|
Artikel 1 Strekking van dit reglement
Dit reglement is gebaseerd op de statuten van de VSE. Het doel van de VSE is het verstrekken van uitkeringen ten behoeve van (gewezen) predikanten en hun weduwe(n) en wezen in bij reglement te regelen gevallen en onder bij reglement te stellen voorwaarden. Dit reglement geeft hieraan uitwerking en concretisering.
Artikel 2 Begripsbepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
2.1 VSE de vereniging VSE
2.2 bestuur bestuur van de VSE
2.3 Raad van Toezicht Raad van Toezicht van de VSE
2.4 kerk een kerk die lid is van de VSE, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald
2.5 predikant hij die als predikant voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 16 van de Kerkorde is verbonden aan een kerk, alsmede degene voor wie een bijzondere overeenkomst is gesloten, alsmede de aan een kerk verbonden (gedeeltelijk) geëmeriteerde predikant
2.6 fulltime predikant een predikant wiens voor werkzaamheden beschikbare tijd voor minder dan 10% in beslag wordt genomen door andere activiteiten dan de uitoefening van zijn ambt in de zin van artikel 16 van de Kerkorde
2.7 gewezen predikant hij die voorheen predikant was en als zodanig is ontslagen of is ontheven van zijn ambt of is afgezet, dan wel zich heeft onttrokken of op andere gronden niet meer valt onder de definitie van predikant
2.8 weduwe a. zij die ten tijde van diens overlijden gehuwd is met een (ontslagen) predikant; dan wel
b. zij die ten tijde van diens overlijden gehuwd is met een gewezen predikant, anders dan een ontslagen predikant, en tijdens diens predikantschap met hem gehuwd is geweest; dan wel
c. zij die gehuwd geweest is met een (ontslagen) predikant en nadien niet opnieuw gehuwd is, indien de (ontslagen) predikant is overleden; dan wel
d. zij die ten tijde dat deze nog predikant was gehuwd geweest is met een gewezen predikant, anders dan een ontslagen predikant, en nadien niet opnieuw gehuwd is, indien de gewezen predikant, niet zijnde een ontslagen predikant, is overleden.
e. Met opnieuw gehuwd zijn in de zin van de onderdelen c. en d. van dit lid worden gelijkgesteld wettelijke registratie alsmede het anderszins gezamenlijk voeren van één huishouding.
2.9 wees a. een eigen minderjarig kind van een (gewezen) predikant die is overleden; dan wel
b. een eigen meerderjarig kind van een (gewezen) predikant die is overleden, jonger dan 27 jaar, voor wie aanspraak kan worden gemaakt op een basisbeurs ingevolge de wet Studiefinanciering dan wel op uitkeringen ingevolge de Kinderbijslagwetgeving.
Met een eigen kind wordt gelijkgesteld een pleeg-,
stief- of adoptiekind van de (gewezen) predikant, dat als een eigen kind door hem werd onderhouden en opgevoed.
c. Onder een halve wees wordt verstaan: een ongehuwd kind, als bedoeld in a. en b. van dit artikel, dat bij het overlijden van zijn vader nog een overlevende ouder heeft.
d. Onder een volle wees wordt verstaan: een ongehuwd kind, als bedoeld in a. en b. van dit artikel, dat ouderloos is geworden door het overlijden van de overlevende ouder.
2.10 Kerkorde de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland
2.11 emeritering emeritering als bedoeld in artikel 13 van de Kerkorde
2.12 ontslag ontslag van de predikant van zijn verbintenis aan de gemeente als bedoeld in artikel 14 van de Kerkorde
2.13 ontheffing ontheffing van de predikant van zijn ambt, al dan niet op grond van artikel 15 van de Kerkorde
2.14 afzetting afzetting van de predikant als bedoeld in artikel 79 van de Kerkorde
2.15 onttrekking de handeling waardoor de predikant wegens beëindiging van zijn lidmaatschap van de kerk geen predikant meer is
2.16 AOW Algemene Ouderdoms Wet
2.17 Anw Algemene nabestaandenwet
2.18 WAZ Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen
Artikel 3 Uitkeringen ingevolge dit reglement
3.1 Dit reglement voorziet met inachtneming van het overigens in dit artikel bepaalde in uitkeringen in de gevallen en onder de voorwaarden als nader in dit reglement vastgelegd.
3.2 Dit reglement voorziet in uitkeringen ten behoeve van (gewezen) predikanten en ten behoeve van hun weduwe(n) en wezen.
3.3 De uitkeringen die uit het reglement volgen worden onderscheiden voor de volgende categorieën:
1. Emeritering wegens ouderdom als bedoeld in artikel 13 van de Kerkorde;
2. Ontslag van de verbintenis als bedoeld in artikel 14 van de Kerkorde;
3. Ontheffing van het ambt, al dan niet op grond van artikel 15 van de Kerkorde;
4. Afzetting als bedoeld in artikel 79 van de Kerkorde;
5. Onttrekking als bedoeld in dit reglement;
6. Overlijden van de (gewezen) predikant;
7. Ziekte als bedoeld in artikel 10.2 van dit reglement.
3.4 In dit reglement zijn uitkeringen voor de volgende situaties omschreven:
A. Uitkering wegens leeftijd (artikel 4-7)
- in geval van ouderdom
- in geval van ontslag
- in geval van ontheffing
- in geval van afzetting
- in geval van onttrekking
B. Uitkeringen wegens overlijden (artikel 8-9)
- weduwe-uitkering
- wezenuitkering
C. Uitkering wegens ziekte (artikel 10)
D. Wachtgelduitkering (artikel 11)
E. Algemene bepalingen (artikel 12-21)
3.5 Uitsluitend de kerken hebben recht op een uitkering tegenover de VSE, en wel die kerken die deze uitkering aanwenden voor de op hen rustende verplichting om de predikanten en hun weduwe(n) en wezen naar behoren en op gepaste wijze te onderhouden.
ONDERDEEL A: UITKERING WEGENS LEEFTIJD
Artikel 4 Uitkering wegens leeftijd
Algemeen
4.1 Dit artikel regelt de gevallen waarin ten behoeve van een (gewezen) predikant recht bestaat op een periodieke uitkering wegens het bereiken van de uitkeringsgerechtigde leeftijd. De nadere uitkeringsvoorwaarden (ingang in combinatie met de leeftijd, de hoogte e.a.) zijn geregeld in de hierop volgende artikelen van het reglement.
