel somwijlen van huis medegebracht plegen te worden, matiglijk, soberlijk en in de vreeze des Heeren voorgesteld, verstaan en besloten zijnde, met de hoop onzer Hoogmog. Heeren, en met de begeerte aller ingezetenen en godzaligen mogen overeenstemmen; en dat men van al het volk deze vroolijke toejuiching met vreugde hooren moge, dat het hart van de kerk der geloovigen en der ingezetenen nu één is. En in dezen wensch zullen de Gecommitteerden der H. M. Heeren Staten nu eindigen en laten berusten; en wat voorts in kerkelijke zaken te verhandelen of te besluiten zal zijn, daarmede zullen zij deze heilige vergadering en Synode laten geworden.

    Daarna hebben de E. Gecommitteerden der H. M. Heeren Staten-Generaal, hunne credentie en instructiebrieven, die deze H. M. Heeren Staten-Generaal aan deze Synode hadden geschreven, overgeleverd. B a l t h a z a r L y d i u s, predikant der kerken van Dordrecht werd belast die openlijk te lezen. De inhoud er van was als volgt:

    De Staten-Generaal der Vereenigde Nederlandsche Provinciën wenschen allen en een iegelijk, voornamelijk den Eerwaarden, Achtbaren Predikanten, Doctoren en Ouderlingen, zoo der Nederlandsche als der Uitheemsche kerken, tot de Nationale Synode geroepen en afgevaardigd, die deze onze brieven zullen hooren en lezen, Zaligheid.
    [6]
    Alzoo ons niets zoo zeer ter harte heeft gegaan, alle deze vijftig jaren lang, die wij met den Koning van Spanje en de Aartshertogen van Oostenrijk, tot verdediging van de Christelijke Religie, vrijheid en privilegiën dezer Provinciën, binnen en buiten het land, te water en te land gestadiglijk en verscheidenlijk gestreden en krijggevoerd hebben, als dat de leer der zuivere Christelijke Religie, en de ware Godsdienst in alle en een ieder onzer Provinciën, voorgestaan, bewaard en voortgeplant zou worden; alzoo wij ook al ons vermogen en onze gedachten, zonder onderlaten, daartoe besteden, dat wij met Gods goede gunst zoo gelukkiglijk de publieke belangen zouden bevorderen, dat niet alleenlijk de staat en eendracht der Nederlandsche Kerken, maar ook de rust der Provinciën mocht schijnen bevestigd te zijn, alzoo nu, na gemaakt Bestand en wapenstilstand met den Koning van Spanje en met de Aartshertogen van Oostenrijk, onvoorziens en hoogst ongelegen sommige bedroevende twisten, aangaande eenige hoofdstukken der Religie, gerezen zijn, die zoo wijd en breed onder den gemeenen man verspreid zijn geweest, dat er alreede ettelijke zekere beginselen van haat en oneenigheden, ja zaad en vuur van inlandsche oorlogen, door al de Provinciën schenen gestrooid te zijn geweest, zoo is het dat wij, noodig achtende zoodanige stormen en ontsteltenissen der gemoederen bijtijds tegemoet te gaan, en ziende, dat men op geen vaardiger, zekerder en Christelijker wijze en weg de gemoederen der ingezetenen kon geruststellen, en de vorige eenheid en gewenschte eendracht der gemoederen wederbrengen, dan wanneer zoo spoedig mogelijk en op Christelijke wijze, door de eenstemmigheid der naburige uitheemsche en inlandsche Kerken, zoodanige beroerten geëffend en de gerezene verschillen gestild werden, hebben zonder langer in twijfel te staan, na rijpe overweging, de adviezen en meeningen van alle en een iedere Provincie gevraagd zijnde, goedgevonden eene vrije en wettige Nationale Synode binnen de stad Dordrecht bijeen te roepen, te ordineeren en af te kondigen, in dit tegenwoordige zestienhonderd en achttiende jaar, in de maand November, te beginnen. In dewelke, om alle goede orde, manier, en voortgang te bevorderen, en om alle beletselen en zwarigheden te verhoeden, die bij de menigte van de te behandelene zaken mochten voorvallen, wij met onzen voorgaanden raad en overweging, onze gedeputeerden hebben geordineerd, gedeputeerd en gecommitteerd, gelijk wij ook mitsdezen ordineeren, deputeeren, en committeeren de Doorl. Welgeborene, E. Eerentfeste en Voorzienige, onzen Staten getrouwe :