4.2 Het recht op uitkering ontstaat in alle gevallen eerst door emeritering, dan wel ontslag, ontheffing of afzetting, dan wel onttrekking, zoals in dit reglement bedoeld, alsmede indien de predikant op andere gronden niet meer valt onder de definitie van predikant in de zin van dit reglement, en bovendien eerst vanaf het moment dat de (gewezen) predikant de uitkeringsgerechtigde leeftijd ingevolge dit reglement heeft bereikt. Indien hier niet aan is voldaan bestaat en ontstaat geen recht op een uitkering wegens leeftijd.
Emeritering
4.3 Wanneer een kerk overeenkomstig artikel 13 van de Kerkorde aan een aan de kerk verbonden predikant emeritaat verleent op of na de uitkeringsgerechtigde leeftijd, ontstaat vanaf dat moment recht op een uitkering.
Tevens ontstaat recht op uitkering wegens leeftijd zodra de predikant aan wie overeenkomstig artikel 13 van de Kerkorde reeds emeritaat is verleend wegens ziekte de uitkeringsgerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7.3 bereikt.
4.4 Uitsluitend de kerk heeft (of kerken hebben, in geval met toepassing van dit reglement uitkering aan meer dan een kerk behoort plaats te vinden) recht op een uitkering. De predikant heeft derhalve geen recht op een uitkering tegenover de VSE.
Andere gevallen: ontslag, ontheffing, afzetting en onttrekking
4.5 Tevens ontstaat recht op uitkering wegens leeftijd in geval van ontslag, ontheffing en afzetting, alsmede onttrekking, alsmede indien de predikant op andere gronden niet meer valt onder de definitie van predikant in de zin van dit reglement, zodra de gewezen predikant de uitkeringsgerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7.3 bereikt.
Uitsluitend de kerk heeft (of kerken hebben, in geval met toepassing van dit reglement uitkering aan meer dan één kerk behoort plaats te vinden) recht op een uitkering. In deze gevallen kan echter de kerk (of kunnen de kerken) de VSE machtigen om namens haar de uitkering rechtstreeks uit te keren aan de gewezen predikant.
Artikel 5 Uitkeringsgrondslag
5.1 De uitkeringsgrondslag is gelijk aan:
het traktement verminderd met een bedrag afgeleid van de AOW.
Onder traktement wordt verstaan het bruto jaarbedrag inclusief vakantietoeslag, zoals dat volgens het in dit artikel bepaalde wordt afgeleid van de aan de predikant uitbetaalde ambtsbeloning.
5.2 Er geldt een minimum en een maximum traktement.
Het minimumtraktement is voor het peiljaar 1998: f. 79.746,--.
Het maximumtraktement is: 10/7 maal het minimumtraktement.
Het minimumtraktement wordt elk jaar per 1 januari aangepast overeenkomstig het bepaalde in artikel 13.1.
Betreft het geen fulltime predikant, dan worden de minimum- en maximumtraktementen bepaald naar evenredigheid, waarbij een vermindering wordt toegepast op basis van het deel van de voor werkzaamheden beschikbare tijd dat in beslag wordt genomen door andere werkzaamheden dan de uitoefening van zijn ambt in de zin van artikel 16 van de Kerkorde.
In aanmerking te nemen traktement
5.3 Het bestuur besluit op welke wijze het traktement wordt afgeleid van de aan de predikant uitbetaalde ambtsbeloning. Van dit besluit wordt mededeling gedaan aan de kerken.
5.4 Onder ambtsbeloning wordt verstaan het aan de predikant uitbetaalde bedrag exclusief vergoedingen voor gemaakte ambtskosten en indien van toepassing vermeerderd met ingehouden loonheffing dan wel daarvoor in de plaats komende heffingen.
5.5 Wanneer een kerk aan een predikant geen, of naar het oordeel van het bestuur een te lage vergoeding voor ambtskosten betaalt, is het bestuur bevoegd een deel van de ambtsbeloning als zodanige vergoedingen aan te merken en de hoogte van de ambtsbeloning dienovereenkomstig aan te passen. De hiervoor geldende normen worden door het bestuur vastgesteld en aan de kerken medegedeeld.
5.6 Voor de bepaling van het traktement in geval van emeritering geldt verder nog het volgende:
1) in aanmerking wordt genomen het traktement in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin emeritering plaatsvindt;
2) indien het traktement van de betrokken predikant over het in het vorige lid bedoelde kalenderjaar meer dan 5% hoger is dan zijn traktement bij dezelfde kerk over het daaraan voorafgaande kalenderjaar, is het bestuur bevoegd het laatst genoemde traktement te nemen, aangepast overeenkomstig het bepaalde in artikel 13;
3) indien emeritering plaatsvindt na de leeftijd van 65 jaar, dan wordt als traktement in aanmerking genomen het traktement in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de predikant de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Het bepaalde in punt 2) van dit artikel en het bepaalde in artikel 13 inzake aanpassing is in dit geval van overeenkomstige toepassing;
4) indien de predikant op het tijdstip van emeritering aan meer dan een kerk is verbonden, dan wordt voor vaststelling van het traktement in aanmerking genomen de som van de bij de afzonderlijke kerken geldende traktementen. De uitkering vindt in dit geval plaats aan elk van de kerken waaraan de predikant was verbonden in de verhouding waarin elke afzonderlijke kerk bijdroeg in de som van de traktementen. In onderling overleg kan van het gestelde in de vorige volzin worden afgeweken;
5) indien een (gewezen) predikant een beroep naar een kerk met een lager traktement heeft aangenomen, wordt als traktement in aanmerking genomen het traktement over het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van overgang, aangepast overeenkomstig het in artikel 13 bepaalde. De van dit traktement afgeleide uitkering wordt aangepast overeenkomstig het in artikel 6.7 bepaalde.
5.7 In geval een uitkering wegens leeftijd onmiddellijk volgt op een uitkering wegens ziekte wordt als traktement in aanmerking genomen het traktement dat diende als basis voor de laatstgenoten uitkering wegens ziekte.
5.8 Voor bepaling van het traktement in geval van ontslag, ontheffing, onttrekking en afzetting geldt onverminderd het overigens in dit reglement bepaalde het volgende:
Als traktement wordt in aanmerking genomen het traktement in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin ontslag, ontheffing, onttrekking of afzetting plaatsvindt. Het bepaalde in artikel 13 inzake aanpassing en het bepaalde in artikel 5.6 is van overeenkomstige toepassing.
Bedrag vermindering afgeleid van de AOW
5.9 1) Om de uitkeringsgrondslag vast te stellen vindt overeenkomstig het in artikel 5.1 bepaalde op het traktement een vermindering plaats met een bedrag, afgeleid van de AOW.
Het hiertoe in aanmerking te nemen bedrag is gelijk aan 10/7 x de ouderdomsuitkering volgens de AOW voor twee gehuwden gezamenlijk die beiden de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt;
Betreft het geen fulltime predikant, dan wordt de in dit lid bedoelde vermindering naar evenredigheid toegepast, in die zin dat vermindering achterwege blijft voor het deel van de voor werkzaamheden beschikbare tijd dat in beslag wordt genomen door andere werkzaamheden dan de uitoefening van zijn ambt in de zin van artikel 16 van de Kerkorde.
2) Het sub 1) van dit artikel bedoelde bedrag wordt in de jaren 2002 tot en met 2009 verlaagd. Deze verlaging is gelijk aan het aantal jaren vanaf het kalenderjaar waarover de uitkering berekend wordt tot het jaar 2010, vermenigvuldigd met 1/8 van een bedrag dat voor het jaar 2001 gelijk is aan € 7.521. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast naar rato van de sub 1) van dit artikel bedoelde ouderdomsuitkering volgens de AOW.
5.10 VERVALLEN
Artikel 6 Hoogte van de uitkering
Uitkering wegens het bereiken van de uitkeringsgerechtigde leeftijd voor een predikant na emeritering of ontslag
6.1 De uitkering wegens het bereiken van de uitkeringsgerechtigde leeftijd is bij emeritering of ontslag van de predikant: 70% van de uitkeringsgrondslag, onverminderd het overigens in dit reglement bepaalde omtrent korting op de uitkering.
Indien het totaal van de uitkeringen van de VSE en de AOW samen hoger is dan het traktement als bedoeld in artikel 5.3 van dit reglement, dan wel, zo dit van toepassing is, het traktement als bedoeld in artikel 5.6 sub 5) van dit reglement, bedraagt de uitkering van de VSE het traktement verminderd met de uitkering ingevolge de AOW.
6.2 In geval van vervroeging van de ingang van de uitkering ten behoeve van een (ontslagen) predikant (overeenkomstig het gestelde in 7.4 van dit reglement) wordt de in het vorige lid (6.1) bedoelde uitkering verlaagd met een percentage, dat door het bestuur wordt bepaald op basis van door haar vast te stellen actuariële omrekeningsfactoren, uitgaande van actuariële gelijkwaardigheid.
Uitkering bij het bereiken van de uitkeringsgerechtigde leeftijd door een gewezen predikant anders dan een ontslagen predikant
6.3 De uitkering wegens leeftijd voor een gewezen predikant anders dan een ontslagen predikant is gelijk aan een verlaagd percentage van de uitkeringsgrondslag, met dien verstande dat het overigens in dit reglement bepaalde omtrent korting op de verlaagde uitkering van overeenkomstige toepassing is.
6.4 Het in het vorige lid (6.3) bedoelde verlaagde percentage wordt als volgt vastgesteld: 70% minus 2% voor elk kalenderjaar dat gelegen is tussen het moment waarop de predikant gewezen predikant is geworden en het moment waarop hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, met dien verstande dat niet meer dan 60% in mindering kan worden gebracht. Kalenderjaren worden bepaald in hele maanden nauwkeurig, waarbij een gedeelte van een maand als een hele maand wordt aangemerkt.
6.5 In geval van vervroeging van de ingang van de uitkering bij een situatie van ontheffing of afzetting, dan wel onttrekking (overeenkomstig het gestelde in 7.4 van dit reglement) wordt de in het vorige lid (6.4) bedoelde uitkering verlaagd met een percentage, dat door het bestuur wordt bepaald op basis van door haar vast te stellen actuariële omrekeningsfactoren, uitgaande van actuariële gelijkwaardigheid.
Kortingsregeling
6.6 Indien de (gewezen) predikant ten behoeve van wie een recht op uitkering wegens leeftijd uit hoofde van dit reglement bestaat, na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar (weer) predikant is geworden, is de uitkering gelijk aan een verlaagd percentage van de uitkeringsgrondslag.
Dit verlaagde percentage wordt als volgt vastgesteld: 70% minus 2% voor elk kalenderjaar gelegen tussen het moment waarop de (gewezen) predikant de leeftijd van 30 jaar heeft bereikt dan wel, zo dit later is, gewezen predikant is geworden en het moment waarop hij (weer) predikant is geworden. Kalenderjaren worden bepaald in hele maanden nauwkeurig, waarbij een gedeelte van een maand als een hele maand wordt aangemerkt.
6.7 In geval een (gewezen) predikant een beroep naar een kerk met een lager traktement heeft aangenomen als bedoeld in artikel 5.6 sub 5), dan vindt een korting op de uitkering plaats over het verschil tussen het in artikel 5.6 sub 5) bedoelde traktement en het in artikel 5.6 sub 1) of artikel 5.8 bedoelde traktement.
Deze korting bedraagt 2% van dit verschil voor elk jaar gelegen tussen de ingangsdatum van de uitkering en de datum waarop het lagere traktement is ingegaan. De kortingsperiode wordt berekend in hele maanden nauwkeurig, waarbij een gedeelte van een maand als een hele maand wordt aangemerkt.
Tijdelijke toeslag AOW-gat
6.8 Als de (gewezen) predikant gehuwd is in de zin van de AOW, geboren is op of na 1 januari 1950 en de enkelvoudige AOW ontvangt, dan wordt de uitkering verhoogd met een bedrag dat gelijk is aan de enkelvoudige ouderdomsuitkering volgens de AOW, verminderd met de inkomsten van de echtgenote van de (gewezen) predikant tot maximaal het in artikel 5.9 sub 1) bedoelde bedrag.
Deze verhoging eindigt met ingang van de maand waarin de echtgenote van de (gewezen) predikant de leeftijd van 65 jaar bereikt.