    M a r t i n u s G r e g o r i j, Doctor in de beide Rechten, eerste Raad van 't Hof van 't Vorstendom Gelder, en van 't Graafschap Zutfen; H e n r i c u s v a n E s s e n, Raad van het Vorstendom Gelder, en het Graafschap Zutfen; den Heer W a l r a v e n v a n B r e d e r o d e, Baron van Vianen en Ameyde, Burggraaf van Utrecht, Heer in Noordeloos, enz. H u g o M u y s v a n H o l y, Ridder, Schout der stad Dordrecht, en Baljuw van het land van Strien. Of N. den tegenwoordigen Burgemeester dier stad.
    J a c o b B o u l e n s, Burgem. der stad Amsterdam. G e r a r d v a n
    N i e u b u r g, Burgemeester der stad Alkmaar; R o c h u s v a n d e n H o n e r t, eersten Raadsheer van den Hoogen Raad van Holland, Zeeland en West-Friesland, en Curator der Academie van Leiden; N i c o l a a s C r o i n h o u t, President van het Provinciale Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland; S i m o n S c h o t t e, Doctor in de beide Rechten, Secretaris der stad Middelburg; J a c o b u s v a n
    C a m p e, Doctor in de beide Rechten, Raadsheer der Heeren Staten van Zeeland;
    F r e d e r i k d e Z u y l e n v a n N i e u v e l t , Heer in Aartsberge, Berckewoude, van Enge; W i l l e m v a n H a r t e v e l t, Burgemeester der stad Amersfoort;
    E r n e s t v a n A y 1 v a, Gecommitteerden Raad der Heeren van Friesland, en Grietman in Oost-Dongerdeel; E r n e s t v a n H a r i n x m a, eersten Raadsheer van het Provinciale Hof van Friesland; H e n r i c u s H a g e n, Riddermatig Edelman te Vollenhove; J o h a n n e s v a n H e m e r t, Burgemeester der stad Deventer, en Gecommitteerde in de vergadering der Hoogmog. Heeren Staten-Generaal;
    H i e r o n y m u s I s b r a n t s , Doctor in de beide Rechten, en E t z a r d u s
    J a c o b u s C l a n t, Heer in Essinga en Sandwer.
    Belastende en bevelende allen en een iegelijk van onze voornoemde Gecommiteerden, dat zij onder onzen naam en autoriteit, ten spoedigste en met de eerste gelegenheid zich te Dordrecht vervoegen, de Synode openen, en uit onzen naam, in alle en een iedere zitting en Synodale handeling zich vinden laten, dezelve bijwonen en met hun raad, voorzichtigheid en beleid, alles wat tot hun opzicht en zorg
    [7]
    is behoorende, alzoo schikken, gelijk wij onzen Gecommitteerden ten volle bevelen, en hen particulier daarvan onderricht hebben, opdat eindelijk de gewenschte en begeerde vrucht dezer Synode, tot eer en lof van den eeuwigen God en onzen Heere Jezus Christus, tot heil, eenheid en godzaligheid van alle onze kerken en van de ingezetenen en landzaten moge gedijen. Dit bidden wij God, den Vader der barmhartigheid, door onzen Heere Jezus Christus, te willen vergunnen. Tot zekerheid en bevestiging van dit alles, hebben wij onzen Griffier gelast, ons zegel aan deze stukken te hangen en te onderteekenen. Gegeven in onze volle vergadering, in 's Gravenhage, in het jaar onzes Heere, zestienhonderd achttien, den zesden dag van November.

    (Was onderteekend:) A. V. MATHENESS. VT.

    (Lager stond:)

    Op last der voornoemde Heeren Staten-Generaal,

    (Onderschreven :)
    C. AERSSEN.

    Het groote zegel der Heeren Staten-Generaal, in roode was uitgedrukt, was daaraan gehangen.

    De Edele en Achtbare Gecommitteerden hebben goedgevonden, dat de E. Heer Daniel Heinsius, Professor in de Historie aan de Academie van Leiden, bezorger der Bibliotheek en Secretaris dier Academie, hun zou bijgevoegd worden, om hun te wezen tot Secretaris, die ook weinig tijds daarna is aangekomen.