Artikel 7 Ingang en einde van de uitkering wegens leeftijd; uitkeringsgerechtigde leeftijd
Periodieke uitkering
7.1 De uitkering wegens leeftijd is een periodieke uitkering. Elk kwartaal wordt in het midden van dat kwartaal een evenredig deel van de uitkering betaalbaar gesteld.
Ingangsdatum en einde
7.2 De uitkering gaat in op de eerste dag van de maand waarin de (gewezen) predikant de uitkeringsgerechtigde leeftijd bereikt dan wel, zo dit later is, de eerste dag van de maand met ingang waarvan aan de predikant emeritaat is verleend.
De uitkering is bij overlijden van de (gewezen) predikant betaalbaar tot en met de tweede maand volgend op de maand van overlijden, indien hij op het moment van zijn overlijden gehuwd is, dan wel indien er op het moment van zijn overlijden recht ontstaat op een wezenuitkering als bedoeld in artikel 9 van dit reglement. In alle andere gevallen eindigt de uitkering aan het eind van de maand van overlijden.
Uitkeringsgerechtigde leeftijd
7.3 De uitkeringsgerechtigde leeftijd is: 65 jaar.
Vervroeging
7.4 De kerk heeft het recht om de VSE te verzoeken de uitkering eerder dan bij het bereiken van de uitkeringsgerechtigde leeftijd door de (gewezen) predikant te laten ingaan, met dien verstande dat vervroeging van de ingangsdatum van de uitkering uitsluitend mogelijk is na de dag waarop de predikant de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.
ONDERDEEL B: UITKERINGEN WEGENS OVERLIJDEN
Artikel 8 Weduweuitkering
Algemeen
8.1 Dit artikel regelt de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder ten behoeve van weduwen recht bestaat op een periodieke uitkering wegens overlijden van de (gewezen) predikant.
Recht op uitkering
8.2 Bij het overlijden van een (gewezen) predikant ontstaat het recht op een uitkering ten behoeve van de weduwe.
8.3 Uitsluitend de kerk heeft recht op een uitkering tegenover de VSE. Bij het overlijden van een gewezen of gescheiden predikant kan de kerk echter de VSE machtigen namens haar uitkeringen te doen aan de weduwe als bedoeld in artikel 2.8, onderdeel b tot en met d.
Ingang en einde van de uitkering
8.4 Indien nog geen uitkering wegens leeftijd of ziekte is ingegaan, gaat de uitkering in op de eerste dag van de maand waarin het overlijden van de (gewezen) predikant plaatsvond.
Indien wel een uitkering wegens leeftijd of ziekte is ingegaan, gaat de uitkering in onmiddellijk aansluitend op het einde van de uitkering wegens leeftijd of ziekte, derhalve op de eerste dag van de derde maand volgend op het overlijden.
De uitkering is een periodieke uitkering. Elk kalenderkwartaal wordt in het midden van dat kwartaal een evenredig deel van de uitkering betaalbaar gesteld.
Het recht op uitkering bestaat tot en met de tweede maand volgend op de maand van overlijden van de weduwe, indien er op het moment van overlijden recht op een wezenuitkering ontstaat als bedoeld in artikel 9 van dit reglement. In alle andere gevallen bestaat het recht tot en met de maand van overlijden.
Hoogte van de uitkeringen ten behoeve van weduwen
8.5 1) Vervallen.
2) De hoogte van de weduweuitkering bedraagt 70% van de uitkering wegens leeftijd die reeds is ingegaan dan wel waarop volgens artikel 4 en volgende door of ten behoeve van de (gewezen) predikant aanspraak zou hebben bestaan indien de (gewezen) predikant op de dag van zijn overlijden 65 jaar en geëmeriteerd zou zijn geweest, met inachtneming van het volgende:
A. indien het een uitkering betreft ten behoeve van een weduwe als bedoeld in artikel 2.8 onderdeel b. of d. en er ten tijde van het overlijden nog geen uitkering wegens leeftijd is ingegaan, wordt voor het bepalen van de korting als bedoeld in artikel 6.4 de gewezen predikant geacht de leeftijd van 65 jaar te hebben bereikt.
B. indien het een uitkering betreft ten behoeve van een weduwe als bedoeld in artikel 2.8 onderdeel c. of d., vindt een (extra) korting op de uitkering plaats. Deze korting bedraagt:
- voor weduwen als bedoeld in artikel 2.8 onderdeel c.: 1,4% van de uitkeringsgrondslag voor elk jaar gelegen tussen het moment waarop het huwelijk met de (ontslagen) predikant is geëindigd en, zo dit later is, het moment waarop de (ontslagen) predikant de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt dan wel zou hebben bereikt.
- voor weduwen als bedoeld in artikel 2.8 onderdeel d.: 1,4% van de uitkeringsgrondslag voor elk jaar gelegen tussen het moment waarop het huwelijk met de gewezen predikant is geëindigd en, zo dit later is, het moment waarop de predikant gewezen predikant is geworden dan wel de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt indien hij na dat moment gewezen predikant is geworden.
De kortingsperiode wordt berekend in hele maanden nauwkeurig, waarbij een gedeelte van een maand als een hele maand wordt aangemerkt.
3) Indien en zolang de weduwe jonger is dan 65 jaar bedraagt het sub 2) van dit artikel bedoelde uitkeringspercentage 80%, en bedragen de sub 2) onderdeel A en onderdeel B genoemde kortingspercentages 1,6%. Het uitkeringspercentage wordt verlaagd naar 70% en de kortingspercentages van 1,6% naar 1,4% met ingang van de maand waarin de weduwe de leeftijd van 65 jaar bereikt.
4) In geval de volgens dit artikel berekende uitkering, samen met de wezenuitkering als bedoeld in artikel 9 van dit reglement en de uitkering volgens de AOW of Anw, hoger is dan het traktement als bedoeld in artikel 5.3 van dit reglement, dan wel, zo dit van toepassing is, hoger dan het traktement als bedoeld in artikel 5.6 sub 5) van dit reglement, bedraagt de uitkering het traktement verminderd met de uitkering volgens de AOW of Anw.
5) In geval van een tweede en opvolgende weduwe van een (gewezen) predikant is het bestuur bevoegd een korting toe te passen op uitkeringen ten behoeve van deze weduwe indien de uitkering(en) ten behoeve van (een) eerdere weduwe(n) daartoe aanleiding geeft.
8.6 Voor een weduwe als bedoeld in artikel 2.8 onderdeel a. en b. die jonger is dan 65 jaar en die geen recht heeft op een uitkering krachtens de Anw bestaat het recht op een aanvullende uitkering waarvan de hoogte gelijk is aan de maximale nabestaandenuitkering (dus exclusief halfwezenuitkering) die een weduwe met kinderen onder de 18 jaar uit hoofde van de Anw kan genieten.
Op deze aanvullende uitkering worden in mindering gebracht alle inkomsten uit of in verband met arbeid van de weduwe, met dien verstande dat een bedrag gelijk aan 50% van het wettelijk minimumloon plus een derde van de inkomsten daarboven niet in mindering komt.
Korting op de uitkering wegens andere inkomsten
8.7 Onverminderd het elders in dit reglement bepaalde omtrent korting op de uitkering wordt op de weduweuitkering bedoeld in artikel 8.5 van dit reglement een korting wegens eigen inkomsten in mindering gebracht.
1) In geval van een volledige weduweuitkering bedraagt deze korting 70% van alle inkomsten, niet zijnde pensioeninkomsten, uit of in verband met arbeid van de weduwe, voor zover deze inkomsten niet reeds leiden tot een korting op de ingevolge de Anw te genieten uitkering dan wel tot korting van de aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 8.6 van dit reglement.
2) In alle andere gevallen wordt de korting naar evenredigheid toegepast.
3) De korting bedraagt maximaal 50% van de weduweuitkering als bedoeld in artikel 8.5.
(8.8 Vervallen)
Hertrouwen van de weduwe
8.9 Indien een weduwe ten behoeve van wie het recht op een weduweuitkering krachtens dit artikel is vastgesteld in het huwelijk treedt, vervalt de weduweuitkering met ingang van de maand volgend op de maand van hertrouwen. Met hertrouwen in de zin van dit artikel wordt gelijkgesteld wettelijke registratie alsmede het anderszins gezamenlijk gaan voeren van één huishouding.
8.10 Mocht de betrokkene later weer weduwe worden, dan kan het bestuur op verzoek van de betrokken kerk dan wel op verzoek van de weduwe opnieuw een weduweuitkering toekennen overeenkomstig het bepaalde in dit artikel. Daarbij zal het bestuur rekening houden met een nabestaandenpensioen uit een later huwelijk en kan het bestuur bepalen dat een aanpassing van de weduweuitkering plaatsvindt overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 van dit reglement over de periode die is verstreken sedert de eerdere beëindiging van de oorspronkelijke weduweuitkering.
Uitsluitingsbepaling
8.11 Geen recht op een weduweuitkering kan aan dit reglement worden ontleend, ten behoeve van de persoon, die eerst met de predikant in het huwelijk treedt na diens emeritering, dan wel nadat de predikant gewezen predikant, anders dan ontslagen predikant, is geworden.
In bijzondere gevallen, ter beoordeling van het bestuur, kan na overleg met de Raad van Toezicht in afwijking van het in de vorige volzin bepaalde toch een weduweuitkering worden toegekend. Het bestuur is dan bevoegd om de voorwaarden voor toekenning van de uitkering en de uitkeringshoogten vast te stellen.
Besluiten om in afwijking van de eerste volzin van dit lid toch een weduweuitkering toe te kennen meldt het bestuur in het jaarverslag.
Artikel 9 Wezenuitkering
Algemeen
9.1 Dit artikel regelt de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder recht bestaat op een periodieke uitkering ten behoeve van wezen wegens overlijden van een (gewezen) predikant.
Recht op uitkering
9.2 Met betrekking tot het recht op een wezenuitkering geldt voor de gevallen waarin dit recht bestaat en voor het bepalen van de uitkeringsgerechtigde het in het vorige artikel bepaalde omtrent het recht op een weduweuitkering overeenkomstig.
9.3 In afwijking daarvan geldt dat het recht op een uitkering toekomt ten behoeve van iedere halve of volle wees als bedoeld in artikel 2.9.
Ingang en einde van de uitkering
9.4 Ter zake van de ingang en het einde van de uitkering is het bepaalde in artikel 8.4 van dit reglement van overeenkomstige toepassing.
Hoogte van de wezenuitkering
9.5 De hoogte van de wezenuitkering is gerelateerd aan de uitkering wegens leeftijd die reeds is ingegaan dan wel waarop volgens artikel 4 en volgende door of ten behoeve van de (gewezen) predikant aanspraak zou hebben bestaan indien de (gewezen) predikant op de dag van zijn overlijden 65 jaar en geëmeriteerd zou zijn geweest. Met inachtneming hiervan bedraagt de wezenuitkering op jaarbasis, onverminderd geldende kortingsbepalingen uit hoofde van dit reglement:
a. Voor iedere halve wees: 10% van de uitkering wegens leeftijd, zulks met een maximum van 30% van die uitkering wegens leeftijd per gezin;
b. Voor iedere volle wees: 20% van de uitkering wegens leeftijd, zulks met een maximum van 60% van die uitkering wegens leeftijd per gezin.
c. Indien er ten tijde van het overlijden nog geen uitkering wegens leeftijd is ingegaan, wordt voor het bepalen van de korting als bedoeld in artikel 6.4 de gewezen predikant, anders dan ontslagen predikant, geacht de leeftijd van 65 jaar te hebben bereikt.
Kortingsregeling
9.6 Het bestuur is bevoegd om op de krachtens de bepalingen van dit artikel vastgestelde wezenuitkering in mindering te brengen de inkomsten van de betrokken wees uit regelmatige arbeid, of uitkeringen te zijner behoeve, met dien verstande dat inkomsten uit particuliere verzekeringen, studiefinanciering en kinderbijslag buiten beschouwing blijven en dat nooit meer in mindering kan worden gebracht dan 50% van de wezenuitkering als bedoeld in artikel 9.5 van dit reglement.
Uitsluiting en vervallen van de uitkering
9.7 Het recht op uitkering c.q. een ingegane uitkering vervalt indien de betrokken wees niet langer voldoet aan de voorwaarden in dit artikel gesteld voor het recht op een uitkering. De uitkering eindigt alsdan met ingang van de maand volgend op die waarin niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan.
9.8 Het recht op een uitkering ten behoeve van een halve wees bestaat niet of niet langer indien de moeder van de betrokkene hertrouwt. De uitkering eindigt alsdan met ingang van de maand volgend op de maand van hertrouwen.
Het bestuur is echter op verzoek van de uitkeringsgerechtigde bevoegd een afwijkende beslissing te nemen, indien op andere wijze niet in het behoorlijke onderhoud van de wees zou kunnen worden voorzien.
Besluiten om in afwijking van de eerste volzin van dit lid toch een uitkering toe te kennen meldt het bestuur in het jaarverslag.
ONDERDEEL C: UITKERING WEGENS ZIEKTE
Artikel 10 Uitkering wegens ziekte
Algemeen
10.1 Dit artikel regelt de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder ten behoeve van een (ontslagen) predikant recht ontstaat op een uitkering wegens ziekte.
10.2 Van ziekte in de zin van dit reglement is sprake indien de (ontslagen) predikant blijkens een beschikking van een sociale verzekeringsinstelling, of een medisch rapport van een sociale verzekeringsinstelling, niet langer in staat moet worden geacht, geheel of gedeeltelijk, passende arbeid te verrichten.
Recht op uitkering
10.3 Het recht op uitkering wegens ziekte ontstaat doordat
· er bij de (ontslagen) predikant sprake is van ziekte als bedoeld in artikel 10.2; en
· in de kerkelijke weg een verplichting tot het doen van een uitkering wegens ziekte is ontstaan; en
· na de eerste ziektedag de termijn van een jaar is verstreken waarin de (ontslagen) predikant onafgebroken ziek is geweest, onverminderd de bevoegdheid van het bestuur om op grond van bijzondere omstandigheden een kortere termijn vast te stellen; en
· door de (ontslagen) predikant een uitkering ingevolge de WAZ is aangevraagd.
Indien een (ontslagen) predikant aan wie een uitkering wegens ziekte is toegekend nadien wordt afgezet of ontheven van zijn ambt dan wel zich onttrekt, blijft het recht op uitkering wegens ziekte bestaan, indien overigens aan de voorwaarden van dit reglement wordt voldaan. Geen recht op uitkering wegens ziekte kan ontstaan voor de (ontslagen) predikant die reeds de 65-jarige leeftijd heeft bereikt of een uitkering wegens leeftijd ontvangt.
10.4 Uitsluitend de kerk heeft (of kerken hebben, in geval met toepassing van dit reglement uitkering aan meer dan één kerk behoort plaats te vinden) recht op een uitkering. In geval van afzetting of ontheffing dan wel onttrekking na ingang van de uitkering, dan wel na ontslag, kan de kerk de VSE machtigen de uitkeringen namens haar rechtstreeks aan de gewezen predikant te doen.
Ingang en einde van de uitkering
10.5 1) De uitkering wegens ziekte is een periodieke uitkering, die ingaat op een door het bestuur vast te stellen datum. Deze datum kan niet liggen voor de datum waarop het recht op uitkering als bedoeld in artikel 10.3 is ontstaan.
2) De uitkering wordt toegekend voor een periode van maximaal 3 jaar, onverminderd de bevoegdheid van het bestuur de uitkering voor een langere termijn toe te kennen.
Elk kalenderkwartaal wordt in het midden van dat kwartaal een evenredig deel van de uitkering betaalbaar gesteld.
3) De toegekende uitkering wegens ziekte eindigt met ingang van de maand volgend op die waarin de mate van ziekte is gedaald beneden de 25%.
4) De uitkering is bij overlijden van de (gewezen) predikant betaalbaar tot en met de tweede maand volgend op de maand van overlijden indien hij op het moment van overlijden gehuwd is, dan wel indien er op het moment van zijn overlijden recht ontstaat op een wezenuitkering als bedoeld in artikel 9 van dit reglement. In alle andere gevallen eindigt de uitkering aan het eind van de maand van zijn overlijden.
Tevens eindigt de uitkering bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd en wel onmiddellijk voor ingang van de uitkering wegens leeftijd.
Hoogte van de uitkering
10.6 De hoogte van de uitkering wegens ziekte wordt vastgesteld op basis van het traktement als bedoeld in artikel 5 van dit reglement, met dien verstande dat voor het vaststellen van het traktement wordt genomen het traktement in het jaar voorafgaand aan het jaar waarin ziekte als bedoeld in dit reglement ontstond.
Het bepaalde in artikel 5 van dit reglement, onder andere wat betreft minimum en maximum traktement, is van overeenkomstige toepassing.
10.7 Indien de (gewezen) predikant wegens ziekte geheel of gedeeltelijk passende arbeid niet meer kan verrichten zal de hoogte van de uitkering worden vastgesteld volgens de hieronder vermelde staffel, waarbij de kolom uitkeringspercentage een percentage is van het traktement vastgesteld met inachtneming van het in dit artikel bepaalde:
|
Mate ziekte |
uitkeringspercentage |
|
25-35% |
24% |
|
35-45% |
32% |
|
45-55% |
40% |
|
55-65% |
48% |
|
65-80% |
58% |
|
80% of meer |
80% |
Beoordeling mate van ziekte
10.8 1) De mate van ziekte zal, op basis van de aangeleverde beschikking dan wel het medisch rapport van de sociale verzekeringsinstelling, worden vastgesteld door het bestuur. Deze vaststelling zal niet eerder geschieden dan na voorafgaande rapportage van een door het bestuur aan te wijzen medisch deskundige (de keuringsarts), eventueel na overleg door deze met een arbeidsdeskundige.
2) Van de in lid 1) bedoelde documenten dient de beschikking van de sociale verzekeringsinstelling te worden overlegd aan het bestuur en het medisch rapport aan de keuringsarts.
3) Indien deze documenten niet worden overlegd, zal de kerk op deze omissie worden gewezen en in de gelegenheid gesteld deze documenten alsnog binnen een door het bestuur vast te stellen termijn te overleggen.
4) Indien de kerk dan nog in gebreke blijft, zal geen uitkering worden toegekend.
(Her)keuring
10.9 Onverminderd het bepaalde in artikel 10.5 lid 3) en artikel 10.8 hebben het bestuur en de kerk de mogelijkheid op grond van tussentijdse wijzigingen een hernieuwd verzoek in te dienen dan wel herkeuring te laten plaatsvinden.
10.10 1) Indien de (her)keuring leidt tot vaststelling van een hogere mate van ziekte, zal de uitkering dienovereenkomstig worden aangepast met ingang van de eerste dag volgend op de maand waarin de verhoging van de mate van ziekte is vastgesteld.
2) Indien de (her)keuring leidt tot vaststelling van een lagere mate van ziekte, zal de uitkering dienovereenkomstig worden verlaagd, met inachtneming van een wachttijd van drie maanden.
Nadere bepalingen omtreft hoogte van de uitkeringen
10.11 Indien het totaal van de uitkering wegens ziekte en de uitkering ingevolge de WAZ samen hoger is dan het traktement als bedoeld in artikel 5.3 van dit reglement, dan wel, zo dit van toepassing is, hoger dan het traktement als bedoeld in artikel 5.6 sub 5) van dit reglement, dan bedraagt de uitkering het traktement.
10.12 Bij ziekte voor de leeftijd van 50 jaar, wordt de uitkering - na aanpassing als bedoeld in artikel 13 van dit reglement - met ingang van elk kalenderjaar verhoogd met 3% zolang de (gewezen) predikant de leeftijd van 50 jaar nog niet heeft bereikt, en dit gedurende ten hoogste 3 achtereenvolgende jaren.
Kortingsregeling
10.13 1) Op de uitkering wegens ziekte wordt in mindering gebracht de uitkering die de (gewezen) predikant ontvangt uit hoofde van de WAZ, dan wel uit hoofde van enig andere sociale zekerheidswetgeving.
2) Tevens wordt een korting toegepast voor inkomsten die de (gewezen) predikant geniet uit regelmatige arbeid, tenzij het bestuur, de kerk gehoord, omtrent de korting van inkomsten uit arbeid anders beslist. De korting bedraagt 70% van deze inkomsten, met dien verstande dat in geval van gedeeltelijke ziekte het traktement voor toepassing van de kortingsregeling buiten beschouwing blijft.
3) Bij de kortingsregeling blijven inkomsten uit een particuliere verzekering buiten beschouwing.
Inlichtingen
10.14 1) De kerk aan wie een uitkering wegens ziekte is toegekend, is verplicht om aan het bestuur gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen te verstrekken, die het bestuur nodig oordeelt om het recht op (voortduring van) de uitkering krachtens dit artikel te kunnen beoordelen. Indien de kerk een machtiging heeft verleend als bedoeld in artikel 10.4, dient zij tevens de VSE te machtigen namens haar de noodzakelijke inlichtingen rechtstreeks in te winnen bij de gewezen predikant.
2) Indien deze inlichtingen niet tijdig worden verstrekt, zal de kerk op deze omissie worden gewezen en in de gelegenheid worden gesteld deze informatie alsnog binnen een door het bestuur vast te stellen termijn te verstrekken.
3) Indien de kerk dan nog in gebreke blijft, zal de uitkering door het bestuur worden aangepast.
Beroep
10.15 De kerk heeft het recht bezwaar aan te tekenen tegen een uitspraak van het bestuur over de uitkering wegens ziekte bij een daartoe ingestelde commissie ter behandeling van bezwaarschriften. De uitspraak van deze commissie is voor beide partijen bindend.
Overgangsbepaling
10.16 Deze regeling treedt in werking op 1 juli 2003 en zal directe werking hebben voor alle nieuwe en lopende uitkeringen wegens ziekte.
ONDERDEEL D: WACHTGELDUITKERING
Artikel 11 Wachtgeld
11.1 A. Indien een predikant ophoudt predikant te zijn in de zin van dit reglement, heeft de kerk die hij het laatst heeft gediend vanaf het moment waarop hij is opgehouden predikant te zijn gedurende een periode van maximaal 2 jaar recht op een uitkering, genaamd wachtgeld, indien en voor zover aan haar in de kerkelijke weg ter zake een verplichting tot het doen van uitkeringen is opgelegd.
B. Indien het een predikant betreft aan wie ontslag is verleend, dan wordt deze periode van twee jaar verlengd met een jaar of met de periode dat hij ontslagen predikant was in geval hij korter dan een jaar ontslagen predikant was.
C. Uitkering vindt in beide gevallen slechts plaats indien en voor zolang in de vacature ontstaan door de gebeurtenis zoals omschreven in de eerste volzin van lid A. is voorzien.
11.2 De hoogte van het wachtgeld is gelijk aan 70% van het laatstgenoten traktement als bedoeld in artikel 5 van dit reglement, met dien verstande dat het bepaalde in artikel 5.2 inzake het minimumtraktement niet van toepassing is.
11.3 Op het wachtgeld zijn de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing, voor zover in dit artikel hiervan niet is afgeweken.
ONDERDEEL E: ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 12 Korting op de uitkering
12.1 Op de met inachtneming van de bepalingen van dit reglement vastgestelde uitkering worden in mindering gebracht, voor zover elders al niet geregeld:
uitkeringen, beloningen en pensioenen onder welke naam dan ook die de (gewezen) predikant tegelijkertijd uit andere hoofde ontvangt, voor zover deze niet zijn gerelateerd aan de periode dat hij fulltime predikant was.
12.2 Tot de beloningen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel worden niet gerekend inkomsten uit tegenwoordige arbeid, die een (gewezen) predikant geniet nadat voor hem een recht op uitkering wegens leeftijd is ontstaan.
12.3 Het bestuur is bevoegd de korting op grond van dit artikel geheel of ten dele achterwege te laten, in het bijzonder indien het inkomen beneden de van het minimum traktement afgeleide uitkering zou dalen of bij samenloop van korting op grond van dit artikel en de korting uit hoofde van enige andere bepaling uit dit reglement.
Artikel 13 Indexering
13.1 Het minimumtraktement en, indien het bestuur hiertoe besluit, alle ingegane uitkeringen krachtens dit reglement zullen jaarlijks per 1 januari worden aangepast overeenkomstig het CBS-cijfer betreffende de ontwikkeling van het consumentenprijsindexcijfer. Hierbij wordt het CBS-indexcijfer voor de maand oktober voorafgaande aan 1 januari gedeeld door het CBS-cijfer voor de maand oktober van het daaraan voorafgaande jaar. Indien het bestuur besluit de ingegane uitkeringen niet of gedeeltelijk aan te passen, zal dit besluit ter goedkeuring worden voorgelegd aan de algemene vergadering.
13.2 Een overeenkomstige indexering als de ingegane uitkeringen vindt plaats op het traktement van de gewezen predikant over de kalenderjaren gelegen tussen het moment dat de predikant gewezen predikant is geworden en het moment van ingang van de uitkering wegens leeftijd, waarbij het aantal kalenderjaren in hele maanden nauwkeurig wordt bepaald en een gedeelte van een maand wordt verwaarloosd.
Artikel 14 Voorbehoud
14.1 Op alle uitkeringen als bedoeld in dit reglement bestaat tegenover de VSE uitsluitend recht indien en zolang de VSE financieel in staat is om uitkeringen te verrichten. Indien derhalve de financiële omstandigheden van de VSE hiertoe aanleiding geven is het bestuur na goedkeuring van de Raad van Toezicht bevoegd alle (toekomstige) uitkeringen te verminderen of te beëindigen. Een besluit als bedoeld in de vorige volzin dient binnen drie maanden nadat de goedkeuring van de Raad van Toezicht is verkregen door de algemene vergadering te worden bekrachtigd om rechtskracht te behouden.
14.2 Wat betreft de uitkeringen ten behoeve van gewezen predikanten geldt het voorbehoud, dat zij wat betreft hun recht op uitkering en de continuering daarvan nimmer in een gunstiger positie mogen komen te verkeren dan de predikanten aan wie emeritaat is verleend, zulks op straffe van vermindering of verlies van hun recht op (voortzetting van) uitkeringen.
Artikel 15 Geldend maken recht op uitkering
15.1 Een uitkering dient bij de VSE aangevraagd te worden.
15.2 Een uitkering kan niet eerder ingaan dan een jaar (12 maanden) voor het tijdstip waarop een aanvraag om een uitkering bij de VSE is ingediend, tenzij er volgens het bestuur redenen van bijzondere aard zijn die het redelijk maken dat de uitkeringen op een eerder tijdstip ingaan. Besluiten om uitkeringen eerder in te laten gaan dan een jaar voor het tijdstip waarop de aanvraag om een uitkering bij de VSE is ingediend, meldt het bestuur in het jaarverslag.
Artikel 16 Inlichtingen
16.1 Elke kerk en iedere gewezen predikant aan wie op grond van een daartoe door een kerk verleende machtiging rechtstreeks uitkeringen worden gedaan, is verplicht om aan de VSE gevraagd en ook ongevraagd alle inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor de vaststelling van het recht op, de hoogte van of de wijziging of beëindiging van een uitkering op grond van dit reglement, in het bijzonder:
- de hoogte en samenstelling van de ambtsbeloning en de vergoeding voor ambtskosten;
- elke wijziging in de gezins- of leefsituatie die van invloed kan zijn op de uitkeringen ingevolge dit reglement.
16.2 Het bestuur is bevoegd de betaalbaarstelling van de uitkering op te schorten indien niet wordt voldaan aan het in artikel 16.1 bepaalde.
Artikel 17 Einde van de uitkering
17.1 Een krachtens dit reglement verstrekte uitkering eindigt, behoudens het overigens in dit reglement bepaalde, tegen het einde van de kalendermaand waarin zich een van de volgende omstandigheden voordoet:
a) indien niet langer wordt voldaan aan enig vereiste voor een uitkering of enige verplichting, vastgelegd in de statuten of de daarop gebaseerde reglementen van de VSE;
b) vanaf het moment dat een kerk zich niet langer gehouden acht een betaling te verrichten voor het onderhoud van de predikant en/of hun weduwe(n) of wezen en dit besluit gemotiveerd aan de VSE kenbaar maakt.
Artikel 18 Terugbetaling
18.1 Indien in enig kwartaal meer betaalbaar wordt gesteld dan de uitkering waarop ingevolge dit reglement recht bestaat, dient het meerdere binnen een maand na afloop van dat kwartaal te worden terugbetaald.
Nadien is het bestuur bevoegd het teveel betaalde vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het einde van het betreffende kwartaal terug te vorderen.
Artikel 19 Bijzonder ambtswerk
19.1 Ten behoeve van een (gewezen) predikant die laatstelijk voor zijn emeritering, ontslag, ontheffing, afzetting of onttrekking bijzonder ambtswerk verrichtte, is dit reglement van overeenkomstige toepassing, indien het bestuur met de kerk ter zake een bijzondere overeenkomst heeft gesloten.
19.2 Het bestuur kan nadere regels vaststellen ter bepaling wat onder bijzonder ambtswerk wordt verstaan, alsmede de voorwaarden waaronder en de beperkingen waaronder het reglement van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat als predikanten die bijzonder ambtswerk verrichten onder andere worden beschouwd een missionair predikant, een evangelisatiepredikant, een stichtingspredikant en een studentenpredikant.
Bijzonder ambtswerk wordt onder meer aanwezig geacht indien en voor zover het hoofddeel van de taak van een predikant is, ambtelijke arbeid te verrichten ten behoeve van het personeel, verpleegden en bewoners van een instelling of inrichting, ongeacht of deze financieel aan de kerk tegemoetkomt in de kosten van zijn ambtswerk.
Artikel 20 Bijzondere gevallen
20.1 In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet is het bestuur bevoegd in de geest van het reglement een beslissing te nemen, zulks na hiertoe verkregen goedkeuring van de Raad van toezicht.
In gevallen waarin de toepassing van dit reglement tot kennelijke onredelijkheid of bijzondere hardheid, zulks ter beoordeling van het bestuur, zou leiden, is het bestuur, eveneens na verkregen goedkeuring van de Raad van toezicht, bevoegd een nadere beslissing te nemen in afwijking van dit reglement.
20.2 Van elke beslissing genomen krachtens dit artikel maakt de VSE melding in haar jaarverslag.
Artikel 21 Inwerkingtreding
21.1 Dit reglement is in werking getreden op 6 augustus 1999 en vindt toepassing met ingang van 6 mei 1999.
21.2 In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt voor situaties waarin aanspraak kan worden gemaakt op een uitkering volgens artikel 11, dat dit reglement toepassing vindt vanaf 1 januari 1997. In afwijking van artikel 15, lid 2 dient een aanvraag voor een dergelijke uitkering binnen zes maanden na inwerkingtreding van dit reglement te worden ingediend. Met inwerkingtreding van dit reglement komen alle eerdere uitkeringsreglementen te vervallen.
|